Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw in verband met het onder de ziekenfondsverzekering brengen van startende ondernemers, van wie nadien blijkt dat zij niet hebben voldaan aan artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, en wijziging van het Besluit beperking kring verzekerden Ziekenfondswet.
- Kenmerk
- W13.03.0210/III
- Datum advies
- 7 juli 2003
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 9 december 2003, nr 238
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw in verband met het onder de ziekenfondsverzekering brengen van startende ondernemers, van wie nadien blijkt dat zij niet hebben voldaan aan artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, en wijziging van het Besluit beperking kring verzekerden Ziekenfondswet.
Bij Kabinetsmissive van 13 juni 2003, no.03.002483, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw in verband met het onder de ziekenfondsverzekering brengen van startende ondernemers, van wie nadien blijkt dat zij niet hebben voldaan aan artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, en wijziging van het Besluit beperking kring verzekerden Ziekenfondswet.
Het ontwerpbesluit heeft vooral betrekking op personen die zich onder meer ter verkrijging van een ziekenfondsverzekering bij de fiscus aanmelden als startende ondernemer, maar van wie pas enkele jaren later bij het vaststellen van de aanslag voor de inkomstenbelasting blijkt dat zij niet als (startende) ondernemer kunnen worden aangemerkt. Deze vaststelling achteraf brengt moeilijk of in het geheel niet terug te draaien gevolgen mee voor de ziekenfondsverzekeringen van de betrokken personen. Met het ontwerpbesluit wordt beoogd zulke gevolgen te ondervangen.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een aantal opmerkingen met betrekking tot enkele tekortkomingen van het stelsel voor (startende) zelfstandigen die met het ontwerpbesluit onvoldoende worden weggenomen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Kenbaarheid achteraf van het recht op verzekering
In het huidige stelsel verkrijgen degenen die als zelfstandige willen worden aangemerkt, het recht op ziekenfondsverzekering indien zij verzekerd zijn ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz) en indien hun winstinkomen een bedrag van ruim 20.000 euro niet overschrijdt.(zie noot 1) Startende zelfstandigen dienen in het jaar van aanvraag een prognose te maken van hun winstinkomen van datzelfde jaar, omdat in hun geval geen winstgegevens van de voorafgaande jaren beschikbaar zijn. De inspecteur van de rijksbelastingdienst geeft op aanvraag een verklaring af waarin wordt gesteld dat betrokkene naar de stand van de dan beschikbare gegevens voldoet aan de voorwaarden. Bij de aanslagregeling ten behoeve van de inkomstenbelasting en van de heffing procentuele premie ziekenfondsverzekering wordt definitief vastgesteld of de belanghebbende wat betreft het aanslag- en verzekeringsjaar, dat jaren daarvóór ligt, aan de voorwaarden voldoet. Is dat niet het geval dan dient de verzekering van dat verzekeringsjaar te worden teruggedraaid. In de praktijk stuit dit op problemen, onder meer doordat belanghebbende niet met terugwerkende kracht alsnog een vervangende ziektekostenverzekering kan sluiten voor het achteraf ondervangen van de ziektekosten in het verzekeringsjaar.(zie noot 2)
Naar het de Raad voorkomt, kan de oplossing in twee richtingen worden gezocht. De starter geldt als verzekerde tot het moment dat definitief vaststaat dat hij geen verzekerde meer kan zijn; deze oplossing wordt nu voorgesteld. De andere mogelijkheid bestaat daarin dat geen ziekenfondsverzekering wordt toegestaan totdat definitief vaststaat dat, en in welke periode, voldaan is aan de normaal daarvoor geldende voorwaarden. De starter zal zich particulier moeten verzekeren, waarbij gedacht kan worden aan verrekening als blijkt dat de starter reeds in de voorbije periode voldeed aan de voorwaarden voor de ziekenfondsverzekering.
Het bezwaar van de voorgestelde oplossing is dat een uitzondering tot norm wordt gemaakt. Personen die niet aan de algemene voorwaarden voor de ziekenfondsverzekering voldoen, worden tòch als verzekerde aangemerkt. Een dergelijke aanwijzing zou bij voorkeur beperkt moeten blijven tot incidentele gevallen in de vorm van een hardheidsclausule.
