Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W06.05.0048/IV

Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 in verband met het arrest De Groot van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (C-385/00) en in verband met enkele overige technische aanpassingen, met nota van toelichting.

Kenmerk
W06.05.0048/IV
Datum advies
14 maart 2005
Vindplaats
Bijvoegsel Staatscourant 10 mei 2005, nr 88
  • Financiën
  • Algemene maatregel van bestuur

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 in verband met het arrest De Groot van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (C-385/00) en in verband met enkele overige technische aanpassingen, met nota van toelichting.

Bij Kabinetsmissive van 28 februari 2005, no.05.000716, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 in verband met het arrest De Groot van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (C-385/00) en in verband met enkele overige technische aanpassingen, met nota van toelichting.

Het voorstel heeft betrekking op wijzigingen in de berekening van de tegemoetkoming ter voorkoming van dubbele belasting, die voortvloeien uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 12 december 2002, C-385/00, BNB 2002/182, alsmede op enkele technische aanpassingen van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (Bvdb 2001). De Raad van State plaatst kanttekeningen bij de geografische reikwijdte en de terugwerkende kracht van onderdelen van het voorstel. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het voorstel wenselijk is.

1. De reden voor de aanpassing van het Bvdb 2001 ligt in het oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dat de methode van voorkoming van dubbele belasting die in het Bvdb 2001 is opgenomen, strijdig is met artikel 48 (thans artikel 39) van het EG-verdrag. De Hoge Raad heeft met in achtneming van deze uitspraak in de arresten van 7 mei 2004, nr. 34 782 en 38 067, BNB 2004/261 en 262, het beroep tegen de toepassing van het Bvdb 2001 gegrond verklaard.
In zijn conclusies bij deze arresten van de Hoge Raad analyseert Advocaat-Generaal Wattel uitgebreid de hoofdmethoden ter voorkoming dan wel matiging van internationale juridische dubbele belasting. In zijn conclusie bij het arrest van 7 mei 2004, nr. 38 067, merkt hij onder meer op:

" 9.6. Hoewel ik nog steeds meen dat belastingvoetvrijstelling de aangewezen methode is indien de werkstaat zijn tegemoetkomingen niet evenredig aan niet-inwoners verleent en bij de belastingheffing over het broninkomen geen rekening houdt met het wereldinkomen, meen ik bij nader inzien dat het niet aan de rechter is om deze in wezen politieke keuze te maken. (...)."

De Raad mist in de toelichting de motivering om in het Bvdb 2001 de zogenoemde vrijstelling met progressievoorbehoud te handhaven en alleen het noemerinkomen aan te passen. Dit gemis doet zich sterker voelen nu de Advocaat-Generaal heeft betoogd dat de zogenoemde voetvrijstelling meer is aangewezen als methode ter voorkoming van dubbele belasting in de gevallen dat het bronland geen rekening houdt met de persoonlijke fiscale tegemoetkomingen, en alleen de wetgever deze methode kan realiseren.
De Raad adviseert de toelichting aan te vullen met de motivering voor de keuze van de methode ter voorkoming van dubbele belasting.

2. Op grond van artikel 10, zevende lid, Bvdb 2001 wordt het noemerinkomen ook gecorrigeerd indien het buitenlandse bronland rekening houdt met de persoonlijke fiscale tegemoetkomingen. Deze correctie vindt niet alleen plaats indien het bronland daadwerkelijk rekening houdt met die tegemoetkomingen, maar tevens indien binnen de EG het bronland gehouden is op grond van het EG-verdrag deze volledig in aanmerking te nemen. Deze regeling is aanvaardbaar aangezien aangenomen moet worden dat de lidstaten overeenkomstig het EG-verdrag handelen.
Artikel 10, zevende lid, laatste volzin, Bvdb 2001 verklaart de correctie op het noemerinkomen van overeenkomstige toepassing op inkomsten uit een niet tot de Europese Unie behorend bronland in de gevallen dat een lidstaat gehouden is de persoonlijke fiscale tegemoetkomingen te verlenen. Het bronland behoeft echter deze tegemoetkomingen niet te verlenen.
Naar het oordeel van de Raad staat deze regeling op gespannen voet met artikel 38 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) omdat in de gevallen dat het bronland niet daadwerkelijk rekening houdt met de persoonlijke fiscale tegemoetkomingen, materieel dubbele belastingheffing optreedt door het gemis van (een deel van) die persoonlijke fiscale tegemoetkomingen. De spanning wordt niet weggenomen door de enkele verwijzing naar hogere uitvoeringslasten en beperkte budgettaire gevolgen.
Dezelfde kanttekeningen zijn te plaatsen bij artikel 19, zesde lid, laatste volzin, Bvdb 2001, en artikel 24, zevende lid, laatste volzin, Bvdb 2001.
De Raad adviseert de artikelen 10, zevende lid, laatste volzin, 19, zesde lid, laatste volzin, en 24, zevende lid, laatste volzin, Bvdb 2001 te heroverwegen.

3. Het voorstel treedt op onderdelen met terugwerkende kracht in werking.
De wijzigingen van het Bvdb 2001 die samenhangen met de aanpassing van het noemerinkomen, treden in werking met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2005. De wijzigingen zijn volgens de toelichting begunstigend voor belastingplichtigen. De Raad merkt op, dat dit voor het merendeel van de gevallen juist is, maar dat de wijziging van artikel 10, zevende lid, Bvdb 2001 belastend kan zijn door de verhoging van het noemerinkomen. Aan dit aspect wordt in de toelichting geen aandacht gegeven.

Artikel I, onderdeel K, van het voorstel sluit aan bij de wijziging van het fiscale eenheidsregime per 1 januari 2003. De bepaling kan belastend zijn. De omstandigheid dat deze wijziging van het Bvdb 2001 in de toelichting op het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 6 juli 2004, nr. IFZ2004/192M, VN 2004/38.16, is aangekondigd, neemt niet weg dat daarmee nog niet sprake is van een uitzonderlijk geval als omschreven in de brief van 25 juni 1997 (Kamerstukken II 1996/97, 25 212, nr. 2).
Eenzelfde kanttekening is te plaatsen bij de terugwerkende kracht die aan artikel I, onderdeel I, van het voorstel wordt gegeven.

De Raad adviseert, voor zover vorengenoemde bepalingen betrekking hebben op belastende elementen in de regelingen, de terugwerkende kracht die aan die bepalingen is gegeven, in de toelichting alsnog te motiveren op de grondslag van het in de brief van 25 juni 1997 neergelegde beleid.

4. In het cijfervoorbeeld dat in de artikelsgewijze toelichting op artikel I, onderdeel I, van het voorstel is opgenomen, is een fout geslopen bij de bepaling van het te veel aan vreemd vermogen bij A na toepassing van de franchise. De regeling is daardoor minder gecompliceerd dan het voorbeeld doet vermoeden.
De Raad adviseert het cijfervoorbeeld te corrigeren.

De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State



Nader rapport (reactie op het advies) van 4 april 2005

1. Op zichzelf valt conceptueel veel te zeggen voor de door Advocaat-Generaal Wattel in zijn conclusie bij het arrest van 7 mei 2004, nr. 38 067, BNB 2004/262 bepleite voetvrijstelling aangezien de inkomsten in het bronland ook veelal aan de voet zullen worden belast. In het ontwerpbesluit is vooralsnog echter om een tweetal redenen gekozen voor het handhaven van de evenredige vrijstelling met progressievoorbehoud als methode ter voorkoming van dubbele belasting. In de eerste plaats vanwege de praktische bezwaren van het hanteren van een voetvrijstelling. De bestaande voorkomingssystematiek kan worden gehanteerd in relatie tot alle landen waaruit buitenlands inkomen afkomstig is. Dit is niet het geval indien in het ontwerpbesluit zou zijn afgeweken van de evenredige vrijstelling en zou zijn overgestapt naar een voetvrijstelling. Op grond van de verdragen met een zelfstandige regeling voor de vrijstellingsmethode moet namelijk een evenredige vrijstelling worden toegepast. Het hanteren van verschillende methodes voor de vrijstelling van buitenlands inkomen heeft in beginsel niet mijn voorkeur. Hier komt bij dat, in de tweede plaats, het hanteren van een voetvrijstelling bij de voorkoming in box 1 de vermindering van de Nederlandse belasting aanzienlijk zou beperken door de (huidige) lage belastingtarieven in de eerste twee schijven. Hierdoor zou de voorkoming bij een voetvrijstelling vaak lager uitpakken dan de in het bronland verschuldigde belasting. Ook tegen deze achtergrond is een aanpassing op dit moment ongewenst.
In de artikelsgewijze toelichting is naar aanleiding van het advies van de Raad een nadere motivering opgenomen voor de keuze om zo dicht mogelijk bij de bestaande voorkomingssystematiek te blijven.

2. Volgens de regeling in het voorgestelde artikel 10, vijfde lid, wordt de aanpassing op basis van het arrest De Groot ook toegepast op inkomsten uit landen die niet onder de werking van het EG-Verdrag vallen. In relatie tot deze landen had de oude systematiek kunnen worden gehandhaafd, omdat de gevolgen van het arrest De Groot zich niet tot deze landen uitstrekken. Om praktische redenen is echter geen onderscheid gemaakt tussen inkomsten uit verschillende landen. Dat betekent dat de voordelen die voortvloeien uit het arrest De Groot met ingang van 1 januari 2005 ook voor inkomsten uit deze landen gelden. Om te vermijden dat de voorkoming over inkomsten uit deze landen onder de toepassing van het zevende lid van artikel 10 gunstiger is dan de voorkoming over inkomsten uit EU- en aanverwante landen, gelden dezelfde voorwaarden die worden gesteld met betrekking tot EU- en aanverwante landen. Indien 90% of meer van het inkomen afkomstig is uit een land dat niet onder de werking van het EG-verdrag valt, blijft de huidige voorkomingssystematiek dus bestaan. Naar mijn oordeel is het in die situatie de verantwoordelijkheid van de bronstaat om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie. Het gevolg hiervan kan inderdaad zijn dat een deel van de persoonlijke fiscale tegemoetkomingen verloren gaat indien het bronland niet bereid is om onder die omstandigheden persoonlijke fiscale tegemoetkomingen te verlenen. Dit zou ook het geval zijn indien voor die landen de systematiek van vóór het arrest De Groot was gehandhaafd. Over de buitenlandse inkomsten uit deze landen wordt echter steeds vrijstelling verleend. Het voorgestelde artikel 10, zevende lid, is naar mijn opvatting dan ook niet strijdig met artikel 38, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

3. Zoals uit punt 2 blijkt, is het voorgestelde artikel 10, zevende lid, (en de overige daarmee vergelijkbare bepalingen) naar mijn opvatting geen belastende maatregel. De bepaling kan er onder omstandigheden alleen toe leiden dat het noemerinkomen van vóór de voorgestelde wijziging wordt gehanteerd. Belastingplichtigen zijn dus minimaal even goed af als onder de regeling zoals die is opgenomen in het huidige Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Tegen deze achtergrond kan terugwerkende kracht van de wijzigingen van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 die samenhangen met de aanpassing van het noemerinkomen dus alleen begunstigend uitpakken voor belastingplichtigen.
In artikel I, onderdeel I, zijn nadere regels opgenomen over de toepassing van de thincapregels bij meerdere buitenlandse vaste inrichtingen. Zonder nadere regels zou onduidelijkheid bestaan over de verdeling van de franchise van € 500.000 van artikel 10d, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en van het plafond van het tiende lid van dat artikel bij de berekening van de winst van buitenlandse vaste inrichtingen waarvoor voorkoming wordt verleend. De terugwerkende kracht tot de datum waarop de thincapregels van kracht zijn geworden, geeft rechtszekerheid. De nadere regels over de verdeling van het plafond zijn rekenregels. De verdeling van de franchise over de buitenlandse vaste inrichtingen vindt op een voor de belastingplichtige gunstige wijze plaats. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is de terugwerkende kracht van artikel I, onderdeel I, nader toegelicht.
De terugwerkende kracht van artikel I, onderdeel K is nader bezien. In de praktijk blijkt het belang van de terugwerkende kracht van deze bepaling beperkt. Daarom zal deze bepaling op 1 januari 2006 van kracht worden.

4. Het cijfervoorbeeld in de artikelsgewijze toelichting op artikel I, onderdeel I, is gecorrigeerd waarbij de cijfers zodanig zijn aangepast dat het voorbeeld een goede illustratie geeft van de uitwerking van de bepaling.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om enkele redactionele wijzigingen aan te brengen in de nota van toelichting.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Staatssecretaris van Financiën

  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon