Ontwerpbesluit tot aanwijzing van de gegevens op de verstrekking waarvan een verzoek aan een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst betrekking kan hebben (Besluit ex artikel 28 WIV 2002), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W04.04.0537/I
- Datum advies
- 10 december 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 12 juli 2005, nr 132
- Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit tot aanwijzing van de gegevens op de verstrekking waarvan een verzoek aan een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst betrekking kan hebben (Besluit ex artikel 28 WIV 2002), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 4 november 2004, no.04.004157, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Minister van Defensie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot aanwijzing van de gegevens op de verstrekking waarvan een verzoek aan een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst betrekking kan hebben (Besluit ex artikel 28 WIV 2002), met nota van toelichting.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit maar maakt een opmerking met betrekking tot de grondslag voor de bevoegdheid tot het vorderen van het bankrekeningnummer. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
In artikel 2, aanhef en onder h, van het ontwerpbesluit wordt voorgesteld onder de gegevens waarvan mededeling kan worden gevorderd, ook op te nemen het bankrekeningnummer van degene die de rekening betaalt voor de gebruiker van openbare telecommunicatie. De vraag rijst of deze bevoegdheid strookt met de grondslag van het ontwerpbesluit: artikel 28, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (WIV 2002). Deze bepaling verschaft de bevoegdheid tot het vorderen van gegevens over de gebruiker en het telecommunicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel vorderen gegevens telecommunicatie(zie noot 1) wordt gesteld dat onder dergelijke verkeersgegevens ook vallen de gegevens over de betalingen van rekeningen. Op de vraag in hoeverre hieronder de bevoegdheid tot het vorderen van het bankrekeningnummer van de derde kan worden verstaan, wordt daar niet ingegaan.
De Raad heeft er begrip voor dat, zoals in de nota van toelichting wordt gesteld, het opnemen van ook deze bevoegdheid in verband met de taakstelling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in het kader van de nationale veiligheid relevant is, in het bijzonder bij het onderzoek naar het bestaan van terroristische netwerken. Een wenselijkheid schept evenwel nog geen bevoegdheid. De Raad is van mening dat artikel 28, eerste lid, dat het vorderen van gegevens over de gebruiker tot uitgangspunt neemt, in zijn huidige formulering geen grondslag voor de bevoegdheid tot het vorderen van het bankrekeningnummer van een derde biedt. De Raad wijst er in dat verband op, dat in het Besluit vorderen gegevens telecommunicatie(zie noot 2) het vorderen van het bankrekeningnummer van derden niet voorkomt, doch uitsluitend het vorderen van naam en adres van degene die de rekening voor de gebruiker betaalt.
De Raad adviseert het vorderen van het bankrekeningnummer van degene die de rekening betaalt uit het voorgestelde artikel 2, onder h, te schrappen.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 11 mei 2005
Anders dan de Raad zijn wij van oordeel dat artikel 28, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (WIV 2002) voldoende grondslag biedt om het bankrekeningnummer dat gebruikt is voor de betaling van de openbare telecommunicatiediensten en telecommunicatienetwerken die de gebruiker ter beschikking heeft of heeft gehad, te kunnen aanwijzen als gegeven waarop een verzoek van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten betrekking kan hebben. Wij zien niet in waarom artikel 28, eerste lid, in zijn huidige formulering wel de grondslag kan bieden voor het aanwijzen van de naam, het adres en de woonplaats van degene die de rekening betaalt, maar niet voor het aanwijzen van het daartoe gebruikte rekeningnummer, ook indien dat het bankrekeningnummer van een derde betreft. Het gaat immers in beide gevallen om de identificatie van degene die de rekening betaalt. Het bankrekeningnummer is een gegeven dat direct gerelateerd is aan het telecommunicatieverkeer van de gebruiker. In bepaalde gevallen is het bankrekeningnummer zelfs het primaire gegeven waarover aanbieders van openbare telecommunicatiediensten beschikken. De Raad wijst er op dat het bankrekeningnummer niet is opgenomen in het Besluit vorderen gegevens telecommunicatie. Uit het enkele feit dat het daarin niet is opgenomen valt evenwel ons inziens niet af te leiden dat het bankrekeningnummer niet in het kader van artikel 28, eerste lid, als gegeven zou kunnen worden aangewezen. Wij zijn dan ook niet van oordeel dat het ontwerpbesluit aanpassing behoeft.
Ik moge U hierbij, mede namens mijn ambtgenoot van Defensie, het ontwerpbesluit en de nota van toelichting wederom doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(1) Kamerstukken II 2001/02, 28 059, nr.3, bladzijde 7.
(2) Stb.2004, 394.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit maar maakt een opmerking met betrekking tot de grondslag voor de bevoegdheid tot het vorderen van het bankrekeningnummer. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
In artikel 2, aanhef en onder h, van het ontwerpbesluit wordt voorgesteld onder de gegevens waarvan mededeling kan worden gevorderd, ook op te nemen het bankrekeningnummer van degene die de rekening betaalt voor de gebruiker van openbare telecommunicatie. De vraag rijst of deze bevoegdheid strookt met de grondslag van het ontwerpbesluit: artikel 28, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (WIV 2002). Deze bepaling verschaft de bevoegdheid tot het vorderen van gegevens over de gebruiker en het telecommunicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel vorderen gegevens telecommunicatie(zie noot 1) wordt gesteld dat onder dergelijke verkeersgegevens ook vallen de gegevens over de betalingen van rekeningen. Op de vraag in hoeverre hieronder de bevoegdheid tot het vorderen van het bankrekeningnummer van de derde kan worden verstaan, wordt daar niet ingegaan.
De Raad heeft er begrip voor dat, zoals in de nota van toelichting wordt gesteld, het opnemen van ook deze bevoegdheid in verband met de taakstelling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in het kader van de nationale veiligheid relevant is, in het bijzonder bij het onderzoek naar het bestaan van terroristische netwerken. Een wenselijkheid schept evenwel nog geen bevoegdheid. De Raad is van mening dat artikel 28, eerste lid, dat het vorderen van gegevens over de gebruiker tot uitgangspunt neemt, in zijn huidige formulering geen grondslag voor de bevoegdheid tot het vorderen van het bankrekeningnummer van een derde biedt. De Raad wijst er in dat verband op, dat in het Besluit vorderen gegevens telecommunicatie(zie noot 2) het vorderen van het bankrekeningnummer van derden niet voorkomt, doch uitsluitend het vorderen van naam en adres van degene die de rekening voor de gebruiker betaalt.
De Raad adviseert het vorderen van het bankrekeningnummer van degene die de rekening betaalt uit het voorgestelde artikel 2, onder h, te schrappen.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 11 mei 2005
Anders dan de Raad zijn wij van oordeel dat artikel 28, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (WIV 2002) voldoende grondslag biedt om het bankrekeningnummer dat gebruikt is voor de betaling van de openbare telecommunicatiediensten en telecommunicatienetwerken die de gebruiker ter beschikking heeft of heeft gehad, te kunnen aanwijzen als gegeven waarop een verzoek van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten betrekking kan hebben. Wij zien niet in waarom artikel 28, eerste lid, in zijn huidige formulering wel de grondslag kan bieden voor het aanwijzen van de naam, het adres en de woonplaats van degene die de rekening betaalt, maar niet voor het aanwijzen van het daartoe gebruikte rekeningnummer, ook indien dat het bankrekeningnummer van een derde betreft. Het gaat immers in beide gevallen om de identificatie van degene die de rekening betaalt. Het bankrekeningnummer is een gegeven dat direct gerelateerd is aan het telecommunicatieverkeer van de gebruiker. In bepaalde gevallen is het bankrekeningnummer zelfs het primaire gegeven waarover aanbieders van openbare telecommunicatiediensten beschikken. De Raad wijst er op dat het bankrekeningnummer niet is opgenomen in het Besluit vorderen gegevens telecommunicatie. Uit het enkele feit dat het daarin niet is opgenomen valt evenwel ons inziens niet af te leiden dat het bankrekeningnummer niet in het kader van artikel 28, eerste lid, als gegeven zou kunnen worden aangewezen. Wij zijn dan ook niet van oordeel dat het ontwerpbesluit aanpassing behoeft.
Ik moge U hierbij, mede namens mijn ambtgenoot van Defensie, het ontwerpbesluit en de nota van toelichting wederom doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(1) Kamerstukken II 2001/02, 28 059, nr.3, bladzijde 7.
(2) Stb.2004, 394.