Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W12.04.0510/IV

Ontwerpbesluit houdende regels ter uitvoering van de Wet werk en inkomen kunstenaars (Uitvoeringsbesluit WWIK), met nota van toelichting.

Kenmerk
W12.04.0510/IV
Datum advies
6 december 2004
Vindplaats
Bijvoegsel Staatscourant 11 januari 2005, nr 7
  • Sociale zaken en Werkgelegenheid
  • Algemene maatregel van bestuur

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Ontwerpbesluit houdende regels ter uitvoering van de Wet werk en inkomen kunstenaars (Uitvoeringsbesluit WWIK), met nota van toelichting.

Bij Kabinetsmissive van 28 oktober 2004, no.04.004087, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels ter uitvoering van de Wet werk en inkomen kunstenaars (Uitvoeringsbesluit WWIK), met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit betreft regels ter uitvoering van de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK). De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een aantal opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.

1. Te treffen maatregelen
Het college is bevoegd tot de maatregel in bepaalde gevallen de uitkering tijdelijk geheel of gedeeltelijk te weigeren (artikel 22, eerste lid, van de WWIK). Op grond van artikel 22, vijfde lid, van de WWIK kunnen hierover bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld. In artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van het ontwerpbesluit wordt geregeld dat de weigering voor de gevallen genoemd onder a vijf procent, en voor de gevallen genoemd onder b tien procent van de uitkering gedurende een maand betreft. Op grond van het tweede lid kan de periode van een maand in de daar genoemde gevallen worden verdubbeld.
De Raad constateert dat in het voorgestelde artikel 8 alleen invulling wordt gegeven aan de mogelijkheid van een tijdelijke gedeeltelijke weigering als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de WWIK. Uit de toelichting blijkt niet waarom het ontwerpbesluit op grond van laatstgenoemde bepaling, niet tevens voorziet in de mogelijkheid om de uitkering tijdelijk geheel te weigeren.
De Raad adviseert om in de toelichting op deze vraag in te gaan en het ontwerpbesluit zonodig aan te passen.

2. Taxatie van de woning
In artikel 10 van het ontwerpbesluit wordt geregeld dat de waarde van de woning door een taxateur wordt vastgesteld. De kosten hiervan komen op grond van artikel 13, derde lid, van de WWIK voor rekening van de kunstenaar. Omdat de waardevaststelling van de woning actueel moet zijn, kan hierbij, blijkens de toelichting, geen gebruik worden gemaakt van de waarde die eens in de vier jaar wordt vastgesteld op grond van de Wet waardering onroerende zaken.
In het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en van enige andere wetten (meer doelmatige uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken) wordt echter voorgesteld om per 1 januari 2007 een jaarlijkse waardering in te voeren; vooruitlopend daarop wordt met ingang van 2005 het tijdvak teruggebracht van vier naar twee jaren.(zie noot 1)
De Raad adviseert in de toelichting aan het bovenstaande aandacht te besteden en zo nodig artikel 10 van het ontwerpbesluit aan te passen.

3. Overgangsbepaling progressie-eis
Voor kunstenaars die in 2004 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK) hebben ontvangen, geldt op grond van artikel 26 van het ontwerpbesluit een overgangsregeling voor de zogenoemde progressie-eis. Hiermee wordt afgeweken van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWIK. Ingevolge artikel 75, tweede lid, van de WWIK worden op grond van de WIK genomen besluiten binnen twaalf maanden na inwerkingtreding van de WWIK in overeenstemming gebracht met de WWIK, waarna deze wet onverkort geldt.
De Raad constateert dat de in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWIK voorziene algemene maatregel van bestuur bij nota van wijziging is vervangen door vaste bedragen die van toepassing zijn op de daar genoemde uitkeringsmaanden.(zie noot 2) Daarbij is echter niet voorzien in een aanvullende overgangsregeling op grond waarvan kan worden afgeweken van artikel 11 als hiervoor genoemd, door een grondslag te bieden voor artikel 26 van het ontwerpbesluit.
De Raad adviseert, gezien het voorgaande, artikel 26 van het ontwerpbesluit te schrappen of een voorstel tot wijziging van de WWIK in te dienen.

4. Intrekking Besluit weigering rijksvergoeding WIK
Op grond van artikel 27, eerste lid, van het ontwerpbesluit wordt het Besluit weigering rijksvergoeding WIK ingetrokken. Zoals in de toelichting terecht wordt aangegeven, is dit niet nodig daar dat besluit van rechtswege vervalt. In het tweede lid wordt geregeld dat het Besluit weigering rijksvergoeding WIK van toepassing blijft op de vaststelling van de vergoeding, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de WIK.
In artikel 73 van de WWIK wordt bepaald dat de WIK wordt ingetrokken. Daarmee vervallen bij het inwerkingtreden van de WWIK de op de WIK gebaseerde algemene maatregelen van bestuur. De WWIK kent geen overgangsbepaling die het mogelijk maakt dat het Besluit weigering rijksvergoeding WIK van toepassing blijft. Derhalve bestaat er voor artikel 27, tweede lid, van het ontwerpbesluit geen wettelijke grondslag.
De Raad adviseert, gezien het voorgaande, artikel 27 van het ontwerpbesluit te schrappen of een voorstel tot wijziging van de WWIK in te dienen.

5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.

De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State



Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no.W12.04.0510/IV met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.

- Aanhef: De zinsnede "artikel 8, onderdeel b" vervangen door: artikel 8, aanhef en onderdeel b.
- Algemeen: In het ontwerpbesluit worden de begrippenparen bruto-inkomen en bruto-inkomsten, inkomen en inkomsten, alsmede omzet en opbrengsten door elkaar gebruikt. Hierbij is niet altijd duidelijk in hoeverre er steeds iets anders wordt bedoeld. Het onderscheid toelichten of laten vervallen.
- Artikel 1: Onderdeel d laten vervallen, gezien de wijze waarop dit begrip wordt gebruikt in de artikelen 3, 7, tweede lid, en 26, eerste en derde lid.
- Artikel 2: Dit artikel vormgeven als twee afzonderlijke bepalingen: over de periode bedoeld in artikel 8, onderdeel b, van de WWIK enerzijds en de voorwaarden, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel c, anderzijds. Bij de eerste bepaling de zinsnede ", bedoeld in artikel 23, van de WWIK," laten vervallen.
- Artikel 3: De zinsnede "dat is verworven … wordt aangevraagd" is overbodig, gezien artikel 8, onderdeel b, van de WWIK juncto artikel 2 van het ontwerpbesluit, en maakt het artikel minder goed leesbaar. Om duidelijker te maken dat het artikel alleen voor eerste aanvragen geldt en vanwege de leesbaarheid de zinsnede "Het bruto-inkomen … € 1.200,00," vervangen door "Voor kunstenaars aan wie nog niet eerder uitkering op grond van de WIK of de WWIK is verleend, bedraagt het bruto-inkomen, bedoeld in artikel 8, onderdeel b, van de WWIK, € 1.200,-." Tevens toelichten waarop dit bedrag is gebaseerd en of/hoe dit wordt aangepast.
- Artikel 4, derde lid: Deze bepaling vormgeven als bevoegdheid van het college: Het college kan op verzoek van de kunstenaar ontheffing verlenen.
- Artikel 6, eerste lid: In onderdeel a "vaste beroepskosten" vervangen door "vaste kosten" en in beide onderdelen "zoals blijkt" vervangen door "afgeleid". Aan onderdeel a een zinsnede toevoegen, luidende:, aangepast aan doorgegeven wijzigingen in prijs- of voorzieningenniveau.
- Artikel 7: Het eerste lid in verband met de leesbaarheid als volgt vormgeven: "Voor de toepassing van de artikelen 15 en 16 van de WWIK wordt over de omzet of bruto-inkomsten van de kunstenaar een bedrag van € 3.408,- als beroepskosten in aanmerking genomen." Tevens toelichten waarop dit bedrag is gebaseerd en of/hoe dit wordt aangepast. In het derde lid "wordt" vervangen door "worden". In het vijfde lid "derde of vierde lid" vervangen door: derde en vierde lid.
- Artikel 8: In het eerste lid de onverminderd-zinsnede laten vervallen (Ar 85) en in de toelichting opnemen. In het tweede lid "genoemd in het eerste lid" vervangen door "bedoeld in het eerste lid" (Ar 82) en de verdubbeling niet aan varianten van ‘gedragingen’ relateren, maar aan het begrip weigeringen.
- Artikel 9, eerste lid: De zinsnede "of het bijbehorend erf" vervangen door: met bijbehorend erf.
- Artikel 10: De zinsnede "als bedoeld in artikel 13, vijfde lid, van de WWIK" vervangen door ", bedoeld in artikel 13, vijfde lid, van de WWIK" (Ar 82).
- Artikel 11: De zinsnede "genoemd in de artikelen 12 en 13" vervangen door "bedoeld in de artikelen 12 en 13" (Ar 82).
- Artikel 12: Het derde, vierde en vijfde lid op elkaar afstemmen met betrekking tot de vraag of deze bepalingen van toepassing zijn op de kunstenaar of de kunstenaar en zijn gezin. Daarbij in het derde lid aandacht besteden aan zowel degene voor wiens rekening de kosten komen als welk inkomen het betreft en in de bijzin van het vijfde lid het onderwerp en de persoonsvorm op elkaar afstemmen.
- Artikel 13, eerste lid: De zinsnede "artikel 12, eerste, tweede, derde of vierde lid" vervangen door "artikel 12, derde of vierde lid" en "een deel van de geldlening" vervangen door: de geldlening.
- Artikel 14, eerste lid: De zinsnede "Bij verkoop of bij vererving van de woning, en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot" vervangen door: Bij verkoop van de woning dan wel bij vererving van de woning na het overlijden van de kunstenaar of, indien het een echtpaar betreft, na het overlijden van de langstlevende echtgenoot.
- Artikel 15: Na "langstlevende echtgenoot" invoegen:, bedoeld in artikel 14, eerste lid,.
- Artikel 16: De opsomming niet aanduiden met Arabische cijfers, maar met letters (Ar 100).
- Artikel 17, onderdeel B: In het voorgestelde onderdeel m "Wet werk en inkomen kunstenaars" vervangen door: WWIK.
- Artikel 17, onderdeel D, onder 2: In de voorgestelde wijziging "artikel 2, tweede tot en met vijfde lid, van de WWIK" vervangen door: artikel 2, tweede tot en met vierde lid, van de WWIK.
- Artikel 17, onderdeel E: In het voorgestelde artikel 5a beide genoemde wetten afkorten overeenkomstig artikel 1.
- Artikel 18, onderdeel A: In de voorgestelde wijziging "artikel 15 van" laten vervallen.
- Artikel 19: De zinsnede "In artikel 43, tweede lid, tweede volzin" vervangen door "In artikel 43, eerste lid", "de artikelen" telkens vervangen door "De artikelen" en vervolgens "De artikelen 12, 13, 14 en 15 van het Uitvoeringsbesluit WWIK" tussen aanhalingstekens plaatsen en niet achter een dubbele punt.
- Artikel 22, onderdeel C, onder 1: Na "In het eerste lid" invoegen:, aanhef,.
- Artikel 22, onderdeel D, onder 3: "het vermogen" telkens vervangen door: vermogen.
- Artikel 28: Ook bij artikel 1, onderdeel a, en artikel 26, rekening houden met een mogelijk latere inwerkingtreding van de WWIK.



Nader rapport (reactie op het advies) van 17 december 2004

De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met zijn opmerkingen rekening zal zijn gehouden. Het advies van de Raad heeft ertoe geleid het ontwerpbesluit en de nota van toelichting op enkele punten aan te passen.

1. In de WWIK wordt op een aantal manieren uitdrukking gegeven aan de eigen verantwoordelijkheid van de kunstenaar voor de voorziening in het bestaan. Een kunstenaar is verplicht zich naar vermogen in te spannen om met kunst zelfstandig in het bestaan te voorzien. Bovendien wordt de uitkering WWIK beëindigd als de kunstenaar niet langer als beroepsmatig werkend kunstenaar kan worden aangemerkt. Hierdoor zal het slechts in zeer uitzonderlijke, individueel bepaalde situaties kunnen voorkomen dat er voor het college aanleiding is om de uitkering tijdelijk geheel te weigeren.
Vanwege dit incidentele karakter en de strikt individuele omstandigheden die kunnen leiden tot het bij wijze van maatregel tijdelijk geheel weigeren van de uitkering is vooralsnog geen nadere invulling gegeven aan de mogelijkheid om bij wijze van maatregel de uitkering tijdelijk geheel te weigeren.
De opmerkingen van de Raad vormen aanleiding de toelichting op artikel 8 dienovereenkomstig aan te passen.

