Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 en het Besluit rijkssubsidiëring onderhoud monumenten.
- Kenmerk
- W05.02.0394/III
- Datum advies
- 25 oktober 2002
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 8 april 2003, nr 69
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 en het Besluit rijkssubsidiëring onderhoud monumenten.
Bij Kabinetsmissive van 9 september 2002, no.02.004149, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, mr. drs. C.H.J. van Leeuwen, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 en het Besluit rijkssubsidiëring onderhoud monumenten.
Het ontwerpbesluit bevat wijzigingen in het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 (Brrm 1997) die ertoe strekken de indeling in categorieën monumenten voor subsidiebudgetten van gemeenten en provincies te laten vervallen en het Brrm 1997 aan te passen aan de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), waarbij tevens een verruiming van de groep van eigenaren die in aanmerking komt voor een hoger subsidiepercentage is vastgelegd. Daarnaast strekt dit besluit ertoe de grens- en drempelbedragen voor de subsidie ten behoeve van het onderhoud aan molens in het Besluit rijkssubsidiëring onderhoud monumenten (Brom) te verhogen.
De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit een aantal opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Belasting Nationaal Restauratiefonds
Het Nationaal Restauratiefonds (NRF) krijgt van de overheid een grotere rol toebedeeld in de monumentenzorg doordat fiscaal relevante eigenaren sinds september 2002 een laagrentende lening (een Restauratiefonds-hypotheek) kunnen aanvragen. Niet duidelijk is of het NRF de verwachte toename van hypotheekaanvragen administratief en financieel kan verwerken. Volgens de toelichting zal pas in 2008 een deel van de begrotingsmiddelen bestemd zijn voor versterking van het NRF.(zie noot 1) De subsidiebudgetten voor de jaren 2002 tot en met 2007 zijn inmiddels vastgesteld, waardoor het niet mogelijk is een deel van deze budgetten beschikbaar te stellen aan het NRF. De Raad adviseert in de toelichting in te gaan op de financiële middelen van het NRF tot 2008.
2. Subsidieaanvraag naast hypothecaire NRF-lening?
Volgens de toelichting zullen naar verwachting veel eigenaren kiezen voor de mogelijkheid van een laagrentende lening via het NRF en derhalve geen beroep
doen op de regeling van het Brrm 1997.(zie noot 2) Eén van de voorwaarden om voor een lening in aanmerking te komen is dat er bij de gemeente geen subsidie voor dezelfde restauratie is aangevraagd.(zie noot 3) Hieruit kan geconcludeerd worden dat eigenaren een lening dan wel een subsidie kunnen krijgen.
Artikel 20 Brrm 1997 stelt dat de eigenaar aan wie een subsidie is verleend in aanmerking komt voor een door de Stichting Nationaal Restauratiefonds te verstrekken hypothecaire geldlening. Ook vermeldt de toelichting dat de mogelijkheid tot het aanvragen van subsidie op grond van het Brrm 1997 door fiscaal relevante eigenaren niet wordt aangetast.(zie noot 4) Er is gezien de voorwaarden voor een hypothecaire lening sprake van een beperking in de subsidiemogelijkheid. Tevens is bepaald in artikel 21, tweede en derde lid, Brrm 1997 dat, indien er sprake is van een hypothecaire lening, het subsidiebudget van de desbetreffende gemeente of de provincie met 30% van de subsidiabele kosten of bij een ontoereikend budget in verhouding tot de subsidies wordt verminderd. Het college adviseert artikel 20 Brrm 1997 en de toelichting in verband met het voorgaande aan te passen en aan te geven hoe artikel 21, tweede en derde lid, Brrm 1997 zich verhoudt tot het nieuwe systeem.
