Ontwerpbesluit houdende regelen ter uitvoering van de EG-verordening betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (POP-besluit WMS), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W08.04.0485/V
- Datum advies
- 17 december 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 10 mei 2005, nr 88
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit houdende regelen ter uitvoering van de EG-verordening betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (POP-besluit WMS), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 7 oktober 2004, no.04.003820, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regelen ter uitvoering van de EG-verordening betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (POP-besluit WMS), met nota van toelichting.
Dit besluit bevat bepalingen die de toepassing mogelijk maken van verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van richtlijn 79/117/EEG (PbEU L 158; hierna 'de verordening'). De verordening dient ter implementatie van het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen,(zie noot 1) dat op 17 mei 2004 in werking trad.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt daarover de volgende opmerkingen. Hij is van mening dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Uitvoeringsplannen
Artikel 7, eerste lid, van het Verdrag van Stockholm bepaalt onder meer dat de partijen bij dat verdrag een plan moeten ontwikkelen voor de uitvoering van de op hen rustende verplichtingen. Omdat de Europese Gemeenschap en de lidstaten gedeelde bevoegdheid hebben op het terrein dat door het Verdrag van Stockholm wordt bestreken, zullen zowel op gemeenschaps- als op nationaal niveau uitvoeringsplannen moeten worden opgesteld.(zie noot 2)
Artikel 8, eerste lid, van de verordening bepaalt dat de lidstaten, overeenkomstig hun nationale procedures, bij de uitwerking van hun nationale uitvoeringsplannen het publiek in een vroegtijdig stadium doeltreffende mogelijkheden moeten geven om aan dit proces deel te nemen. In de nota van toelichting wordt het uitvoeringsplan wel genoemd, maar er wordt niet aangegeven hoe het plan tot stand zal komen en hoe het publiek bij de uitwerking ervan zal worden betrokken.
De Raad adviseert in het ontwerpbesluit een regeling op te nemen over dit onderwerp.
2. Verhouding met gewasbeschermingsregelgeving
In de nota van toelichting (Algemeen deel, paragraaf 6) wordt opgemerkt dat op basis van het Besluit uniforme beginselen gewasbeschermingsmiddelen (Bubg) voor gewasbeschermingsmiddelen een maximale halfwaardetijd geldt van 180 dagen, maar dat dit criterium thans 'opnieuw wordt bezien' wegens mogelijke strijd met de Gewasbeschermingsrichtlijn.(zie noot 3)
De Raad wijst erop dat artikel 3, derde lid, van de verordening bepaalt dat de lidstaten binnen de beoordelings- en vergunningsregelingen voor chemische stoffen en bestrijdingsmiddelen krachtens de communautaire wetgeving rekening moeten houden met de in het Verdrag van Stockholm genoemde criteria ('POP-kenmerken').(zie noot 4) Deze criteria hebben betrekking op persistentie, bioaccumulatie, de potentie tot verspreiding in het milieu over grote afstand, en eventuele schadelijke effecten. Een halfwaardetijd in de bodem of in sedimenten van meer dan zes maanden (dus ongeveer 180 dagen) wordt in het verdrag ook tot de POP-kenmerken gerekend. Bij het 'opnieuw bezien' van de relevante bepalingen in het Bubg zal op grond van de verordening in ieder geval met deze kenmerken rekening moeten worden gehouden.
De Raad adviseert bij herziening van het Bubg rekening te houden met de in het Verdrag van Stockholm genoemde POP-kenmerken. Voorts beveelt hij aan in de nota van toelichting nader in te gaan op de verhouding tussen het voorliggende besluit (en de genoemde bepalingen van de verordening) en de regelgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen.
3. Voor een redactionele kanttekening verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no. W08.04.0485/V met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
- In artikel 1 en in de nota van toelichting, algemeen deel, eerste zin van paragraaf 1, 'PbEG' vervangen door: PbEU.
Nader rapport (reactie op het advies) van 21 maart 2005
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met de opmerkingen van de Raad rekening zal zijn gehouden.
1. Als gevolg van het advies van de Raad om in het ontwerpbesluit een regeling op te nemen over de totstandkoming van het uitvoeringsplan, bedoeld in artikel 8 van de verordening en over de wijze waarop het publiek bij de uitwerking daarvan zal worden betrokken, heb ik in artikel 5 (nieuw) van het ontwerpbesluit voorzien in de toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De kring van degenen die hun zienswijzen naar voren kunnen brengen is verbreed tot ‘een ieder’.
Overigens zal de concrete uitwerking van de nationale plannen nog onderwerp van overleg zijn van de ‘bevoegde instanties’ van de lidstaten van de Europese Unie, die inzake de uitvoering van de verordening voor het eerst in maart 2005 bijeen zullen komen. Daar zal onder andere de vraag worden besproken op welke wijze deze plannen bekend moeten worden gemaakt. Het van toepassing verklaren van afdeling 3.4 Awb zal naar verwachting voldoende ruimte bieden voor nakoming van de toekomstige afspraken van de ‘bevoegde instanties’. Tevens heb ik de nota van toelichting (Algemeen deel, paragraaf 6) op dit punt aangevuld.
2. In navolging van het advies van de Raad ben ik in de nota van toelichting (Algemeen deel, paragraaf 6) nader ingegaan op de verhouding tussen het ontwerpbesluit (en artikel 3, derde lid, van de verordening) en de regelgeving met betrekking tot de gewasbeschermingsmiddelen.
De gewasbeschermingsregelgeving zal worden aangepast naar aanleiding van een uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (AWB 03/1068, d.d. 6 februari 2004). Hierbij zal tevens rekening worden gehouden met de POP-verordening (en daarmee met het Verdrag van Stockholm) en de ontwerp-verordening inzake registratie, beoordeling en vergunningverlening van chemische stoffen (REACH).
Aangezien zowel de POP-verordening als de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn (nr. 91/414/EEG) of de biocidenrichtlijn (nr. 79/117/EEG) van toepassing zijn op bestrijdingsmiddelen, is het van belang dat deze Europese regelgeving consistent is, waardoor ook de Nederlandse regelgeving ter omzetting van die verordening en richtlijnen consistent zal zijn. Deze consistentie is van belang vanwege de verhouding tussen de Bestrijdingsmiddelenwet en de Wet milieugevaarlijke stoffen zoals neergelegd in artikel 71, eerste lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen.
3. De redactionele kanttekening heb ik verwerkt.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(1) Stockholm, 22 mei 2001; Trb. 2001, 171.
(2) Vgl. overweging 17 van de preambule van verordening 850/2004.
(3) Richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230).
(4) Bijlage D bij het verdrag, eerste lid, onderdelen b tot en met e.
Dit besluit bevat bepalingen die de toepassing mogelijk maken van verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van richtlijn 79/117/EEG (PbEU L 158; hierna 'de verordening'). De verordening dient ter implementatie van het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen,(zie noot 1) dat op 17 mei 2004 in werking trad.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt daarover de volgende opmerkingen. Hij is van mening dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Uitvoeringsplannen
Artikel 7, eerste lid, van het Verdrag van Stockholm bepaalt onder meer dat de partijen bij dat verdrag een plan moeten ontwikkelen voor de uitvoering van de op hen rustende verplichtingen. Omdat de Europese Gemeenschap en de lidstaten gedeelde bevoegdheid hebben op het terrein dat door het Verdrag van Stockholm wordt bestreken, zullen zowel op gemeenschaps- als op nationaal niveau uitvoeringsplannen moeten worden opgesteld.(zie noot 2)
Artikel 8, eerste lid, van de verordening bepaalt dat de lidstaten, overeenkomstig hun nationale procedures, bij de uitwerking van hun nationale uitvoeringsplannen het publiek in een vroegtijdig stadium doeltreffende mogelijkheden moeten geven om aan dit proces deel te nemen. In de nota van toelichting wordt het uitvoeringsplan wel genoemd, maar er wordt niet aangegeven hoe het plan tot stand zal komen en hoe het publiek bij de uitwerking ervan zal worden betrokken.
De Raad adviseert in het ontwerpbesluit een regeling op te nemen over dit onderwerp.
2. Verhouding met gewasbeschermingsregelgeving
In de nota van toelichting (Algemeen deel, paragraaf 6) wordt opgemerkt dat op basis van het Besluit uniforme beginselen gewasbeschermingsmiddelen (Bubg) voor gewasbeschermingsmiddelen een maximale halfwaardetijd geldt van 180 dagen, maar dat dit criterium thans 'opnieuw wordt bezien' wegens mogelijke strijd met de Gewasbeschermingsrichtlijn.(zie noot 3)
De Raad wijst erop dat artikel 3, derde lid, van de verordening bepaalt dat de lidstaten binnen de beoordelings- en vergunningsregelingen voor chemische stoffen en bestrijdingsmiddelen krachtens de communautaire wetgeving rekening moeten houden met de in het Verdrag van Stockholm genoemde criteria ('POP-kenmerken').(zie noot 4) Deze criteria hebben betrekking op persistentie, bioaccumulatie, de potentie tot verspreiding in het milieu over grote afstand, en eventuele schadelijke effecten. Een halfwaardetijd in de bodem of in sedimenten van meer dan zes maanden (dus ongeveer 180 dagen) wordt in het verdrag ook tot de POP-kenmerken gerekend. Bij het 'opnieuw bezien' van de relevante bepalingen in het Bubg zal op grond van de verordening in ieder geval met deze kenmerken rekening moeten worden gehouden.
De Raad adviseert bij herziening van het Bubg rekening te houden met de in het Verdrag van Stockholm genoemde POP-kenmerken. Voorts beveelt hij aan in de nota van toelichting nader in te gaan op de verhouding tussen het voorliggende besluit (en de genoemde bepalingen van de verordening) en de regelgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen.
3. Voor een redactionele kanttekening verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no. W08.04.0485/V met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
- In artikel 1 en in de nota van toelichting, algemeen deel, eerste zin van paragraaf 1, 'PbEG' vervangen door: PbEU.
Nader rapport (reactie op het advies) van 21 maart 2005
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met de opmerkingen van de Raad rekening zal zijn gehouden.
1. Als gevolg van het advies van de Raad om in het ontwerpbesluit een regeling op te nemen over de totstandkoming van het uitvoeringsplan, bedoeld in artikel 8 van de verordening en over de wijze waarop het publiek bij de uitwerking daarvan zal worden betrokken, heb ik in artikel 5 (nieuw) van het ontwerpbesluit voorzien in de toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De kring van degenen die hun zienswijzen naar voren kunnen brengen is verbreed tot ‘een ieder’.
Overigens zal de concrete uitwerking van de nationale plannen nog onderwerp van overleg zijn van de ‘bevoegde instanties’ van de lidstaten van de Europese Unie, die inzake de uitvoering van de verordening voor het eerst in maart 2005 bijeen zullen komen. Daar zal onder andere de vraag worden besproken op welke wijze deze plannen bekend moeten worden gemaakt. Het van toepassing verklaren van afdeling 3.4 Awb zal naar verwachting voldoende ruimte bieden voor nakoming van de toekomstige afspraken van de ‘bevoegde instanties’. Tevens heb ik de nota van toelichting (Algemeen deel, paragraaf 6) op dit punt aangevuld.
2. In navolging van het advies van de Raad ben ik in de nota van toelichting (Algemeen deel, paragraaf 6) nader ingegaan op de verhouding tussen het ontwerpbesluit (en artikel 3, derde lid, van de verordening) en de regelgeving met betrekking tot de gewasbeschermingsmiddelen.
De gewasbeschermingsregelgeving zal worden aangepast naar aanleiding van een uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (AWB 03/1068, d.d. 6 februari 2004). Hierbij zal tevens rekening worden gehouden met de POP-verordening (en daarmee met het Verdrag van Stockholm) en de ontwerp-verordening inzake registratie, beoordeling en vergunningverlening van chemische stoffen (REACH).
Aangezien zowel de POP-verordening als de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn (nr. 91/414/EEG) of de biocidenrichtlijn (nr. 79/117/EEG) van toepassing zijn op bestrijdingsmiddelen, is het van belang dat deze Europese regelgeving consistent is, waardoor ook de Nederlandse regelgeving ter omzetting van die verordening en richtlijnen consistent zal zijn. Deze consistentie is van belang vanwege de verhouding tussen de Bestrijdingsmiddelenwet en de Wet milieugevaarlijke stoffen zoals neergelegd in artikel 71, eerste lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen.
3. De redactionele kanttekening heb ik verwerkt.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(1) Stockholm, 22 mei 2001; Trb. 2001, 171.
(2) Vgl. overweging 17 van de preambule van verordening 850/2004.
(3) Richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230).
(4) Bijlage D bij het verdrag, eerste lid, onderdelen b tot en met e.