Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen teneinde de in dat besluit opgenomen vrijstelling van het verbod van een werkgever om een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning op een tweetal nieuwe categorieën van vreemdelingen van toepassing te doen zijn, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W12.04.0540/IV
- Datum advies
- 6 december 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 10 mei 2005, nr 88
- Sociale zaken en Werkgelegenheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen teneinde de in dat besluit opgenomen vrijstelling van het verbod van een werkgever om een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning op een tweetal nieuwe categorieën van vreemdelingen van toepassing te doen zijn, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 12 november 2004, no.04.004299, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen teneinde de in dat besluit opgenomen vrijstelling van het verbod van een werkgever om een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning op een tweetal nieuwe categorieën van vreemdelingen van toepassing te doen zijn, met nota van toelichting.
Met het voorgestelde ontwerpbesluit wordt onder meer een verduidelijking beoogd van de in artikel 1, eerste lid, onder a, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (Besluit uitvoering Wav) opgesomde categorieën vreemdelingen waarop het in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), vervatte verbod om een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning, onder bepaalde voorwaarden niet van toepassing is.
De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit een opmerking over de voorgestelde beperking ten aanzien van de categorie buitenlandse werknemers bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, onderdeel 1, Besluit uitvoering Wav. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het voorstel wenselijk is.
1. Met de in artikel I, onder 1, van het ontwerpbesluit voorgestelde toevoeging van het woord "uitsluitend" aan het zinsdeel "buiten Nederland gevestigde werkgever" wordt blijkens de bij het ontwerpbesluit behorende nota van toelichting beoogd een eind te maken aan de situatie dat Nederlandse bedrijven met een buitenlandse vestiging of buitenlandse bedrijven waarvan een Nederlands bedrijf onderdeel uitmaakt, een beroep kunnen doen op de in artikel 3, eerste lid, onder c, van de Wav bedoelde vrijstelling om personeel van de buitenlandse vestiging of het buitenlandse bedrijf als evenbedoeld zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden van tijdelijke aard te laten verrichten bij Nederlandse afnemers.(zie noot 1) Volgens het gestelde in de nota van toelichting dienen de bovenbedoelde vestigingen of bedrijven vanwege de binding met de Nederlandse arbeidsmarkt primair op de arbeidsmarkt in Nederland of de Europese Economische Ruimte te werven, voordat eventueel arbeidsaanbod zou mogen worden ingezet van buiten de Europese Economische Ruimte. De Raad merkt het volgende op.
a. De Raad is van mening dat een beperking als de voorgestelde in strijd zou kunnen komen met de Algemene overeenkomst inzake de handel in diensten (Trb. 1994, 235)(zie noot 2). Volgens artikel XVI, tweede lid, aanhef en onder d, van die overeenkomst mogen beperkingen van het totale aantal natuurlijke personen dat in een bepaalde dienstensector mag werken of die, kort gezegd, nodig zijn voor de verlening van een specifieke dienst niet aan de eis van een onderzoek naar economische behoeften worden onderworpen. Wil dit verbod van toepassing zijn, dan dient volgens de aanhef van artikel XVI, tweede lid, een verbintenis te zijn aangegaan om in de betrokken sector markttoegang te verwezenlijken. De Raad verwijst hierbij naar het Schedule of Commitments aangegaan door de Europese Gemeenschap en hun lidstaten.(zie noot 3) Aangenomen dat de onderhavige beperking onder letter d van het aangehaalde artikel valt, rijst derhalve de vraag of dit niet in strijd komt met één van de verbintenissen die de Europese Gemeenschap en de lidstaten zijn aangegaan. Het is bovendien de vraag of er geen strijd is met het Derde Protocol bij de GATS-Overeenkomst (Movement of natural persons). Een en ander zou naar de mening van het college kunnen betekenen dat Nederland geen beperkingen mag opleggen aan bepaalde bedrijven in de andere GATS-lidstaat, zoals de bedrijven die een bepaalde verstrengeling met een Nederlands bedrijf hebben, indien andere bedrijven in dezelfde branche in die lidstaat die deze verstrengeling niet hebben, niet onder de beperking vallen. Het is voorts ook denkbaar dat verschillende tussen Nederland of de Europese Unie met staten buiten de Europese Unie gesloten verdragen in de weg staan aan een dergelijke beperking.
b. De Raad signaleert voorts een probleem van praktische aard indien artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Besluit uitvoering Wav zo strikt wordt geïnterpreteerd als wordt voorgesteld. Door de voorgestelde wijziging zal het niet meer mogelijk zal zijn dat Nederlandse bedrijven met vestigingen in het buitenland vanuit de buitenlandse met een Nederlands bedrijf verbonden onderneming personeel naar Nederland halen voor onderhoud of reparatie van aan Nederland geleverde apparatuur, zonder eerst hier op de arbeidsmarkt naar vergelijkbaar personeel te hebben gezocht. Als een voorbeeld kan worden genoemd bijzondere medische apparatuur waarvoor bij die buitenlandse vestiging van het Nederlandse bedrijf specialisten zijn opgeleid en waarvoor mogelijk tussen beide bedrijven of vestigingen een onderhoudscontract is gesloten. De Raad acht dit gevolg van de voorgestelde beperking problematisch. Gezien het vorenstaande is het niet onbegrijpelijk dat het bedrijfsleven aan de bepaling zoals die tot nu toe luidt, niet de uitleg heeft gegeven die de regering kennelijk al eerder beoogde en die met de voorgestelde beperking thans wordt geformaliseerd.
c. Tenslotte is de Raad van mening dat de voorgestelde toevoeging van het woord "uitsluitend" onvoldoende duidelijk maakt wat onder "uitsluitend buiten Nederland gevestigde werkgever" moet worden verstaan. Vooral vanwege de vergaande financiële of juridische verstrengeling van bedrijven in binnen- en buitenland is het ter vermijding van misverstanden en ter voorkoming van procedures over niet bedoelde beroepen op de vrijstelling bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, Besluit uitvoering Wav van belang dat hierover in de toelichting duidelijkheid wordt geboden. Dit geldt niet alleen indien de voorgestelde bepaling wordt gehandhaafd, doch ook indien deze zodanig wordt gewijzigd dat bijvoorbeeld het verrichten van specialistische werkzaamheden als hiervoor bedoeld wordt toegestaan. Bij die verduidelijking zouden voorbeelden dienen te worden genoemd.
De Raad adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan en het voorstel zo nodig aan te passen.
2. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no. W12.04.0540/IV met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Nota van toelichting
- De verschillende onderdelen van het voorgestelde artikel I behandelen in de volgorde waarin deze in dit artikel zijn opgenomen.
- In het tweede tekstblok eerste alinea de passage "van door hun, buiten gevestigde, werkgever" vervangen door: van door hun, buiten Nederland gevestigde, werkgever.
- Bovendien in het tweede tekstblok, in de zin beginnend met "De formulering van artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1o", het zinsdeel "met een beroep op de vrijstelling van het in artikel 2, eerste lid, van de Wav," vervangen door: met een beroep op de vrijstelling van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wav,.
- In het derde tekstblok, in de zin beginnend met "Deze bepaling betreffende proeftraining" "Deze bepaling" wijzigen in: De in artikel I, onderdeel 2, voorgestelde bepaling.
Nader rapport (reactie op het advies) van 14 maart 2005
De Raad van State heeft naar aanleiding van het ontwerpbesluit een opmerking over de voorgestelde beperking ten aanzien van de categorie buitenlandse werknemers, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen en is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerp wenselijk is.
Anders dan de Raad ben ik van mening dat de voorgestelde wijziging van artikel 1, onderdeel a, onder 1 van het Besluit uitvoering van de Wet arbeid vreemdelingen niet in strijd is met de verplichtingen die de EU c.q. Nederland is aangegaan in het kader van de Algemene overeenkomst inzake de handel in diensten of het Derde Protocol bij de GATS-Overeenkomst. Voorzover verplichtingen zijn aangegaan in het kader van de Wereldshandelsorganisatie, zijn deze geïmplementeerd in paragraaf 20, onderdeel c van de Uitvoeringsregels Wet arbeid vreemdelingen, behorende bij het Delegatie- en uitvoeringbesluit Wet arbeid vreemdelingen. De verplichtingen die zijn aangegaan hebben betrekking op het achterwege laten van de arbeidsmarkttoets bij de beoordeling van aanvragen om tewerkstellingsvergunningen voor specifieke genoemde werknemers in dienst van dienstverleners in specifiek genoemde sectoren. Ook van strijdigheid met, overigens door de Raad niet nader gespecificeerde verdragen die Nederland of de Europese Unie heeft gesloten met niet-EU staten, is naar mijn mening geen sprake.
Terecht heeft de Raad in haar advies gewezen op het praktische probleem dat de voorgestelde wijziging kan inhouden voor Nederlandse werkgevers. Door de wijziging zouden deze werkgevers belemmerd worden in het naar Nederland halen van werknemers van buitenlandse vestigingen om de in artikel 1 onderdeel a, onder 1 genoemde werkzaamheden uit te voeren. Hiermee zouden deze bedrijven in een nadelige concurrentiepositie kunnen terechtkomen in vergelijking met buiten Nederland gevestigde werkgevers. Ook de opmerking van de Raad met betrekking tot de financiële en juridische verstrengeling van bedrijven, heeft mij aanleiding gegeven tot een heroverweging. Financiële deelnemingen en juridische constructies kunnen dermate ingewikkeld zijn, dat voor de uitvoerder van de regeling - veelal de ambassades die visa verstrekken aan de desbetreffende werknemers - voor de werkgevers zelf en ook voor de handhavingsinstanties bijzonder moeilijk kan zijn te beoordelen wanneer artikel 1, sub a, onderdeel 1 van het Besluit tot uitvoering van de Wet arbeid vreemdelingen van toepassing is. Het advies van de Raad heeft mij dan ook aanleiding gegeven om de door de Raad bekritiseerde toevoeging alsnog te schrappen.
De redactionele kanttekeningen van de Raad zijn overgenomen.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om een drietal wijzigingen door te voeren met betrekking tot de toelating van kennismigranten.
De eerste wijziging van technische aard betreft de aanpassing van het begrip ‘rechtmatig verblijf’ waaraan een van de tewerkstellingsvergunningsplicht vrijgestelde kennismigrant moet voldoen. In de huidige regeling is deze ten onrechte beperkt tot kennismigranten die de beschikking hebben over een verblijfsvergunning. Uit de toelichting op de wijziging van het Vreemdelingenbesluit in verband met de toelating van kenniswerkers (Stb. 2004, 482), blijkt dat de vrijstelling van de tewerkstellingsvergunningsplicht uitdrukkelijk bedoeld is voor alle kennismigranten die rechtmatig in Nederland verblijven. Het kan daarbij ook gaan om kennismigranten die op basis van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland zijn. De voorgestelde aanvulling op artikel 1 d, eerste lid, aanhef, van het Besluit tot uitvoering van de Wet arbeid vreemdelingen herstelt deze omissie.
De tweede, eveneens technische, wijziging heeft betrekking op de aanpassing van het voor kennismigranten geldende salariscriterium. Hierbij wordt eenduidig aangesloten bij de definitie uit de Ziekenfondswet, zoals die ook geldt voor kennismigranten onder de 30 jaar.
De derde wijziging heeft betrekking op het laten vervallen van de tewerkstellingsvergunningsplicht voor ook de echtgenoot/partner van de kennismigrant. Met deze vrijstelling wordt Nederland voor kennismigranten aantrekkelijker als vestigingsland. Immers, de arbeidsmarktpositie van de echtgenoot/partner speelt een steeds grotere rol bij de beslissing van een kennismigrant in welk land hij wil gaan werken. De verdringingseffecten van de vrijstelling van de tewerkstellingsvergunningsplicht voor de echtgenoten/partners van kennismigranten zijn verwaarloosbaar. De verwachting is dat slechts een beperkt deel van de echtgenoten/partners ook daadwerkelijk gebruik zal maken van de geboden mogelijkheid om te werken. Een indicatie hiervoor is het beperkt aantal tewerkstellingsvergunningen zonder arbeidsmarkttoets dat in 2004 is afgegeven aan echtgenoten/partners van sleutelpersoneel van internationale concerns. Dit waren er slechts 70 op een aantal tewerkstellingsvergunningen voor dit sleutelpersoneel van 3215.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(1)Nota van toelichting bij het ontwerpbesluit, tweede tekstblok.
(2)Nederlandse vertaling: Trb. 1995, 130 (gewijzigd bij Trb. 1996, 325)
(3)http://www.wto.org/english/tratop_e/serv_e/serv_commitments_e.htm#commit_exempt.
Met het voorgestelde ontwerpbesluit wordt onder meer een verduidelijking beoogd van de in artikel 1, eerste lid, onder a, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (Besluit uitvoering Wav) opgesomde categorieën vreemdelingen waarop het in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), vervatte verbod om een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning, onder bepaalde voorwaarden niet van toepassing is.
De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit een opmerking over de voorgestelde beperking ten aanzien van de categorie buitenlandse werknemers bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, onderdeel 1, Besluit uitvoering Wav. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het voorstel wenselijk is.
1. Met de in artikel I, onder 1, van het ontwerpbesluit voorgestelde toevoeging van het woord "uitsluitend" aan het zinsdeel "buiten Nederland gevestigde werkgever" wordt blijkens de bij het ontwerpbesluit behorende nota van toelichting beoogd een eind te maken aan de situatie dat Nederlandse bedrijven met een buitenlandse vestiging of buitenlandse bedrijven waarvan een Nederlands bedrijf onderdeel uitmaakt, een beroep kunnen doen op de in artikel 3, eerste lid, onder c, van de Wav bedoelde vrijstelling om personeel van de buitenlandse vestiging of het buitenlandse bedrijf als evenbedoeld zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden van tijdelijke aard te laten verrichten bij Nederlandse afnemers.(zie noot 1) Volgens het gestelde in de nota van toelichting dienen de bovenbedoelde vestigingen of bedrijven vanwege de binding met de Nederlandse arbeidsmarkt primair op de arbeidsmarkt in Nederland of de Europese Economische Ruimte te werven, voordat eventueel arbeidsaanbod zou mogen worden ingezet van buiten de Europese Economische Ruimte. De Raad merkt het volgende op.
a. De Raad is van mening dat een beperking als de voorgestelde in strijd zou kunnen komen met de Algemene overeenkomst inzake de handel in diensten (Trb. 1994, 235)(zie noot 2). Volgens artikel XVI, tweede lid, aanhef en onder d, van die overeenkomst mogen beperkingen van het totale aantal natuurlijke personen dat in een bepaalde dienstensector mag werken of die, kort gezegd, nodig zijn voor de verlening van een specifieke dienst niet aan de eis van een onderzoek naar economische behoeften worden onderworpen. Wil dit verbod van toepassing zijn, dan dient volgens de aanhef van artikel XVI, tweede lid, een verbintenis te zijn aangegaan om in de betrokken sector markttoegang te verwezenlijken. De Raad verwijst hierbij naar het Schedule of Commitments aangegaan door de Europese Gemeenschap en hun lidstaten.(zie noot 3) Aangenomen dat de onderhavige beperking onder letter d van het aangehaalde artikel valt, rijst derhalve de vraag of dit niet in strijd komt met één van de verbintenissen die de Europese Gemeenschap en de lidstaten zijn aangegaan. Het is bovendien de vraag of er geen strijd is met het Derde Protocol bij de GATS-Overeenkomst (Movement of natural persons). Een en ander zou naar de mening van het college kunnen betekenen dat Nederland geen beperkingen mag opleggen aan bepaalde bedrijven in de andere GATS-lidstaat, zoals de bedrijven die een bepaalde verstrengeling met een Nederlands bedrijf hebben, indien andere bedrijven in dezelfde branche in die lidstaat die deze verstrengeling niet hebben, niet onder de beperking vallen. Het is voorts ook denkbaar dat verschillende tussen Nederland of de Europese Unie met staten buiten de Europese Unie gesloten verdragen in de weg staan aan een dergelijke beperking.
b. De Raad signaleert voorts een probleem van praktische aard indien artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Besluit uitvoering Wav zo strikt wordt geïnterpreteerd als wordt voorgesteld. Door de voorgestelde wijziging zal het niet meer mogelijk zal zijn dat Nederlandse bedrijven met vestigingen in het buitenland vanuit de buitenlandse met een Nederlands bedrijf verbonden onderneming personeel naar Nederland halen voor onderhoud of reparatie van aan Nederland geleverde apparatuur, zonder eerst hier op de arbeidsmarkt naar vergelijkbaar personeel te hebben gezocht. Als een voorbeeld kan worden genoemd bijzondere medische apparatuur waarvoor bij die buitenlandse vestiging van het Nederlandse bedrijf specialisten zijn opgeleid en waarvoor mogelijk tussen beide bedrijven of vestigingen een onderhoudscontract is gesloten. De Raad acht dit gevolg van de voorgestelde beperking problematisch. Gezien het vorenstaande is het niet onbegrijpelijk dat het bedrijfsleven aan de bepaling zoals die tot nu toe luidt, niet de uitleg heeft gegeven die de regering kennelijk al eerder beoogde en die met de voorgestelde beperking thans wordt geformaliseerd.
c. Tenslotte is de Raad van mening dat de voorgestelde toevoeging van het woord "uitsluitend" onvoldoende duidelijk maakt wat onder "uitsluitend buiten Nederland gevestigde werkgever" moet worden verstaan. Vooral vanwege de vergaande financiële of juridische verstrengeling van bedrijven in binnen- en buitenland is het ter vermijding van misverstanden en ter voorkoming van procedures over niet bedoelde beroepen op de vrijstelling bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, Besluit uitvoering Wav van belang dat hierover in de toelichting duidelijkheid wordt geboden. Dit geldt niet alleen indien de voorgestelde bepaling wordt gehandhaafd, doch ook indien deze zodanig wordt gewijzigd dat bijvoorbeeld het verrichten van specialistische werkzaamheden als hiervoor bedoeld wordt toegestaan. Bij die verduidelijking zouden voorbeelden dienen te worden genoemd.
De Raad adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan en het voorstel zo nodig aan te passen.
2. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no. W12.04.0540/IV met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Nota van toelichting
- De verschillende onderdelen van het voorgestelde artikel I behandelen in de volgorde waarin deze in dit artikel zijn opgenomen.
- In het tweede tekstblok eerste alinea de passage "van door hun, buiten gevestigde, werkgever" vervangen door: van door hun, buiten Nederland gevestigde, werkgever.
- Bovendien in het tweede tekstblok, in de zin beginnend met "De formulering van artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1o", het zinsdeel "met een beroep op de vrijstelling van het in artikel 2, eerste lid, van de Wav," vervangen door: met een beroep op de vrijstelling van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wav,.
- In het derde tekstblok, in de zin beginnend met "Deze bepaling betreffende proeftraining" "Deze bepaling" wijzigen in: De in artikel I, onderdeel 2, voorgestelde bepaling.
Nader rapport (reactie op het advies) van 14 maart 2005
De Raad van State heeft naar aanleiding van het ontwerpbesluit een opmerking over de voorgestelde beperking ten aanzien van de categorie buitenlandse werknemers, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen en is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerp wenselijk is.
Anders dan de Raad ben ik van mening dat de voorgestelde wijziging van artikel 1, onderdeel a, onder 1 van het Besluit uitvoering van de Wet arbeid vreemdelingen niet in strijd is met de verplichtingen die de EU c.q. Nederland is aangegaan in het kader van de Algemene overeenkomst inzake de handel in diensten of het Derde Protocol bij de GATS-Overeenkomst. Voorzover verplichtingen zijn aangegaan in het kader van de Wereldshandelsorganisatie, zijn deze geïmplementeerd in paragraaf 20, onderdeel c van de Uitvoeringsregels Wet arbeid vreemdelingen, behorende bij het Delegatie- en uitvoeringbesluit Wet arbeid vreemdelingen. De verplichtingen die zijn aangegaan hebben betrekking op het achterwege laten van de arbeidsmarkttoets bij de beoordeling van aanvragen om tewerkstellingsvergunningen voor specifieke genoemde werknemers in dienst van dienstverleners in specifiek genoemde sectoren. Ook van strijdigheid met, overigens door de Raad niet nader gespecificeerde verdragen die Nederland of de Europese Unie heeft gesloten met niet-EU staten, is naar mijn mening geen sprake.
Terecht heeft de Raad in haar advies gewezen op het praktische probleem dat de voorgestelde wijziging kan inhouden voor Nederlandse werkgevers. Door de wijziging zouden deze werkgevers belemmerd worden in het naar Nederland halen van werknemers van buitenlandse vestigingen om de in artikel 1 onderdeel a, onder 1 genoemde werkzaamheden uit te voeren. Hiermee zouden deze bedrijven in een nadelige concurrentiepositie kunnen terechtkomen in vergelijking met buiten Nederland gevestigde werkgevers. Ook de opmerking van de Raad met betrekking tot de financiële en juridische verstrengeling van bedrijven, heeft mij aanleiding gegeven tot een heroverweging. Financiële deelnemingen en juridische constructies kunnen dermate ingewikkeld zijn, dat voor de uitvoerder van de regeling - veelal de ambassades die visa verstrekken aan de desbetreffende werknemers - voor de werkgevers zelf en ook voor de handhavingsinstanties bijzonder moeilijk kan zijn te beoordelen wanneer artikel 1, sub a, onderdeel 1 van het Besluit tot uitvoering van de Wet arbeid vreemdelingen van toepassing is. Het advies van de Raad heeft mij dan ook aanleiding gegeven om de door de Raad bekritiseerde toevoeging alsnog te schrappen.
De redactionele kanttekeningen van de Raad zijn overgenomen.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om een drietal wijzigingen door te voeren met betrekking tot de toelating van kennismigranten.
De eerste wijziging van technische aard betreft de aanpassing van het begrip ‘rechtmatig verblijf’ waaraan een van de tewerkstellingsvergunningsplicht vrijgestelde kennismigrant moet voldoen. In de huidige regeling is deze ten onrechte beperkt tot kennismigranten die de beschikking hebben over een verblijfsvergunning. Uit de toelichting op de wijziging van het Vreemdelingenbesluit in verband met de toelating van kenniswerkers (Stb. 2004, 482), blijkt dat de vrijstelling van de tewerkstellingsvergunningsplicht uitdrukkelijk bedoeld is voor alle kennismigranten die rechtmatig in Nederland verblijven. Het kan daarbij ook gaan om kennismigranten die op basis van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland zijn. De voorgestelde aanvulling op artikel 1 d, eerste lid, aanhef, van het Besluit tot uitvoering van de Wet arbeid vreemdelingen herstelt deze omissie.
De tweede, eveneens technische, wijziging heeft betrekking op de aanpassing van het voor kennismigranten geldende salariscriterium. Hierbij wordt eenduidig aangesloten bij de definitie uit de Ziekenfondswet, zoals die ook geldt voor kennismigranten onder de 30 jaar.
De derde wijziging heeft betrekking op het laten vervallen van de tewerkstellingsvergunningsplicht voor ook de echtgenoot/partner van de kennismigrant. Met deze vrijstelling wordt Nederland voor kennismigranten aantrekkelijker als vestigingsland. Immers, de arbeidsmarktpositie van de echtgenoot/partner speelt een steeds grotere rol bij de beslissing van een kennismigrant in welk land hij wil gaan werken. De verdringingseffecten van de vrijstelling van de tewerkstellingsvergunningsplicht voor de echtgenoten/partners van kennismigranten zijn verwaarloosbaar. De verwachting is dat slechts een beperkt deel van de echtgenoten/partners ook daadwerkelijk gebruik zal maken van de geboden mogelijkheid om te werken. Een indicatie hiervoor is het beperkt aantal tewerkstellingsvergunningen zonder arbeidsmarkttoets dat in 2004 is afgegeven aan echtgenoten/partners van sleutelpersoneel van internationale concerns. Dit waren er slechts 70 op een aantal tewerkstellingsvergunningen voor dit sleutelpersoneel van 3215.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(1)Nota van toelichting bij het ontwerpbesluit, tweede tekstblok.
(2)Nederlandse vertaling: Trb. 1995, 130 (gewijzigd bij Trb. 1996, 325)
(3)http://www.wto.org/english/tratop_e/serv_e/serv_commitments_e.htm#commit_exempt.