2. De opmerkingen van de Raad vormen aanleiding om artikel 10 te wijzigen in de zin dat voor de waardevaststelling van de woning wordt uitgegaan van de waarde zoals die is vastgesteld overeenkomstig de waardevaststelling in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ). De waardevaststelling in het kader van de WOZ wordt dusdanig actueel dat een aparte taxatie van de woning in het kader van de toepassing van de WWIK niet noodzakelijk is. Bij het ontbreken van een recente WOZ-beschikking, bijvoorbeeld omdat de gemeente nog geen hertaxatie in 2005 heeft uitgevoerd, kan voor de vaststelling van de waarde van de woning nog wel een taxateur worden ingeschakeld.

3. De opmerking van de Raad dat de WWIK geen overgangsbepaling kent die het mogelijk maakt om af te wijken van artikel 11, vormen aanleiding om de Wet werk en inkomen kunstenaars bij de eerstvolgende gelegenheid hiervoor aan te passen. Er is voor gekozen om het overgangsrecht voor de progressie-eis in het Uitvoeringsbesluit WWIK te laten staan doch het pas (met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2005) in werking te laten treden, zodra daarvoor (eveneens met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2005) een basis is gecreëerd in de WWIK.

4. De opmerking van de Raad wordt in die zin onderschreven dat het artikel wordt geschrapt. Een voorstel tot wijziging van de WWIK wordt niet overwogen. Ook zonder deze wijziging is het mogelijk om op basis van algemeen geldende beginselen van behoorlijk bestuur de declaraties van de gemeenten af te handelen, weliswaar zonder dat toepassing van een maatregel wegens onrechtmatige verstrekking van uitkeringsgelden mogelijk is. Hierbij is tevens overwogen dat van toepassing van het financeel maatregelenbeleid niet of nauwelijks sprake is geweest.

De redactionele opmerkingen die de Raad maakt bij het besluit en de daarbij behorende nota van toelichting zijn in het besluit of de nota van toelichting overgenomen, met uitzondering van de volgende opmerkingen:
1. Artikel 2 is niet vormgegeven in twee afzonderlijke bepalingen. Dit omdat artikel 2 gaat over de beoordeling van de beroepsmatigheid van de kunstenaar gedurende de periode bedoeld in artikel 8 en in artikel 11 van de WWIK. De artikelen 8 en 11 kunnen in hetzelfde artikel worden opgenomen, omdat het in beide gevallen gaat om hetzelfde onderwerp.
2. De zinsnede "dat is verworven … wordt aangevraagd" is niet geschrapt in artikel 3. Deze zinsnede is nodig, omdat het in de artikelen 2 en 3 gaat om verschillende zaken. In artikel 3 van het besluit gaat het om een eenmalige toets van het bedrag van € 1.200,- dat moet zijn verworven in de periode van twaalf kalendermaanden voorafgaand aan de kalendermaand waarin uitkering wordt aangevraagd. Artikel 2 regelt daarentegen een iedere 12 maanden terugkerende toets van de beroepsmatigheid, waarbij alleen de eerste toets bij de aanvraag dezelfde toetsperiode kent als die in artikel 3. Het bedrag van € 1.200,- is afgeleid van de onder de WIK geldende omzet- inkomenseis van € 1.089,-, waarbij een geringe verhoging is toegepast ten opzichte van dit in 1999 vastgestelde bedrag, samenhangend met de ontwikkeling van het loon- en prijspeil. Van indexering is afgezien omdat dit zou betekenen dat de toetredingscriteria voor de WWIK ieder jaar hoger worden. Bovendien zou de entree-eis daardoor telkens dichter bij de eerste trede van de progressie-eis komen te liggen.
3. De in de toelichting op artikel 6 opgenomen zinsnede ", aangepast aan doorgegeven wijzigingen in prijs- of voorzieningenniveau" is niet toegevoegd aan artikel 6, eerste lid, omdat het tweede lid van dit artikel de kunstenaar de mogelijkheid biedt om een eigen opgave te doen, als de meest recente jaarrekening geen recht doet aan de werkelijke kosten van de kunstenaar over de toetsperiode. Om dezelfde reden is deze zinsnede uit de toelichting bij artikel 6 geschrapt.
4. De opmerking van de Raad om de verdubbeling van de hoogte van de maatregel niet aan de varianten van gedragingen te relateren, maar aan het begrip weigeringen is niet overgenomen, aangezien niet het tijdstip van het besluit tot verlaging bepalend is voor de vraag of er sprake is van herhaling binnen één jaar, maar het tijdstip van de gedragingen zelf.
5. In artikel 19 is de zinsnede "De artikelen 12, 13, 14 en 15 van het Uitvoeringsbesluit WWIK" niet tussen aanhalingstekens geplaatst, omdat dat het na een dubbele punt niet noodzakelijk is.
6. De opmerking van de Raad om bij artikel 1, onderdeel a, en artikel 26 rekening te houden met een latere inwerkingtreding van de WWIK is nog niet overgenomen, omdat hiervoor geen aanleiding bestaat.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om nog een viertal wijzigingen aan te brengen in het besluit. Het gaat om:
1. In het artikel 18, wijziging van het Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw, is nog een aanvullende wijziging van dit besluit opgenomen. Het gaat om de wijziging van artikel 14 van het Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw. Deze wijziging maakt het mogelijk dat de Sociale Verzekeringsbank ziekenfondspremie inhoudt over de tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke regeling tegemoetkoming AOW-ers.
2. In artikel 26, wijziging van het Besluit WWB, is een aanvullende wijziging opgenomen die met ingang 1 januari 2005 in werking dient te treden en zodoende is meegenomen in het Uitvoeringsbesluit WWIK. Na de laatste wijziging van het Besluit WWB in het Staatsblad op 5 oktober 2004 (Stb. 490, 2004) is gebleken dat voor een aantal variabelen een peildatum in het Besluit WWB is opgenomen waarvoor de gegevens nog niet beschikbaar waren ten tijde van de vaststelling van de voorlopige budgetten. Volgens de Wet werk en bijstand moeten deze budgetten tenminste drie maanden voor aanvang van het uitvoeringsjaar aan de gemeenten worden bekendgemaakt. Met onderhavige wijziging van het Besluit WWB worden de peildata voor deze variabelen aangepast aan de op dat moment beschikbare gegevens. In (de toelichting bij) de beschikking met de voorlopige budgetten voor 2005 is aan de gemeenten reeds aangekondigd dat het Besluit WWB hiervoor aangepast zal worden voor 1 januari 2005.
3. Per abuis was in artikel 27, eerste lid, opgenomen dat de overgangsbepaling alleen van toepassing is op kunstenaars die in het jaar 2004 uitkering hebben ontvangen op grond van de WIK. De bedoeling is echter dat de overgangsbepaling van toepassing is op alle kunstenaars die in of voor het jaar 2004 uitkering op grond van de WIK hebben ontvangen en in het jaar 2005 een beroep doen op de WWIK. Artikel 27, eerste lid, is in vorenbedoelde zin aangepast.
4. Ten slotte is artikel 29, de inwerkingtredingsbepaling, aangepast. Er is een uitzondering gemaakt voor artikel 22, dat de wijziging van het Besluit Inlichtingenbureau gemeenten regelt en artikel 27, waarin overgangsbepalingen zijn opgenomen voor kunstenaars die eerder gebruik hebben gemaakt van de WIK. Artikel 22 zal met ingang van 1 april 2005 inwerking treden, omdat vanaf die datum in de praktijk pas uitvoering gegeven kan worden aan de wijziging van het Besluit Inlichtingenbureau gemeenten. Artikel 27 zal met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2005 inwerking treden zodra in de WWIK eveneens met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2005 een wettelijke grondslag is opgenomen voor het maken van overgangsrecht met betrekking tot artikel 11 van de WWIK.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid



(1)Kamerstukken II 2003-2004, 29 612, nr. 3, blz. 3-4 en 7-9.
(2)Kamerstukken II 2003-2004, 29 574, nr. 8

  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon