Ontwerpbesluit tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer en het Reglement rijbewijzen in verband met de invoering van het digitale controleapparaat, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W09.04.0352/V
- Datum advies
- 8 oktober 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 10 mei 2005, nr 88
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer en het Reglement rijbewijzen in verband met de invoering van het digitale controleapparaat, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 19 juli 2004, no.04.002869, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Verkeer en Waterstaat, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer en het Reglement rijbewijzen in verband met de invoering van het digitale controleapparaat, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit strekt tot wijziging van het Voertuigreglement in verband met nadere implementatie van verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PbEG L 370) (hierna: verordening (EEG) nr. 3821/85) en verordening (EG) nr. 2135/98 van de Raad van 24 september 1998 (PbEG L 274) tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Richtlijn 88/599/EEG betreffende standaardprocedures voor de controle op de toepassing van Verordening (EEG) nr. 3820/85 en Verordening (EEG) nr. 3821/85 (hierna: verordening (EG) nr. 2135/98). Op grond van die verordeningen moeten vanaf 5 augustus 2004 alle nieuwe voertuigen zijn uitgerust met een digitaal controleapparaat.
De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit opmerkingen over de reproductie van verordeningsbepalingen in het Voertuigreglement, en over het moratorium dat is afgeroepen over de invoeringsdatum van de bovengenoemde verplichting. Hij is van oordeel dat in verband met deze opmerkingen het ontwerpbesluit en de nota van toelichting dienen te worden aangepast.
1. Reproductie van de verordening
Volgens de artikelsgewijze toelichting op artikel I, onderdeel E, eind vierde tekstblok, zijn de verplichtingen in de artikelen 2.4.8. tot en met 2.4.10, die deels of indirect uit verordening (EEG) nr. 3821/85 blijken, om redenen van consistentie, duidelijkheid en systematiek uitgeschreven in het besluit. Andere bepalingen zijn rechtstreeks uit de verordening overgenomen.(zie noot 1) Het is evenwel vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dat verordeningen niet letterlijk mogen worden overgenomen in het nationale recht. De Raad adviseert deze bepalingen dan ook te schrappen of zodanig aan te passen dat de overname van de verordening vervalt. De Raad wijst er in dit verband ook op dat in andere bepalingen van het besluit naar de verordening wordt verwezen.(zie noot 2)
2. Moratorium
Volgens de toelichting staat in verordening (EG) nr. 2135/98 de plicht vanaf
5 augustus 2004 alle nieuwe voertuigen uit te rusten met een digitaal controleapparaat.(zie noot 3) Echter vanwege het ontbreken van een tijdige EG-typegoedkeuring voor een dergelijk apparaat en het daarvoor in onvoldoende mate beschikbaar zijn van goedgekeurde digitale controleapparaten, heeft de "Commissaris van het Directoraat-Generaal Transport van de Europese Commissie" een moratorium afgekondigd. Dit moratorium houdt in dat de datum met één jaar wordt verlengd tot 5 augustus 2005.
Hiertegenover staat dat volgens artikel 2, eerste lid, van verordening (EG) nr. 2135/98 voertuigen die vanaf vierentwintig maanden na de datum van bekendmaking in het publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van het besluit dat moet worden vastgesteld krachtens artikel 17, tweede lid, verordening (EEG) nr. 3821/85, als gewijzigd door verordening (EG) nr. 2135/98, voor het eerst in het verkeer worden gebracht, moeten zijn uitgerust met een controleapparaat dat voldoet aan de voorschriften van bijlage IB. Deze bijlage is vastgesteld bij verordening (EG) nr. 1360/2002 van de Commissie van 13 juni 2002 betreffende de zevende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad (Pb EG L 207). Die verordening is gepubliceerd op 5 augustus 2002.(zie noot 4) Deze datum in combinatie met artikel 2, eerste lid, onder (a) van verordening (EG) nr. 2135/98 leidt tot de datum van 5 augustus 2004 waarop de onderhavige verplichting in werking trad.
Gelet op het bovenstaande adviseert de Raad de toelichting met de antwoorden op de volgende vragen aan te vullen:
a) Is de vertraging opgetreden doordat de in artikel 17, tweede lid, bedoelde technische specificaties niet tijdig zijn vastgesteld of doordat de EG-typegoedkeuring niet tijdig werd aangenomen?
b) Waaraan ontleent de "Commissaris van het Directoraat-Generaal Transport" de bevoegdheid om de toepassingsdatum van de verordening met een jaar op te schuiven, zulks mede gelet op het feit dat in artikel 2, derde lid, van verordening (EG) nr. 2135/98, is bepaald dat als binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het in het eerste lid bedoelde besluit nog geen enkele goedkeuring is verleend, de Commissie bij de Raad een voorstel tot verlenging moet indienen?
3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no. W09.04.0352/V met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ontwerpbesluit en Nota van toelichting
- Waar een Europese verordening wordt vermeld met in achtneming van aanwijzing 89, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving de publicatievermelding in de benaming opnemen.
Nota van toelichting
- In paragraaf 1, eerste tekstblok, het zinsdeel "(hierna: verordening (EEG) nr. 2135/98)" wijzigen in: (hierna: verordening (EG) nr. 2135/98).
- In paragraaf 1, derde tekstblok, "de Commissaris van het Directoraat-Generaal Transport van de Europese Commissie" vervangen door: het lid van de Europese Commissie dat in het bijzonder belast is met het gemeenschappelijk vervoerbeleid.
- In paragraaf 3.2, in het laatste overzicht van saldi van baten min lasten bij onderdeel "+10" het bedrag van "€111.750,-" wijzigen in: €112.746,-.
- In de toelichting op artikel I, onderdeel E, in het tweede tekstblok het zinsdeel "De artikelen 12, eerste lid, en 14, eerste lid, onder a, van die verordening" wijzigen in: De artikelen 12, eerste lid, en 14, vierde lid, onder a, van die verordening. - Aan de toelichting een transponeringstabel toevoegen.
Nader rapport (reactie op het advies) van 24 maart 2005
De Raad van State heeft naar aanleiding van het ontwerpbesluit een tweetal opmerkingen gemaakt en is van oordeel dat in verband met deze opmerkingen het ontwerpbesluit en de nota van toelichting dienen te worden aangepast. De eerste opmerking betreft de reproductie van verordeningsbepalingen in het Arbeidstijdenbesluit vervoer(zie noot 5) (Atbv). De tweede opmerking betreft het moratorium dat is afgekondigd over de datum waarop alle nieuwe voertuigen moeten zijn uitgerust met een digitaal controleapparaat. Hieronder wordt nader op deze opmerkingen ingegaan. Voorts worden nog enkele wijzigingen van technische aard toegelicht.
1. Reproductie van verordening (EEG) nr. 3821/85(zie noot 6)
De Raad van State wijst op een aantal artikelen die niet rechtstreeks, deels of indirect uit de verordening in het ontwerpbesluit mogen worden overgenomen. Hieronder worden de door de Raad in dit verband genoemde artikelen nader toegelicht en is aangegeven of en zo ja op welke wijze het artikel dan wel de toelichting is aangepast.
Het voorgestelde artikel 2.4:4, onder e, van het ontwerpbesluit verbiedt het niet-persoonlijk gebruik van de bestuurderskaart en de bedrijfskaart. Het strijdig handelen met deze bepaling is daardoor strafbaar. De verplichting tot persoonlijk gebruik van de bestuurderskaart vloeit voort uit artikel 14, vierde lid, onder a, vierde volzin, en uit artikel 14, vierde lid, onder f, van de verordening. Uit de verordening blijkt dat de bestuurder de bestuurderskaart persoonlijk moet gebruiken en dat het hij geen verlopen of defecte kaarten mag gebruiken. Het omgekeerde - het verbod van niet-persoonlijk gebruik - is niet expliciet in de verordening opgenomen. Daarenboven is het niet mogen gebruiken van gestolen kaarten niet expliciet in de verordening vastgelegd. De toevoeging van onderdeel e maakt duidelijk welke gedraging is verboden, niet welke gedraging is gewenst en biedt daarmee de voor de uitvoering van de verordening noodzakelijke basis waarop handhavers het niet-persoonlijk gebruik van de kaarten effectief kunnen handhaven. Voor de bedrijfskaart is het persoonlijk gebruik niet in de verordening voorgeschreven en betreft het een noodzakelijke uitvoeringsbepaling. De toelichting op het voorgestelde artikel 2.4:4, onder e, is met het oog hierop aangepast.
Artikel 15, vierde lid, onder a, van de verordening geeft aan dat de geldigheidsduur van de bestuurderskaart maximaal vijf jaar kan bedragen en artikel 12 van de verordening geeft aan dat de geldigheidsduur van een werkplaatskaart maximaal één jaar kan bedragen. De artikelen geven de lidstaat derhalve de keuze een geldigheidstermijn vast te stellen, mits deze maximaal vijf respectievelijk één jaar bedraagt. Het voorgestelde artikel 2.4:7, eerste lid en tweede lid, stelt de geldigheidstermijn van de bestuurderskaart en werkplaatskaart exact vast. De (maximale) geldigheidsduur van een bedrijfskaart is niet in de verordening vastgesteld. De in artikel 2.4:7, eerste lid, van het ontwerpbesluit vastgestelde termijn van vijf jaar is derhalve noodzakelijk ter uitvoering van de verordening. Het voorstaande is in de gewijzigde nota van toelichting geëxpliciteerd.
Het voorgestelde artikel 2.4:8, eerste lid, beoogt de verplichting voor de bestuurder zoals neergelegd in artikel 15, tweede lid, van verordening (EEG) nr. 3821/85 aan te laten sluiten bij het systeem van de Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer. De verordening bepaalt in voornoemd artikel dat bestuurders elke dag de bestuurderskaart moeten gebruiken vanaf het tijdstip waarop zij het voertuig overnemen. Deze kaart mag niet uit het apparaat worden genomen, "tenzij zulks anderszins is toegestaan". Welke gevallen dat zijn, is slechts indirect uit de verordening af te leiden. Aangezien het de kernverplichting betreft van het registreren van rij- en rusttijden is in het ontwerpbesluit exact opgeschreven wanneer de bestuurderskaart moeten worden gebruikt en wanneer deze niet mag dan wel kan worden gebruikt.
Het tweede lid van het voorgestelde artikel 2.4:8 bevat een gedeeltelijke reproductie van de verordening. Artikel 16, tweede lid, van verordening (EEG) nr. 3821/85 bepaalt in de tweede alinea dat de bestuurder onder omstandigheden aan het einde van de rit de gegevens met betrekking van de rij- en rusttijden van die dag print (print-out). In het ontwerpbesluit is deze verplichting overgenomen en is daar aan toegevoegd dat de bestuurder ook bij aanvang van zijn werktijd een afdruk van de gegevens uit het digitale controleapparaat maakt. Dit is noodzakelijk in verband met een goede handhaving van de rij- en rusttijden van chauffeurs die zonder bestuurderskaart rijden. Ook andere lidstaten hebben gekozen voor een dergelijk herstel op nationaal niveau. Een voorgestelde wijziging van verordening (EEG) nr. 3820/85 en 3821/85(zie noot 7) zal een afdruk voorafgaande aan de werktijd op termijn ook verplicht stellen. Vanwege de onzekerheid over het moment waarop deze wijziging van kracht wordt, is ervoor gekozen deze verplichting via artikel 2.4:12 te delegeren naar het niveau van een ministeriële regeling. Op het moment dat de verordening de tweevoudige print-out verplicht stelt, kan de bepaling in die ministeriële regeling komen te vervallen.
De voorgestelde artikelen 2.4:9 en 2.4:10 stellen gebruiksnormen aan de houder van een werkplaatskaart respectievelijk bedrijfskaart. De beschreven normen voor deze doelgroepen ontbreken in de verordening en zijn noodzakelijk voor de uitvoering daarvan. De artikelen en toelichting zijn in dit verband ongewijzigd gebleven.
Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad van State is het tweede lid van artikel 2.4:8 verplaatst naar het niveau van ministeriële regeling en is de toelichting bij de artikelen 2.4:8 tot en met 2.4:10 aangescherpt.
Het voorgestelde artikel 2.4:11, eerste lid, maakt artikel 14, vierde lid, van verordening (EEG) nr. 3821/85 toepasbaar. Het eerste lid regelt het einde van de juridisch-administratieve geldigheid van de kaart na ingrijpen door een bestuursorgaan of na afloop van de geldigheidsduur. Deze regeling vloeit voort uit de Algemene wet bestuursrecht. Niet in alle lidstaten draagt de verstrekking van tachograafkaarten het karakter van een beschikking. De verordening regelt niets over geldigheid of geldigheidsduur met betrekking tot werkplaatskaarten of bedrijfskaarten. Het eerste lid voorziet hier ter uitvoering van de verordening wel in. Het artikel en de toelichting zijn ongewijzigd gebleven.
Het tweede lid van het voorgesteld artikel 2.4:11 regelt dat een te vervangen kaart niet voor de geldigheidsduur van één (werkplaatskaart) of vijf jaar (bestuurderskaart of bedrijfskaart) wordt verstrekt, maar voor de resterende periode van geldigheid van de oorspronkelijke, de te vervangen, kaart. De verordening regelt hierover niets. Het artikel en de toelichting zijn ongewijzigd gebleven.
De eerste volzin van het derde lid van het voorgestelde artikel 2.4:11 is ten dele een reproductie van de verordening. Voor wat betreft de bestuurderskaart is de melding bij verlies en aangifte bij diefstal ook geregeld in artikel 16, derde lid, van de verordening. Het is wenselijk dat ook verloren of gestolen werkplaatskaarten en bedrijfskaarten gemeld moeten worden. Om onduidelijkheid te voorkomen door alleen de werkplaatskaart en bedrijfskaart, maar niet de bestuurderskaart in dit artikel te noemen, is gekozen beide op te nemen in het derde lid.
De verordening bepaalt in artikel 16, derde lid, dat bij verlies of diefstal de bestuurderskaart aan de bevoegde autoriteit gezonden moet worden. In het derde lid, tweede volzin, van artikel 2.4:11 gaat het om de wijze van inleveren bij de Minister van Verkeer en Waterstaat. In Nederland is met het oog op de reductie van administratieve lasten voor het bedrijfsleven gekozen dat de oude kaarten bij het ophalen van de nieuwe kaarten op de postkantoren worden ingeleverd. Daar worden ze namens de Minister van Verkeer en Waterstaat vernietigd. Dit is noodzakelijk voor een goede uitvoering van de verordening. Er is inmiddels voor gekozen dit niet in het besluit, maar in een ministeriële regeling op te nemen. Ook voor de werkplaatskaarten zal dezelfde procedure worden gevolgd.
2. Moratorium
De Raad van State stelt twee vragen die samenhangen met de vertraging van de invoering van de digitale tachograaf in het Europese wegvervoer. De vertraging heeft twee componenten, namelijk het tijdstip van afgifte van tachograafkaarten door lidstaten (uiterlijk mei 2004) en de ingebruikname van digitale tachografen in nieuwe wagens (uiterlijk augustus 2004). Beide termijnen zijn niet gehaald.
Op de vraag van de Raad of deze vertraging is te wijten aan een te late vaststelling van de technische specificaties door de Europese Commissie of een te laat verleende EG-typegoedkeuring is geen eenduidig antwoord te geven. De vaststelling van de specificaties noch de goedkeuring van een model apparaat zijn op zichzelf oorzaak van de vertraging.
De vertraging heeft feitelijk te maken met het moment waarop de industrie - de producenten van digitale tachografen - een apparaat aan enige lidstaat heeft aangeboden voor goedkeuring. Dit heeft bijna een jaar langer geduurd dan verwacht. Eén zienswijze op de reden van vertraging is dat de Europese Commissie bij het publiceren van de specificaties in augustus 2002 heeft aangenomen dat een digitaal apparaat binnen twee jaar op de markt kon worden aangeboden. Dit is, blijkt achteraf, in dat geval een verkeerde inschatting geweest. Een andere zienswijze op de reden van vertraging is dat de industrie toentertijd heeft aangegeven dat marktintroductie van een apparaat binnen de termijn van twee jaar realistisch zou zijn. Indien de industrie een dergelijke planning heeft aangegeven en de Commissie op basis daarvan heeft geanticipeerd met het vaststellen van technische regelgeving, is dit achteraf een verkeerde inschatting gebleken. In die zin is de vertraging te wijten aan een te vroege inwerkingtreding van de verordening.
Beide scenario’s duiden er op dat de te krappe inwerkingtredingstermijnen van 2004 zijn ontstaan in de communicatie tussen Commissie en industrie over de verwachte periode waarbinnen digitale apparaten en kaarten voor grootschalige productie op markt beschikbaar kunnen zijn.
Onomstreden is echter dat de Europese Commissie geen gebruik heeft gemaakt van de voorziening in artikel 2, tweede lid, van verordening (EG) nr. 2135/98 om de inwerkingtredingstermijnen te verlengen indien één jaar voor de uiterlijke datum (dus augustus 2003) nog geen apparaat ter goedkeuring aan enige lidstaat zou zijn aangeboden.
Nu de Commissie het niet opportuun achtte van deze bevoegdheid gebruik te maken, ontstaat de situatie dat er een verordening van kracht is, die in de lidstaat niet uitgevoerd kan worden. Om dit probleem op te lossen, is besloten, blijkens gemeenschappelijk standpunt dd. 9 december 2004 van de Raad(zie noot 8) verordening (EEG) nr. 3821/85 en verordening (EG) nr. 2135/98 te wijzigen met terugwerkende kracht. Voor de periode tot de in die wijziging aangegeven ingangsdatum van de verplichting tot het hebben van een digitale tachograaf (5 augustus 2005) heeft het lid van de Europese Commissie dat in het bijzonder belast is met het gemeenschappelijk vervoerbeleid, een brief geschreven waarin zij een moratorium afkondigt. Hiermee is echter formeel-juridisch de verordening niet buiten werking gesteld, waar ook de Raad blijkens zijn eigen vraag reeds van uit gaat. Nederland heeft ervoor gekozen de plicht tot het hebben van een digitale tachograaf in een voertuig voortvloeiend uit artikel 2, eerste lid, van verordening (EG) nr. 2135/98 pas strafbaar te stellen, vanaf de datum die naar aanleiding van de wijzigingsverordening in eerstgenoemde verordening is opgenomen (op dit moment "5 augustus 2005"). Tevens zal in beschouwing worden genomen of reeds voldoende digitale controleapparaten op de markt beschikbaar zijn.
De toelichting bij het besluit is met de beantwoording van de vragen zoals gesteld door de Raad van State aangevuld.
3. Redactionele kanttekeningen
De redactionele kanttekeningen van de Raad van State zijn overgenomen. In paragraaf 4 in de toelichting op het algemeen deel is een transponeringstabel opgenomen, waarin is aangegeven welke bepalingen uit verordening (EG) nr. 2135/98 en verordening (EG) nr. 1360/2002 zijn uitgevoerd in Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit vervoer en daarbij is in voorkomend geval aangegeven, of het om een grondslag gaat voor nadere uitvoering in ministeriële regelingen.
4. Wijzigingen van technische aard
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt de volgende wijzigingen van technische aard in het ontwerpbesluit en de nota van toelichting te verwerken. Het betreft de volgende artikelen van het ontwerpbesluit:
Artikel I, onderdelen A en B
- artikel 2.1:1: samenvoeging van onderdelen A en B tot één onderdeel, aangezien dit een wijziging van hetzelfde artikel in het Arbeidstijdenbesluit vervoer betreft;
- artikel 2.1:1, aanhef (mogelijk gemaakt van definitie af te wijken in lagere regelgeving)
Artikel I, onderdeel D
- artikel 2.4:4, onder e (toevoeging werkplaatskaart, aangezien dit slechts impliciet in verordening staat en een redactionele verbetering);
Artikel I, onderdeel E
- artikel 2.4:6 (schrappen laatste volzin, aangezien dit toch niet onverkort van toepassing bleek te kunnen zijn);
- artikel 2.4:8 (herformulering eerste lid, omdat met de formulering de reikwijdte van de met elkaar samenhangende verordeningen werd doorkruist)
- artikel 2.4:11, tweede lid (voor de controlekaart wordt afzonderlijk een regeling getroffen en dient dus niet in het tweede lid - gelijk het eerste lid - te worden genoemd);
- artikel 2.4:11, derde lid, (regeling van het afhalen van de bestuurderskaart of werkplaatskaart is naar niveau van ministeriele regeling gedelegeerd);
- artikel 2.4.12 (aanvulling ten aanzien van afgifte en geldigheid van tachograafkaarten en de verwerking van in de tachograaf of in een controleapparaat opgeslagen gegevens);
Artikel I, onderdeel E
- artikel 2.4:13, vierde lid (aansluiting bij de gebruikelijke formulering in het Atbv en helen omissie toevoeging onderdeel b van artikel 2, eerste lid, van verordening (EG) nr. 2135/98);
Artikel I,onderdeel F
- artikel 2.4:14, tweede lid (aanwijzing van bevoegde autoriteiten zoals opgenomen in verordening (EEG) nr. 3821/85);
Artikel I,onderdeel G
- artikel 8:1 (wijziging in verband met de samenloop met een wijzigingsbesluit van het Atbv in verband met de invoering van bestuurlijke boete in de ATW en het Atbv)
Artikel II
- tekstuele verbetering
Artikel III
Artikel 1.1a en 5.3.15, zesde lid, van het Voertuigreglement (wijzigingen in verband met herstel omissie met betrekking tot de implementatie van richtlijn nr. 96/96/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1996 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens (PbEG L 46) in samenhang met de uitvoering van verordening (EEG) nr. 3821/85);
Artikel IV
- wijziging van inwerkingtredingsbepaling met het oog op de vaststelling van de datum van inwerkingtreding van zowel de wijziging van de Arbeidstijdenwet alsmede het besluit zelf.
Toelichting paragraaf 3 Algemeen deel
Aangezien bij ministeriële regeling uitvoering is gegeven aan het advies van ACTAL op het Arbeidstijdenbesluit vervoer en in die regeling een volledige herziene berekening in de toelichting wordt opgenomen, is besloten de volledige (verouderde) berekening in de toelichting op het ontwerpbesluit te schrappen en te vervangen door een kortere passage onder verwijzing naar de desbetreffende regeling.
Voor een toelichting op bovenstaande wijzigingen wordt verwezen naar de toelichting op het besluit.
Ik moge U hierbij, mede namens mijn ambtgenoot van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
(1) Zie de in artikel I, onder D en E, voorgestelde artikelen 2.4.4, onderdeel e; 2.4.7, 2.4.8, tweede lid en 2.4.11.
(2) Zie de artikelen 2,4,5, 2.4.6 en 2.4.13.
(3) Nota van toelichting, algemeen deel, paragraaf 1, inleiding, derde tekstblok.
(4) Pb. 2002, L 207/0001-0252.
(5) Het advies van de Raad van State verwijst naar een wijziging van het ‘Voertuigreglement’, maar dat besluit werd niet door het aan de Raad voorgelegde ontwerpbesluit gewijzigd. Er wordt vanuit gegaan dat het hier een verschrijving betreft. Inmiddels is wel een wijziging van het Voertuigreglement toegevoegd.
(6) Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PbEG L 370).
(7) Gemeenschappelijk standpunt vastgesteld door de Raad op 9 december 2004 met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3821/85 en 2135/98 (11337/2/04 REV 2 (wijzigingsvoorstel)).
(8) Gemeenschappelijk standpunt vastgesteld door de Raad op 9 december 2004 met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3821/85 en 2135/98 (11337/2/04 REV 2 ADD 1 (motivering) en REV 2 (wijzigingsvoorstel)).
Het ontwerpbesluit strekt tot wijziging van het Voertuigreglement in verband met nadere implementatie van verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PbEG L 370) (hierna: verordening (EEG) nr. 3821/85) en verordening (EG) nr. 2135/98 van de Raad van 24 september 1998 (PbEG L 274) tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Richtlijn 88/599/EEG betreffende standaardprocedures voor de controle op de toepassing van Verordening (EEG) nr. 3820/85 en Verordening (EEG) nr. 3821/85 (hierna: verordening (EG) nr. 2135/98). Op grond van die verordeningen moeten vanaf 5 augustus 2004 alle nieuwe voertuigen zijn uitgerust met een digitaal controleapparaat.
De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit opmerkingen over de reproductie van verordeningsbepalingen in het Voertuigreglement, en over het moratorium dat is afgeroepen over de invoeringsdatum van de bovengenoemde verplichting. Hij is van oordeel dat in verband met deze opmerkingen het ontwerpbesluit en de nota van toelichting dienen te worden aangepast.
1. Reproductie van de verordening
Volgens de artikelsgewijze toelichting op artikel I, onderdeel E, eind vierde tekstblok, zijn de verplichtingen in de artikelen 2.4.8. tot en met 2.4.10, die deels of indirect uit verordening (EEG) nr. 3821/85 blijken, om redenen van consistentie, duidelijkheid en systematiek uitgeschreven in het besluit. Andere bepalingen zijn rechtstreeks uit de verordening overgenomen.(zie noot 1) Het is evenwel vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dat verordeningen niet letterlijk mogen worden overgenomen in het nationale recht. De Raad adviseert deze bepalingen dan ook te schrappen of zodanig aan te passen dat de overname van de verordening vervalt. De Raad wijst er in dit verband ook op dat in andere bepalingen van het besluit naar de verordening wordt verwezen.(zie noot 2)
2. Moratorium
Volgens de toelichting staat in verordening (EG) nr. 2135/98 de plicht vanaf
5 augustus 2004 alle nieuwe voertuigen uit te rusten met een digitaal controleapparaat.(zie noot 3) Echter vanwege het ontbreken van een tijdige EG-typegoedkeuring voor een dergelijk apparaat en het daarvoor in onvoldoende mate beschikbaar zijn van goedgekeurde digitale controleapparaten, heeft de "Commissaris van het Directoraat-Generaal Transport van de Europese Commissie" een moratorium afgekondigd. Dit moratorium houdt in dat de datum met één jaar wordt verlengd tot 5 augustus 2005.
Hiertegenover staat dat volgens artikel 2, eerste lid, van verordening (EG) nr. 2135/98 voertuigen die vanaf vierentwintig maanden na de datum van bekendmaking in het publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van het besluit dat moet worden vastgesteld krachtens artikel 17, tweede lid, verordening (EEG) nr. 3821/85, als gewijzigd door verordening (EG) nr. 2135/98, voor het eerst in het verkeer worden gebracht, moeten zijn uitgerust met een controleapparaat dat voldoet aan de voorschriften van bijlage IB. Deze bijlage is vastgesteld bij verordening (EG) nr. 1360/2002 van de Commissie van 13 juni 2002 betreffende de zevende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad (Pb EG L 207). Die verordening is gepubliceerd op 5 augustus 2002.(zie noot 4) Deze datum in combinatie met artikel 2, eerste lid, onder (a) van verordening (EG) nr. 2135/98 leidt tot de datum van 5 augustus 2004 waarop de onderhavige verplichting in werking trad.
Gelet op het bovenstaande adviseert de Raad de toelichting met de antwoorden op de volgende vragen aan te vullen:
a) Is de vertraging opgetreden doordat de in artikel 17, tweede lid, bedoelde technische specificaties niet tijdig zijn vastgesteld of doordat de EG-typegoedkeuring niet tijdig werd aangenomen?
b) Waaraan ontleent de "Commissaris van het Directoraat-Generaal Transport" de bevoegdheid om de toepassingsdatum van de verordening met een jaar op te schuiven, zulks mede gelet op het feit dat in artikel 2, derde lid, van verordening (EG) nr. 2135/98, is bepaald dat als binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het in het eerste lid bedoelde besluit nog geen enkele goedkeuring is verleend, de Commissie bij de Raad een voorstel tot verlenging moet indienen?
3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no. W09.04.0352/V met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ontwerpbesluit en Nota van toelichting
- Waar een Europese verordening wordt vermeld met in achtneming van aanwijzing 89, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving de publicatievermelding in de benaming opnemen.
Nota van toelichting
- In paragraaf 1, eerste tekstblok, het zinsdeel "(hierna: verordening (EEG) nr. 2135/98)" wijzigen in: (hierna: verordening (EG) nr. 2135/98).
- In paragraaf 1, derde tekstblok, "de Commissaris van het Directoraat-Generaal Transport van de Europese Commissie" vervangen door: het lid van de Europese Commissie dat in het bijzonder belast is met het gemeenschappelijk vervoerbeleid.
- In paragraaf 3.2, in het laatste overzicht van saldi van baten min lasten bij onderdeel "+10" het bedrag van "€111.750,-" wijzigen in: €112.746,-.
- In de toelichting op artikel I, onderdeel E, in het tweede tekstblok het zinsdeel "De artikelen 12, eerste lid, en 14, eerste lid, onder a, van die verordening" wijzigen in: De artikelen 12, eerste lid, en 14, vierde lid, onder a, van die verordening. - Aan de toelichting een transponeringstabel toevoegen.
Nader rapport (reactie op het advies) van 24 maart 2005
De Raad van State heeft naar aanleiding van het ontwerpbesluit een tweetal opmerkingen gemaakt en is van oordeel dat in verband met deze opmerkingen het ontwerpbesluit en de nota van toelichting dienen te worden aangepast. De eerste opmerking betreft de reproductie van verordeningsbepalingen in het Arbeidstijdenbesluit vervoer(zie noot 5) (Atbv). De tweede opmerking betreft het moratorium dat is afgekondigd over de datum waarop alle nieuwe voertuigen moeten zijn uitgerust met een digitaal controleapparaat. Hieronder wordt nader op deze opmerkingen ingegaan. Voorts worden nog enkele wijzigingen van technische aard toegelicht.
1. Reproductie van verordening (EEG) nr. 3821/85(zie noot 6)
De Raad van State wijst op een aantal artikelen die niet rechtstreeks, deels of indirect uit de verordening in het ontwerpbesluit mogen worden overgenomen. Hieronder worden de door de Raad in dit verband genoemde artikelen nader toegelicht en is aangegeven of en zo ja op welke wijze het artikel dan wel de toelichting is aangepast.
Het voorgestelde artikel 2.4:4, onder e, van het ontwerpbesluit verbiedt het niet-persoonlijk gebruik van de bestuurderskaart en de bedrijfskaart. Het strijdig handelen met deze bepaling is daardoor strafbaar. De verplichting tot persoonlijk gebruik van de bestuurderskaart vloeit voort uit artikel 14, vierde lid, onder a, vierde volzin, en uit artikel 14, vierde lid, onder f, van de verordening. Uit de verordening blijkt dat de bestuurder de bestuurderskaart persoonlijk moet gebruiken en dat het hij geen verlopen of defecte kaarten mag gebruiken. Het omgekeerde - het verbod van niet-persoonlijk gebruik - is niet expliciet in de verordening opgenomen. Daarenboven is het niet mogen gebruiken van gestolen kaarten niet expliciet in de verordening vastgelegd. De toevoeging van onderdeel e maakt duidelijk welke gedraging is verboden, niet welke gedraging is gewenst en biedt daarmee de voor de uitvoering van de verordening noodzakelijke basis waarop handhavers het niet-persoonlijk gebruik van de kaarten effectief kunnen handhaven. Voor de bedrijfskaart is het persoonlijk gebruik niet in de verordening voorgeschreven en betreft het een noodzakelijke uitvoeringsbepaling. De toelichting op het voorgestelde artikel 2.4:4, onder e, is met het oog hierop aangepast.
Artikel 15, vierde lid, onder a, van de verordening geeft aan dat de geldigheidsduur van de bestuurderskaart maximaal vijf jaar kan bedragen en artikel 12 van de verordening geeft aan dat de geldigheidsduur van een werkplaatskaart maximaal één jaar kan bedragen. De artikelen geven de lidstaat derhalve de keuze een geldigheidstermijn vast te stellen, mits deze maximaal vijf respectievelijk één jaar bedraagt. Het voorgestelde artikel 2.4:7, eerste lid en tweede lid, stelt de geldigheidstermijn van de bestuurderskaart en werkplaatskaart exact vast. De (maximale) geldigheidsduur van een bedrijfskaart is niet in de verordening vastgesteld. De in artikel 2.4:7, eerste lid, van het ontwerpbesluit vastgestelde termijn van vijf jaar is derhalve noodzakelijk ter uitvoering van de verordening. Het voorstaande is in de gewijzigde nota van toelichting geëxpliciteerd.
Het voorgestelde artikel 2.4:8, eerste lid, beoogt de verplichting voor de bestuurder zoals neergelegd in artikel 15, tweede lid, van verordening (EEG) nr. 3821/85 aan te laten sluiten bij het systeem van de Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer. De verordening bepaalt in voornoemd artikel dat bestuurders elke dag de bestuurderskaart moeten gebruiken vanaf het tijdstip waarop zij het voertuig overnemen. Deze kaart mag niet uit het apparaat worden genomen, "tenzij zulks anderszins is toegestaan". Welke gevallen dat zijn, is slechts indirect uit de verordening af te leiden. Aangezien het de kernverplichting betreft van het registreren van rij- en rusttijden is in het ontwerpbesluit exact opgeschreven wanneer de bestuurderskaart moeten worden gebruikt en wanneer deze niet mag dan wel kan worden gebruikt.
Het tweede lid van het voorgestelde artikel 2.4:8 bevat een gedeeltelijke reproductie van de verordening. Artikel 16, tweede lid, van verordening (EEG) nr. 3821/85 bepaalt in de tweede alinea dat de bestuurder onder omstandigheden aan het einde van de rit de gegevens met betrekking van de rij- en rusttijden van die dag print (print-out). In het ontwerpbesluit is deze verplichting overgenomen en is daar aan toegevoegd dat de bestuurder ook bij aanvang van zijn werktijd een afdruk van de gegevens uit het digitale controleapparaat maakt. Dit is noodzakelijk in verband met een goede handhaving van de rij- en rusttijden van chauffeurs die zonder bestuurderskaart rijden. Ook andere lidstaten hebben gekozen voor een dergelijk herstel op nationaal niveau. Een voorgestelde wijziging van verordening (EEG) nr. 3820/85 en 3821/85(zie noot 7) zal een afdruk voorafgaande aan de werktijd op termijn ook verplicht stellen. Vanwege de onzekerheid over het moment waarop deze wijziging van kracht wordt, is ervoor gekozen deze verplichting via artikel 2.4:12 te delegeren naar het niveau van een ministeriële regeling. Op het moment dat de verordening de tweevoudige print-out verplicht stelt, kan de bepaling in die ministeriële regeling komen te vervallen.
De voorgestelde artikelen 2.4:9 en 2.4:10 stellen gebruiksnormen aan de houder van een werkplaatskaart respectievelijk bedrijfskaart. De beschreven normen voor deze doelgroepen ontbreken in de verordening en zijn noodzakelijk voor de uitvoering daarvan. De artikelen en toelichting zijn in dit verband ongewijzigd gebleven.
Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad van State is het tweede lid van artikel 2.4:8 verplaatst naar het niveau van ministeriële regeling en is de toelichting bij de artikelen 2.4:8 tot en met 2.4:10 aangescherpt.
Het voorgestelde artikel 2.4:11, eerste lid, maakt artikel 14, vierde lid, van verordening (EEG) nr. 3821/85 toepasbaar. Het eerste lid regelt het einde van de juridisch-administratieve geldigheid van de kaart na ingrijpen door een bestuursorgaan of na afloop van de geldigheidsduur. Deze regeling vloeit voort uit de Algemene wet bestuursrecht. Niet in alle lidstaten draagt de verstrekking van tachograafkaarten het karakter van een beschikking. De verordening regelt niets over geldigheid of geldigheidsduur met betrekking tot werkplaatskaarten of bedrijfskaarten. Het eerste lid voorziet hier ter uitvoering van de verordening wel in. Het artikel en de toelichting zijn ongewijzigd gebleven.
Het tweede lid van het voorgesteld artikel 2.4:11 regelt dat een te vervangen kaart niet voor de geldigheidsduur van één (werkplaatskaart) of vijf jaar (bestuurderskaart of bedrijfskaart) wordt verstrekt, maar voor de resterende periode van geldigheid van de oorspronkelijke, de te vervangen, kaart. De verordening regelt hierover niets. Het artikel en de toelichting zijn ongewijzigd gebleven.
De eerste volzin van het derde lid van het voorgestelde artikel 2.4:11 is ten dele een reproductie van de verordening. Voor wat betreft de bestuurderskaart is de melding bij verlies en aangifte bij diefstal ook geregeld in artikel 16, derde lid, van de verordening. Het is wenselijk dat ook verloren of gestolen werkplaatskaarten en bedrijfskaarten gemeld moeten worden. Om onduidelijkheid te voorkomen door alleen de werkplaatskaart en bedrijfskaart, maar niet de bestuurderskaart in dit artikel te noemen, is gekozen beide op te nemen in het derde lid.
De verordening bepaalt in artikel 16, derde lid, dat bij verlies of diefstal de bestuurderskaart aan de bevoegde autoriteit gezonden moet worden. In het derde lid, tweede volzin, van artikel 2.4:11 gaat het om de wijze van inleveren bij de Minister van Verkeer en Waterstaat. In Nederland is met het oog op de reductie van administratieve lasten voor het bedrijfsleven gekozen dat de oude kaarten bij het ophalen van de nieuwe kaarten op de postkantoren worden ingeleverd. Daar worden ze namens de Minister van Verkeer en Waterstaat vernietigd. Dit is noodzakelijk voor een goede uitvoering van de verordening. Er is inmiddels voor gekozen dit niet in het besluit, maar in een ministeriële regeling op te nemen. Ook voor de werkplaatskaarten zal dezelfde procedure worden gevolgd.
2. Moratorium
De Raad van State stelt twee vragen die samenhangen met de vertraging van de invoering van de digitale tachograaf in het Europese wegvervoer. De vertraging heeft twee componenten, namelijk het tijdstip van afgifte van tachograafkaarten door lidstaten (uiterlijk mei 2004) en de ingebruikname van digitale tachografen in nieuwe wagens (uiterlijk augustus 2004). Beide termijnen zijn niet gehaald.
Op de vraag van de Raad of deze vertraging is te wijten aan een te late vaststelling van de technische specificaties door de Europese Commissie of een te laat verleende EG-typegoedkeuring is geen eenduidig antwoord te geven. De vaststelling van de specificaties noch de goedkeuring van een model apparaat zijn op zichzelf oorzaak van de vertraging.
De vertraging heeft feitelijk te maken met het moment waarop de industrie - de producenten van digitale tachografen - een apparaat aan enige lidstaat heeft aangeboden voor goedkeuring. Dit heeft bijna een jaar langer geduurd dan verwacht. Eén zienswijze op de reden van vertraging is dat de Europese Commissie bij het publiceren van de specificaties in augustus 2002 heeft aangenomen dat een digitaal apparaat binnen twee jaar op de markt kon worden aangeboden. Dit is, blijkt achteraf, in dat geval een verkeerde inschatting geweest. Een andere zienswijze op de reden van vertraging is dat de industrie toentertijd heeft aangegeven dat marktintroductie van een apparaat binnen de termijn van twee jaar realistisch zou zijn. Indien de industrie een dergelijke planning heeft aangegeven en de Commissie op basis daarvan heeft geanticipeerd met het vaststellen van technische regelgeving, is dit achteraf een verkeerde inschatting gebleken. In die zin is de vertraging te wijten aan een te vroege inwerkingtreding van de verordening.
Beide scenario’s duiden er op dat de te krappe inwerkingtredingstermijnen van 2004 zijn ontstaan in de communicatie tussen Commissie en industrie over de verwachte periode waarbinnen digitale apparaten en kaarten voor grootschalige productie op markt beschikbaar kunnen zijn.
Onomstreden is echter dat de Europese Commissie geen gebruik heeft gemaakt van de voorziening in artikel 2, tweede lid, van verordening (EG) nr. 2135/98 om de inwerkingtredingstermijnen te verlengen indien één jaar voor de uiterlijke datum (dus augustus 2003) nog geen apparaat ter goedkeuring aan enige lidstaat zou zijn aangeboden.
Nu de Commissie het niet opportuun achtte van deze bevoegdheid gebruik te maken, ontstaat de situatie dat er een verordening van kracht is, die in de lidstaat niet uitgevoerd kan worden. Om dit probleem op te lossen, is besloten, blijkens gemeenschappelijk standpunt dd. 9 december 2004 van de Raad(zie noot 8) verordening (EEG) nr. 3821/85 en verordening (EG) nr. 2135/98 te wijzigen met terugwerkende kracht. Voor de periode tot de in die wijziging aangegeven ingangsdatum van de verplichting tot het hebben van een digitale tachograaf (5 augustus 2005) heeft het lid van de Europese Commissie dat in het bijzonder belast is met het gemeenschappelijk vervoerbeleid, een brief geschreven waarin zij een moratorium afkondigt. Hiermee is echter formeel-juridisch de verordening niet buiten werking gesteld, waar ook de Raad blijkens zijn eigen vraag reeds van uit gaat. Nederland heeft ervoor gekozen de plicht tot het hebben van een digitale tachograaf in een voertuig voortvloeiend uit artikel 2, eerste lid, van verordening (EG) nr. 2135/98 pas strafbaar te stellen, vanaf de datum die naar aanleiding van de wijzigingsverordening in eerstgenoemde verordening is opgenomen (op dit moment "5 augustus 2005"). Tevens zal in beschouwing worden genomen of reeds voldoende digitale controleapparaten op de markt beschikbaar zijn.
De toelichting bij het besluit is met de beantwoording van de vragen zoals gesteld door de Raad van State aangevuld.
3. Redactionele kanttekeningen
De redactionele kanttekeningen van de Raad van State zijn overgenomen. In paragraaf 4 in de toelichting op het algemeen deel is een transponeringstabel opgenomen, waarin is aangegeven welke bepalingen uit verordening (EG) nr. 2135/98 en verordening (EG) nr. 1360/2002 zijn uitgevoerd in Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit vervoer en daarbij is in voorkomend geval aangegeven, of het om een grondslag gaat voor nadere uitvoering in ministeriële regelingen.
4. Wijzigingen van technische aard
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt de volgende wijzigingen van technische aard in het ontwerpbesluit en de nota van toelichting te verwerken. Het betreft de volgende artikelen van het ontwerpbesluit:
Artikel I, onderdelen A en B
- artikel 2.1:1: samenvoeging van onderdelen A en B tot één onderdeel, aangezien dit een wijziging van hetzelfde artikel in het Arbeidstijdenbesluit vervoer betreft;
- artikel 2.1:1, aanhef (mogelijk gemaakt van definitie af te wijken in lagere regelgeving)
Artikel I, onderdeel D
- artikel 2.4:4, onder e (toevoeging werkplaatskaart, aangezien dit slechts impliciet in verordening staat en een redactionele verbetering);
Artikel I, onderdeel E
- artikel 2.4:6 (schrappen laatste volzin, aangezien dit toch niet onverkort van toepassing bleek te kunnen zijn);
- artikel 2.4:8 (herformulering eerste lid, omdat met de formulering de reikwijdte van de met elkaar samenhangende verordeningen werd doorkruist)
- artikel 2.4:11, tweede lid (voor de controlekaart wordt afzonderlijk een regeling getroffen en dient dus niet in het tweede lid - gelijk het eerste lid - te worden genoemd);
- artikel 2.4:11, derde lid, (regeling van het afhalen van de bestuurderskaart of werkplaatskaart is naar niveau van ministeriele regeling gedelegeerd);
- artikel 2.4.12 (aanvulling ten aanzien van afgifte en geldigheid van tachograafkaarten en de verwerking van in de tachograaf of in een controleapparaat opgeslagen gegevens);
Artikel I, onderdeel E
- artikel 2.4:13, vierde lid (aansluiting bij de gebruikelijke formulering in het Atbv en helen omissie toevoeging onderdeel b van artikel 2, eerste lid, van verordening (EG) nr. 2135/98);
Artikel I,onderdeel F
- artikel 2.4:14, tweede lid (aanwijzing van bevoegde autoriteiten zoals opgenomen in verordening (EEG) nr. 3821/85);
Artikel I,onderdeel G
- artikel 8:1 (wijziging in verband met de samenloop met een wijzigingsbesluit van het Atbv in verband met de invoering van bestuurlijke boete in de ATW en het Atbv)
Artikel II
- tekstuele verbetering
Artikel III
Artikel 1.1a en 5.3.15, zesde lid, van het Voertuigreglement (wijzigingen in verband met herstel omissie met betrekking tot de implementatie van richtlijn nr. 96/96/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1996 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens (PbEG L 46) in samenhang met de uitvoering van verordening (EEG) nr. 3821/85);
Artikel IV
- wijziging van inwerkingtredingsbepaling met het oog op de vaststelling van de datum van inwerkingtreding van zowel de wijziging van de Arbeidstijdenwet alsmede het besluit zelf.
Toelichting paragraaf 3 Algemeen deel
Aangezien bij ministeriële regeling uitvoering is gegeven aan het advies van ACTAL op het Arbeidstijdenbesluit vervoer en in die regeling een volledige herziene berekening in de toelichting wordt opgenomen, is besloten de volledige (verouderde) berekening in de toelichting op het ontwerpbesluit te schrappen en te vervangen door een kortere passage onder verwijzing naar de desbetreffende regeling.
Voor een toelichting op bovenstaande wijzigingen wordt verwezen naar de toelichting op het besluit.
Ik moge U hierbij, mede namens mijn ambtgenoot van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
(1) Zie de in artikel I, onder D en E, voorgestelde artikelen 2.4.4, onderdeel e; 2.4.7, 2.4.8, tweede lid en 2.4.11.
(2) Zie de artikelen 2,4,5, 2.4.6 en 2.4.13.
(3) Nota van toelichting, algemeen deel, paragraaf 1, inleiding, derde tekstblok.
(4) Pb. 2002, L 207/0001-0252.
(5) Het advies van de Raad van State verwijst naar een wijziging van het ‘Voertuigreglement’, maar dat besluit werd niet door het aan de Raad voorgelegde ontwerpbesluit gewijzigd. Er wordt vanuit gegaan dat het hier een verschrijving betreft. Inmiddels is wel een wijziging van het Voertuigreglement toegevoegd.
(6) Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PbEG L 370).
(7) Gemeenschappelijk standpunt vastgesteld door de Raad op 9 december 2004 met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3821/85 en 2135/98 (11337/2/04 REV 2 (wijzigingsvoorstel)).
(8) Gemeenschappelijk standpunt vastgesteld door de Raad op 9 december 2004 met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3821/85 en 2135/98 (11337/2/04 REV 2 ADD 1 (motivering) en REV 2 (wijzigingsvoorstel)).