Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende uitvoering van artikel 7, eerste lid, tweede volzin, van de Tabakswet (Besluit tabaksverkoop in justitiële inrichtingen).
- Kenmerk
- W13.03.0103/III
- Datum advies
- 17 juni 2003
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 9 december 2003, nr 238
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende uitvoering van artikel 7, eerste lid, tweede volzin, van de Tabakswet (Besluit tabaksverkoop in justitiële inrichtingen).
Bij Kabinetsmissive van 25 maart 2003, no.03.001352, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende uitvoering van artikel 7, eerste lid, tweede volzin, van de Tabakswet (Besluit tabaksverkoop in justitiële inrichtingen).
Het ontwerpbesluit maakt voor een aantal justitiële instellingen een uitzondering op het verbod van artikel 7, eerste lid, van de Tabakswet, om in de instellingen, diensten en bedrijven die door de staat of andere openbare lichamen worden beheerd, tabak te verkopen of met dat doel aanwezig te hebben.
De Raad van State maakt een opmerking over de voorgestelde keuze. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit en de toelichting wenselijk is.
De toelichting op artikel 7, eerste lid, van de Tabakswet stelt dat voor "noodgevallen" een uitzondering op het verbod in dit artikel kan worden gemaakt. Beoogd zijn enkele, specifiek te omschrijven en beperkte gevallen van onvrijwillige (semi-)permanente woonsituaties (gevangenissen). Het is de bedoeling van deze bevoegdheid uitsluitend gebruik te maken als dat strikt noodzakelijk is, dat wil zeggen als er geen enkel ander redelijk alternatief is om tabaksproducten vooraf of elders (door derden) aan te (laten) schaffen.(zie noot 1)
Artikel 1 van het ontwerpbesluit geeft een limitatieve opsomming van de justitiële inrichtingen waarvoor het verbod van artikel 7, eerste lid, van de Tabakswet niet geldt. De belangrijkste reden voor deze uitzondering is volgens de toelichting dat artikel 2, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) bepaalt dat gedetineerden aan geen andere beperkingen onderworpen zijn dan die welke noodzakelijk zijn voor het doel van de vrijheidsbeneming of de orde in de inrichting.
De toelichting vermeldt niet waarom de uitzondering op het verbod uitsluitend geldt voor de in het ontwerpbesluit genoemde justitiële inrichtingen. Niet uitgesloten is dat personen in een vergelijkbare onvrijwillige (semi-)permanente woonsituatie zitten in instellingen die niet onder de uitzondering vallen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan personen die op grond van de Tijdelijke wet noodcapaciteit drugskoeriers geplaatst zijn in "voorzieningen" die de Minister van Justitie op grond van artikel 4, eerste lid, van die wet aanwijst. Artikel 7, eerste lid, van die wet geeft eenzelfde bepaling als artikel 2, vierde lid, Pbw, die als voornaamste reden voor het ontwerpbesluit wordt aangewend.
Het ontwerpbesluit maakt voorts wèl een uitzondering voor een justitiële inrichting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Het gaat daar om een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats, waarin een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd kan worden verplicht zich op te houden. Als deze plaats (kennelijk) als een (semi-) permanente verblijfplaats wordt beschouwd, kan echter de vraag worden gesteld waarom bijvoorbeeld geen uitzondering is gemaakt voor politiecellen, waarin personen in voorlopige hechtenis (maximaal 10 dagen) verblijven.
Het college meent dat de keuze voor de limitatieve opsomming van justitiële inrichtingen in het ontwerpbesluit een nadere motivering behoeft. Daarbij is in het bijzonder van belang aandacht te schenken aan de vraag in hoeverre de voorgestelde regeling verschillen creëert tussen personen die in vergelijkbare onvrijwillige (semi-)permanente woonsituaties verblijven.
Het college adviseert de toelichting en het ontwerpbesluit aan te passen opdat er geen ongerechtvaardigde verschillen in het leven worden geroepen.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 25 september 2003
De Raad van State maakt een opmerking over de voorgestelde keuze om voor een aantal justitiële instellingen een uitzondering te maken op het verkoopverbod ten aanzien van tabaksproducten. Gezien deze opmerking is nog eens nagegaan of de opsomming van instellingen zou moeten worden uitgebreid met het oog op de gedetineerden bedoeld in de Tijdelijke wet noodcapaciteit drugskoeriers en personen die in (algemene) voorlopige hechtenis zitten. De in het oorspronkelijke voorstel opgesomde inrichtingen hebben met de voorzieningen bedoeld in de Tijdelijke wet noodcapaciteit drugskoeriers gemeen dat er steeds sprake is of kan zijn van een onvrijwillige (semi-)permanente woonsituatie van langere duur. Dit pleit voor toevoeging aan de opsomming van de in de Tijdelijke wet bedoelde voorzieningen. De woonsituatie in al deze inrichtingen is evenwel wezenlijk verschillend van die in politiecellen, waarin personen in voorlopige hechtenis zich bevinden. Het verblijf aldaar is wettelijk beperkt tot maximaal 10 dagen hechtenis. Bovendien vindt op die lokaties, anders dan in de wél aangewezen inrichtingen, geen verkoop van tabaksproducten plaats. Om deze reden is er geen noodzaak de uitzondering op het verkoopverbod van tabaksproducten ook te laten gelden voor de laatstgenoemde categorie. De nota van toelichting is aangevuld met een passage overeenkomstig het voorgaande.
Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(1) Kamerstukken II 1998/99, 26 472, nr.3, blz.19-20.
Het ontwerpbesluit maakt voor een aantal justitiële instellingen een uitzondering op het verbod van artikel 7, eerste lid, van de Tabakswet, om in de instellingen, diensten en bedrijven die door de staat of andere openbare lichamen worden beheerd, tabak te verkopen of met dat doel aanwezig te hebben.
De Raad van State maakt een opmerking over de voorgestelde keuze. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit en de toelichting wenselijk is.
De toelichting op artikel 7, eerste lid, van de Tabakswet stelt dat voor "noodgevallen" een uitzondering op het verbod in dit artikel kan worden gemaakt. Beoogd zijn enkele, specifiek te omschrijven en beperkte gevallen van onvrijwillige (semi-)permanente woonsituaties (gevangenissen). Het is de bedoeling van deze bevoegdheid uitsluitend gebruik te maken als dat strikt noodzakelijk is, dat wil zeggen als er geen enkel ander redelijk alternatief is om tabaksproducten vooraf of elders (door derden) aan te (laten) schaffen.(zie noot 1)
Artikel 1 van het ontwerpbesluit geeft een limitatieve opsomming van de justitiële inrichtingen waarvoor het verbod van artikel 7, eerste lid, van de Tabakswet niet geldt. De belangrijkste reden voor deze uitzondering is volgens de toelichting dat artikel 2, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) bepaalt dat gedetineerden aan geen andere beperkingen onderworpen zijn dan die welke noodzakelijk zijn voor het doel van de vrijheidsbeneming of de orde in de inrichting.
De toelichting vermeldt niet waarom de uitzondering op het verbod uitsluitend geldt voor de in het ontwerpbesluit genoemde justitiële inrichtingen. Niet uitgesloten is dat personen in een vergelijkbare onvrijwillige (semi-)permanente woonsituatie zitten in instellingen die niet onder de uitzondering vallen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan personen die op grond van de Tijdelijke wet noodcapaciteit drugskoeriers geplaatst zijn in "voorzieningen" die de Minister van Justitie op grond van artikel 4, eerste lid, van die wet aanwijst. Artikel 7, eerste lid, van die wet geeft eenzelfde bepaling als artikel 2, vierde lid, Pbw, die als voornaamste reden voor het ontwerpbesluit wordt aangewend.
Het ontwerpbesluit maakt voorts wèl een uitzondering voor een justitiële inrichting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Het gaat daar om een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats, waarin een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd kan worden verplicht zich op te houden. Als deze plaats (kennelijk) als een (semi-) permanente verblijfplaats wordt beschouwd, kan echter de vraag worden gesteld waarom bijvoorbeeld geen uitzondering is gemaakt voor politiecellen, waarin personen in voorlopige hechtenis (maximaal 10 dagen) verblijven.
Het college meent dat de keuze voor de limitatieve opsomming van justitiële inrichtingen in het ontwerpbesluit een nadere motivering behoeft. Daarbij is in het bijzonder van belang aandacht te schenken aan de vraag in hoeverre de voorgestelde regeling verschillen creëert tussen personen die in vergelijkbare onvrijwillige (semi-)permanente woonsituaties verblijven.
Het college adviseert de toelichting en het ontwerpbesluit aan te passen opdat er geen ongerechtvaardigde verschillen in het leven worden geroepen.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 25 september 2003
De Raad van State maakt een opmerking over de voorgestelde keuze om voor een aantal justitiële instellingen een uitzondering te maken op het verkoopverbod ten aanzien van tabaksproducten. Gezien deze opmerking is nog eens nagegaan of de opsomming van instellingen zou moeten worden uitgebreid met het oog op de gedetineerden bedoeld in de Tijdelijke wet noodcapaciteit drugskoeriers en personen die in (algemene) voorlopige hechtenis zitten. De in het oorspronkelijke voorstel opgesomde inrichtingen hebben met de voorzieningen bedoeld in de Tijdelijke wet noodcapaciteit drugskoeriers gemeen dat er steeds sprake is of kan zijn van een onvrijwillige (semi-)permanente woonsituatie van langere duur. Dit pleit voor toevoeging aan de opsomming van de in de Tijdelijke wet bedoelde voorzieningen. De woonsituatie in al deze inrichtingen is evenwel wezenlijk verschillend van die in politiecellen, waarin personen in voorlopige hechtenis zich bevinden. Het verblijf aldaar is wettelijk beperkt tot maximaal 10 dagen hechtenis. Bovendien vindt op die lokaties, anders dan in de wél aangewezen inrichtingen, geen verkoop van tabaksproducten plaats. Om deze reden is er geen noodzaak de uitzondering op het verkoopverbod van tabaksproducten ook te laten gelden voor de laatstgenoemde categorie. De nota van toelichting is aangevuld met een passage overeenkomstig het voorgaande.
Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(1) Kamerstukken II 1998/99, 26 472, nr.3, blz.19-20.