3. Vervallen van onderscheid tussen in-bedrijf-zijnde en niet-in-bedrijf-zijnde molens
In artikel II wordt artikel 4 Brom gewijzigd. Dit artikel regelt de hoogte van grens- en drempelbedragen voor subsidie ten behoeve van onderhoudskosten aan verschillende monumenten. Het ontwerpbesluit strekt tot gelijkschakeling van de subsidies voor in-bedrijf-zijnde en niet-in-bedrijf-zijnde molens. Het afschaffen van dit onderscheid is gezien het gestelde in de toelichting begrijpelijk.(zie noot 5)
Naar de mening van de Raad heeft het de voorkeur het formele onderscheid tussen in-bedrijf-zijnde en niet-in-bedrijf-zijnde molens in artikel 3, eerste lid, Brom te laten vervallen. In artikel 3, eerste lid, Brom worden de verschillende categorieën monumenten genoemd die in aanmerking komen voor een dergelijke subsidie. In dit artikel wordt in de onderdelen g en h onderscheid gemaakt tussen in-bedrijf-zijnde en niet-in-bedrijf-zijnde molens. Het ontwerpbesluit trekt slechts het subsidiebedrag in artikel 4 Brom gelijk en wijzigt niet het onderscheid in artikel 3, eerste lid, Brom. Het college adviseert het onderscheid in artikel 3, eerste lid, eveneens af te schaffen.
4. Terugwerkende kracht en anticipatie
Degenen die in aanmerking komen voor een hoger subsidiepercentage staan in artikel 17, derde lid, Brrm 1997. Het ontwerpbesluit breidt deze groep in artikel I, onderdeel G, uit. Deze uitbreiding heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 (artikel III). Volgens de toelichting is er feitelijk al rekening gehouden met het nieuwe stelsel, waardoor er geen nadelige gevolgen zijn.(zie noot 6) De Raad merkt hierover het volgende op.
De terugwerkende kracht van artikel 17, derde lid, onderdelen b en d, Brrm 1997 is niet gemotiveerd. De toelichting stelt dat aan de wijzigingen in artikel 17 Brrm terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 wordt verleend, omdat op die datum de Wet IB 2001 van kracht is geworden. Terugwerkende kracht is alleen mogelijk indien er een bijzondere reden aan ten grondslag ligt (aanwijzing 167 van de Aanwijzingen voor de regelgeving). Deze bijzondere reden is naar het oordeel van de Raad niet gelegen in de datum waarop de wet IB 2001 van kracht is geworden.
Het is niet uitgesloten dat subsidieaanvragen van belanghebbenden zijn geweigerd doordat subsidie met een hoger percentage contra legem is verleend, namelijk op basis van de nog niet in werking getreden wijzigingen in artikel 17, derde lid, Brrm 1997, waardoor het subsidieplafond was bereikt. Hierdoor kunnen belanghebbenden zijn benadeeld. Verder geldt dat afwijzingen op grond van het bereiken van het subsidieplafond in dit soort gevallen onvoldoende draagkrachtig zijn gemotiveerd.(zie noot 7) Gezien het vorenstaande adviseert de Raad geen terugwerkende kracht te verlenen aan artikel I, onderdeel G. Dat zou slechts anders kunnen zijn indien de wijziging van artikel 17, derde lid, Brrm 1997 tijdig, voor 1 januari 2001 kenbaar zou zijn gemaakt.
5. Vrij inzetbare budgetten voor 2002 tot en met 2007
De toelichting stelt dat alle nog openstaande budgetten voor de jaren 2002 tot en met 2007 vrij inzetbaar zullen worden bij de inwerkingtreding van dit besluit.(zie noot 8) Onbekend is of de provincies en gemeenten in 2002 feitelijke uitvoering hebben gegeven aan de nu nog geldende categorie-indeling. Gemeenten weigeren alsdan subsidie te verlenen op het moment dat het budget onvoldoende is in de ene categorie (en ook de 50% van de andere categorie is verbruikt), ondanks dat er geld beschikbaar is voor de andere categorie. Als de categorie-indeling voor het jaar 2002 vervalt is er met terugwerkende kracht wel geld beschikbaar voor een categorie waar eerder het budget uitgeput leek te zijn. De Raad adviseert in de toelichting in te gaan op de mogelijkheid om opnieuw een aanvraag in te dienen en om hierbij de betekenis van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht te betrekken.
6. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 25 oktober 2002, no.W05.02.0394/III, met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
- Volgens wijziging E vervalt artikel 7 van het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 (Brrm 1997), maar in de artikelen 2, vierde lid, en 13, tweede lid, Brrm 1997 wordt verwezen naar artikel 7 Brrm 1997. In het ontwerpbesluit is hier geen wijziging voor opgenomen. Het verdient aanbeveling om te bezien of de verwijzing naar artikel 7 Brrm 1997 in deze artikelen kan vervallen of dat andere aanpassing noodzakelijk is.
Nader rapport (reactie op het advies) van 18 februari 2003
1. Het Nationaal Restauratiefonds (NRF) kan de verwachte toename van aanvragen tot het verstrekken van hypothecaire leningen zowel administratief als financieel goed verwerken. Het NRF is ook nu reeds belast met de financiële afhandeling van subsidie die de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op basis van het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 (Brrm 1997) aan de eigenaren verleent. De toename van het aantal hypothecaire leningen zal tot gevolg hebben dat het aantal subsidieverleningen afneemt. In die zin zal er voor het NRF sprake zijn van een verschuiving van werkzaamheden. Bovendien verstrekt het NRF ook thans reeds op grote schaal dergelijke hypothecaire leningen. Het betreft dan ook geenszins een nieuwe activiteit voor het NRF.
Aan de aanbeveling van de Raad om in de nota van toelichting in te gaan op de financiële middelen van het NRF is in paragraaf 2 gevolg gegeven.
2. Terecht heeft de Raad geconstateerd dat in zijn algemeenheid eigenaren (van woonhuizen) kunnen kiezen tussen een restauratiesubsidie volgens de bepalingen van het Brrm 1997 en een laagrentende lening onder hypotheekstelling van het NRF. Daarbij moet evenwel worden bedacht dat het bij dat laatste gaat om een z.g. Restauratiefondshypotheek ter grootte van 70% van de fiscaal aftrekbare kosten die in plaats van subsidie wordt verstrekt. De hypothecaire lening waarop in artikel 20 wordt gedoeld, betreft de z.g. restauratiehypotheek. Het gaat daarbij om een aanvulling op de subsidie (van 20% van de subsidiabele restauratiekosten) voor de z.g. fiscaal relevante eigenaren in de vorm van een hypothecaire lening ter grootte van 30% van de subsidiabele restauratiekosten. Dergelijke hypothecaire leningen worden derhalve alleen in combinatie met subsidie verstrekt.
Anders dan de Raad ben ik van mening dat het hier om een sluitend stelsel gaat en dat artikel 20 geen aanpassing behoeft.
3. Aan de aanbeveling van de Raad het formele onderscheid tussen in-bedrijf-zijnde en niet-in-bedrijf-zijnde molens in artikel 3, eerste lid, van het Besluit rijkssubsidiëring onderhoud monumenten te laten vervallen, heb ik gevolg gegeven. Ik heb daarbij van de gelegenheid gebruik gemaakt de omschrijving van de desbetreffende categorie enigszins aan te passen. Thans heb ik besloten de voorgenomen verhoging van het drempelbedrag voor subsidie voor molens niet door te laten gaan. Bij subsidieaanvragen voor onderhoudskosten van molens gaat het meestal om bedragen die ruim boven het drempelbedrag liggen. Een verhoging daarvan tot ‡ 272 zou op de uitvoeringspraktijk geen noemenswaardige invloed hebben. Om zeker te stellen dat de voorgestelde wijziging al kan worden betrokken bij de beslissing op subsidieaanvragen voor onderhoudswerkzaamheden die in 2002 zijn uitgevoerd is voorts aan artikel II terugwerkende kracht verleend.
4. Bij nadere overweging onderschrijf ik het oordeel van de Raad dat de omstandigheid dat de Wet inkomstenbelasting 2001 met ingang van 1 januari 2001 van kracht is geworden niet een zodanige bijzondere reden is dat zij de terugwerkende kracht van de in artikel I, onderdeel G, opgenomen wijziging van artikel 17, derde lid, van het Brrm 1997 zou rechtvaardigen. In verband daarmee is artikel III aangepast.
5. De situatie die zal ontstaan als gevolg van het vervallen van de categorie-indeling is niet wezenlijk verschillend van de situatie die ontstond tengevolge van de wijziging van het Brrm 1997 bij Besluit van 19 september 2000 (Stb 2000, 390). Bij dat besluit werd het aantal categorieën monumenten teruggebracht van drie naar twee en werd voorts een beperkte mogelijkheid gecreëerd voor de budgethoudende gemeenten en de provincies om het budget van een van de categorieën te verhogen ten koste van de andere categorie. Over de gevolgen van deze wijziging voor de eigenaren van monumenten is bij die gelegenheid door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg aandacht besteed bij haar voorlichtingsactiviteiten. Ook naar aanleiding van de onderhavige wijziging zal de nodige voorlichting worden gegeven. In de categorie van monumenten waarvoor het vervallen van de categorie-indeling gevolg zal hebben, t.w. de overige monumenten, komt overigens een weigering van de subsidie-aanvraag wegens ontoereikend budget voor de komende zes jaar maar zelden voor. In de praktijk wordt in die categorie bij subsidieaanvragen veelal gewerkt met gedeeltelijke subsidieverlening.
Overigens dient wel te worden bedacht dat het in eerste instantie een zaak van de (budgethoudende) gemeente en provincie blijft te bepalen voor welke monumenten de vrij inzetbare budgetten worden aangewend.
De redactionele kanttekening van de Raad is in het ontwerp verwerkt.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
(1) Memorie van toelichting, paragraaf 2, Vervallen categorie-indeling, laatste tekstblok.
(2) Memorie van toelichting, paragraaf 2, Vervallen categorie-indeling, tweede tekstblok.
(3) De restauratie-hypotheek, Voorwaarden & kenmerken, paragraaf 2.1, Voorwaarden, http://www.restauratiefonds.nl. (versie 2 september 2002).
(4) Memorie van toelichting, paragraaf 2, Vervallen categorie-indeling, vierde tekstblok.
(5) Memorie van toelichting, paragraaf 4, Verhoging grens- en drempelbedragen, eerste tekstblok.
(6) Memorie van toelichting, paragraaf 6, Artikelsgewijs, Artikel III.
(7) ABRS 26 september 2001, AB 2001/356 m.nt. NV.
(8) Memorie van toelichting, paragraaf 2, Vervallen categorie-indeling, laatste tekstblok.
Het ontwerpbesluit bevat wijzigingen in het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 (Brrm 1997) die ertoe strekken de indeling in categorieën monumenten voor subsidiebudgetten van gemeenten en provincies te laten vervallen en het Brrm 1997 aan te passen aan de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), waarbij tevens een verruiming van de groep van eigenaren die in aanmerking komt voor een hoger subsidiepercentage is vastgelegd. Daarnaast strekt dit besluit ertoe de grens- en drempelbedragen voor de subsidie ten behoeve van het onderhoud aan molens in het Besluit rijkssubsidiëring onderhoud monumenten (Brom) te verhogen.
De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit een aantal opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Belasting Nationaal Restauratiefonds
Het Nationaal Restauratiefonds (NRF) krijgt van de overheid een grotere rol toebedeeld in de monumentenzorg doordat fiscaal relevante eigenaren sinds september 2002 een laagrentende lening (een Restauratiefonds-hypotheek) kunnen aanvragen. Niet duidelijk is of het NRF de verwachte toename van hypotheekaanvragen administratief en financieel kan verwerken. Volgens de toelichting zal pas in 2008 een deel van de begrotingsmiddelen bestemd zijn voor versterking van het NRF.(zie noot 1) De subsidiebudgetten voor de jaren 2002 tot en met 2007 zijn inmiddels vastgesteld, waardoor het niet mogelijk is een deel van deze budgetten beschikbaar te stellen aan het NRF. De Raad adviseert in de toelichting in te gaan op de financiële middelen van het NRF tot 2008.
2. Subsidieaanvraag naast hypothecaire NRF-lening?
Volgens de toelichting zullen naar verwachting veel eigenaren kiezen voor de mogelijkheid van een laagrentende lening via het NRF en derhalve geen beroep
doen op de regeling van het Brrm 1997.(zie noot 2) Eén van de voorwaarden om voor een lening in aanmerking te komen is dat er bij de gemeente geen subsidie voor dezelfde restauratie is aangevraagd.(zie noot 3) Hieruit kan geconcludeerd worden dat eigenaren een lening dan wel een subsidie kunnen krijgen.
Artikel 20 Brrm 1997 stelt dat de eigenaar aan wie een subsidie is verleend in aanmerking komt voor een door de Stichting Nationaal Restauratiefonds te verstrekken hypothecaire geldlening. Ook vermeldt de toelichting dat de mogelijkheid tot het aanvragen van subsidie op grond van het Brrm 1997 door fiscaal relevante eigenaren niet wordt aangetast.(zie noot 4) Er is gezien de voorwaarden voor een hypothecaire lening sprake van een beperking in de subsidiemogelijkheid. Tevens is bepaald in artikel 21, tweede en derde lid, Brrm 1997 dat, indien er sprake is van een hypothecaire lening, het subsidiebudget van de desbetreffende gemeente of de provincie met 30% van de subsidiabele kosten of bij een ontoereikend budget in verhouding tot de subsidies wordt verminderd. Het college adviseert artikel 20 Brrm 1997 en de toelichting in verband met het voorgaande aan te passen en aan te geven hoe artikel 21, tweede en derde lid, Brrm 1997 zich verhoudt tot het nieuwe systeem.
3. Vervallen van onderscheid tussen in-bedrijf-zijnde en niet-in-bedrijf-zijnde molens
In artikel II wordt artikel 4 Brom gewijzigd. Dit artikel regelt de hoogte van grens- en drempelbedragen voor subsidie ten behoeve van onderhoudskosten aan verschillende monumenten. Het ontwerpbesluit strekt tot gelijkschakeling van de subsidies voor in-bedrijf-zijnde en niet-in-bedrijf-zijnde molens. Het afschaffen van dit onderscheid is gezien het gestelde in de toelichting begrijpelijk.(zie noot 5)
Naar de mening van de Raad heeft het de voorkeur het formele onderscheid tussen in-bedrijf-zijnde en niet-in-bedrijf-zijnde molens in artikel 3, eerste lid, Brom te laten vervallen. In artikel 3, eerste lid, Brom worden de verschillende categorieën monumenten genoemd die in aanmerking komen voor een dergelijke subsidie. In dit artikel wordt in de onderdelen g en h onderscheid gemaakt tussen in-bedrijf-zijnde en niet-in-bedrijf-zijnde molens. Het ontwerpbesluit trekt slechts het subsidiebedrag in artikel 4 Brom gelijk en wijzigt niet het onderscheid in artikel 3, eerste lid, Brom. Het college adviseert het onderscheid in artikel 3, eerste lid, eveneens af te schaffen.
4. Terugwerkende kracht en anticipatie
Degenen die in aanmerking komen voor een hoger subsidiepercentage staan in artikel 17, derde lid, Brrm 1997. Het ontwerpbesluit breidt deze groep in artikel I, onderdeel G, uit. Deze uitbreiding heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 (artikel III). Volgens de toelichting is er feitelijk al rekening gehouden met het nieuwe stelsel, waardoor er geen nadelige gevolgen zijn.(zie noot 6) De Raad merkt hierover het volgende op.
De terugwerkende kracht van artikel 17, derde lid, onderdelen b en d, Brrm 1997 is niet gemotiveerd. De toelichting stelt dat aan de wijzigingen in artikel 17 Brrm terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 wordt verleend, omdat op die datum de Wet IB 2001 van kracht is geworden. Terugwerkende kracht is alleen mogelijk indien er een bijzondere reden aan ten grondslag ligt (aanwijzing 167 van de Aanwijzingen voor de regelgeving). Deze bijzondere reden is naar het oordeel van de Raad niet gelegen in de datum waarop de wet IB 2001 van kracht is geworden.
Het is niet uitgesloten dat subsidieaanvragen van belanghebbenden zijn geweigerd doordat subsidie met een hoger percentage contra legem is verleend, namelijk op basis van de nog niet in werking getreden wijzigingen in artikel 17, derde lid, Brrm 1997, waardoor het subsidieplafond was bereikt. Hierdoor kunnen belanghebbenden zijn benadeeld. Verder geldt dat afwijzingen op grond van het bereiken van het subsidieplafond in dit soort gevallen onvoldoende draagkrachtig zijn gemotiveerd.(zie noot 7) Gezien het vorenstaande adviseert de Raad geen terugwerkende kracht te verlenen aan artikel I, onderdeel G. Dat zou slechts anders kunnen zijn indien de wijziging van artikel 17, derde lid, Brrm 1997 tijdig, voor 1 januari 2001 kenbaar zou zijn gemaakt.
5. Vrij inzetbare budgetten voor 2002 tot en met 2007
De toelichting stelt dat alle nog openstaande budgetten voor de jaren 2002 tot en met 2007 vrij inzetbaar zullen worden bij de inwerkingtreding van dit besluit.(zie noot 8) Onbekend is of de provincies en gemeenten in 2002 feitelijke uitvoering hebben gegeven aan de nu nog geldende categorie-indeling. Gemeenten weigeren alsdan subsidie te verlenen op het moment dat het budget onvoldoende is in de ene categorie (en ook de 50% van de andere categorie is verbruikt), ondanks dat er geld beschikbaar is voor de andere categorie. Als de categorie-indeling voor het jaar 2002 vervalt is er met terugwerkende kracht wel geld beschikbaar voor een categorie waar eerder het budget uitgeput leek te zijn. De Raad adviseert in de toelichting in te gaan op de mogelijkheid om opnieuw een aanvraag in te dienen en om hierbij de betekenis van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht te betrekken.
6. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 25 oktober 2002, no.W05.02.0394/III, met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
- Volgens wijziging E vervalt artikel 7 van het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 (Brrm 1997), maar in de artikelen 2, vierde lid, en 13, tweede lid, Brrm 1997 wordt verwezen naar artikel 7 Brrm 1997. In het ontwerpbesluit is hier geen wijziging voor opgenomen. Het verdient aanbeveling om te bezien of de verwijzing naar artikel 7 Brrm 1997 in deze artikelen kan vervallen of dat andere aanpassing noodzakelijk is.
Nader rapport (reactie op het advies) van 18 februari 2003
1. Het Nationaal Restauratiefonds (NRF) kan de verwachte toename van aanvragen tot het verstrekken van hypothecaire leningen zowel administratief als financieel goed verwerken. Het NRF is ook nu reeds belast met de financiële afhandeling van subsidie die de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op basis van het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 (Brrm 1997) aan de eigenaren verleent. De toename van het aantal hypothecaire leningen zal tot gevolg hebben dat het aantal subsidieverleningen afneemt. In die zin zal er voor het NRF sprake zijn van een verschuiving van werkzaamheden. Bovendien verstrekt het NRF ook thans reeds op grote schaal dergelijke hypothecaire leningen. Het betreft dan ook geenszins een nieuwe activiteit voor het NRF.
Aan de aanbeveling van de Raad om in de nota van toelichting in te gaan op de financiële middelen van het NRF is in paragraaf 2 gevolg gegeven.
2. Terecht heeft de Raad geconstateerd dat in zijn algemeenheid eigenaren (van woonhuizen) kunnen kiezen tussen een restauratiesubsidie volgens de bepalingen van het Brrm 1997 en een laagrentende lening onder hypotheekstelling van het NRF. Daarbij moet evenwel worden bedacht dat het bij dat laatste gaat om een z.g. Restauratiefondshypotheek ter grootte van 70% van de fiscaal aftrekbare kosten die in plaats van subsidie wordt verstrekt. De hypothecaire lening waarop in artikel 20 wordt gedoeld, betreft de z.g. restauratiehypotheek. Het gaat daarbij om een aanvulling op de subsidie (van 20% van de subsidiabele restauratiekosten) voor de z.g. fiscaal relevante eigenaren in de vorm van een hypothecaire lening ter grootte van 30% van de subsidiabele restauratiekosten. Dergelijke hypothecaire leningen worden derhalve alleen in combinatie met subsidie verstrekt.
Anders dan de Raad ben ik van mening dat het hier om een sluitend stelsel gaat en dat artikel 20 geen aanpassing behoeft.
3. Aan de aanbeveling van de Raad het formele onderscheid tussen in-bedrijf-zijnde en niet-in-bedrijf-zijnde molens in artikel 3, eerste lid, van het Besluit rijkssubsidiëring onderhoud monumenten te laten vervallen, heb ik gevolg gegeven. Ik heb daarbij van de gelegenheid gebruik gemaakt de omschrijving van de desbetreffende categorie enigszins aan te passen. Thans heb ik besloten de voorgenomen verhoging van het drempelbedrag voor subsidie voor molens niet door te laten gaan. Bij subsidieaanvragen voor onderhoudskosten van molens gaat het meestal om bedragen die ruim boven het drempelbedrag liggen. Een verhoging daarvan tot ‡ 272 zou op de uitvoeringspraktijk geen noemenswaardige invloed hebben. Om zeker te stellen dat de voorgestelde wijziging al kan worden betrokken bij de beslissing op subsidieaanvragen voor onderhoudswerkzaamheden die in 2002 zijn uitgevoerd is voorts aan artikel II terugwerkende kracht verleend.
4. Bij nadere overweging onderschrijf ik het oordeel van de Raad dat de omstandigheid dat de Wet inkomstenbelasting 2001 met ingang van 1 januari 2001 van kracht is geworden niet een zodanige bijzondere reden is dat zij de terugwerkende kracht van de in artikel I, onderdeel G, opgenomen wijziging van artikel 17, derde lid, van het Brrm 1997 zou rechtvaardigen. In verband daarmee is artikel III aangepast.
5. De situatie die zal ontstaan als gevolg van het vervallen van de categorie-indeling is niet wezenlijk verschillend van de situatie die ontstond tengevolge van de wijziging van het Brrm 1997 bij Besluit van 19 september 2000 (Stb 2000, 390). Bij dat besluit werd het aantal categorieën monumenten teruggebracht van drie naar twee en werd voorts een beperkte mogelijkheid gecreëerd voor de budgethoudende gemeenten en de provincies om het budget van een van de categorieën te verhogen ten koste van de andere categorie. Over de gevolgen van deze wijziging voor de eigenaren van monumenten is bij die gelegenheid door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg aandacht besteed bij haar voorlichtingsactiviteiten. Ook naar aanleiding van de onderhavige wijziging zal de nodige voorlichting worden gegeven. In de categorie van monumenten waarvoor het vervallen van de categorie-indeling gevolg zal hebben, t.w. de overige monumenten, komt overigens een weigering van de subsidie-aanvraag wegens ontoereikend budget voor de komende zes jaar maar zelden voor. In de praktijk wordt in die categorie bij subsidieaanvragen veelal gewerkt met gedeeltelijke subsidieverlening.
Overigens dient wel te worden bedacht dat het in eerste instantie een zaak van de (budgethoudende) gemeente en provincie blijft te bepalen voor welke monumenten de vrij inzetbare budgetten worden aangewend.
De redactionele kanttekening van de Raad is in het ontwerp verwerkt.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
(1) Memorie van toelichting, paragraaf 2, Vervallen categorie-indeling, laatste tekstblok.
(2) Memorie van toelichting, paragraaf 2, Vervallen categorie-indeling, tweede tekstblok.
(3) De restauratie-hypotheek, Voorwaarden & kenmerken, paragraaf 2.1, Voorwaarden, http://www.restauratiefonds.nl. (versie 2 september 2002).
(4) Memorie van toelichting, paragraaf 2, Vervallen categorie-indeling, vierde tekstblok.
(5) Memorie van toelichting, paragraaf 4, Verhoging grens- en drempelbedragen, eerste tekstblok.
(6) Memorie van toelichting, paragraaf 6, Artikelsgewijs, Artikel III.
(7) ABRS 26 september 2001, AB 2001/356 m.nt. NV.
(8) Memorie van toelichting, paragraaf 2, Vervallen categorie-indeling, laatste tekstblok.