Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W05.02.0444/III

Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de aanscherping van een aantal voorschriften betreffende de bekostiging van het beroepsonderwijs en het hoger onderwijs.

Kenmerk
W05.02.0444/III
Datum advies
8 november 2002
Vindplaats
Kamerstukken II 2002/03, 28 817, A
  • Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
  • Wet

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de aanscherping van een aantal voorschriften betreffende de bekostiging van het beroepsonderwijs en het hoger onderwijs.

Bij Kabinetsmissive van 10 oktober 2002, no.02.004630, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, A.D.S.M. Nijs, mede namens de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de aanscherping van een aantal voorschriften betreffende de bekostiging van het beroepsonderwijs en het hoger onderwijs.

Het voorstel bevat maatregelen die moeten voorkómen dat onderwijsinstellingen misbruik maken van bekostigingsvoorschriften voor het beroepsonderwijs, het hoger beroepsonderwijs, en het wetenschappelijk onderwijs. De hoogte van de bekostiging hangt voor een belangrijk deel af van het aantal studenten of deelnemers dat op een peildatum is ingeschreven bij een instelling en van het aantal diploma’s dat een instelling in een jaar uitreikt.
Naar aanleiding van onderzoek over mogelijk misbruik van de bekostigingsvoorschriften worden in het voorstel wijzigingen in de voorschriften aangebracht.
De Raad van State maakt kanttekeningen bij de positie van student-assistenten en andere studenten of deelnemers die tevens bij hun eigen onderwijsinstelling werkzaam zijn, en over deelnemers die in één jaar meer dan één diploma halen.

1. Ingevolge het voorstel wordt artikel 2.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) en artikel 2.6 van de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek (WHW) zodanig gewijzigd dat "degenen die op enigerlei wijze verbonden zijn aan een instelling" niet meer mee kunnen tellen bij de vaststelling van het aantal studenten of deelnemers.(zie noot 1) Volgens de toelichting voorkomt dit dubbele bekostiging, omdat instellingen al een rijksbijdrage ontvangen voor de scholing van hun medewerkers.(zie noot 2)
Het voorstel gaat ervan uit dat een strikt onderscheid kan worden gemaakt tussen enerzijds studenten of deelnemers en anderzijds medewerkers. Naar het oordeel van de Raad is dit in de praktijk niet altijd het geval. Zo kunnen in het hoger onderwijs studenten vaak tevens werkzaam zijn als student-assistent. Maar ook is het mogelijk dat medewerkers van de instelling een opleiding volgen die geen verband heeft met hun functie. In het voorstel krijgt een instelling voor deze groepen studenten geen bekostiging meer.
De vraag rijst of deze gevolgen van de ruime omschrijving "degenen die op enigerlei wijze verbonden zijn aan een instelling" voldoende zijn onderkend. De Raad adviseert aan dit aspect aandacht te besteden in de toelichting.

2. Ingevolge het voorgestelde artikel 2.2.2, zesde lid, WEB, wordt degene die een diploma behaalt voor de bekostiging slechts één keer meegeteld, ook al heeft deze binnen één jaar meer dan één diploma behaald. Het tegengaan dat instellingen bekostiging ontvangen voor diploma’s, zonder dat de instelling of de deelnemer hiervoor een redelijke inspanning heeft geleverd, weegt zwaarder dat het nadeel dat instellingen hiervan ondervinden, aldus de toelichting.
De WEB kent echter twee categorieën opleidingen met een studieduur die korter is dan één jaar. Dit zijn de categorieën "assistentopleiding" met een studieduur van tenminste een half jaar en ten hoogste één jaar, en de categorie "andere opleidingen" met een studieduur van tenminste 15 weken.(zie noot 3) Ervan uitgaande dat het hier opleidingen betreft die een redelijke inspanning vergen, is het dus wel mogelijk dat een deelnemer binnen één jaar twee of zelfs drie diploma’s behaalt. Het lijkt dan ook niet consequent om in het systeem van de WEB wèl de mogelijkheid te bieden dat een voortvarende deelnemer in één jaar meerdere diploma’s kan behalen, maar slechts één diploma te bekostigen.
De Raad adviseert in de toelichting hieraan nadere aandacht te besteden.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.

De Vice-President van de Raad van State



Nader rapport (reactie op het advies) van 11 maart 2003

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat aan de door hem gemaakte opmerkingen aandacht zal zijn geschonken.

1. De Raad plaatst naar aanleiding van het niet meer kunnen meetellen bij de vaststelling van het aantal studenten of deelnemers van "degenen die op enigerlei wijze verbonden zijn aan een instelling" kanttekeningen bij de positie van student-assistenten en van medewerkers van een instelling die een opleiding volgen die geen verband heeft met hun functie. Hij adviseert aan dit aspect aandacht te besteden in de toelichting.
Ik ben van mening dat de Raad van State terecht wijst op de positie van student-assistenten. Ook al verrichten die voor een universiteit werkzaamheden in dienstverband, zij blijven toch in de eerste plaats studenten. Het zou bij nader inzien niet redelijk zijn deze groep buiten de bekostiging te houden. Niet ondenkbaar is dat nog andere werkverbanden blijken te bestaan of in de toekomst zullen ontstaan ten aanzien waarvan eenzelfde conclusie moet worden getrokken. Het wetsvoorstel dient met het oog hierop te worden uitgebreid met de mogelijkheid bij algemene maatregel van bestuur uitzonderingen op de algemene regel te maken. Niet alleen de toelichting maar ook het wetsvoorstel is in verband hiermee aangepast.

Voorzover het gaat om medewerkers van een instelling die aan de eigen instelling een opleiding volgen, merk ik overigens op dat het mijns inziens niet relevant is of de gevolgde opleiding wel of geen verband houdt met de functie. Het staat de instellingen vrij uit de rijksbijdrage een scholingsbudget voor het eigen personeel vrij te maken en daaruit ook voor deze scholing een gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming in de kosten te verstrekken. Voor deze categorie behoeft in de hiervoor aangekondigde algemene maatregel van bestuur derhalve geen uitzondering te worden opgenomen. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad van State heb ik niettemin in de toelichting voor alle duidelijkheid toegevoegd dat het niet terzake doet of de betreffende opleiding wel of geen verband houdt met de functie.

2. De tweede kanttekening die de Raad van State maakt, houdt verband met hetgeen wordt voorgesteld ten aanzien van artikel 2.2.2, zesde lid, van de WEB. Aan de aanbeveling van de Raad is gevolg gegeven door in de toelichting op artikel I, onderdeel B een passage toe te voegen waarin tot uitdrukking komt dat het ook in deze situatie aanvaardbaar is de beperking van de risicogevoeligheid van het systeem te laten prevaleren aangezien de kans dat instellingen daarvan enig nadeel zullen ondervinden verwaarloosbaar klein is.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om nog een aantal technische verbeteringen in de voorgestelde wettekst en de memorie van toelichting aan te brengen, te weten:
- in artikel I, onderdeel B, eerste lid, zijn twee redactionele verbeteringen aangebracht ("die" is vervangen door: dat, en "hebben" is vervangen door: heeft);
- in de toelichting bij artikel I, onderdeel B, is eenqua strekking wel, maar letterlijk niet juist weergegeven citaat gecorrigeerd;
- in artikel I, onderdeel D en artikel II, onderdeel C is toegevoegd dat ook voorschriften kunnen worden gegeven omtrent de jaarrekening;
- in de toelichting op artikel I, onderdeel D en artikel II, onderdeel C is aangegeven dat in de algemene maatregel van bestuur een aantal algemene uitgangspunten zal worden opgenomen ten aanzien van het controleprotocol maar dat het controleprotocol zelf de vorm krijgt van een ministeriële regeling;
- artikel III, onderdeel A, is bij nader inzien een overbodige bepaling en kan daarom vervallen. Lesgeld wordt rechtstreeks aan de Informatie Beheer Groep voldaan, de instelling staat hier geheel buiten. Een situatie als aan de orde was in de zogenaamde "Vlaamse casus" waarbij instellingen en een bemiddelingsbureau samenwerkten, kan zich hier niet voordoen. Uit het zogenaamde zelfreinigend onderzoek is weliswaar naar voren gekomen dat verschillende instellingen uit de rijksbijdrage het lesgeld voor de deelnemers betalen maar deze wijze van handelen is in strijd met de wet. De formulering van het oorspronkelijk voorgestelde artikel III, onderdeel B, is iets aangepast en daardoor meer in overeenstemming gebracht met de rest van artikel 6 van de Les- en cursusgeldwet. Artikel I, onderdeel F en artikel II, onderdeel E, zijn op overeenkomstige wijze aangepast.

Ik moge U, mede namens de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verzoeken het hierbij gevoegde, gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen



(1) Voor de WEB in artikel I, onder B, en voor de WHW in artikel II, onder A.
(2) Memorie van toelichting, toelichting bij artikel I, onder B, tweede tekstblok.
(3) WEB artikel 7.2.2, eerste lid, onder a en f, en artikel 7.2.4, vijfde lid, onder a en f.

  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon