Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W08.05.0120/V

Ontwerpbesluit houdende vaststelling van regels voor het inventariseren van asbest en het verwijderen van asbest in het algemeen en uit een bouwwerk in het bijzonder en in verband hiermee een wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Asbestverwijderingsbesluit 2005), met toelichtende nota.

Kenmerk
W08.05.0120/V
Datum advies
14 juli 2005
Vindplaats
Bijvoegsel Staatscourant 10 januari 2006, nr 7
  • Infrastructuur en Waterstaat
  • Algemene maatregel van bestuur

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Ontwerpbesluit houdende vaststelling van regels voor het inventariseren van asbest en het verwijderen van asbest in het algemeen en uit een bouwwerk in het bijzonder en in verband hiermee een wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Asbestverwijderingsbesluit 2005), met toelichtende nota.

Bij Kabinetsmissive van 12 april 2005, no.05.001326, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met de Ministers van Volksgezondheid Welzijn en Sport, van Verkeer en Waterstaat en van Economische Zaken, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende vaststelling van regels voor het inventariseren van asbest en het verwijderen van asbest in het algemeen en uit een bouwwerk in het bijzonder en in verband hiermee een wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Asbestverwijderingsbesluit 2005), met toelichtende nota.

Met het ontwerpbesluit is beoogd emissie van asbestvezels te voorkomen bij het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van een bouwwerk of object, bij het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit een bouwwerk of object of bij het opruimen van asbest of asbesthoudende producten na incidenten. Het besluit strekt ter vervanging van het Asbest-verwijderingsbesluit en tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit met betrekking tot regels voor het verwerken van asbest. Het is gericht op zowel particulieren en opdrachtgevers voor zover het betreft het Asbestverwijderingsbesluit 2005 als op werkgevers en zelfstandigen zonder personeel voor zover het betreft de wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Aanpassing van de bestaande regelgeving omtrent asbestverwijdering wordt noodzakelijk geacht omdat deze onvoldoende waarborg biedt voor de bescherming van mens en milieu tegen de risico's van asbest. Aangezien de Wet milieugevaarlijke stoffen, waarop het huidige Asbestverwijderingsbesluit is gebaseerd, geen grondslag biedt voor het gewenste certificatiesysteem en in aanmerking genomen dat de risico's vooral gerelateerd zijn aan risico's met betrekking tot arbeidsomstandigheden, is de certificatie van asbestinventarisatie en asbestverwijdering in het ontwerpbesluit gebaseerd op de Arbeidsomstandighedenwet 1998.
Voorts dienen gemeentebesturen hun bouwverordeningen aan te passen aan de inhoud van het ontwerpbesluit.

De Raad maakt een aantal opmerkingen met betrekking tot het ontwerpbesluit. De Raad is van oordeel dat het besluit op enkele onderdelen dient te worden heroverwogen.

1. Inleiding en nadere analyse van het probleem
In de nota van toelichting (§2.1) wordt opgemerkt dat 80% van alle asbest in Nederland is toegepast in de bouw en dat bouwwerken en objecten waarin asbest of asbesthoudende producten aanwezig zijn in de toekomst steeds meer voor sloop in aanmerking komen en dat daarom goede regelgeving voor de verwijdering van asbest en asbesthoudende producten noodzakelijk is. In de praktijk is echter gebleken dat de huidige regelgeving onvoldoende waarborg biedt voor de bescherming van mens en milieu tegen de risico's van asbest, zodat aanpassing daarvan nodig is. Als belangrijke oorzaak van het falen van de huidige regeling voor asbestverwijdering wordt genoemd het geringe nalevingsgedrag bij een deel van de asbestverwijderingsbedrijven, dat voor een belangrijk deel een gevolg is van een falend certificatiesysteem. Daartoe bevat het ontwerpbesluit een nieuwe regeling voor de certificatie van bedrijven.
Daarnaast worden in het ontwerpbesluit een aantal verplichtingen gelegd op particuliere en bedrijfsmatige opdrachtgevers van sloop- en verbouwingswerken. Zij worden onder meer verplicht gebruik te maken van gecertificeerde bedrijven, nu gebleken is dat het voor hen lonend was gebruik te maken van malafide inventarisatie- of sloopbedrijven. Daarnaast worden ook nieuwe verplichtingen op particulieren gelegd.
De Raad zal in het vervolg van zijn advies nog nader ingaan op beide hoofdpunten van het besluit. Hij stelt echter vast dat het probleem met betrekking tot verwijdering van asbest voornamelijk een probleem is van toezicht op de naleving van de desbetreffende regels, hetgeen mede het gevolg is van het feit dat het niet naleven van de regeling aanzienlijk financieel voordeel kan opleveren, wat op zijn beurt een belangrijke wissel trekt op de fraudegevoeligheid van het systeem. Daarbij komt dat het opsporen van gevallen waarin slechts sprake is van klein onderhoud of een beperkte renovatie van een gebouw in de praktijk waarschijnlijk niet eenvoudig is, zodat dergelijke (kleine) gevallen al snel door de mazen van de wet glippen. De oplossing van het probleem zal naar de mening van de Raad toch vooral gezocht moeten worden in een verbetering van het toezicht en van de handhaving van de regels. Een nieuwe wettelijke regeling zal daarbij slechts een beperkte rol kunnen spelen. Bovendien dient zoveel mogelijk te worden vermeden dat de fraudegevoeligheid van het systeem wordt vergroot door het invoeren van nieuwe wettelijke verplichtingen die voor de betrokkenen extra financiële lasten zullen meebrengen. Dit zal niet bevorderlijk zijn voor de bereidheid de regeling na te leven.
De Raad mist in de nota van toelichting een analyse van de te nemen maatregelen om de handhaving te verbeteren, alsmede een nadere afweging van de voorgestelde nieuwe regeling met het oog op een adequate handhaving. Hij adviseert een dergelijke analyse en afweging alsnog in de toelichting op te nemen. Daarbij ware in het bijzonder ook aandacht te besteden aan de rol van de gemeenten in het kader van het bouwtoezicht, temeer nu het ontwerpbesluit de mogelijkheid van het bevoegde gezag om een uitzondering te maken op de asbestinventarisatieplicht, als bedoeld in artikel 2, onder h, Asbest-verwijderingsbesluit, laat vervallen.

2. Certificatie

a. Handhaving van de certificatie
In de nota van toelichting en in de brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 juni 2003 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer(zie noot 1) wordt ingegaan op de gebleken tekortkomingen van het thans toepasselijke certificatiesysteem. Daarbij wordt gewezen op het onvoldoende naleven van de wettelijke en niet-wettelijke bepalingen terzake van een deel van de inventarisatie- en verwijderingsbedrijven en op het feit dat het niet of onvoldoende gericht zijn op bescherming en kwaliteit alleszins lonend is omdat op deze wijze het werk goedkoper kan worden uitgevoerd. Bovendien blijkt, aldus de hiervoor genoemde brief, dat de certificerende instellingen (CI's) hun toezichthoudende taak op de asbestbedrijven onvoldoende uitoefenen en dat de Raad voor de Accreditatie, die toezicht houdt op de CI's, niet bij machte is om voldoende corrigerend op te treden. Niettemin wordt in het ontwerpbesluit voorgesteld het stelsel van certificatie te handhaven en zelfs uit te breiden tot een verplicht gebruik maken van gecertificeerde bedrijven.
Hoewel de ernstige risico's die verbonden zijn aan de verwijdering van asbest het rechtvaardigen dat deze werkzaamheden geschieden door daartoe gespecialiseerde bedrijven, rijst de vraag waarom, gezien de tot nu toe opgedane ervaringen, het systeem van certificatie wordt gehandhaafd. Kennelijk heeft de regering er vertrouwen in dat toezicht door de overheid voldoende waarborgen biedt voor een adequaat functioneren van het systeem. Zoals ook in het kabinetsstandpunt certificatie en accreditatie in het kader van het overheidsbeleid(zie noot 2) wordt opgemerkt, is certificatie geen wondermiddel tegen allerlei kwalen, zoals overregulering en het opvangen van tekorten in handhavingscapaciteit. Het systeem zal alleen dan bevredigend kunnen functioneren, indien er bij de overheid voldoende handhavingscapaciteit aanwezig is om het toezicht op de bedrijven en de CI's uit te oefenen. Als de overheid echter in belangrijke mate zelf de handhaving ter hand neemt, zou ook gedacht kunnen worden aan een systeem van vergunningverlening door de overheid.
De Raad mist in de nota van toelichting een voldoende afweging, mede aan de hand van het kabinetsstandpunt over het gebruik van certificatie en accreditatie in het kader van het overheidsbeleid, of in het licht van de opgedane ervaringen het huidige systeem in gewijzigde vorm moet worden gecontinueerd dan wel gekozen zou moeten worden voor een ander systeem, bijvoorbeeld een vergunningenstelsel. Het college adviseert, afhankelijk van de uitkomst van deze afweging, het besluit te herzien dan wel de nota van toelichting aan te vullen.

b. Regeling van de certificatie
De meerderheid van de asbestverwijderingshandelingen dient ingevolge het ontwerpbesluit plaats te vinden door een gecertificeerd bedrijf. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan zelf certificeren dan wel certificerende instellingen aanwijzen. De minister of de certificerende instelling houdt toezicht op de gecertificeerde bedrijven. De minister houdt (via de Inspectie Werk en Inkomen) toezicht op de certificerende instellingen. Het ontwerpbesluit voorziet niet in een rol van de Raad voor Accreditatie, noch in taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de Minister, de Inspectie en de certificerende instellingen. Dit punt is tevens naar voren gebracht door de Raad voor Accreditatie in de inspraakronde.(zie noot 3) De toelichting maakt melding van certificatieschema’s, waarin deze taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden nader worden uitgewerkt. Deze schema’s hebben echter geen wettelijke status.
Indien het systeem van certificatie wordt gehandhaafd, beveelt de Raad aan, gelet op de doorslaggevende rol van certificatie bij asbestverwijdering en in navolging van zijn eerdere advies(zie noot 4), de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de genoemde partijen in het ontwerpbesluit nader vorm te geven.

3. Verplichtingen voor particulieren
In het ontwerpbesluit worden meer verplichtingen en verantwoordelijkheden inzake het inzetten van de instrumenten - onder meer het doen opstellen van een asbestinventarisatierapport, het aanvragen van een sloopvergunning en het doen uitvoeren van een eindbeoordeling- gelegd bij personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf (particulieren). Deze verplichtingen blijven ook bestaan nadat een particulier voor het uitvoeren van een verbouwing of sloopwerkzaamheden een aannemer heeft ingeschakeld en dus handelt als opdrachtgever. Het ligt in dergelijke gevallen meer voor de hand dat de verplichtingen komen te rusten op het bedrijf dat de opdracht uitvoert, nu dat bedrijf door zijn bedrijfsvoering geacht wordt beter bekend te zijn met de regeling dan de particulier, die in de meeste gevallen slechts incidenteel met verwijdering van asbest wordt geconfronteerd en onbekend is met de toepasselijke regels. Daarbij komt dat het ontwerpbesluit in vergelijking met het huidige Asbest-verwijderingsbesluit aanmerkelijk complexer is, enerzijds door koppeling met het Arbeidsomstandighedenbesluit, anderzijds doordat minder specifieke handelingen worden genoemd. Met name de algemeen gestelde verplichting tot het opstellen van een asbestinventarisatierapport als vermoed wordt, of zou moeten worden, dat asbest in het gebouw aanwezig is, waarmee tevens duidelijk moet worden of al dan niet een verplichting bestaat tot het aanvragen van een sloopvergunning, zal voor de praktijk geen verduidelijking inhouden. Niet voor alle handelingen waarop het ontwerpbesluit van toepassing zal zijn, geldt zonder meer het vereiste van een sloopvergunning. Bovendien zijn door de verschillende toezichthouders op gemeentelijk, provinciaal en rijksniveau in het afgelopen jaar specifiek op asbest toegesneden handhavingsprogramma's ontwikkeld. Door de regeling nu ingrijpend te veranderen zullen deze initiatieven mogelijk alweer achterhaald blijken.
De Raad is van mening dat de oplossing van de geconstateerde problemen met betrekking tot asbestverwijdering niet gezocht moet worden in het opleggen van nieuwe (gecompliceerde) verplichtingen aan particulieren. Daarmee wordt het risico gelopen dat het handhavingstekort slechts zal toenemen. Verplichtingen dienen zoveel mogelijk te worden opgelegd aan hen die beroeps- of bedrijfsmatig in de bouw werkzaam zijn en die dus beter kunnen worden aangesproken op niet-naleving van de regeling. Dit laat uiteraard onverlet dat de particulier die zelf de werkzaamheden waarbij asbest moet worden verwijderd uitvoert, zich wel aan bepaalde regels ter voorkoming van het vrijkomen van deze stof zal moeten houden.
Het college adviseert het besluit op dit punt te heroverwegen.

4. Administratieve lasten voor particulieren
Sinds 1 januari 2005 toetst het adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal) voorgenomen en bestaande wettelijke regelingen ook op de gevolgen voor de administratieve lasten van burgers. Het ontwerpbesluit is op 19 augustus 2004 ter advisering aan Actal voorgelegd, maar werd door Actal niet getoetst op de doelstelling van het kabinet de administratieve lasten voor burgers met 25% te verlichten.
De Raad adviseert in de nota van toelichting alsnog in te gaan de vraag of met de invoering van het ontwerpbesluit aan de doelstelling van het kabinet kan worden voldaan.

5. Europeesrechtelijke aspecten

a. Implementatie van richtlijn 2003/18/EG
In hoofdstuk 5 van de nota van toelichting wordt nader ingegaan op de Europeesrechtelijke aspecten van het ontwerpbesluit. Opgemerkt wordt dat met het ontwerpbesluit artikel 1, onderdeel 11, van bovengenoemde richtlijn is geïmplementeerd. Dit artikel schrijft voor dat de werkgever er zich van dient te vergewissen dat voordat sloop- of onderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd, sprake is of kan zijn van het werken met asbest, waardoor de betrokken werknemers kunnen worden blootgesteld aan asbestvezels (asbestinventarisatie). Indien dit het geval is, dient de werkgever op grond van de betreffende bepalingen van richtlijn 3002/18/EG de nodige maatregelen te treffen ter bescherming van de werknemers tegen blootstelling aan asbest. In de toelichting wordt er voorts op gewezen dat in artikel 4.54a van het Arbeidsomstandighedenbesluit de verplichting is opgenomen dat de werkgever een gecertificeerd inventarisatiebedrijf dient in te schakelen alvorens de betreffende werkzaamheden mogen worden verricht en dat dit ook het geval is wanneer het gaat om het opruimen van asbest dat als gevolg van een incident is vrijgekomen. In de toelichting wordt erkend dat de verplichtingen ingevolge het volgens het ontwerpbesluit gewijzigde Arbeidsomstandighedenbesluit verder gaan dan de richtlijn voorschrijft, hetgeen de vraag oproept of dit een inbreuk oplevert op het vrije handelsverkeer als bedoeld in artikel 28 EG-Verdrag. Volgens de toelichting wordt deze eventuele inbreuk echter gerechtvaardigd door de noodzakelijke bescherming van het arbeidsmilieu ingevolge artikel 30 van het EG-Verdrag en de jurisprudentie van het Hof van Justitie over de "rule of reason". De Raad merkt op dat onvoldoende duidelijk is waarom de verplichte certificatie voor asbestverwijdering mogelijk in strijd is met het recht op vrij verkeer van goederen. Voor zover het verplichte certificatie betreft, ziet de Raad eerder problemen ontstaan in relatie tot het recht van vrije vestiging (artt. 43-48 EG-Verdrag) waar het mogelijke vestiging van buitenlandse asbestverwijderaars in Nederland betreft. Daanaast acht de Raad het mogelijk dat het recht op vrij verkeer van diensten (artt. 49-55 EG-Verdrag) door het verplicht stellen van certificatie wordt geschonden. Echter, de nota van toelichting, geeft voor geen van de hiervoor genoemde mogelijke schendingen expliciet de rechtvaardigingsgronden, noch de verdragsrechtelijke, noch die welke teruggevonden kunnen worden in de 'rule of reason'-jurisprudentie van het Hof.(zie noot 5) Evenmin wordt aangegeven waarom het verplicht stellen van certificatie in dit verband noodzakelijk en proportioneel is.
De Raad acht het ontwerpbesluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd en adviseert alsnog een nadere motivering in de nota van toelichting op te nemen.

b. Afvalstoffenregime
Asbesthoudend sloopafval of asbesthoudende objecten vallen onder het Europese afvalstoffenregime. Verwijdering van deze afvalstoffen dient te voldoen aan de in de richtlijnen gestelde eisen. De Kaderrichtlijn afvalstoffen(zie noot 6), de Europese richtlijn inzake gevaarlijke afvalstoffen(zie noot 7) en de op deze twee richtlijnen gebaseerde beschikking van de Europese Commissie houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen,(zie noot 8) zijn relevant voor het ontwerpbesluit.
De Raad adviseert in de nota van toelichting expliciet aan te geven in hoeverre met het ontwerpbesluit wordt voldaan aan het Europese afvalstoffenregime.

c. Notificatie
Het ontwerpbesluit wordt aan de Raad voorgelegd nadat het ontwerpbesluit is voorgelegd aan de Europese Commissie, ingevolge richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). De reactie van de Europese Commissie is nog niet bekend, maar de Raad gaat ervan uit dat, indien de reactie aanleiding geeft tot substantiële, inhoudelijke aanpassing van het ontwerpbesluit, hij nogmaals zal worden geraadpleegd.

6. Begripsbepalingen met betrekking tot asbesthoudende producten
Het ontwerpbesluit hanteert, naast de algemene omschrijving van asbest in artikel 1, welke omschrijving aansluit bij de omschrijvingen die in beide desbetreffende richtlijnen worden gegeven,(zie noot 9) begrippen voor asbestproducten die afwijken van elders in regelingen gebruikte begrippen. Naar de mening van de Raad dienen de in de diverse regelingen gebruikte begrippen beter op elkaar te worden afgestemd, teneinde verwarring te voorkomen en de regelingen ook beter toegankelijk te maken. De Raad wijst op de volgende onderdelen van het ontwerpbesluit.

a. Specifiek begrip amfiboolasbest
Artikel 14 van het ontwerpbesluit behelst een wijziging van artikel 1 van het Productenbesluit asbest, inhoudende het toevoegen van een begripsbepaling "amfiboolasbest: asbest, niet zijnde serpentijnasbest". Gelet op de eveneens nieuw toe te voegen begripsbepaling van serpentijnasbest, houdt dit in dat amfiboolasbest geen chrysoliet kan zijn. Artikel 1 van het Besluit asbestwegen Wms bevat eveneens een begripsbepaling van "amfiboolasbest", inhoudende dat onder amfiboolasbest wordt verstaan "vezelachtige silicaten actinoliet, amosiet, anthofylliet, crocidoliet en tremoliet en materiaal dat een of meer van deze silicaten bevat". Daarmee wordt hetzelfde bereikt als met de voorgestelde begripsbepaling. Het verschil in formulering (negatief en positief) leidt tot een verminderde toegankelijkheid van de regelingen, hetgeen gelet op de vereiste rechtszekerheid niet gewenst is.
In navolging van zijn eerdere advies inzake het Productenbesluit,(zie noot 10) adviseert de Raad de omschrijvingen van asbest(soorten) in de Nederlandse regelingen op elkaar af te stemmen. Afstemming wordt bijvoorbeeld bereikt door in artikel 14 van het ontwerpbesluit aan artikel 1 van Productenbesluit een begripsbepaling van "amfiboolasbest" toe te voegen, welke geheel overeenstemt met artikel 1 van het Besluit asbestwegen Wms.

b. Begrippen crocidoliet of crocidoliethoudende producten
Een aantal voorgestelde wijzigingen van bepalingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit bevatten de zinsnede "asbest of asbesthoudende producten dan wel crocidoliet of crocidoliethoudende producten".(zie noot 11) Op zichzelf ligt dit voor de hand, nu in artikel 4.37 van het geldende Arbeidsomstandighedenbesluit deze stof is onderscheiden van het begrip "asbest". Het ontwerpbesluit voorziet echter in een begripsbepaling van asbest in het Asbestverwijderingsbesluit 2005, waarin crocidoliet is vervat en niet als bijzondere vorm wordt onderscheiden. Het is niet duidelijk waarom in het ontwerpbesluit niet van de gelegenheid gebruik wordt gemaakt om de begripsbepaling "asbest" in het Asbestverwijdering-besluit en in het Arbeidsomstandighedenbesluit met elkaar in overeenstemming te brengen. Dit met name gelet op de omstandigheid dat de bepalingen van het geldende Arbeidsomstandighedenbesluit, waarin de term "crocidoliet of crocidoliethoudende producten" in het voorliggende ontwerpbesluit worden herzien (m.u.v. de artikelen 4.1a en 4.57 van het Arbeidsomstandighedenbesluit).
De Raad adviseert in artikel 12, onder A, van het ontwerpbesluit een met het Asbestbesluit gelijkluidende begripsbepaling van asbest op te nemen en de overige bepalingen van het Arbeidsomstandighedenbesluit hiertoe aan te passen.

7. Omschrijving van woning
In artikel 1, tweede lid, van het ontwerpbesluit wordt bepaald dat in het besluit onder woning mede wordt verstaan hetgeen daaronder mede wordt verstaan in de Woningwet. In artikel 1, tweede lid van de Woningwet is bepaald dat voor de toepassing van het bij en krachtens de Woningwet bepaalde mede onder een woning wordt verstaan een afzonderlijk gedeelte van een gebouw, welk gedeelte tot bewoning is bestemd. In de toelichting op het ontwerpbesluit wordt opgemerkt dat artikel 1, tweede lid, is opgenomen omdat de Woningwet alleen een grondslag biedt voor artikel 10 van het ontwerpbesluit en het begrip woning in artikel 4 wordt gebruikt. De omschrijving van "woning" in artikel 1, tweede lid, is, door het gebruik van het woord "mede" zowel in deze bepaling als in artikel 1, tweede lid, van de Woningwet onduidelijk. De Raad adviseert artikel 1, tweede lid, van het ontwerpbesluit te verduidelijken.

8. Zorgplichtbepaling
Artikel 8, eerste lid, van het ontwerpbesluit behelst een zorgplichtbepaling. In de toelichting op dit artikel wordt verwezen naar artikel 2 van de Wet milieugevaarlijke stoffen. Dit artikel is van toepassing op degene die beroepshalve een stof of een preparaat vervaardigt, aan een ander ter beschikking stelt, in Nederland invoert of toepast. Artikel 8 van het ontwerpbesluit is van toepassing op degene die anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf asbest of een asbesthoudend product verwijdert. Daarmee wordt op de particulier, boven de reeds in punt 3 genoemde verplichtingen, een algemeen geformuleerde zorgverplichting opgelegd, die een onbepaalde gedragsnorm in het leven roept.
De Raad adviseert artikel 8 te heroverwegen.

9. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage

De Raad van State geeft U in overweging in dezen geen besluit te nemen dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De waarnemend Vice-President van de Raad van State



Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no.W08.05.0120/V met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.

- Aan artikel 7, onderdeel a, van het ontwerpbesluit de zinsnede "a. de handeling," vervangen door: a. de verwijderingshandeling.
- Aan artikel 7, onderdeel b, van het ontwerpbesluit na "wordt gescheiden" toevoegen: en verzameld.
- In artikel 7 het onderdeel c laten vervallen, onder vernummering van de onderdelen d t/m h tot c t/m g.
- In artikel 10, onderdeel e, van het ontwerpbesluit "e.e" vervangen door: e.
- In artikel 11, eerste lid, van het ontwerpbesluit "In de gemeentelijke bouwverordening" vervangen door: In de bouwverordening.
- In artikel 12, onderdeel I, artikel 4.55a, eerste lid, "op de betreffende arbeidsplaats" vervangen door: op de desbetreffende arbeidsplaats.



Nader rapport (reactie op het advies) van 14 december 2005


De Raad van State geeft U in overweging in dezen geen besluit te nemen dan nadat met zijn opmerkingen rekening zal zijn gehouden. Hieronder ga ik op de opmerkingen van de Raad in.

1. Inleiding en nadere analyse van het probleem
Zoals de Raad terecht opmerkt moet het probleem met betrekking tot de verwijdering van asbest in beginsel worden opgelost door verbetering van toezicht en handhaving. Met het ontwerpbesluit worden de mogelijkheden tot toezicht en handhaving verbeterd. De oorzaak van het falen van het huidige certificatiesysteem ligt, zoals in de nota van toelichting reeds is aangegeven, voor een substantieel deel in het feit dat het private toezicht onvoldoende corrigerend werkt. Een verzwaring van de rol van de overheid, zoals ook is voorgesteld in het kabinetsstandpunt over het gebruik van accreditatie en certificatie door de overheid(zie noot 12), is noodzakelijk om efficiënt en effectief handhavend op te kunnen treden. Het huidige, op de Wet milieugevaarlijke stoffen en de Woningwet gebaseerde, Asbest-verwijderingsbesluit biedt niet de basis voor de benodigde vergroting van de mogelijkheden voor interventie door de overheid. Om de rol van de overheid ten aanzien van het toezicht op de naleving van de regels te vergroten is derhalve een wijziging van de regelgeving noodzakelijk, waartoe de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (Arbowet) wel de mogelijkheid biedt. Naast deze reden van meer praktische aard is de Arbowet ook meer geëigend, omdat werknemers doorgaans de grootste risico’s tot blootstelling aan asbest lopen, en deze risico's via de arbeidsomstandighedenregelgeving het best beheerst kunnen worden. Opgemerkt zij dat ook van de zijde van de VROM-Inspectie, alsmede van de zijde van het Openbaar Ministerie en de Raad van Accreditatie verzoeken zijn gedaan de rol van de overheid, en met name voor wat betreft het overheidstoezicht, te vergroten. Gezien het belang van de handhaving is het ontwerpbesluit in nauw overleg met de VROM-Inspectie en de Arbeidsinspectie opgesteld.
De handhaafbaarheid van het ontwerpbesluit wordt ten opzichte van het oude Asbest-verwijderingsbesluit verbeterd. Door de certificering onder te brengen onder één wet (Arbowet) ontstaan meer mogelijkheden voor een systeem waarin de certificatieregelingen beter op elkaar aansluiten. Dit komt de helderheid ten goede, waardoor de kenbaarheid, naleefbaarheid en handhaafbaarheid van de asbestregelgeving wordt verbeterd.
De handhaving van de certificatieregelingen wordt naar verwachting aanzienlijk verbeterd doordat het toezicht op de certificerende instellingen mede wordt neergelegd bij de overheid. Dit overheidstoezicht op de certificatieregelingen voor asbestverwijderings-bedrijven ontbreekt tot dusver volledig. De aanpassing van de certificatiestructuur, en met name het verscherpen van het overheidstoezicht op de certificatieprocessen en het verhogen van de pakkans van asbestverwijderingsbedrijven, maakt het voor bedrijven moeilijker regels te ontduiken. Essentieel daarbij is dat een certificaat ingetrokken kan worden, zonder dat daar vervangende certificaten voor mogelijk zijn, zoals onder het oude regime wel mogelijk was. Met deze verbeteringen in het toezichtstraject zal naar verwachting de naleving van de voorschriften door de normadressaat ook verbeteren.
Met de handhaving zijn de Arbeidsinspectie, de Inspectie voor Werk en Inkomen, de VROM-Inspectie, de Raad van Accreditatie, gemeenten, de politie en de bijzondere opsporingsdiensten belast. Een zekere mate van overlap van bevoegdheden en de grote verscheidenheid aan handhavingsinstrumenten, zoals reparatoire en punitieve bestuursrechtelijke, strafrechtelijke en privaatrechtelijke instrumenten, is bij de asbestverwijderingsproblematiek gewenst voor een efficiënte handhaving. De handhaving-strategieën van de diverse instanties worden op elkaar afgestemd. Zo zal sprake zijn van een beter sluitend toezicht. Als voorbeeld dient de voorgenomen intensievere samenwerking tussen de Arbeidsinspectie, de Inspectie Werk en Inkomen en de ministerieel aangewezen certificerende instellingen, waartoe de regeling de mogelijkheid biedt. Onderdeel van deze samenwerking is de onderlinge uitwisseling van hand-havingsgegevens van de Arbeidsinspectie en toezichtsgegevens van de aangewezen certificerende instellingen. De handhaafbaarheid zal ook gunstig worden beïnvloed door een eenduidigere normstelling (wegwerken van overlap en onhelderheid tussen private normen en de overheidseisen) en een heldere rol- en verantwoordelijkheidsverdeling tussen partijen die uitwerking geven aan de certificatieregelingen.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving door de houder van een sloopvergunning, van de voorschriften die deel uitmaken van die vergunning en van rechtstreeks werkende voorschriften ten aanzien van werkzaamheden aan bouwwerken waarvoor het vereiste van sloopvergunning niet geldt. De reikwijdte van het ontwerpbesluit met betrekking tot bouwwerken is niet gewijzigd. Wel zijn de voorschriften met betrekking tot de sloopvergunning enigszins vereenvoudigd en verduidelijkt hetgeen het werk voor gemeenten makkelijker maakt. Dit geldt zowel voor vergunningverlening als voor handhaving. Het vervallen van de mogelijkheid voor gemeenten om in bepaalde gevallen af te zien van de verplichting tot het overleggen van een asbestinventarisatierapport ter verkrijging van een sloopvergunning, leidt tot een verkleining van het aantal gevallen waarin geen asbestinventarisatierapport is opgemaakt. Dit vergroot de duidelijkheid omtrent de aanwezigheid van asbest hetgeen de vergunningverlening, maar zeker ook de handhaving, vergemakkelijkt.
Naast versterking van het overheidstoezicht op de gecertificeerde bedrijven, heeft de opdrachtgever op basis van het ontwerpbesluit een duidelijke verantwoordelijkheid gekregen. Om zo veel mogelijk stimulansen weg te nemen die het ontduiken van de regels omtrent asbestverwijdering voor de betrokken bedrijven aantrekkelijk en zinvol maken, is het op grond van het ontwerpbesluit voor opdrachtgevers verboden gebruik te maken van niet gecertificeerde bedrijven.
In de nota van toelichting is een nadere uiteenzetting opgenomen omtrent de te nemen maatregelen om de handhaving te verbeteren.
Bij het opstellen van het ontwerpbesluit is het uitgangspunt gehanteerd dat toename van de fraudegevoeligheid van het systeem als gevolg van het invoeren van nieuwe wettelijke verplichtingen die voor de betrokkenen extra financiële lasten zullen meebrengen, zo veel mogelijk vermeden moet worden. Het ontwerpbesluit resulteert slechts in minimale lastenverhogingen ten opzichte van de bestaande situatie (1,3 % verhoging van de administratieve lasten en 2,2 % verhoging van de nalevingslasten). Daarnaast is in het kader van de toetsen op het gebied van uitvoering, handhaving en fraude ook uitvoerig gekeken naar andere aspecten van de fraudegevoeligheid van het ontwerpbesluit. In het kader van de HUF-toets is de inschatting gemaakt dat het ontwerpbesluit aanzienlijk minder fraudegevoelig is dan het bestaande Asbest-verwijderingsbesluit.

2. Certificatie
a. Handhaving van de certificatie
In het ontwerpbesluit is ten opzichte van het huidige Asbest-verwijderingsbesluit een gewijzigd certificatiesysteem opgenomen. Naar de mening van de regering biedt toezicht door de overheid op certificerende instellingen voldoende waarborgen voor een adequaat functioneren van een systeem van certificatie als in dit besluit voorzien. Hiervoor is het wel noodzakelijk, zoals onder 1 is aangegeven, het systeem van certificatie uit het Asbest-verwijderingsbesluit zodanig te wijzigen dat de overheid meer mogelijkheden heeft om handhavend op te treden. Inderdaad zal het systeem, zoals de Raad opmerkt, alleen dan bevredigend kunnen functioneren, indien er bij de overheid voldoende handhavingscapaciteit aanwezig is om adequaat toezicht op de gecertificeerde bedrijven en de certificerende instellingen te kunnen uitoefenen. In de nota van toelichting is aangegeven langs welke weg de Arbeidsinspectie en de Inspectie Werk en Inkomen voor de handhaving inzake certificering zullen zorgdragen.
Gezien de bovenstaande verbeteringen met betrekking tot toezicht en handhaving van het beleidsinstrument certificatie, is er op dit moment geen aanleiding om voor een ander beheersinstrument te kiezen, bijvoorbeeld een vergunningenstelsel, zoals de Raad voorstelt.
Bovendien hebben externe partijen in een certificatiesysteem een nadrukkelijke betrokkenheid. Ze geven primair invulling aan de doelvoorschriften die de overheid stelt aan certificatie. Certificatie komt tegemoet aan de invulling van de eigen verantwoordelijkheid van partijen voor het arbeidsomstandighedenbeleid, waardoor er meer ruimte voor maatwerk is en draagvlak voor de regels ontstaat. Indien de eigen verantwoordelijkheid wordt waargemaakt, kan de overheid terugtreden als een vorm van beloning voor de sector.
Een vergunningstelsel is een meer rigide instrument waarin uitsluitend de overheid (ook op het uitvoeringsniveau) de regels stelt. Daarnaast brengt vergunningverlening een aanzienlijke bestuurslast voor de overheid met zich mee in verband met de vormgeving, uitvoering en handhaving van een dergelijk stelsel. Bijvoorbeeld voor de Arbeidsinspectie, als enige bevoegde autoriteit voor de handhaving van een dergelijk stelsel, zou dit een substantiële uitbreiding van de capaciteitsinzet vragen.
Bij de voorbereiding van het ontwerpbesluit heeft een ad hoc werkgroep van de Raad voor Accreditatie, het bedrijfsleven en overheid (SZW en VROM) een aantal beheersinstrumenten naast elkaar afgewogen. De werkgroep concludeert in zijn rapport(zie noot 13) dat certificatie het meest geschikte beheersinstrument is, mits de overheidsbetrokkenheid wordt vergroot. Deze bevinding is in lijn met het eerder genoemd kabinetsstandpunt met betrekking tot accreditatie en certificatie.
Door de werkgroep is een viertal beheersinstrumenten naast elkaar beoordeeld:
- een nieuwe certificatiesystematiek, zoals opgenomen in het ontwerpbesluit;
- een vergunningenstelsel;
- een combinatie van certificatie en vergunningenstelsel, en
- een ten opzichte van de in het Asbest-verwijderingsbesluit slechts marginaal aangepaste certificatiesystematiek.
De werkgroep heeft bovengenoemde beheersinstrumenten beoordeeld op juridische aspecten, het verwachte nalevingsgedrag, handhaafbaarheid, effectiviteit, duurzaamheid, uitvoeringslasten voor de overheid en op bedrijfslasten. Na beoordeling van deze beheersinstrumenten op al deze criteria is gekozen voor een (verbeterd) certificeringsstelsel. Weliswaar komt uit het rapport naar voren dat een vergunningenstelsel de beste mogelijkheden biedt in het kader van de handhaving, omdat de overheid rechtstreeks op bedrijfsniveau kan interveniëren door bijvoorbeeld de intrekking van de vergunning. Daar staat tegenover dat de uitvoerings- en handhavingslasten voor de overheid zeer hoog zijn en het draagvlak voor een vergunningenstelsel bij het bedrijfsleven niet groot is. Mede op basis van de uitkomst van het onderzoek van de werkgroep is daarom gekozen voor een vernieuwde certificatiesystematiek waarbij de overheid meer mogelijkheden heeft om op te treden, de uitvoerings- en handhavingslasten beperkt blijven en een draagvlak aanwezig is bij het bedrijfsleven.
Een als zodanig aangepast certificatiemodel heeft de meeste kans van slagen omdat het instrument draagvlak creëert, beter naar de actuele bedrijfsomstandigheden kan worden ingericht en deels de mogelijkheid tot zelfregulering invoert. Een vergunningstelsel voldoet minder goed, op deze punten. Vergunningverlening wordt in casu derhalve niet geschikt geacht als alternatief voor certificatie. In de nota van toelichting zal een duidelijker argumentatie worden opgenomen die heeft geleid tot de keuze voor het gebruik van een certificatiesysteem bij de asbestverwijdering.
In de nota van toelichting zal tevens worden opgenomen dat ongeveer 5 jaar na invoering van het nieuwe certificatiestelsel de werking van dit stelsel zal worden geëvalueerd.
Wij wijzen er terzijde nog op dat de opmerking van de Raad dat het certificatiestelsel zou worden uitgebreid met een verplichting tot het gebruik maken van gecertificeerde bedrijven, op een misverstand lijkt te berusten. Van een dergelijke verplichting is immers ook reeds sprake in het huidige Asbest-verwijderingsbesluit.

b. Regeling van de certificatie
De Raad mist in het ontwerpbesluit vastlegging van de rol van de Raad voor Accreditatie, alsmede van de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de Minister, de Inspectie en de certificerende instellingen. Bij en krachtens de arbeidsomstandighedenregelgeving is de rol van de overheid vastgelegd. De rol- en verantwoordelijkheidsverdeling van de overige betrokken partijen wordt in aansluiting op dit wettelijk kader wordt in de certificatieregeling vastgelegd.
In de nota van toelichting van het ontwerpbesluit is opgenomen dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de Arbeidsomstandighedenregeling zal verwijzen naar de certificatieregeling die door belanghebbende partijen is opgesteld. De minister zal dat alleen dan doen als hij akkoord is met de inhoud van de regeling. In die zin is wel sprake van een wettelijke status van de regeling.
Door het opnemen van een verwijzing naar de certificatieregeling in de Arbeidsomstandighedenregeling wordt deze in feite geïncorporeerd in de nationale regelgeving.

3. Verplichtingen voor particulieren
In het ontwerpbesluit zouden naar het oordeel van de Raad meer verplichtingen en verantwoordelijkheden inzake het inzetten van de instrumenten - onder meer het doen opstellen van een asbestinventarisatierapport, het aanvragen van een sloopvergunning en het doen uitvoeren van een eindbeoordeling- worden gelegd bij personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf (particulieren). Echter, de betreffende verplichtingen voor particulieren, met uitzondering het doen uitvoeren van de eindbeoordeling, bestaan reeds sinds 1993 op grond van het bestaande Asbest-verwijderingsbesluit. Dienaangaande zijn geen grote knelpunten gesignaleerd zodat wat dat betreft geen wijziging van het ontwerpbesluit nodig is. Zoals in de nota van toelichting is aangegeven is de verplichting tot het doen uitvoeren van een eindbeoordeling voor particulieren opgenomen om er voor te zorgen dat zodra de sloop- of de asbestverwijderingswerkzaamheden beëindigd zijn, zeker gesteld wordt dat er geen risico's van blootstelling aan asbest op het werk meer zijn. Daarnaast is de verplichting tot het doen van een eindbeoordeling een belangrijk instrument voor een adequate handhaving.
De Raad acht het in het geval de particulier handelt als opdrachtgever, meer voor de hand liggen dat de verplichtingen komen te rusten op het bedrijf dat de opdracht uitvoert, nu dat bedrijf door zijn bedrijfsvoering geacht wordt beter bekend te zijn met de regeling dan de particulier. Daarnaast gelden de genoemde verplichtingen niet alleen voor particulieren, maar ook voor bedrijfsmatige opdrachtgevers. Een verschuiving van bepaalde verantwoordelijkheden van opdrachtgever naar uitvoerend bedrijf werkt onduidelijkheid in de hand en zou negatief kunnen werken op de naleving van de verplichtingen door dat bedrijf. De eindverantwoordelijk voor naleving van de regels behoort bij de opdrachtgever te liggen, ongeacht of het een particulier of een bedrijf betreft. Ook de conclusie van de Raad dat het ontwerpbesluit aanmerkelijk complexer zou zijn dan het huidige Asbest-verwijderingsbesluit onderschrijf ik niet, nu de verplichtingen uit het huidige Asbest-verwijderingsbesluit in grote lijnen gelijk blijven in het ontwerpbesluit. Erkend wordt dat de koppeling met het Arbeidsomstandighedenbesluit een complicerende factor is. Deze koppeling is echter onvermijdelijk. Het alternatief zou dubbele regelgeving zijn, hetgeen de complexiteit van de regelgeving voor met name het bedrijfsleven meer zou doen toenemen.

De algemeen gestelde verplichting tot het opstellen van een asbestinventarisatierapport, als vermoed wordt, of zou moeten worden, dat asbest in een gebouw aanwezig is, leidt volgens de Raad tot onduidelijkheid. Opgemerkt wordt dat ook deze verplichting materieel niet ingrijpend afwijkt van de bestaande verplichtingen op grond van het Asbest-verwijderingsbesluit. Zoals in de nota van toelichting is aangegeven komt deze verplichting uit het ontwerpbesluit neer op een inventarisatieplicht voor alle bouwwerken van voor 1994, tenzij bekend is dat geen asbest in het betreffende bouwwerk is verwerkt of verwerkt kan zijn. Een alternatief voor deze verplichting zou zijn dat alleen in specifiek genoemde gevallen de inventarisatieplicht geldt, hetgeen onvermijdelijk betekent dat niet alle gevallen waarbij asbest aanwezig is, bestreken zouden worden, met alle risico’s van illegale asbestsloop van dien. Een ander alternatief zou zijn dat in alle gevallen een inventarisatieplicht bestaat, hetgeen zou leiden tot onnodige kosten voor bedrijven en particulieren.
De Raad signaleert dat door de verschillende toezichthouders op gemeentelijk, provinciaal en rijksniveau in het afgelopen jaar specifiek op asbest toegesneden handhavingsprogramma’s zijn ontwikkeld die, door de regeling nu ingrijpend te veranderen, mogelijk achterhaald blijken te zijn. Nu echter gebleken is dat er problemen zijn met betrekking tot de mogelijkheid het Asbest-verwijderingsbesluit te handhaven, is aanpassing van het besluit noodzakelijk. Aangezien de veranderingen met name zitten in het systeem van certificatie en niet in de verplichtingen met betrekking tot asbestinventarisatie en asbestverwijdering zullen delen van de reeds bestaande handhavingprogramma's in stand kunnen blijven.

4. Administratieve lasten voor particulieren
De Raad adviseert in de nota van toelichting alsnog in te gaan op de vraag of met de invoering van het ontwerpbesluit aan de doelstelling van het kabinet inzake administratieve lastenverlichting voor particulieren kan worden voldaan. Gezien de relatief geringe inhoudelijke veranderingen voor particulieren wordt er van uitgegaan dat voor particulieren geen noemenswaardige wijzigingen in de administratieve lasten optreden. In die zin draagt het besluit niet bij aan lastenverlichting. Zoals in de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit is aangegeven, ligt het echter in de bedoeling dat er omstreeks 2006 op grond van de Woningwet een algemene maatregel van bestuur met betrekking tot slopen van kracht wordt. De voorschriften uit het ontwerpbesluit die betrekking hebben op de sloopvergunning, hetgeen het overgrote deel van de administratieve lasten voor particulieren veroorzaakt, zullen te zijner tijd worden aangepast aan die algemene maatregel van bestuur. Besloten is om niet reeds in het huidige ontwerpbesluit de regelingen met betrekking tot de sloopvergunning te wijzigen. Aldus wordt voorkomen dat twee keer binnen een kort tijdsbestek veranderingen worden doorgevoerd in het sloopregime.

5. Europeesrechtelijke aspecten

a. Implementatie van richtlijn 2003/18/EG
De Europese wijzigingsrichtlijn voor asbest, 2003/18/EG, schrijft voor dat asbestverwijderingsbedrijven hun deskundigheid moeten kunnen aantonen volgens nationale praktijken of regelgeving (artikel 1, onderdeel 14 (ingevoegd in artikel 12 ter)). Deze bepaling maakt het mogelijk dat een lidstaat een kwaliteitssysteem vaststelt waaraan asbestverwijderingsbedrijven dienen te voldoen. Nederland heeft in dit verband gekozen voor het instrument van certificatie, zoals ook op andere beleidsterreinen dan asbest. Andere lidstaten kennen vergelijkbare stelsels of zullen overgaan tot invoering hiervan vanwege de richtlijn.
Om een eventuele belemmering van vrije vestiging en het vrij verkeer van diensten teniet te doen zal in de Arbeidsomstandighedenregeling (Arboregeling) de clausule van wederzijdse erkenning worden opgenomen, zodat Europese asbestbedrijven wel hun diensten in Nederland mogen verrichten of zich hier mogen vestigen mits zij kwalitatief voldoen aan de in Nederland gestelde eisen. Zij behoeven daartoe niet per se in het bezit te zijn van een Nederlands certificaat indien ze kunnen aantonen dat in het land van herkomst een kwalitatief vergelijkbaar certificaat, diploma, attest of een andere titel op legale wijze is verkregen.

b. Afvalstoffenregime
Het ontwerpbesluit ziet niet op het asbest dat als afval gezien moet worden, maar enkel en alleen op het veilig verwijderen van asbest. Voor asbest als afval geldt dat de reguliere Nederlandse afvalstoffenwetgeving van toepassing is. Het is derhalve niet nodig in de nota van toelichting aan te geven in hoeverre met het ontwerpbesluit wordt voldaan aan het Europese afvalstoffenregime.

c. Notificatie
De reactie van de Europese Commissie op het ontwerpbesluit is ontvangen na de zogeheten standstilltermijn en gaf geen aanleiding tot een substantiële, inhoudelijke aanpassing van het ontwerpbesluit.

6. Begripsbepalingen met betrekking tot asbesthoudende producten

a. Specifiek begrip amfiboolasbest
In navolging van zijn eerdere advies inzake het Productenbesluit asbest, adviseert de Raad de omschrijvingen van asbest in de Nederlandse regelingen op elkaar af te stemmen. Hieraan is gedeeltelijk gehoor gegeven. Met een wijziging van artikel 14 van het ontwerp-besluit wordt daarom gedeeltelijk aangesloten bij de omschrijvingen van asbest uit het Besluit asbestwegen Wms. Er kan in het Productenbesluit asbest echter niet geheel worden aangesloten bij de begrippen van het Besluit asbestwegen Wms, omdat in de begrips-bepalingen van asbest in het Besluit asbestwegen Wms tevens met asbest de materialen worden gelijkgesteld die asbest bevatten. In het Productenbesluit asbest is reeds het onderscheid aangebracht tussen asbest en asbesthoudende producten.

b. Begrippen crocidoliet of crocidoliethoudende producten
Het voorstel van de Raad is begrijpelijk, maar zou niet beperkt blijven tot aanpassing van de definitie van asbest en zou ook tot een ingrijpende wijziging van de structuur van de asbestparagraaf in het Arbeidsomstandighedenbesluit leiden. Een dergelijke wijziging staat wel op de rol als de Europese wijzigingsrichtlijn, 2003/18/EG, volledig voor asbest geïmplementeerd wordt. Deze richtlijn maakt niet langer onderscheid tussen asbestsoorten. Er zal dan wel sprake zijn van een gelijkluidende begripsbepaling voor asbest. Er is voor gekozen om het Arbeidsomstandighedenbesluit niet tweemaal ingrijpend te wijzigen.

7. Omschrijving van woning
De omschrijving van "woning" in artikel 1, tweede lid, is door het gebruik van het woord "mede" zowel in deze bepaling als in artikel 1, tweede lid, van de Woningwet onduidelijk. Het advies van de Raad om artikel 1, tweede lid, van het ontwerpbesluit te verduidelijken wordt dan ook gevolgd. De woorden "mede" worden uit deze bepaling weggelaten zodat exact aangesloten wordt bij de Woningwet.

8. Zorgplichtbepaling
Artikel 8, eerste lid, van het ontwerpbesluit behelst een zorgplichtbepaling, waarmee de particulier, boven de reeds in punt 3 genoemde verplichtingen, een algemeen geformuleerde zorgverplichting wordt opgelegd, die een onbepaalde gedragsnorm in het leven roept. De Raad adviseert dit artikel te heroverwegen. Dezelfde bepaling is echter opgenomen in het Productenbesluit asbest. De onderhavige bepaling trekt de lijn uit het Productenbesluit voort. Juist voor het ontwerpbesluit is het noodzakelijk een dergelijke vangnetbepaling te hebben, aangezien er bij de verwijdering van asbest grote risico’s kunnen ontstaan en niet alle situaties op voorhand zijn te overzien.

9. De redactionele kanttekeningen van de Raad zijn overgenomen.
Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt om in de nota van toelichting enkele redactionele aanpassingen aan te brengen.

Ik moge U, mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer



(1) Kamerstukken II 2003/04, 25 834 en 22 343, nr. 22.
(2) Kamerstukken II 2003/04, 29 304, nr. 1, p. 7.
(3) Nota van toelichting, hoofdstuk 10.
(4) Advies van 12 november 1992, W08.92.0174.
(5) De algemene belangen die door het Hof van Justitie zijn aanvaard ter rechtvaardiging van een maatregel die de interstatelijke handel belemmert.
(6) 75/442/EEG, gewijzigd bij 91/156/EEG.
(7) 91/689/EEG.
(8) 2000/532/EG.
(9) Zie de artikelen 2 van de richtlijnen 83/477/EEG en 87/21/EEG.
(10) Advies van 6 september 2004, W08.04.0331.
(11) Zie bijvoorbeeld art. 4.37c, lid 2, onder a, het opschrift van par. 5, 4.54 en 4.54a.
(12) Kamerstukken II 2003/04, 29 304.
(13) Eindrapport Werkgroep Certificatie en Accreditatie asbest, september 2002.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon