Ontwerpbesluit houdende algemene regels voor havenontvangstvoorzieningen (Besluit havenontvangstvoorzieningen), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W09.04.0216/V
- Datum advies
- 28 juni 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 12 oktober 2004, nr 196
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit houdende algemene regels voor havenontvangstvoorzieningen (Besluit havenontvangstvoorzieningen), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 3 juni 2004, no.04.002162, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Verkeer en Waterstaat, mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende algemene regels voor havenontvangstvoorzieningen (Besluit havenontvangstvoorzieningen), met nota van toelichting.
Het o.b. strekt ter nadere uitvoering van het op 2 november 1973 te Londen totstandgekomen Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, met Protocollen en Bijlagen met Aanhangsels (Trb. 1975, 147), en van het op 17 februari 1978 te Londen tot stand gekomen Protocol bij dat Verdrag met Bijlagen en Aanhangsels (Trb. 1978, 188), alsmede ter implementatie van richtlijn nr. 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PbEG L 332) (hierna: de richtlijn). Het ontwerpbesluit is gebaseerd op een aanhangig wetsvoorstel tot wijziging van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen en de Wet op de economische delicten in verband met richtlijn nr. 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PbEG L 332) (hierna: wetsvoorstel).(zie noot 1)
De Raad van State maakt een opmerking met betrekking tot de vrijstellingsregeling en is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. In artikel 10 van het ontwerpbesluit is een vrijstellingsregeling opgenomen van de betalingsverplichting, neergelegd in het in het wetsvoorstel voorgestelde artikel 6a van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen (hierna: Wvvs) voor schepen die na de inwerkingtreding van het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart (hierna: SB) verplicht deelnemen aan de financiering van de inzameling van scheepsafvalstoffen op grond van dat besluit. Het SB strekt ter uitvoering van het op 9 september 1996 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de inzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart (Trb. 1996, 293). Op grond van artikel 4 Wvvs kan vrijstelling worden verleend van verplichtingen die op grond van die wet gelden.
Op grond van artikel 6a van het wetsvoorstel heft een havenbeheerder van de exploitant van een schip dat zijn haven aandoet een bijdrage in de kosten van het in die haven in ontvangst nemen, opslaan en verwerken van scheepsafval. Ook het SB bevat een regeling voor de financiering van de afgifte en verwerking van afval. Deze regeling wijkt sterk af van artikel 6a van het wetsvoorstel.(zie noot 2) Aangezien bepaalde schepen zowel onder het regime van de Wvvs als onder het SB vallen, acht de regering de vrijstellingsregeling noodzakelijk, omdat anders op deze schepen een dubbele betalingsverplichting zou rusten.
De Raad merkt op dat de indirecte financiering van het SB slechts betrekking heeft op het inzamelen van olie- en vethoudende scheepsafvalstoffen en niet op het overige in de richtlijn genoemde scheepsafval. Dit vormt een beperking ten opzichte van de richtlijn, die immers een indirecte financiering voor al het in de richtlijn genoemde afval eist. Mogelijkerwijs wordt hierin voorzien door de in de toelichting aangekondigde introductie van vuilnis in het SB. Uit de toelichting wordt echter niet duidelijk of daaronder al het overige in de richtlijn genoemde afval valt en of de wijziging van het SB eerder in werking zal treden dan het ontwerpbesluit.(zie noot 3)
Daarnaast acht de Raad, indien in het SB het inzamelen en verwerken van al het in de richtlijn genoemde afval geregeld is, een vrijstellingsregeling voor het inzamelen en verwerken van afval alleen toegestaan indien verzekerd is dat de indirecte financieringssystematiek voldoet aan de bepalingen betreffende de betalingsplicht in de richtlijn, zoals de daarin opgenomen beginselen (artikel 8, tweede lid) en eisen (artikel 8, derde lid). Indien het financieringssysteem van het SB niet in overeenstemming is met deze bepalingen, wijst de Raad, zoals hij deed in het advies betreffende het wetsvoorstel,(zie noot 4) op het feit dat op grond van artikel 9 van de richtlijn alleen schepen met een dienstregeling van de verplichtingen uit de richtlijn mogen worden vrijgesteld.
De Raad adviseert, indien de aangekondigde aanpassingen in het SB niet overeenkomen met de reikwijdte van het in de richtlijn genoemde afval dan wel indien het ontwerpbesluit eerder in werking treedt dan de noodzakelijke aanpassingen in het SB, een bepaling op te nemen die voorziet in financiering van de behandeling en verwijdering van het overige in de richtlijn genoemde scheepsafval van schepen waarop hoofdstuk 2 van het SB van toepassing is. Voorts adviseert de Raad in de toelichting aan te tonen dat het systeem van indirecte financiering in het SB voor het inzamelen en verwerken van afval voldoet aan de bepalingen betreffende de betalingsplicht in de richtlijn.
2. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no.W09.04.0216/V, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ontwerpbesluit
- In artikel 11, tweede lid, "tweede volzin, c, onder 1° en d" vervangen door: tweede volzin, onder c, onderdeel 1° en onder d.
- In artikel 12, derde lid, "onder b, 8, derde lid" vervangen door: onder b en 8, derde lid.
- In artikel 12, vierde lid, "onderdeel 2°, zevende lid, onder c, onderdeel 2° en 9" vervangen door: onderdeel 2° en zevende lid, onder c, onderdeel 2°, en.
Nota van toelichting
- In paragraaf 1 van het algemene deel van de toelichting "2 november 1983" vervangen door: 2 november 1973.
Nader rapport (reactie op het advies) van 17 augustus 2004
1. De omstandigheid dat het op 9 september 1996 te Straatsburg totstandgekomen Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart, met Bijlage en Aanhangsels (Trb. 1996, 293) (hierna: Scheepsafvalstoffenverdrag) naar verwachting niet op korte termijn in werking zal treden, brengt met zich dat de inwerkingtreding van het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart (hierna: SB) evenmin op korte termijn valt te verwachten. Tegen de achtergrond van deze omstandigheid lijkt het voeren van een discussie over de verschillen in aard en omvang van de bijdrageplicht op grond van het SB en richtlijn nr. 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PbEG L 332) (hierna: de richtlijn) in ieder geval prematuur. Ik zie in de genoemde omstandigheden dan ook aanleiding de voorgenomen vrijstellingsregeling vooralsnog niet in het Besluit havenontvangstvoorzieningen op te nemen. Het ontwerpbesluit en de nota van toelichting heb ik dienovereenkomstig aangepast.
Overigens blijf ik van oordeel dat een dubbele betalingsplicht voor inzameling en verwerking van hetzelfde scheepsafval afkomstig van hetzelfde schip moet worden vermeden. De op korte termijn te verwachten evaluatie van de richtlijn biedt daarvoor mogelijkheden. Overigens is het mijn streven om in goed overleg met andere bij het Scheepsafvalstoffenverdrag aangesloten staten interimoplossingen te bereiken voor de inzameling en verwerking van scheepsafvalstoffen, met inbegrip van de financiering daarvan, voordat het verdrag in werking treedt.
2. De redactionele kanttekeningen van de Raad van State zijn verwerkt.
3. In het ontwerpbesluit en de nota van toelichting zijn voorts nog enige redactionele correcties aangebracht.
Ik moge U hierbij, mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
(1) Kamerstukken II 2003/04, 29 400, nr. 2.
(2) Nota van toelichting, paragraaf 7. Vrijstellingsregeling, eerste alinea.
(3) Nota van toelichting, paragraaf 7. Vrijstellingsregeling, derde alinea.
(4) Kamerstukken II 2003/04, 29 400, nr. 4, opmerking 8.
Het o.b. strekt ter nadere uitvoering van het op 2 november 1973 te Londen totstandgekomen Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, met Protocollen en Bijlagen met Aanhangsels (Trb. 1975, 147), en van het op 17 februari 1978 te Londen tot stand gekomen Protocol bij dat Verdrag met Bijlagen en Aanhangsels (Trb. 1978, 188), alsmede ter implementatie van richtlijn nr. 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PbEG L 332) (hierna: de richtlijn). Het ontwerpbesluit is gebaseerd op een aanhangig wetsvoorstel tot wijziging van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen en de Wet op de economische delicten in verband met richtlijn nr. 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PbEG L 332) (hierna: wetsvoorstel).(zie noot 1)
De Raad van State maakt een opmerking met betrekking tot de vrijstellingsregeling en is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. In artikel 10 van het ontwerpbesluit is een vrijstellingsregeling opgenomen van de betalingsverplichting, neergelegd in het in het wetsvoorstel voorgestelde artikel 6a van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen (hierna: Wvvs) voor schepen die na de inwerkingtreding van het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart (hierna: SB) verplicht deelnemen aan de financiering van de inzameling van scheepsafvalstoffen op grond van dat besluit. Het SB strekt ter uitvoering van het op 9 september 1996 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de inzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart (Trb. 1996, 293). Op grond van artikel 4 Wvvs kan vrijstelling worden verleend van verplichtingen die op grond van die wet gelden.
Op grond van artikel 6a van het wetsvoorstel heft een havenbeheerder van de exploitant van een schip dat zijn haven aandoet een bijdrage in de kosten van het in die haven in ontvangst nemen, opslaan en verwerken van scheepsafval. Ook het SB bevat een regeling voor de financiering van de afgifte en verwerking van afval. Deze regeling wijkt sterk af van artikel 6a van het wetsvoorstel.(zie noot 2) Aangezien bepaalde schepen zowel onder het regime van de Wvvs als onder het SB vallen, acht de regering de vrijstellingsregeling noodzakelijk, omdat anders op deze schepen een dubbele betalingsverplichting zou rusten.
De Raad merkt op dat de indirecte financiering van het SB slechts betrekking heeft op het inzamelen van olie- en vethoudende scheepsafvalstoffen en niet op het overige in de richtlijn genoemde scheepsafval. Dit vormt een beperking ten opzichte van de richtlijn, die immers een indirecte financiering voor al het in de richtlijn genoemde afval eist. Mogelijkerwijs wordt hierin voorzien door de in de toelichting aangekondigde introductie van vuilnis in het SB. Uit de toelichting wordt echter niet duidelijk of daaronder al het overige in de richtlijn genoemde afval valt en of de wijziging van het SB eerder in werking zal treden dan het ontwerpbesluit.(zie noot 3)
Daarnaast acht de Raad, indien in het SB het inzamelen en verwerken van al het in de richtlijn genoemde afval geregeld is, een vrijstellingsregeling voor het inzamelen en verwerken van afval alleen toegestaan indien verzekerd is dat de indirecte financieringssystematiek voldoet aan de bepalingen betreffende de betalingsplicht in de richtlijn, zoals de daarin opgenomen beginselen (artikel 8, tweede lid) en eisen (artikel 8, derde lid). Indien het financieringssysteem van het SB niet in overeenstemming is met deze bepalingen, wijst de Raad, zoals hij deed in het advies betreffende het wetsvoorstel,(zie noot 4) op het feit dat op grond van artikel 9 van de richtlijn alleen schepen met een dienstregeling van de verplichtingen uit de richtlijn mogen worden vrijgesteld.
De Raad adviseert, indien de aangekondigde aanpassingen in het SB niet overeenkomen met de reikwijdte van het in de richtlijn genoemde afval dan wel indien het ontwerpbesluit eerder in werking treedt dan de noodzakelijke aanpassingen in het SB, een bepaling op te nemen die voorziet in financiering van de behandeling en verwijdering van het overige in de richtlijn genoemde scheepsafval van schepen waarop hoofdstuk 2 van het SB van toepassing is. Voorts adviseert de Raad in de toelichting aan te tonen dat het systeem van indirecte financiering in het SB voor het inzamelen en verwerken van afval voldoet aan de bepalingen betreffende de betalingsplicht in de richtlijn.
2. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no.W09.04.0216/V, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ontwerpbesluit
- In artikel 11, tweede lid, "tweede volzin, c, onder 1° en d" vervangen door: tweede volzin, onder c, onderdeel 1° en onder d.
- In artikel 12, derde lid, "onder b, 8, derde lid" vervangen door: onder b en 8, derde lid.
- In artikel 12, vierde lid, "onderdeel 2°, zevende lid, onder c, onderdeel 2° en 9" vervangen door: onderdeel 2° en zevende lid, onder c, onderdeel 2°, en.
Nota van toelichting
- In paragraaf 1 van het algemene deel van de toelichting "2 november 1983" vervangen door: 2 november 1973.
Nader rapport (reactie op het advies) van 17 augustus 2004
1. De omstandigheid dat het op 9 september 1996 te Straatsburg totstandgekomen Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart, met Bijlage en Aanhangsels (Trb. 1996, 293) (hierna: Scheepsafvalstoffenverdrag) naar verwachting niet op korte termijn in werking zal treden, brengt met zich dat de inwerkingtreding van het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart (hierna: SB) evenmin op korte termijn valt te verwachten. Tegen de achtergrond van deze omstandigheid lijkt het voeren van een discussie over de verschillen in aard en omvang van de bijdrageplicht op grond van het SB en richtlijn nr. 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PbEG L 332) (hierna: de richtlijn) in ieder geval prematuur. Ik zie in de genoemde omstandigheden dan ook aanleiding de voorgenomen vrijstellingsregeling vooralsnog niet in het Besluit havenontvangstvoorzieningen op te nemen. Het ontwerpbesluit en de nota van toelichting heb ik dienovereenkomstig aangepast.
Overigens blijf ik van oordeel dat een dubbele betalingsplicht voor inzameling en verwerking van hetzelfde scheepsafval afkomstig van hetzelfde schip moet worden vermeden. De op korte termijn te verwachten evaluatie van de richtlijn biedt daarvoor mogelijkheden. Overigens is het mijn streven om in goed overleg met andere bij het Scheepsafvalstoffenverdrag aangesloten staten interimoplossingen te bereiken voor de inzameling en verwerking van scheepsafvalstoffen, met inbegrip van de financiering daarvan, voordat het verdrag in werking treedt.
2. De redactionele kanttekeningen van de Raad van State zijn verwerkt.
3. In het ontwerpbesluit en de nota van toelichting zijn voorts nog enige redactionele correcties aangebracht.
Ik moge U hierbij, mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
(1) Kamerstukken II 2003/04, 29 400, nr. 2.
(2) Nota van toelichting, paragraaf 7. Vrijstellingsregeling, eerste alinea.
(3) Nota van toelichting, paragraaf 7. Vrijstellingsregeling, derde alinea.
(4) Kamerstukken II 2003/04, 29 400, nr. 4, opmerking 8.