Ontwerpbesluit houdende de aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte ten behoeve van de aanleg van de aansluiting Zevenhuizen-Waddinxveen op Rijksweg A12 tussen km 22.4 en km 24.0, alsmede de aanleg van een gedeelte van de omleidingsweg N219 vanaf ca. 200 m ten zuiden van de spoorlijn Den Haag-Gouda tot de Bredeweg (N456), met bijkomende werken in de gemeenten Zevenhuizen-Moerkapelle en Waddinxveen.
- Kenmerk
- W09.05.0033/V
- Datum advies
- 3 maart 2005
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 10 mei 2005, nr 88
- Infrastructuur en Waterstaat
- Onteigening
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit houdende de aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte ten behoeve van de aanleg van de aansluiting Zevenhuizen-Waddinxveen op Rijksweg A12 tussen km 22.4 en km 24.0, alsmede de aanleg van een gedeelte van de omleidingsweg N219 vanaf ca. 200 m ten zuiden van de spoorlijn Den Haag-Gouda tot de Bredeweg (N456), met bijkomende werken in de gemeenten Zevenhuizen-Moerkapelle en Waddinxveen.
Krachtens machtiging van Uwe Majesteit heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat, met een schrijven van 7 februari 2005, no.RWSCD BJV 2005/874, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit, houdende de aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte ten behoeve van de aanleg van de aansluiting Zevenhuizen-Waddinxveen op Rijksweg A12 tussen km 22.4 en km 24.0, alsmede de aanleg van een gedeelte van de omleidingsweg N219 vanaf ca. 200 m ten zuiden van de spoorlijn Den Haag-Gouda tot de Bredeweg (N456), met bijkomende werken in de gemeenten Zevenhuizen-Moerkapelle en Waddinxveen.
Reclamant sub 1 heeft onder meer als zienswijze naar voren gebracht dat blijkens de onteigeningsstukken minder grond van de percelen F296 en F137 nodig is dan waarover met hem in het kader van het minnelijk overleg is gesproken. Uit de overwegingen blijkt dat begin juli 2004 aan verzoeker om onteigening reeds was gebleken dat van perceel F137 12 m2 minder grond benodigd is en dat perceel F296, zijnde 2.34.60 ha, niet geheel, maar voor 2.00.42 ha moet worden verworven. In totaal bedraagt het verschil dus ruim een derde ha. Omdat in verband met de vakantieplanning van beide onderhandelende partijen niet op korte termijn een afspraak mogelijk was, heeft verzoeker om onteigening deze wijzigingen niet eerder dan op de hoorzitting op 20 september 2004 met de adviseur van reclamant kunnen bespreken. Hieruit maakt de Raad van State op dat verzoeker om onteigening in de periode voorafgaande aan de aanvang van de administratieve onteigeningsprocedure niet op basis van de juiste gegevens met reclamant sub 1 heeft onderhandeld. Uit de stukken blijkt niet dat verzoeker om onteigening anderszins pogingen heeft ondernomen om na begin juli 2004 op een eerder tijdstip met reclamant over de gewijzigde situatie in overleg te treden. Nu de verzoeker dat heeft nagelaten, had het in de rede gelegen de administratieve procedure uit te stellen tot een tijdstip waarop dat overleg inmiddels wel had plaatsgevonden en waarop door de verzoeker om onteigening conclusies konden worden getrokken met betrekking tot de vraag of met reclamant sub 1 op basis van de gewijzigde gegevens binnen redelijke termijn overeenstemming mogelijk is. Ten aanzien van perceel F137 bedraagt het verschil evenwel 12 m2. Bovendien is blijkens de overwegingen van het ontwerpbesluit het bod van verzoeker om onteigening op de benodigde grond van perceel F137 niet aangepast, zodat de nieuwe gegevens alleen bepalend zijn gebleken voor het minnelijk overleg over de verwerving van benodigde deel van perceel F296. Op grond van het vorenstaande adviseert de Raad perceel F296 buiten de onteigening te houden.
Voor een redactionele kanttekening verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen nadat aan het vorenstaand aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no. W09.05.0033/V met redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
- Aan het ontwerpbesluit alsnog de lijst van de te onteigenen percelen toevoegen.
Nader rapport (reactie op het advies) van 15 maart 2005
De Raad maakt in genoemd advies de volgende opmerking. Reclamant sub 1 heeft onder meer als zienswijze naar voren gebracht dat blijkens de onteigeningsstukken minder grond van de percelen F296 en F137 nodig is dan waarover met hem in het kader van het minnelijk overleg is gesproken. Uit de overwegingen blijkt dat begin juli 2004 aan verzoeker om onteigening reeds was gebleken dat van perceel F137 12 m2 minder grond benodigd is en dat perceel F296, zijnde 2.34.60 ha, niet geheel, maar voor 2.00.42 ha moet worden verworven. In totaal bedraagt het verschil dus ruim een derde ha. Omdat in verband met de vakantieplanning van beide onderhandelende partijen niet op korte termijn een afspraak mogelijk was, heeft verzoeker om onteigening deze wijzigingen niet eerder dan op de hoorzitting op 20 september 2004 met de adviseur van reclamant kunnen bespreken.
De Raad merkt hierover op dat verzoeker om onteigening in de periode voorafgaande aan de aanvang van de administratieve onteigeningsprocedure niet op basis van de juiste gegevens met reclamant sub 1 heeft onderhandeld. Uit de stukken blijkt niet dat verzoeker om onteigening anderszins pogingen heeft ondernomen om na begin juli 2004 op een eerder tijdstip met reclamant over de gewijzigde situatie in overleg te treden. Nu de verzoeker dat heeft nagelaten, had het in de rede gelegen de administratieve procedure uit te stellen tot een tijdstip waarop dat overleg inmiddels wel had plaatsgevonden en waarop door de verzoeker om onteigening conclusies konden worden getrokken met betrekking tot de vraag of met reclamant sub 1 op basis van de gewijzigde gegevens binnen redelijke termijn overeenstemming mogelijk is.
Ten aanzien van perceel F137 bedraagt het verschil evenwel 12 m2. Bovendien is blijkens de overwegingen van het ontwerpbesluit het bod van verzoeker om onteigening op de benodigde grond van perceel F137 niet aangepast, zodat de nieuwe gegevens alleen bepalend zijn gebleken voor het minnelijk overleg over de verwerving van benodigde deel van perceel F296. De Raad adviseert op grond van de weergegeven overwegingen het perceel F296 buiten de onteigening te houden
Naar aanleiding van het advies van de Raad van State merk ik het volgende op. Met de Raad ben ik van mening dat de verzoeker om onteigening in de periode voorafgaande aan de aanvang van de administratieve onteigeningsprocedure niet op basis van de juiste gegevens met reclamant sub 1 heeft onderhandeld. Gelet daarop ben ik van mening dat de verzoeker om onteigening niet een redelijke doch vruchteloos gebleken poging heeft ondernomen om dit perceel langs minnelijke weg te verwerven. Overeenkomstig het advies van de Raad heb ik dan ook besloten het perceel F296 buiten de onteigening te houden.
De bij het ontwerpbesluit behorende lijst van ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken is door het schrappen van het grondplannummer 8.03.dienovereenkomstig aangepast
Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
Reclamant sub 1 heeft onder meer als zienswijze naar voren gebracht dat blijkens de onteigeningsstukken minder grond van de percelen F296 en F137 nodig is dan waarover met hem in het kader van het minnelijk overleg is gesproken. Uit de overwegingen blijkt dat begin juli 2004 aan verzoeker om onteigening reeds was gebleken dat van perceel F137 12 m2 minder grond benodigd is en dat perceel F296, zijnde 2.34.60 ha, niet geheel, maar voor 2.00.42 ha moet worden verworven. In totaal bedraagt het verschil dus ruim een derde ha. Omdat in verband met de vakantieplanning van beide onderhandelende partijen niet op korte termijn een afspraak mogelijk was, heeft verzoeker om onteigening deze wijzigingen niet eerder dan op de hoorzitting op 20 september 2004 met de adviseur van reclamant kunnen bespreken. Hieruit maakt de Raad van State op dat verzoeker om onteigening in de periode voorafgaande aan de aanvang van de administratieve onteigeningsprocedure niet op basis van de juiste gegevens met reclamant sub 1 heeft onderhandeld. Uit de stukken blijkt niet dat verzoeker om onteigening anderszins pogingen heeft ondernomen om na begin juli 2004 op een eerder tijdstip met reclamant over de gewijzigde situatie in overleg te treden. Nu de verzoeker dat heeft nagelaten, had het in de rede gelegen de administratieve procedure uit te stellen tot een tijdstip waarop dat overleg inmiddels wel had plaatsgevonden en waarop door de verzoeker om onteigening conclusies konden worden getrokken met betrekking tot de vraag of met reclamant sub 1 op basis van de gewijzigde gegevens binnen redelijke termijn overeenstemming mogelijk is. Ten aanzien van perceel F137 bedraagt het verschil evenwel 12 m2. Bovendien is blijkens de overwegingen van het ontwerpbesluit het bod van verzoeker om onteigening op de benodigde grond van perceel F137 niet aangepast, zodat de nieuwe gegevens alleen bepalend zijn gebleken voor het minnelijk overleg over de verwerving van benodigde deel van perceel F296. Op grond van het vorenstaande adviseert de Raad perceel F296 buiten de onteigening te houden.
Voor een redactionele kanttekening verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen nadat aan het vorenstaand aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no. W09.05.0033/V met redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
- Aan het ontwerpbesluit alsnog de lijst van de te onteigenen percelen toevoegen.
Nader rapport (reactie op het advies) van 15 maart 2005
De Raad maakt in genoemd advies de volgende opmerking. Reclamant sub 1 heeft onder meer als zienswijze naar voren gebracht dat blijkens de onteigeningsstukken minder grond van de percelen F296 en F137 nodig is dan waarover met hem in het kader van het minnelijk overleg is gesproken. Uit de overwegingen blijkt dat begin juli 2004 aan verzoeker om onteigening reeds was gebleken dat van perceel F137 12 m2 minder grond benodigd is en dat perceel F296, zijnde 2.34.60 ha, niet geheel, maar voor 2.00.42 ha moet worden verworven. In totaal bedraagt het verschil dus ruim een derde ha. Omdat in verband met de vakantieplanning van beide onderhandelende partijen niet op korte termijn een afspraak mogelijk was, heeft verzoeker om onteigening deze wijzigingen niet eerder dan op de hoorzitting op 20 september 2004 met de adviseur van reclamant kunnen bespreken.
De Raad merkt hierover op dat verzoeker om onteigening in de periode voorafgaande aan de aanvang van de administratieve onteigeningsprocedure niet op basis van de juiste gegevens met reclamant sub 1 heeft onderhandeld. Uit de stukken blijkt niet dat verzoeker om onteigening anderszins pogingen heeft ondernomen om na begin juli 2004 op een eerder tijdstip met reclamant over de gewijzigde situatie in overleg te treden. Nu de verzoeker dat heeft nagelaten, had het in de rede gelegen de administratieve procedure uit te stellen tot een tijdstip waarop dat overleg inmiddels wel had plaatsgevonden en waarop door de verzoeker om onteigening conclusies konden worden getrokken met betrekking tot de vraag of met reclamant sub 1 op basis van de gewijzigde gegevens binnen redelijke termijn overeenstemming mogelijk is.
Ten aanzien van perceel F137 bedraagt het verschil evenwel 12 m2. Bovendien is blijkens de overwegingen van het ontwerpbesluit het bod van verzoeker om onteigening op de benodigde grond van perceel F137 niet aangepast, zodat de nieuwe gegevens alleen bepalend zijn gebleken voor het minnelijk overleg over de verwerving van benodigde deel van perceel F296. De Raad adviseert op grond van de weergegeven overwegingen het perceel F296 buiten de onteigening te houden
Naar aanleiding van het advies van de Raad van State merk ik het volgende op. Met de Raad ben ik van mening dat de verzoeker om onteigening in de periode voorafgaande aan de aanvang van de administratieve onteigeningsprocedure niet op basis van de juiste gegevens met reclamant sub 1 heeft onderhandeld. Gelet daarop ben ik van mening dat de verzoeker om onteigening niet een redelijke doch vruchteloos gebleken poging heeft ondernomen om dit perceel langs minnelijke weg te verwerven. Overeenkomstig het advies van de Raad heb ik dan ook besloten het perceel F296 buiten de onteigening te houden.
De bij het ontwerpbesluit behorende lijst van ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken is door het schrappen van het grondplannummer 8.03.dienovereenkomstig aangepast
Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat