Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regeling van aard, inhoud en omvang van aanspraken van cliënten op grond van de Wet op de jeugdzorg (Besluit jeugdzorgaanspraken).
- Kenmerk
- W13.03.0399/III
- Datum advies
- 24 november 2003
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 11 januari 2005, nr 7
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regeling van aard, inhoud en omvang van aanspraken van cliënten op grond van de Wet op de jeugdzorg (Besluit jeugdzorgaanspraken).
Bij Kabinetsmissive van 1 oktober 2003, no.03.003992, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regeling van aard, inhoud en omvang van aanspraken van cliënten op grond van de Wet op de jeugdzorg (Besluit jeugdzorgaanspraken).
Het ontwerpbesluit strekt ertoe de aard, inhoud en omvang van de jeugdzorg waarop ingevolge de Wet op de jeugdzorg (WJZ) aanspraak bestaat te regelen. De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt opmerkingen over de samenvoeging met andere algemene maatregelen van bestuur ter uitvoering van de WJZ en de afbakening met andere relevante regelingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Samenvoeging tot één algemene maatregel van bestuur
Het ontwerpbesluit geeft uitvoering aan artikel 3, eerste lid, WJZ, en regelt op welke jeugdzorg een cliënt op grond van die wet aanspraak heeft.
De aanwijzing van de jeugdzorg waarop aanspraak bestaat brengt niet een voor een cliënt direct opeisbaar recht mee. Voorwaarde voor een individuele aanspraak is een indicatiebesluit van het bureau jeugdzorg. De inhoudelijke vereisten waaraan een indicatiebesluit moet voldoen, worden geregeld in het Besluit indicatie jeugdzorg.(zie noot 1) Daarin worden eveneens opgenomen de vormen van AWBZ-zorg, waarvoor het bureau jeugdzorg op grond van artikel 5, tweede lid, onder b, WJZ de indicatietaak heeft en de regels voor aanspraak op jeugdzorg in spoedeisende situaties.
De regeling met betrekking tot de aanwijzing van de gevallen waarin geen indicatiebesluit nodig is, wordt opgenomen in het Besluit rechtstreekse verwijzing jeugd-ggz(zie noot 2), terwijl het Besluit kwaliteit en werkwijze bureau jeugdzorg(zie noot 3) zich richt op kwaliteitseisen ten aanzien van het functioneren van de bureaus jeugdzorg. Al deze ontwerpbesluiten hangen nauw met elkaar samen.
In de nota naar aanleiding van het verslag bij de WJZ(zie noot 4) is met recht opgemerkt dat het feit dat in een groot aantal bepalingen in regeling bij algemene maatregel van bestuur wordt voorzien niet betekent dat even zovele algemene maatregelen van bestuur opgesteld zullen worden. Aangezien de verschillende algemene maatregelen van bestuur inhoudelijk aan elkaar raken ligt het in de bedoeling samenhangende onderwerpen in één en dezelfde regeling onder te brengen, aldus de bewindslieden.
Tegen deze achtergrond vraagt de Raad zich af of bundeling van de verschillende onderwerpen in één regeling niet de voorkeur verdient. Op die wijze wordt de onderlinge samenhang veel duidelijker, kan volstaan worden met het eenmalig vermelden van definities en behoeft niet steeds naar andere besluiten te worden verwezen. Ook voor de praktijk lijkt één enkele regeling veel handzamer.
De Raad geeft in overweging de aan hem voorgelegde regelingen te integreren en samen te voegen tot één algemene maatregel van bestuur. Indien aan handhaving van de nu voorgestelde opzet de voorkeur wordt gegeven, dan dient deze van een overtuigende motivering te worden voorzien.
2. Afbakening
In het ontwerpbesluit is gekozen voor een globale omschrijving van aanspraken. Deze keuze is in het bijzonder ingegeven door de wens om de cliënt jeugdzorg op maat te kunnen leveren en door het feit dat het niet goed mogelijk is een gedetailleerde omschrijving te geven van de jeugdzorg waarop aanspraak bestaat.
Hoewel voor het ontbreken van een gedetailleerde aanduiding van de vormen van jeugdzorg begrip kan worden opgebracht, en mogelijk ook in de praktijk, mede door het instrument van protocollen(zie noot 5), aanscherping van de indicatiestelling zal kunnen plaatsvinden, is de gekozen opzet niet zonder gevolgen. Ook hoofdstuk 4 van de toelichting maakt melding van knelpunten in de afgrenzing, enerzijds naar de jeugdzorg waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) aanspraak kan bestaan, anderzijds naar de lokale jeugdzorg.
a. Bij de afbakening naar de AWBZ geldt als uitgangspunt dat op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ de verzekerde slechts aanspraak heeft op de in dat lid opgesomde vormen van zorg, voorzover die zorg niet kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling. Jeugdzorg op grond van de AWBZ moet derhalve worden gezien als een "sluitstuk".
Dit betekent dat in het ontwerpbesluit scherp omlijnde begrippen in beginsel niet gemist kunnen worden. Het ontbreken daarvan kan op een aantal onderdelen mogelijk tot problemen leiden.
Zo is de behandeling of begeleiding, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het ontwerpbesluit gericht op het voorkomen van verergering van psychosociale of sociale problemen, maar kan op grond van artikel 7 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ eveneens activerende begeleiding worden verleend gericht op het voorkomen van verergering van gedragsproblematiek of psychische problematiek.(zie noot 6)
In de gevallen dat een psychiatrische aanpak nodig wordt geoordeeld, is op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ van toepassing. In alle overige situaties is de scheidslijn niet zonder meer duidelijk en hangt het van het oordeel van het bureau jeugdzorg, uitmondend in een indicatiebesluit, af onder welk wettelijk regime de zorg zal worden verleend.
De keuze kan echter gevolgen hebben voor de financieringswijze.(zie noot 7) De jeugdzorg op grond van de AWBZ is premiegefinancierd, terwijl de overige jeugdzorg begrotingsgefinancierd is. Indien in een groot aantal gevallen de benodigde zorg zal worden aangemerkt als jeugdzorg op grond van de WJZ, zou een verschuiving van premiefinanciering naar begrotingsfinanciering hiervan het gevolg kunnen zijn.(zie noot 8)
De Raad geeft in overweging aan dit aspect in de toelichting aandacht te besteden en het ontwerpbesluit zo mogelijk aan te passen.
b. In artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het ontwerpbesluit is de afgrenzing met de lokale jeugdzorg tot uitdrukking gebracht: er is pas sprake van jeugdzorg op basis van de WJZ, indien de psychosociale of gedragsproblemen van de jeugdige (mede) met behulp van andere voorzieningen dan van zorgaanbieders niet kunnen worden opgelost. Hiermee worden de lokale voorzieningen bedoeld, zoals het algemeen maatschappelijk werk, de jeugdgezondheidszorg, peuterspeelzalen, kinderopvang, jeugd- en jongerenorganisaties, onderwijsinstellingen, opvoedbureaus, internaten, kostscholen.(zie noot 9) Met het oog op het bereiken van een sluitende keten van de jeugdzorg, is overleg gevoerd en overeenstemming bereikt met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg en de MOgroep over een vijftal functies die behoren tot het gemeentelijke domein in aansluiting op de jeugdzorg.(zie noot 10)
De mate waarin deze functies op lokaal niveau daadwerkelijk beschikbaar zijn, zal derhalve bepalend zijn voor de mate van druk die op de door de provincie in het kader van de WJZ aangeboden jeugdzorg zal worden gelegd.(zie noot 11) Uitgangspunt is immers dat de cliënt geholpen moet worden. In dat licht is dan ook de wijze waarop tot een toereikende uitvoering van lokale voorzieningen wordt gekomen, zoals reeds uiteengezet in de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal(zie noot 12), van groot belang.
Ook op het vorenstaande dient, naar het oordeel van de Raad, in de toelichting ingegaan te worden.
3. Adviezen
In het slot van hoofdstuk 1 van de toelichting wordt melding gemaakt van voorpublicatie van het ontwerp in de Staatscourant. Nagelaten is mee te delen of deze voorpublicatie aanleiding heeft gegeven tot reacties en op welke wijze relevante opmerkingen zijn verwerkt.
De Raad beveelt aan de toelichting op dit punt aan te vullen.
4. Inwerkingtreding
In artikel 7 is bepaald dat het besluit in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
De Raad adviseert, mede gelet op aanwijzing 180 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, de noodzaak van deze bijzondere inwerkingtredingsbepaling toe te lichten.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 14 december 2004
Blijkens mededelingen van de Directeur van Uw kabinet van 1 oktober 2003, nr. 03.003992, van 1 juni 2004, nr. 04.002112, van 1oktober 2003, nr. 03.003991, van 1 oktober 2003, nr. 03.003993, van 1 oktober 2003, nr. 03.003994, van 20 november 2003, nr. 03.004752 en van 1 juni 2004, nr. 04.002113, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn adviezen inzake de ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, houdende regeling van aard, inhoud en omvang van aanspraken op grond van de Wet op de jeugdzorg (Besluit jeugdzorgaanspraken), houdende beperking onderscheidenlijk uitbreiding van de aanspraken ingevolge de Wet op de jeugdzorg met betrekking tot categorieën rechtmatig onderscheidenlijk niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen (Besluit aanspraken vreemdelingen jeugdzorg), houdende aanwijzing van de ernstige psychiatrische stoornissen op grond van artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten alsmede houdende regels omtrent informatie die verwijzers bij toepassing van dat artikellid verstrekken aan een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg (Besluit rechtstreekse verwijzing jeugd-ggz), houdende de aanwijzing van de vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten aanspraak bestaat, regeling van de gevallen waarin een indicatiebesluit niet kan worden afgewacht, en nadere regels omtrent de inhoud van het indicatiebesluit en de wijze van totstandkoming ervan (Besluit indicatie jeugdzorg), houdende regels omtrent de kwaliteit en werkwijze van het bureau jeugdzorg en rechtspersonen, bedoeld in de artikelen 254 en 302 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en samenwerking van het bureau jeugdzorg met de raad voor de kinderbescherming, (Besluit kwaliteit en werkwijze bureaus jeugdzorg en rechtspersonen, bedoeld in de artikelen 254 en 302 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en samenwerking raad voor de kinderbescherming), houdende regels met betrekking tot de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon en de verplichtingen van de stichting en de zorgaanbieders (Besluit vertrouwenspersoon cliënten jeugdzorg) en houdende regeling van de bijdragen in de kosten van jeugdzorg (Besluit bijdragen in de kosten van jeugdzorg) rechtstreeks aan mij te doen toekomen.
Deze adviezen, gedateerd 24 november 2003, nr. W13.03.0399/III, 30 augustus 2004, nr. W13.04.0213/III, 24 november 2003, nr. W13.03.0396/III, 24 november 2003, nr. W13.03.0398/III, 24 november 2003, nr. W13.03.0397/III, 19 december 2003, nr. W13.03.0476/III en 3 augustus 2004, nr. W13. 04.0210/III, bied ik U hierbij aan.
In elk der voornoemde adviezen heeft de Raad geadviseerd om de voornoemde ontwerpen te integreren en samen te voegen tot één algemene maatregel van bestuur. Dit advies is gevolgd door integratie en samenvoeging in bijgaand ontwerp. In verband hiermee wordt één nader rapport uitgebracht.
De samenvoeging is aanleiding geweest de tekst op een aantal punten te stroomlijnen. Tevens heeft een herschikking van een aantal artikelen plaats gevonden. De samenvoeging heeft eveneens geleid tot integratie van de nota’s van toelichting. Daarbij is de nota van toelichting bij het bijgaand ontwerp-Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg voorzien van een nieuwe inleiding, waarin delen van de inleidingen bij de nota’s van de onderscheiden ontwerpbesluiten zijn opgenomen.
Hieronder wordt op de overige punten uit de voornoemde adviezen ingegaan.
Ontwerpbesluit houdende regeling van aard, inhoud en omvang van aanspraken op grond van de Wet op de jeugdzorg (Besluit jeugdzorgaanspraken)
2. Afbakening
a. De afbakening tussen de zorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de Wet op de jeugdzorg en die waarop aanspraak bestaat ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is zo goed als mogelijk en sluit zo goed als mogelijk aan bij de huidige verdeling tussen jeugdhulpverlening en de jeugd-ggz. Artikel 2 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ brengt inderdaad mee dat een verschuiving kan plaatsvinden van premiefinanciering naar begrotingsfinanciering. Wij verwachten bij een goede toepassing van het criterium voor AWBZ-financiering (een psychiatrische aanpak van de problematiek is noodzakelijk) geen substantiële verschuivingen. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad is de nota van toelichting uitgebreid.
b. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad is in de toelichting ingegaan op de wijze waarop tot een toereikende uitvoering van lokale voorzieningen wordt gekomen.
3. Adviezen
De samenvoeging van de verschillende ontwerpbesluiten heeft er toe geleid dat is afgezien van een bespreking van de adviezen in de nota van toelichting. Deze keuze kon worden gemaakt omdat geen van de adviezen fundamentele bezwaren bevatte.
4. Inwerkingtreding
Nu duidelijk is dat de Wet op de jeugdzorg met ingang van 1 januari 2005 in werking zal treden, is de inwerkingtredingsbepaling van het ontwerpbesluit aangepast in die zin dat het ontwerp-Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg voorziet in inwerkingtreding op 1 januari 2005. Gebleken is dat er geen behoefte meer bestaat aan partiële inwerkingtreding.
Ontwerpbesluit houdende beperking onderscheidenlijk uitbreiding van de aanspraken ingevolge de Wet op de jeugdzorg met betrekking tot categorieën rechtmatig onderscheidenlijk niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen (Besluit aanspraken vreemdelingen jeugdzorg)
2. Verhouding tot het Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
De Raad wijst er op dat het Verdrag meebrengt dat ook na de termijn die in de artikelen 3 en 4, derde lid, wordt bedoeld, aan minderjarige vreemdelingen jeugdzorg geboden moet kunnen worden, indien het belang van het kind dit vereist.
De bedoeling van deze artikelleden is te bewerkstelligen dat bij zowel een rechtmatig als niet-rechtmatig verblijvende minderjarige vreemdeling, tenminste elk half jaar wordt beoordeeld of deze nog steeds op jeugdzorg is aangewezen. Deze afweging geschiedt met het oog op het belang van het kind, maar laat een uitzettingsprocedure onverlet. Van de door de Raad gesignaleerde tekortkomingen is derhalve naar ons oordeel geen sprake.
De opmerkingen van de Raad zijn vermoedelijk ingegeven door de combinatie van het eerste lid van artikel 2 en de toelichting op het ontwerpbesluit. In de toelichting is de in het indicatiebesluit vast te leggen termijn van maximaal een half jaar, gedurende welke de aanspraak geldt, gepresenteerd als een beperking van de aanspraak, terwijl in feite sprake is van een beperking in de maximale termijn gedurende welke het indicatiebesluit een aanspraak oplevert. De opmerking van de Raad heeft tot aanpassing van het ontwerpbesluit geleid. Omdat voor rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen alleen de beperking van de termijn geldt, is het eerste lid van artikel 2 komen te vervallen. De beperking van de termijn die voor vreemdelingen geldt is geregeld bij de bepalingen die omtrent de termijn waren opgenomen in het ontwerpbesluit indicatie jeugdzorg (zie artikel 23, tweede en derde lid van het ontwerp-Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg). Dit verduidelijkt de bedoeling.
3. Beperkte tijdsduur aanspraak
Aan de opmerking van de Raad op dit punt is geen gevolg gegeven. Uit de wettelijke regeling vloeit rechtstreeks voort dat geen aanspraak op jeugdzorg meer bestaat na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Hetzelfde geldt voor andere jeugdigen dan niet-rechtmatig in Nederland verblijvende jeugdigen, zij het dat het dan om de leeftijd van 23 jaar gaat.
4. Adviezen
De integratie van de diverse ontwerpbesluiten heeft er toe geleid dat in de toelichting op het Uitvoeringsbesluit geen melding wordt gemaakt van de instanties die advies hebben uitgebracht over het onderhavige ontwerpbesluit, aangezien in de toelichting op de meeste ontwerpbesluiten geen melding wordt gemaakt van de instanties die in de voorfase advies hebben uitgebracht. De uitgebrachte adviezen hebben overigens wel geleid tot aanpassingen van de tekst en de toelichting.
De redactionele kanttekeningen zijn niet meer relevant omdat het ontwerpbesluit met eerdergenoemde ontwerpbesluiten is samengevoegd.
Ontwerpbesluit houdende aanwijzing van de ernstige psychiatrische stoornissen op grond van artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten alsmede houdende regels omtrent informatie die verwijzers bij toepassing van dat artikellid verstrekken aan een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg (Besluit rechtstreekse verwijzing jeugd-ggz)
2. Aanwijzing van de beroepsgroep
Naar aanleiding van de opmerking van de Raad is de toelichting verduidelijkt. Aangegeven is thans dat alleen de behandelaar naar wie de huisarts heeft verwezen, een jeugdige vervolgens kan doorverwijzen zonder tussenkomst van het bureau jeugdzorg. Deze behandelaar kan een BIG-geregistreerde psycholoog zijn.
3. Inwerkingtreding
Nu duidelijk is dat de Wet op de jeugdzorg met ingang van 1 januari 2005 in werking zal treden, is de inwerkingtredingsbepaling van het ontwerpbesluit aangepast in die zin dat het ontwerp-Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg voorziet in inwerkingtreding op 1 januari 2005. Gebleken is dat er geen behoefte meer bestaat aan partiële inwerkingtreding.
Met de redactionele kanttekeningen van de Raad is rekening gehouden.
Ontwerpbesluit houdende de aanwijzing van de vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten aanspraak bestaat, regeling van de gevallen waarin een indicatiebesluit niet kan worden afgewacht, en nadere regels omtrent de inhoud van het indicatiebesluit en de wijze van totstandkoming ervan (Besluit indicatie jeugdzorg).
2. Noodzaak van detailvoorschriften
a en b. Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad is artikel 4 geschrapt. In verband hiermee is in de toelichting uiteengezet welke eisen de wet stelt aan het indicatiebesluit.
3. Bijzondere gevallen
Naar aanleiding van de opmerking van de Raad is de toelichting aangepast.
Met de redactionele kanttekeningen van de Raad is rekening gehouden.
Ter uitvoering van de bij de behandeling van het voorstel van Wet op de jeugdzorg in de Eerste Kamer der Staten-Generaal gedane toezegging (Handelingen I 2003/04, nr.23, p.1119) is het ontwerpbesluit indicatie jeugdzorg doorgelicht op bepalingen die onnodige bureaucratie meebrengen. In verband hiermee zijn de eisen die gelden voor een indicatiebesluit strekkend tot jeugdhulp teruggebracht. Ook de eisen ten aanzien van een indicatiebesluit strekkend tot verblijf zijn aangepast. Ten aanzien van jeugdhulp behoeft niet langer te worden aangegeven of een specifieke aanpak of de inzet van een bepaalde deskundige nodig wordt geacht. Bovendien eindigt de termijn gedurende welke een cliënt op vervangende zorg is aangewezen, niet meer na dertien weken, maar na afloop van de termijn gedurende welke de aanspraak op de eerst aangewezen zorg geldt. Daarnaast wordt, voor zowel de jeugdhulp als het verblijf, gevraagd de wenselijk geachte omvang van de jeugdhulp en die van ander verblijf dan 24-uursverblijf aan te geven met een bandbreedte. Bij jeugdhulp betreft het een maximum en minimum aantal contacturen, waarbij een bandbreedte wordt aangehouden van 20% boven en onder het gemiddelde van het minimum en het maximum. Bij verblijf gaat het om eenzelfde bandbreedte met betrekking tot het aantal dagen per week waarover het verblijf zich kan uitstrekken.
Deze wijzigingen brengen mee dat minder vaak herindicatie behoeft plaats te vinden.
Ook ten aanzien van een indicatiebesluit strekkend tot een vorm van jeugd-ggz is een verandering aangebracht. Inmiddels heeft de Regering besloten dat een groot deel van de jeugd-ggz onder de Zorgverzekeringswet zal moeten vallen. In verband hiermee is er van afgezien voor de vormen van zorg waarvoor dit geldt, aansluiting te zoeken bij de wijze waarop een indicatiebesluit moet worden ingericht op grond van het Zorgindicatiebesluit. De indicatiebesluiten voor deze vormen van jeugd-ggz zullen op dezelfde wijze worden ingericht als de indicatiebesluiten voor een aanspraak op jeugdzorg ingevolge de Wet op de jeugdzorg.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt het tweede lid van artikel 12 van het ontwerpbesluit te schrappen. Aangezien artikel I, onderdeel CC, van het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg (herstel van enige onvolkomenheden) voorziet in een regeling van plaatsing in justitiële jeugdinrichtingen in crisissituaties is deze bepaling niet meer nodig.
Ontwerpbesluit houdende regels omtrent de kwaliteit en werkwijze van het bureau jeugdzorg en rechtspersonen, bedoeld in de artikelen 254 en 302 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en samenwerking van het bureau jeugdzorg met de raad voor de kinderbescherming, (Besluit kwaliteit en werkwijze bureaus jeugdzorg en rechtspersonen, bedoeld in de artikelen 254 en 302 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en samenwerking raad voor de kinderbescherming).
2. De positie van de voogd
De Raad beveelt aan de artikelen nader op hun consistentie te bezien en in de toelichting aandacht te besteden aan de rol van de voogd. Op grond van artikel 326 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kan een minderjarige die onder voogdij staat van een natuurlijk persoon onder toezicht worden gesteld. Indien dit het geval is, dient bij de bepalingen die de ondertoezichtstelling betreffen voor ‘de met gezag belaste ouder’ gelezen te worden ‘voogd’. Om dit verduidelijken is de voogd, naast de met het gezag belaste ouder, met zoveel woorden opgenomen in artikel 40 van het ontwerp-Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg, welk artikel overeenkomt met artikel 20 van het onderhavige ontwerpbesluit.
Ook artikel 23 van het onderhavige ontwerp-besluit (artikel 46 van het ontwerp-Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg) is aangevuld. Een jeugdige die jeugdreclassering ontvangt kan onder voogdij staan van een natuurlijk persoon. Het is wenselijk dat ook de voogd wordt betrokken bij het opstellen, uitvoeren en wijzigen van het plan. De toelichting is eveneens aangevuld op dit punt.
3. Artikelen
a. Artikelen 9 en 10
De Raad adviseert de artikelen 9 en 10 (artikelen 32 en 33 van het ontwerp-Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg) aan te passen opdat zij niet meer verwijzen naar de artikelen die betrekking hebben op de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet. De taken van artikel 10, eerste lid, van de wet, de zogenaamde justitiële taken, worden niet geïsoleerd uitgevoerd binnen het bureau jeugdzorg. Een gezinsvoogdijwerker dient op grond van artikel 257 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet alleen toezicht te houden op de minderjarige maar ook hulp en steun te bieden aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd. Onderdeel hiervan kan zijn dat de minderjarige of zijn ouder (jeugd)zorg ontvangt. Met het oog hierop is ook in het derde lid van artikel 37 bepaald dat het plan vermeldt welke zorg voor de minderjarige, zijn ouder of voogd nodig is. Het bezien of en zo ja op welke zorg zij aangewezen zijn, valt onder artikel 5 van de wet. De verschillende taken zijn dus onderscheiden maar kunnen in geval van de uitvoering van de justitiële taken gelijktijdig worden uitgevoerd. Om deze reden wordt in de artikelen 32 en 33 van het ontwerp-Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg dan ook verwezen naar de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet.
b. Artikel 11
De toelichting is overeenkomstig het advies van de Raad verduidelijkt. Het is niet noodzakelijk om de uitkomsten van het overleg met de aanvrager in ieder indicatiebesluit vast te leggen. De opmerkingen van de cliënt zullen in het indicatiebesluit verwerkt worden. Indien de cliënt het niet eens is met indicatiebesluit kan hij bezwaar en beroep aantekenen.
c. Artikel 25
Overeenkomstig het advies van de Raad van State zijn de tekst van het artikel (artikel 48 van het ontwerp-Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg) en de toelichting met elkaar in overeenstemming gebracht.
d. Artikel 35
Het doen van een mededeling van de raad aan de kinderbescherming aan het bureau jeugdzorg is niet alleen zinvol in situaties dat de raad een geval in onderzoek neemt zonder tussenkomst van het bureau jeugdzorg. Ook in de reguliere situaties, waarin het bureau jeugdzorg de raad in kennis stelt van zijn oordeel dat een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te worden, is dit voor een goede afstemming belangrijk. Een kennisgeving betekent namelijk niet dat de raad de plicht heeft om deze kennisgeving in onderzoek te nemen. De raad heeft een eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen of hij een onderzoek instelt. Het is belangrijk dat er geen misverstand kan ontstaan over de vraag of de raad een geval in onderzoek heeft genomen of niet.
e. Artikel 37
Dit artikel (artikel 60 van het ontwerp-Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg) is conform het advies van de Raad aangepast.
f. Artikel 38
Het is de Raad opgevallen dat artikel 9 (artikel 32 van het ontwerp-Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg), dat een multidisciplinaire beoordeling van de problemen voorschrijft, niet van overeenkomstige toepassing is verklaard op de rechtspersoon die de voogdij en gezinsvoogdij uitvoert voor minderjarigen door of ten behoeve van wie een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is ingediend. De Raad beveelt aan in ieder geval in de toelichting hierop in te gaan en zo nodig artikel 38 (artikel 61 van het ontwerp-Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg) aan te vullen.
De voogdij zoals deze door bovengenoemde rechtspersoon wordt uitgevoerd, is een maatregel waarmee wordt voorzien in ontbrekend gezag. De rechtspersoon is niet benoemd tot voogd na een ontheffing of ontzetting. Daarom wordt het niet noodzakelijk geacht om multidisciplinaire beoordeling van de problemen verplicht te stellen. Zo nodig kan de rechtspersoon wel een beroep doen op een externe deskundige.
Ook voor de uitvoering van de gezinsvoogdij door de rechtspersoon wordt het verplicht stellen van een multidisciplinaire beoordeling als een te zware eis gezien. Bovendien is het zo dat, zodra de minderjarige die onder toezicht van de rechtspersoon is gesteld zorg nodig heeft, het bureau jeugdzorg hiervoor de indicatie zal stellen. De rechtspersoon zelf kan dat immers niet doen. Op dat moment is multidisciplinaire beoordeling van de problematiek uiteraard wel aan de orde.
De toelichting is conform het advies aangevuld.
4. Redactionele kanttekening
Aan de redactionele kanttekeningen is aandacht besteed.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt het ontwerpbesluit op enige punten aan te passen. Thans wordt niet meer geëist dat medewerkers van de stichting werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst met de stichting. Zij kunnen daar ook op basis van een detacheringsovereenkomst werkzaam zijn (zie artikel 25 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg). Deze wijziging is aangebracht op uitdrukkelijk verzoek van de zorgaanbieders en de stichtingen die het van belang achten dat de bureaus jeugdzorg gebruik kunnen maken van de expertise van mensen die in de uitvoering werkzaam zijn. De wijziging maakt dit mogelijk.
De overgangsbepaling van artikel 42 van het ontwerpbesluit (artikel 77 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg) is gewijzigd in die zin dat het thans mogelijk is dat een stichting onder wiens toezicht een minderjarige is gesteld de bevoegdheden die deze taak meebrengt, mandateert aan een landelijke instelling in de zin van de Wet op de jeugdhulpverlening. Verder kunnen stichtingen medewerkers van deze instellingen aanwijzen als voogdijwerker of jeugdreclasseringswerker teneinde de voogdij en de jeugdreclassering door die medewerkers te laten uitvoeren. Dit geeft de bedoelingen van artikel 42 van het ontwerpbesluit beter weer.
Ontwerpbesluit houdende regels met betrekking tot de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon en de verplichtingen van de stichting en de zorgaanbieders (Besluit vertrouwenspersoon cliënten jeugdzorg)
2. Rechtspersonen, bedoeld in de artikelen 254 en 302 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek
Het advies heeft aanleiding gegeven om een bepaling op te nemen van de door de Raad vermelde strekking (zie het voorgestelde artikel 62 van het ontwerp-Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg en de toelichting daarop).
3. Redactionele kanttekening
De eerste redactionele kanttekening is gevolgd. Bovendien is naar aanleiding van de tweede redactionele kanttekening de tekst van de derde alinea van het algemeen deel van de toelichting geschrapt.
Ontwerpbesluit houdende regeling van de bijdragen in de kosten van jeugdzorg (Besluit bijdragen in de kosten van jeugdzorg)
2. Onvolkomenheden in het gebruik van delegatiebepalingen
a. Naar aanleiding van het advies van de Raad is in het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg (herstel van enige onvolkomenheden) de plicht tot het aanbrengen van differentiatie in de bijdragen naar de aard van de zorg, vervangen door de mogelijkheid deze differentiatie aan te brengen.
b. Het advies van de Raad is gevolgd.
3. Overige onvolkomenheden
a. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad wordt niet meer verwezen naar een normprijs, maar naar de kosten van het verblijf.
b. De toelichting is aangevuld in de door de Raad gesuggereerde zin.
c. De toelichting bij artikel 5, eerste lid (artikel 73, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit) en het artikel zijn met elkaar in overeenstemming gebracht.
De redactionele kanttekeningen van de Raad zijn gevolgd.
Ik moge U hierbij, mede namens de Minister van Justitie, het ontwerpbesluit, houdende regels ter uitvoering van de Wet op de jeugdzorg (Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg) en de nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken op grond van het vorenstaande overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(1) Ontwerpbesluit indicatie jeugdzorg (no.W13.03.0398/III).
(2) Ontwerpbesluit rechtstreekse verwijzing jeugd-ggz (no.W13.03.0396/III).
(3) Ontwerpbesluit kwaliteit en werkwijze bureau jeugdzorg en rechtspersonen, bedoeld in de artikelen 254 en 302 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en samenwerking van bureau jeugdzorg met de raad voor de kinderbescherming (no.W13.03.0397/III).
(4) Kamerstukken II 2001/02, 28 168, nr.5, blz.15.
(5) Hoofdstuk 6 van de toelichting.
(6) Zie ook toelichting bij dit besluit: Stb.2002, 527, bladzijde 29.
(7) Kamerstukken II 2001/02, 28 168, nr.5, blz.50: Afhankelijk van de inhoud van de benodigde zorg (neergelegd in het indicatiebesluit) volgt hieruit automatisch vanuit welke bron deze zorg gefinancierd wordt.
(8) In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2001/02, 28 168, nr.5, blz.51) wordt opgemerkt dat circa driekwart van het totale budget voor jeugdzorg begrotingsgefinancierd is en circa een kwart premiegefinancierd.
(9) Zie ook: Kamerstukken II 2001/02, 28 168, nr.5, blz.24 en 26.
(10) Kamerstukken II 2002/03, 28 606, nr.8, blz.2/3. Voor nadere uitwerking: de Notitie verduidelijking gemeentelijke taken van de Werkgroep Gemeentelijke Taken van juni 2003. Het betreft de volgende functies:
informatie aan ouders, kinderen en jongeren over opvoeden en opgroeien;
signalering van problemen door instellingen als jeugdgezondheidszorg en onderwijs;
toegang tot het (gemeentelijk) hulpaanbod, beoordeling en toeleiding (beschikbaarheid "sociale kaart");
pedagogische hulp (advisering en lichte hulpverlening) zoals schoolmaatschappelijk werk en coaching van jongeren;
coördinatie van zorg op lokaal niveau.
(11) Kamerstukken II 2002/03, 28 168, nr.10, blz.22. Zie voorts ook: Kamerstukken II 2002/03, 28 168, nr.27, blz.3/4, waarin wordt ingegaan op de gezinscoach.
(12) Kamerstukken I 2003/04, 28 168, B, blz.16 en 33.