Ontwerpbesluit houdende aanpassing van enige fiscale uitvoeringsbesluiten, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W06.04.0573/IV
- Datum advies
- 2 december 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 11 januari 2005, nr 7
- Financiën
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit houdende aanpassing van enige fiscale uitvoeringsbesluiten, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 25 november 2004, no.04.004474, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende aanpassing van enige fiscale uitvoeringsbesluiten, met nota van toelichting.
Het voorstel heeft betrekking op de aanpassingen van de uitvoeringsbesluiten die voortvloeien uit de recente wijzingen in de belastingwetgeving. De Raad van State onderschrijft het merendeel van de aanpassingen, maar adviseert de wijziging van de in aanmerking te nemen loonstijgingen in een eindloonstelsel en het intrekken van het Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken opnieuw te bezien.
1. Voorgesteld wordt in artikel 10b, eerste lid, tweede volzin, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 de zinsnede "gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum" te laten vervallen. Dit leidt er toe, dat in een eindloonstelsel behoudens gangbare functiewijzigingen of leeftijdsperiodieken alleen loonstijgingen in aanmerking worden genomen van ten hoogste 2 percent boven de gemiddelde loonindex voor CAO-lonen per maand, inclusief bijzondere beloningen. De Raad acht een beperking tot deze loonstijgingen voor een periode direct voorafgaande aan de pensionering niet onredelijk. In pensioenregelingen met een doorsneepremiestelsel is een dergelijke beperking veelal ook opgenomen gelet op de hoge backservice in een eindloonstelsel van een verhoging van de pensioengrondslag vlak voor pensionering. Zonder een dergelijke beperking zou anders mogelijk een wanverhouding ontstaan tussen verkregen rechten en betaalde premies. Deze beperking wordt mede daardoor maatschappelijk ook aanvaard.
De Raad heeft daarentegen bezwaren tegen een algemene beperking gedurende de gehele loopbaan. De aansluiting van het laatstverdiende loon met het pensioen kan daardoor worden beperkt zonder dat daarvoor een duidelijk aanwijsbare reden voor bestaat. Inbreuken op een eindloonstelsel zijn alleen aanvaardbaar bij oneigenlijk gebruik, zoals bij aanmerkelijke verhogingen van de pensioengrondslag vlak voor pensionering. Zo leidt bij de voorgestelde regeling een meer dan gangbaar snelle doorgroei in een loopbaan op jonge leeftijd tot een beperking van de pensioenopbouw die niet meer binnen de regeling is op te heffen. De werknemer is dan aangewezen op de jaar- en reserveringsruimten binnen een lijfrentevoorziening zoals bepaald in artikel 3.127 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). De Raad acht het onjuist dat een premiegrondslag, die voor de toepassing van artikel 3.127 Wet IB 2001 in aanmerking kan worden genomen en voor loontrekkenden bestaat uit het (ongekorte) belastbare loon, niet in een eindloonregeling gehanteerd kan worden.
De Raad adviseert het voorstel te schrappen.
2. Voorgesteld wordt het Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken in te trekken (Uitvoeringsbesluit WWOZ). Daarmee vervalt ook artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit WWOZ, waarin is bepaald dat indien een op de voet van hoofdstuk IV van de wet vastgestelde waarde ten gunste van een belanghebbende wordt verminderd, de in artikel 1, tweede lid, van de wet bedoelde gemeenteambtenaar dienovereenkomstig en gelijktijdig bij beschikking de te hoog vastgestelde waarde vermindert ten gunste van alle overige belanghebbenden ten aanzien van wie met betrekking tot dezelfde onroerende zaak de waarde eveneens te hoog is vastgesteld.
In de toelichting wordt gesteld dat door toepassing van het gelijkheidsbeginsel hetgeen in artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit WWOZ is geregeld voldoende kan worden opgevangen.
De Raad is van oordeel dat door het vervallen van artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit WWOZ de rechtspositie van de overige belanghebbenden wordt verzwakt omdat geen recht meer bestaat op een overeenkomstige en gelijktijdige vermindering van de aanslag, en alleen door een beroep te doen op een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur deze aanslag verminderd kan worden.
De Raad adviseert alleen artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit WWOZ te doen vervallen en het besluit overigens niet in te trekken.
3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no.W06.04.0573/IV met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- In art. VI, derde lid, mede gelet op aanwijzing 168 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, de zinsnede "tot 1 januari 2004" vervangen door: tot en met 1 januari 2004. Voorts de toelichting hieraan aanpassen.
- In de toelichting op art. I, onderdeel D, de zinsnede "artikel 26, vijfde lid, onderdeel b" vervangen door: artikel 26, vijfde lid, onderdeel a.
Nader rapport (reactie op het advies) van 17 december 2004
Naar aanleiding van het advies van de Raad merk ik het volgende op.
1. Conform het advies van de Raad is de aanvankelijk in artikel II, onderdeel C, eerste lid, opgenomen wijziging van artikel 10b, eerste lid, Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 geschrapt.
2. De Raad adviseert alleen artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken te doen vervallen en het besluit overigens niet in te trekken. Overeenkomstig het advies van de Raad is niet meer opgenomen dat het Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken wordt ingetrokken. Voor de eenduidigheid is in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken wel opgenomen dat het alleen geldt voor de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde met een waardepeildatum van vóór 1 januari 2003.
3. Beide redactionele kanttekeningen zijn overgenomen.
4. In het ontwerpbesluit is na het advies van de Raad van State nog één wijziging toegevoegd.
De aanvankelijk in artikel II, onderdeel B, opgenomen wijziging van artikel 10a Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 is komen te vervallen. Deze wijziging zal worden opgenomen in het besluit waarin ook de overige wijzigingen van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zullen worden opgenomen, die samenhangen met het wetsvoorstel Aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Kamerstukken II, 2004/2005, 29 760).
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Financiën
Het voorstel heeft betrekking op de aanpassingen van de uitvoeringsbesluiten die voortvloeien uit de recente wijzingen in de belastingwetgeving. De Raad van State onderschrijft het merendeel van de aanpassingen, maar adviseert de wijziging van de in aanmerking te nemen loonstijgingen in een eindloonstelsel en het intrekken van het Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken opnieuw te bezien.
1. Voorgesteld wordt in artikel 10b, eerste lid, tweede volzin, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 de zinsnede "gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum" te laten vervallen. Dit leidt er toe, dat in een eindloonstelsel behoudens gangbare functiewijzigingen of leeftijdsperiodieken alleen loonstijgingen in aanmerking worden genomen van ten hoogste 2 percent boven de gemiddelde loonindex voor CAO-lonen per maand, inclusief bijzondere beloningen. De Raad acht een beperking tot deze loonstijgingen voor een periode direct voorafgaande aan de pensionering niet onredelijk. In pensioenregelingen met een doorsneepremiestelsel is een dergelijke beperking veelal ook opgenomen gelet op de hoge backservice in een eindloonstelsel van een verhoging van de pensioengrondslag vlak voor pensionering. Zonder een dergelijke beperking zou anders mogelijk een wanverhouding ontstaan tussen verkregen rechten en betaalde premies. Deze beperking wordt mede daardoor maatschappelijk ook aanvaard.
De Raad heeft daarentegen bezwaren tegen een algemene beperking gedurende de gehele loopbaan. De aansluiting van het laatstverdiende loon met het pensioen kan daardoor worden beperkt zonder dat daarvoor een duidelijk aanwijsbare reden voor bestaat. Inbreuken op een eindloonstelsel zijn alleen aanvaardbaar bij oneigenlijk gebruik, zoals bij aanmerkelijke verhogingen van de pensioengrondslag vlak voor pensionering. Zo leidt bij de voorgestelde regeling een meer dan gangbaar snelle doorgroei in een loopbaan op jonge leeftijd tot een beperking van de pensioenopbouw die niet meer binnen de regeling is op te heffen. De werknemer is dan aangewezen op de jaar- en reserveringsruimten binnen een lijfrentevoorziening zoals bepaald in artikel 3.127 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). De Raad acht het onjuist dat een premiegrondslag, die voor de toepassing van artikel 3.127 Wet IB 2001 in aanmerking kan worden genomen en voor loontrekkenden bestaat uit het (ongekorte) belastbare loon, niet in een eindloonregeling gehanteerd kan worden.
De Raad adviseert het voorstel te schrappen.
2. Voorgesteld wordt het Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken in te trekken (Uitvoeringsbesluit WWOZ). Daarmee vervalt ook artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit WWOZ, waarin is bepaald dat indien een op de voet van hoofdstuk IV van de wet vastgestelde waarde ten gunste van een belanghebbende wordt verminderd, de in artikel 1, tweede lid, van de wet bedoelde gemeenteambtenaar dienovereenkomstig en gelijktijdig bij beschikking de te hoog vastgestelde waarde vermindert ten gunste van alle overige belanghebbenden ten aanzien van wie met betrekking tot dezelfde onroerende zaak de waarde eveneens te hoog is vastgesteld.
In de toelichting wordt gesteld dat door toepassing van het gelijkheidsbeginsel hetgeen in artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit WWOZ is geregeld voldoende kan worden opgevangen.
De Raad is van oordeel dat door het vervallen van artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit WWOZ de rechtspositie van de overige belanghebbenden wordt verzwakt omdat geen recht meer bestaat op een overeenkomstige en gelijktijdige vermindering van de aanslag, en alleen door een beroep te doen op een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur deze aanslag verminderd kan worden.
De Raad adviseert alleen artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit WWOZ te doen vervallen en het besluit overigens niet in te trekken.
3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no.W06.04.0573/IV met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- In art. VI, derde lid, mede gelet op aanwijzing 168 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, de zinsnede "tot 1 januari 2004" vervangen door: tot en met 1 januari 2004. Voorts de toelichting hieraan aanpassen.
- In de toelichting op art. I, onderdeel D, de zinsnede "artikel 26, vijfde lid, onderdeel b" vervangen door: artikel 26, vijfde lid, onderdeel a.
Nader rapport (reactie op het advies) van 17 december 2004
Naar aanleiding van het advies van de Raad merk ik het volgende op.
1. Conform het advies van de Raad is de aanvankelijk in artikel II, onderdeel C, eerste lid, opgenomen wijziging van artikel 10b, eerste lid, Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 geschrapt.
2. De Raad adviseert alleen artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken te doen vervallen en het besluit overigens niet in te trekken. Overeenkomstig het advies van de Raad is niet meer opgenomen dat het Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken wordt ingetrokken. Voor de eenduidigheid is in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken wel opgenomen dat het alleen geldt voor de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde met een waardepeildatum van vóór 1 januari 2003.
3. Beide redactionele kanttekeningen zijn overgenomen.
4. In het ontwerpbesluit is na het advies van de Raad van State nog één wijziging toegevoegd.
De aanvankelijk in artikel II, onderdeel B, opgenomen wijziging van artikel 10a Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 is komen te vervallen. Deze wijziging zal worden opgenomen in het besluit waarin ook de overige wijzigingen van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zullen worden opgenomen, die samenhangen met het wetsvoorstel Aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Kamerstukken II, 2004/2005, 29 760).
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Financiën