De Raad adviseert de voor- en nadelen van de twee geschetste oplossingsrichtingen in de toelichting te bespreken en zo nodig de regeling aan te passen.
2. Stelsel afhankelijk van meldingen en afmeldingen belanghebbende
Het onderhavige wijzigingsvoorstel brengt mee dat de personen die achteraf niet aan de voorwaarden blijken te voldoen, toch als verzekerde blijven gelden zonder enige bijbetaling. Dit voordeel stimuleert niet tot afmelding van de verzekering, en werkt conflicten in de hand over de vraag of de belanghebbenden nu wel of niet terecht hebben afgezien van een afmelding. Ingevolge het ontwerpbesluit worden alleen de personen die zich ten onrechte niet hebben afgemeld, geconfronteerd met de schadeclaim van het ziekenfonds wegens ten onrechte vergoede ziektekosten.(zie noot 3) De Raad merkt op dat ook personen die niet of slechts een beperkte periode van de verzekerde jaren ondernemer zijn geweest en zich weliswaar hebben afgemeld maar dit niet tijdig hebben gedaan, ten onrechte voordelen uit de ziekenfondsverzekering kunnen genieten, terwijl ingevolge het ontwerpbesluit de desbetreffende schade van het ziekenfonds niet op hen kan worden verhaald.
Volgens de Raad kan het ten onrechte genieten van ziekenfondsvoordelen worden opgevat als een risico van het voorgestelde systeem. Hij adviseert in de toelichting zoveel mogelijk de situaties te belichten waarin achteraf kan blijken dat ten onrechte ziekenfondsvoordelen zijn genoten, en het ontwerpbesluit met het oog daarop zo nodig aan te passen. Tevens beveelt de Raad aan in de nota van toelichting in te gaan op de vraag of de rijksbelastingdienst in een eerder stadium controles kan uitvoeren die erop zijn gericht niet of niet langer bestaand ondernemerschap te onderkennen.
3. Aanslagregeling ziekenfondspremies
In de nota van toelichting wordt beschreven hoe de rijksbelastingdienst tot nu toe de situaties waarin het ontwerpbesluit voorziet, heeft afgehandeld. Van het opleggen van aanslagen voor ziekenfondspremie wordt gemeld dat er voorafgaand aan het jaar 2002 slechts in enkele gevallen sprake is geweest van het tot nihil terugbrengen van de voorlopige aanslag, en dat er om moverende redenen voor is gekozen om in die gevallen niet alsnog een definitieve aanslag op te leggen.(zie noot 4)
Volgens de Raad kan uit de nota van toelichting niet goed worden opgemaakt waarom het probleem over de belastingjaren 2000 en 2001 in veel mindere mate zou spelen dan over de jaren daarna. Dat het probleem bij het regelen van de aanslagen over die jaren zich nog niet in sterke mate heeft voorgedaan, zegt nog niet zoveel indien een (groot) deel van de desbetreffende aanslagen op 1 januari 2002 nog niet was geregeld. De aanslagen over 2001 waren toen in het geheel nog niet geregeld. De Raad vraagt zich daarom af of terugwerkende kracht tot 1 januari 2002, wat betekent dat de regeling gaat gelden voor de situatie vanaf belastingjaar 2002 en niet voor de jaren 2000 en 2001, het gesignaleerde probleem voldoende wegneemt over de jaren 2000 en 2001. De Raad adviseert dit aspect nog eens te bezien.
Verder trekt het de aandacht dat er gevallen zijn waarin om moverende redenen is besloten niet alsnog een definitieve aanslag op te leggen.(zie noot 5) Volgens de Raad ligt het in de lijn der verwachting dat de aanslagregeling voor de heffing van ziekenfondspremies formeel wordt afgerond, hetzij met een beschikking, hetzij met een (nihil-)aanslag. Overigens is niet duidelijk of de bedoelde voorlopige nihil-aanslagen reeds vóór de aanvang van het kalenderjaar 2002 zijn opgelegd, of dat zij betrekking hebben op aanslagjaren voorafgaande aan het aanslagjaar 2002. Die onduidelijkheid roept tevens de vraag op of met ingang van 2002 zich nog situaties in de aanslagregeling hebben voorgedaan waarin onvoldoende rekening is gehouden met het toen geldende stelsel voor startende zelfstandigen.
