Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit van 13 maart 2000, houdende aanwijzing van situaties, bedoeld in artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, waarvoor dit artikel later dan met ingang van 1 mei 2000 in werking zal treden (Stb. 121), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W03.04.0635/I
- Datum advies
- 1 februari 2005
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 10 mei 2005, nr 88
- Justitie en Veiligheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit van 13 maart 2000, houdende aanwijzing van situaties, bedoeld in artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, waarvoor dit artikel later dan met ingang van 1 mei 2000 in werking zal treden (Stb. 121), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 31 december 2004, no.04.004891, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit van 13 maart 2000, houdende aanwijzing van situaties, bedoeld in artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, waarvoor dit artikel later dan met ingang van 1 mei 2000 in werking zal treden (Stb. 121), met nota van toelichting.
De in 1995 ingevoerde wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst bevat enkele bepalingen voor medische handelingen die worden verricht bij iemand met wie er geen behandelingsovereenkomst is, in het bijzonder keuringen.(zie noot 1) De inwerkingtreding van bepalingen die de keurling enkele rechten gaven werd, voor wat betreft arbeidsomstandigheden, sociale zekerheid, sociale voorzieningen, pensioenregelingen en CAO’s, uitgesteld tot 1 mei 2000, omdat een definitieve regeling niet direct tot stand kon komen.(zie noot 2) Daarvoor is wetgeving in formele zin nodig, die op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot stand moet komen; de definitieve regeling zal overigens voornamelijk neerkomen op het uitsluiten van de overeenkomstige toepassing van de betreffende bepalingen. Nadien is de inwerkingtreding verder uitgesteld tot 1 mei 2005.(zie noot 3) Nu wordt voorgesteld de inwerkingtreding andermaal uit te stellen, en wel tot 1 mei 2010, omdat op het terrein van Sociale Zaken en Werkgelegenheid omvangrijke wetgeving tot stand is gekomen dan wel nog in ontwikkeling is.(zie noot 4)
De Raad van State meent dat verder uitstel vrijwel afstel betekent. Gelet daarop adviseert de Raad, in de toelichting een duidelijk tijdpad op te nemen, waarbinnen de noodzakelijke regelgeving op het terrein van Sociale Zaken gerealiseerd zal zijn.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 21 maart 2005
De Raad constateert dat andermaal wordt voorgesteld de inwerkingtreding van artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (voor zover het de overeenkomstige toepasselijkheid van de artikelen 457 en 464, tweede lid, van dat Boek betreft) uit te stellen voor situaties die betrekking hebben op handelingen op het gebied van de geneeskunst die worden verricht in verband met de uitvoering van wettelijke voorschriften op het terrein van de arbeidsomstandigheden, de sociale zekerheid en de sociale voorzieningen, alsmede pensioenregelingen en collectieve arbeidsovereenkomsten.
Het advies om in de nota van toelichting een duidelijk tijdpad op te nemen, waarbinnen de noodzakelijke, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot stand te komen definitieve regeling haar beslag zal krijgen is gevolgd. Daaruit blijkt ook dat het voorgestelde uitstel geen afstel van een definitieve regeling betekent (zie de nota van toelichting, nieuwe laatste alinea van "Algemeen").
Omtrent het ontwerpbesluit is nadien nog advies uitgebracht door het College bescherming persoonsgegevens (CPB). Dit advies, gedateerd 15 februari 2005, zal overeenkomstig het verzoek van het CPB ter kennis van de Tweede Kamer worden gebracht en wel door het als bijlage te voegen bij de memorie van toelichting op het dezer dagen in te dienen wetsvoorstel tot wijziging van enige bepalingen van het Burgerlijk Wetboek omtrent de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling en van artikel IV van de wet van 17 november 1994, Stb. 837 (omtrent welk wetsvoorstel het CPB bij bedoeld advies eveneens heeft geadviseerd).
Omtrent het onderhavige ontwerpbesluit deelt het CPB mee op hoofdlijnen te kunnen instemmen. Wel adviseert het CPB om in de nota van toelichting aandacht te besteden aan de reikwijdte van het medisch beroepsgeheim in een aantal SZW-beleidsterreinen in de toekomstige wetgeving. Daartoe is een nieuwe alinea toegevoegd aan het slot van de toelichting op artikel I, eerste lid.
Ik moge U hierbij, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Justitie
(1) Artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
(2) Artikel V, tweede lid, aanhef, van de Wet van 17 november 1994, Stb. 837.
(3) Enig artikel, onderdeel b, van het Besluit van 13 maart 2000, Stb. 121.
(4) Artikel I, eerste lid, van het ontwerpbesluit en de toelichting daarop.
De in 1995 ingevoerde wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst bevat enkele bepalingen voor medische handelingen die worden verricht bij iemand met wie er geen behandelingsovereenkomst is, in het bijzonder keuringen.(zie noot 1) De inwerkingtreding van bepalingen die de keurling enkele rechten gaven werd, voor wat betreft arbeidsomstandigheden, sociale zekerheid, sociale voorzieningen, pensioenregelingen en CAO’s, uitgesteld tot 1 mei 2000, omdat een definitieve regeling niet direct tot stand kon komen.(zie noot 2) Daarvoor is wetgeving in formele zin nodig, die op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot stand moet komen; de definitieve regeling zal overigens voornamelijk neerkomen op het uitsluiten van de overeenkomstige toepassing van de betreffende bepalingen. Nadien is de inwerkingtreding verder uitgesteld tot 1 mei 2005.(zie noot 3) Nu wordt voorgesteld de inwerkingtreding andermaal uit te stellen, en wel tot 1 mei 2010, omdat op het terrein van Sociale Zaken en Werkgelegenheid omvangrijke wetgeving tot stand is gekomen dan wel nog in ontwikkeling is.(zie noot 4)
De Raad van State meent dat verder uitstel vrijwel afstel betekent. Gelet daarop adviseert de Raad, in de toelichting een duidelijk tijdpad op te nemen, waarbinnen de noodzakelijke regelgeving op het terrein van Sociale Zaken gerealiseerd zal zijn.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 21 maart 2005
De Raad constateert dat andermaal wordt voorgesteld de inwerkingtreding van artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (voor zover het de overeenkomstige toepasselijkheid van de artikelen 457 en 464, tweede lid, van dat Boek betreft) uit te stellen voor situaties die betrekking hebben op handelingen op het gebied van de geneeskunst die worden verricht in verband met de uitvoering van wettelijke voorschriften op het terrein van de arbeidsomstandigheden, de sociale zekerheid en de sociale voorzieningen, alsmede pensioenregelingen en collectieve arbeidsovereenkomsten.
Het advies om in de nota van toelichting een duidelijk tijdpad op te nemen, waarbinnen de noodzakelijke, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot stand te komen definitieve regeling haar beslag zal krijgen is gevolgd. Daaruit blijkt ook dat het voorgestelde uitstel geen afstel van een definitieve regeling betekent (zie de nota van toelichting, nieuwe laatste alinea van "Algemeen").
Omtrent het ontwerpbesluit is nadien nog advies uitgebracht door het College bescherming persoonsgegevens (CPB). Dit advies, gedateerd 15 februari 2005, zal overeenkomstig het verzoek van het CPB ter kennis van de Tweede Kamer worden gebracht en wel door het als bijlage te voegen bij de memorie van toelichting op het dezer dagen in te dienen wetsvoorstel tot wijziging van enige bepalingen van het Burgerlijk Wetboek omtrent de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling en van artikel IV van de wet van 17 november 1994, Stb. 837 (omtrent welk wetsvoorstel het CPB bij bedoeld advies eveneens heeft geadviseerd).
Omtrent het onderhavige ontwerpbesluit deelt het CPB mee op hoofdlijnen te kunnen instemmen. Wel adviseert het CPB om in de nota van toelichting aandacht te besteden aan de reikwijdte van het medisch beroepsgeheim in een aantal SZW-beleidsterreinen in de toekomstige wetgeving. Daartoe is een nieuwe alinea toegevoegd aan het slot van de toelichting op artikel I, eerste lid.
Ik moge U hierbij, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Justitie
(1) Artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
(2) Artikel V, tweede lid, aanhef, van de Wet van 17 november 1994, Stb. 837.
(3) Enig artikel, onderdeel b, van het Besluit van 13 maart 2000, Stb. 121.
(4) Artikel I, eerste lid, van het ontwerpbesluit en de toelichting daarop.