Met het oog op het voorgaande beveelt de Raad aan over de hiervoor vermelde punten duidelijkheid te verschaffen in de nota van toelichting, en zo nodig aanvullende corrigerende handelingen in de sfeer van de aanslagregeling betreffende ziekenfondspremies bij de fiscus te bevorderen.
4. Basis voor de meldingsplicht
In de nota van toelichting wordt ingegaan op personen die het einde van hun onderneming ten onrechte niet aan de rijksbelastingdienst of aan het ziekenfonds hebben gemeld.(zie noot 6) De plicht van afmelding bij de rijksbelastingdienst kan, naar zich laat aanzien, worden gebaseerd op het meer algemeen geformuleerde artikel 3.156, tweede lid, van de Wet Inkomstenbelasting 2001. Van de plicht tot afmelding bij het ziekenfonds is echter niet duidelijk op welk voorschrift deze plicht kan worden teruggevoerd.
De Raad adviseert in de nota van toelichting te verduidelijken waarop de bedoelde afmeldingsplicht, in het bijzonder bij het ziekenfonds, is gebaseerd.
5. Samenhang met de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
De hiervoor bedoelde systematiek van toetsing achteraf en de daaraan verbonden problemen gelden ook wanneer moet worden bepaald of de startende zelfstandige in aanmerking komt voor de verzekering ingevolge de Waz. Dit komt onder meer doordat de ziekenfondsverzekering voor zelfstandigen in de Ziekenfondswet is gekoppeld aan de Waz-verzekering, mits het daarin gestelde inkomensmaximum niet wordt overschreden.(zie noot 7)
Met het oog op de bedoelde samenhang tussen de Waz en het ontwerpbesluit beveelt de Raad aan in de toelichting te vermelden in hoeverre de besproken problematiek zich eveneens voordoet in de Waz-sfeer en hoe die Waz-problematiek, mede gelet op de voorgestelde aanpak in het ontwerpbesluit en de eventuele noodzaak van afstemming daarop, zal worden opgelost.
6. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 7 juli 2003, no. W13.03.0210/III, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
In het ontwerpbesluit en in de nota van toelichting "Rijksbelastingdienst", gelet op de schrijfwijze in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, telkens vervangen door: rijksbelastingdienst.
In de nota van toelichting een onderverdeling in genummerde paragrafen maken, mede voor het aanbrengen van een helder onderscheid tussen bestaand en komend recht.
Nader rapport (reactie op het advies) van 8 oktober 2003
1. Het komt de Raad van State voor dat de oplossing voor een startende ondernemer van wie de rijksbelastingdienst bij de vaststelling van de definitieve aanslag inkomstenbelasting over het startjaar heeft vastgesteld dat deze persoon niet verzekerd is geweest ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz), met als gevolg dat de grond voor ziekenfondsverzekering ontvalt, in twee richtingen kan worden gezocht. Als eerste mogelijkheid geeft de Raad de in het besluit opgenomen oplossing, namelijk het creëren voor de hier beschreven groep van een verzekeringsgrond. Als tweede mogelijkheid ziet de Raad dat geen ziekenfondsverzekering voor startende ondernemers wordt toegestaan totdat definitief vaststaat dat en in welke periode, voldaan is aan de voorwaarden dat iemand zelfstandige is met winst uit onderneming en dat het inkomen niet meer bedraagt dan de inkomensgrens voor zelfstandige ondernemers. De door de Raad geformuleerde oplossing zou alle startende ondernemers aangewezen houden op een particuliere ziektekostenverzekering tot het jaar dat de rijksbelastingdienst een definitieve aanslag inkomstenbelasting heeft vastgesteld. Aan het voorstel de voor- en nadelen van de twee geschetste oplossingsrichtingen in de toelichting te bespreken is gevolg gegeven.
Na afweging van de voor- en nadelen geef ik de voorkeur aan de oorspronkelijk in het besluit opgenomen oplossingsrichting. Reden hiervoor is dat het zich slechts in een beperkt aantal gevallen voordoet dat een startende ondernemer niet als zelfstandige met winst uit onderneming kwalificeert. Door het opnemen van een verzekerings- en premieheffingsgrondslag zijn betrokkenen alsnog ziekenfondsverzekerd en premieplichtig.
2. De Raad vraagt zich af waarom er is gekozen voor terugwerkende kracht tot 1 januari 2002. Dit zou namelijk betekenen dat de regeling pas gaat gelden met ingang van belastingjaar 2002.
Omdat het probleem zich slechts in beperkte mate voordoet en er al aanslagen over de jaren 2000 en 2001 zullen zijn opgelegd op het tijdstip dat de regeling verschijnt, is er uit oogpunt van rechtsgelijkheid voor gekozen om terugwerkende kracht te verlenen tot en met 1 januari 2002.
3. De verplichting tot afmelding bij het ziekenfonds waar iemand zich heeft ingeschreven is geregeld in artikel 14, derde lid, van het Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering. Aan het advies van de Raad van State in de nota van toelichting te verduidelijken waarop de afmeldingsplicht bij beëindiging van de ziekenfondsverzekering is gebaseerd is gevolg gegeven.
4. De Raad beveelt aan in de toelichting te vermelden of de problematiek zich ook in de Waz voordoet. Anders dan zonder het voorliggende besluit het geval zou zijn bij de ziekenfondsverzekering, blijft de Waz-verzekering van degene die achteraf blijkt nooit zelfstandige te zijn geweest, over het algemeen in stand. In de meeste gevallen zal deze persoon op grond artikel 3, eerste lid en aanhef en onder b, van de Waz verzekerd zijn in plaats van op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Waz. Deze persoon is dan niet langer verzekerd ingevolge de Waz als zelfstandige met winst uit onderneming maar als beroepsbeoefenaar.
5. Aan de redactionele kanttekeningen van de Raad is gevolg gegeven.
Ik moge U hierbij, in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(1) Ziekenfondswet, artikel 3d, eerste lid; per 1 januari 2003 geldt voor zelfstandigen een inkomensplafond van 20.250 euro.
(2) Nota van toelichting, derde en vierde alinea.
(3) Het in artikel I, onderdeel A, voorgestelde artikel 1, onderdeel m, van het Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw.
(4) Nota van toelichting, vierde alinea.
(5) Nota van toelichting, vierde alinea, laatste volzin.
(6) Nota van toelichting, voorlaatste alinea.
(7) Ziekenfondswet, artikel 3d, eerste lid, met een inkomensmaximum per 1 januari 2003 van 20.250 euro.
Het ontwerpbesluit heeft vooral betrekking op personen die zich onder meer ter verkrijging van een ziekenfondsverzekering bij de fiscus aanmelden als startende ondernemer, maar van wie pas enkele jaren later bij het vaststellen van de aanslag voor de inkomstenbelasting blijkt dat zij niet als (startende) ondernemer kunnen worden aangemerkt. Deze vaststelling achteraf brengt moeilijk of in het geheel niet terug te draaien gevolgen mee voor de ziekenfondsverzekeringen van de betrokken personen. Met het ontwerpbesluit wordt beoogd zulke gevolgen te ondervangen.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een aantal opmerkingen met betrekking tot enkele tekortkomingen van het stelsel voor (startende) zelfstandigen die met het ontwerpbesluit onvoldoende worden weggenomen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Kenbaarheid achteraf van het recht op verzekering
In het huidige stelsel verkrijgen degenen die als zelfstandige willen worden aangemerkt, het recht op ziekenfondsverzekering indien zij verzekerd zijn ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz) en indien hun winstinkomen een bedrag van ruim 20.000 euro niet overschrijdt.(zie noot 1) Startende zelfstandigen dienen in het jaar van aanvraag een prognose te maken van hun winstinkomen van datzelfde jaar, omdat in hun geval geen winstgegevens van de voorafgaande jaren beschikbaar zijn. De inspecteur van de rijksbelastingdienst geeft op aanvraag een verklaring af waarin wordt gesteld dat betrokkene naar de stand van de dan beschikbare gegevens voldoet aan de voorwaarden. Bij de aanslagregeling ten behoeve van de inkomstenbelasting en van de heffing procentuele premie ziekenfondsverzekering wordt definitief vastgesteld of de belanghebbende wat betreft het aanslag- en verzekeringsjaar, dat jaren daarvóór ligt, aan de voorwaarden voldoet. Is dat niet het geval dan dient de verzekering van dat verzekeringsjaar te worden teruggedraaid. In de praktijk stuit dit op problemen, onder meer doordat belanghebbende niet met terugwerkende kracht alsnog een vervangende ziektekostenverzekering kan sluiten voor het achteraf ondervangen van de ziektekosten in het verzekeringsjaar.(zie noot 2)
Naar het de Raad voorkomt, kan de oplossing in twee richtingen worden gezocht. De starter geldt als verzekerde tot het moment dat definitief vaststaat dat hij geen verzekerde meer kan zijn; deze oplossing wordt nu voorgesteld. De andere mogelijkheid bestaat daarin dat geen ziekenfondsverzekering wordt toegestaan totdat definitief vaststaat dat, en in welke periode, voldaan is aan de normaal daarvoor geldende voorwaarden. De starter zal zich particulier moeten verzekeren, waarbij gedacht kan worden aan verrekening als blijkt dat de starter reeds in de voorbije periode voldeed aan de voorwaarden voor de ziekenfondsverzekering.
Het bezwaar van de voorgestelde oplossing is dat een uitzondering tot norm wordt gemaakt. Personen die niet aan de algemene voorwaarden voor de ziekenfondsverzekering voldoen, worden tòch als verzekerde aangemerkt. Een dergelijke aanwijzing zou bij voorkeur beperkt moeten blijven tot incidentele gevallen in de vorm van een hardheidsclausule.
De Raad adviseert de voor- en nadelen van de twee geschetste oplossingsrichtingen in de toelichting te bespreken en zo nodig de regeling aan te passen.
2. Stelsel afhankelijk van meldingen en afmeldingen belanghebbende
Het onderhavige wijzigingsvoorstel brengt mee dat de personen die achteraf niet aan de voorwaarden blijken te voldoen, toch als verzekerde blijven gelden zonder enige bijbetaling. Dit voordeel stimuleert niet tot afmelding van de verzekering, en werkt conflicten in de hand over de vraag of de belanghebbenden nu wel of niet terecht hebben afgezien van een afmelding. Ingevolge het ontwerpbesluit worden alleen de personen die zich ten onrechte niet hebben afgemeld, geconfronteerd met de schadeclaim van het ziekenfonds wegens ten onrechte vergoede ziektekosten.(zie noot 3) De Raad merkt op dat ook personen die niet of slechts een beperkte periode van de verzekerde jaren ondernemer zijn geweest en zich weliswaar hebben afgemeld maar dit niet tijdig hebben gedaan, ten onrechte voordelen uit de ziekenfondsverzekering kunnen genieten, terwijl ingevolge het ontwerpbesluit de desbetreffende schade van het ziekenfonds niet op hen kan worden verhaald.
Volgens de Raad kan het ten onrechte genieten van ziekenfondsvoordelen worden opgevat als een risico van het voorgestelde systeem. Hij adviseert in de toelichting zoveel mogelijk de situaties te belichten waarin achteraf kan blijken dat ten onrechte ziekenfondsvoordelen zijn genoten, en het ontwerpbesluit met het oog daarop zo nodig aan te passen. Tevens beveelt de Raad aan in de nota van toelichting in te gaan op de vraag of de rijksbelastingdienst in een eerder stadium controles kan uitvoeren die erop zijn gericht niet of niet langer bestaand ondernemerschap te onderkennen.
3. Aanslagregeling ziekenfondspremies
In de nota van toelichting wordt beschreven hoe de rijksbelastingdienst tot nu toe de situaties waarin het ontwerpbesluit voorziet, heeft afgehandeld. Van het opleggen van aanslagen voor ziekenfondspremie wordt gemeld dat er voorafgaand aan het jaar 2002 slechts in enkele gevallen sprake is geweest van het tot nihil terugbrengen van de voorlopige aanslag, en dat er om moverende redenen voor is gekozen om in die gevallen niet alsnog een definitieve aanslag op te leggen.(zie noot 4)
Volgens de Raad kan uit de nota van toelichting niet goed worden opgemaakt waarom het probleem over de belastingjaren 2000 en 2001 in veel mindere mate zou spelen dan over de jaren daarna. Dat het probleem bij het regelen van de aanslagen over die jaren zich nog niet in sterke mate heeft voorgedaan, zegt nog niet zoveel indien een (groot) deel van de desbetreffende aanslagen op 1 januari 2002 nog niet was geregeld. De aanslagen over 2001 waren toen in het geheel nog niet geregeld. De Raad vraagt zich daarom af of terugwerkende kracht tot 1 januari 2002, wat betekent dat de regeling gaat gelden voor de situatie vanaf belastingjaar 2002 en niet voor de jaren 2000 en 2001, het gesignaleerde probleem voldoende wegneemt over de jaren 2000 en 2001. De Raad adviseert dit aspect nog eens te bezien.
Verder trekt het de aandacht dat er gevallen zijn waarin om moverende redenen is besloten niet alsnog een definitieve aanslag op te leggen.(zie noot 5) Volgens de Raad ligt het in de lijn der verwachting dat de aanslagregeling voor de heffing van ziekenfondspremies formeel wordt afgerond, hetzij met een beschikking, hetzij met een (nihil-)aanslag. Overigens is niet duidelijk of de bedoelde voorlopige nihil-aanslagen reeds vóór de aanvang van het kalenderjaar 2002 zijn opgelegd, of dat zij betrekking hebben op aanslagjaren voorafgaande aan het aanslagjaar 2002. Die onduidelijkheid roept tevens de vraag op of met ingang van 2002 zich nog situaties in de aanslagregeling hebben voorgedaan waarin onvoldoende rekening is gehouden met het toen geldende stelsel voor startende zelfstandigen.
Met het oog op het voorgaande beveelt de Raad aan over de hiervoor vermelde punten duidelijkheid te verschaffen in de nota van toelichting, en zo nodig aanvullende corrigerende handelingen in de sfeer van de aanslagregeling betreffende ziekenfondspremies bij de fiscus te bevorderen.
4. Basis voor de meldingsplicht
In de nota van toelichting wordt ingegaan op personen die het einde van hun onderneming ten onrechte niet aan de rijksbelastingdienst of aan het ziekenfonds hebben gemeld.(zie noot 6) De plicht van afmelding bij de rijksbelastingdienst kan, naar zich laat aanzien, worden gebaseerd op het meer algemeen geformuleerde artikel 3.156, tweede lid, van de Wet Inkomstenbelasting 2001. Van de plicht tot afmelding bij het ziekenfonds is echter niet duidelijk op welk voorschrift deze plicht kan worden teruggevoerd.
De Raad adviseert in de nota van toelichting te verduidelijken waarop de bedoelde afmeldingsplicht, in het bijzonder bij het ziekenfonds, is gebaseerd.
5. Samenhang met de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
De hiervoor bedoelde systematiek van toetsing achteraf en de daaraan verbonden problemen gelden ook wanneer moet worden bepaald of de startende zelfstandige in aanmerking komt voor de verzekering ingevolge de Waz. Dit komt onder meer doordat de ziekenfondsverzekering voor zelfstandigen in de Ziekenfondswet is gekoppeld aan de Waz-verzekering, mits het daarin gestelde inkomensmaximum niet wordt overschreden.(zie noot 7)
Met het oog op de bedoelde samenhang tussen de Waz en het ontwerpbesluit beveelt de Raad aan in de toelichting te vermelden in hoeverre de besproken problematiek zich eveneens voordoet in de Waz-sfeer en hoe die Waz-problematiek, mede gelet op de voorgestelde aanpak in het ontwerpbesluit en de eventuele noodzaak van afstemming daarop, zal worden opgelost.
6. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 7 juli 2003, no. W13.03.0210/III, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
In het ontwerpbesluit en in de nota van toelichting "Rijksbelastingdienst", gelet op de schrijfwijze in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, telkens vervangen door: rijksbelastingdienst.
In de nota van toelichting een onderverdeling in genummerde paragrafen maken, mede voor het aanbrengen van een helder onderscheid tussen bestaand en komend recht.
Nader rapport (reactie op het advies) van 8 oktober 2003
1. Het komt de Raad van State voor dat de oplossing voor een startende ondernemer van wie de rijksbelastingdienst bij de vaststelling van de definitieve aanslag inkomstenbelasting over het startjaar heeft vastgesteld dat deze persoon niet verzekerd is geweest ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz), met als gevolg dat de grond voor ziekenfondsverzekering ontvalt, in twee richtingen kan worden gezocht. Als eerste mogelijkheid geeft de Raad de in het besluit opgenomen oplossing, namelijk het creëren voor de hier beschreven groep van een verzekeringsgrond. Als tweede mogelijkheid ziet de Raad dat geen ziekenfondsverzekering voor startende ondernemers wordt toegestaan totdat definitief vaststaat dat en in welke periode, voldaan is aan de voorwaarden dat iemand zelfstandige is met winst uit onderneming en dat het inkomen niet meer bedraagt dan de inkomensgrens voor zelfstandige ondernemers. De door de Raad geformuleerde oplossing zou alle startende ondernemers aangewezen houden op een particuliere ziektekostenverzekering tot het jaar dat de rijksbelastingdienst een definitieve aanslag inkomstenbelasting heeft vastgesteld. Aan het voorstel de voor- en nadelen van de twee geschetste oplossingsrichtingen in de toelichting te bespreken is gevolg gegeven.
Na afweging van de voor- en nadelen geef ik de voorkeur aan de oorspronkelijk in het besluit opgenomen oplossingsrichting. Reden hiervoor is dat het zich slechts in een beperkt aantal gevallen voordoet dat een startende ondernemer niet als zelfstandige met winst uit onderneming kwalificeert. Door het opnemen van een verzekerings- en premieheffingsgrondslag zijn betrokkenen alsnog ziekenfondsverzekerd en premieplichtig.
2. De Raad vraagt zich af waarom er is gekozen voor terugwerkende kracht tot 1 januari 2002. Dit zou namelijk betekenen dat de regeling pas gaat gelden met ingang van belastingjaar 2002.
Omdat het probleem zich slechts in beperkte mate voordoet en er al aanslagen over de jaren 2000 en 2001 zullen zijn opgelegd op het tijdstip dat de regeling verschijnt, is er uit oogpunt van rechtsgelijkheid voor gekozen om terugwerkende kracht te verlenen tot en met 1 januari 2002.
3. De verplichting tot afmelding bij het ziekenfonds waar iemand zich heeft ingeschreven is geregeld in artikel 14, derde lid, van het Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering. Aan het advies van de Raad van State in de nota van toelichting te verduidelijken waarop de afmeldingsplicht bij beëindiging van de ziekenfondsverzekering is gebaseerd is gevolg gegeven.
4. De Raad beveelt aan in de toelichting te vermelden of de problematiek zich ook in de Waz voordoet. Anders dan zonder het voorliggende besluit het geval zou zijn bij de ziekenfondsverzekering, blijft de Waz-verzekering van degene die achteraf blijkt nooit zelfstandige te zijn geweest, over het algemeen in stand. In de meeste gevallen zal deze persoon op grond artikel 3, eerste lid en aanhef en onder b, van de Waz verzekerd zijn in plaats van op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Waz. Deze persoon is dan niet langer verzekerd ingevolge de Waz als zelfstandige met winst uit onderneming maar als beroepsbeoefenaar.
5. Aan de redactionele kanttekeningen van de Raad is gevolg gegeven.
Ik moge U hierbij, in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(1) Ziekenfondswet, artikel 3d, eerste lid; per 1 januari 2003 geldt voor zelfstandigen een inkomensplafond van 20.250 euro.
(2) Nota van toelichting, derde en vierde alinea.
(3) Het in artikel I, onderdeel A, voorgestelde artikel 1, onderdeel m, van het Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw.
(4) Nota van toelichting, vierde alinea.
(5) Nota van toelichting, vierde alinea, laatste volzin.
(6) Nota van toelichting, voorlaatste alinea.
(7) Ziekenfondswet, artikel 3d, eerste lid, met een inkomensmaximum per 1 januari 2003 van 20.250 euro.