Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W03.04.0452/I
- Datum advies
- 26 oktober 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 8 februari 2005, nr 27
- Justitie en Veiligheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 16 september 2004, no.04.003507, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit strekt er onder meer toe dat het DNA-profiel van veroordeelden die hun straf of maatregel volledig hebben ondergaan en die vrijwillig celmateriaal voor DNA-onderzoek hebben afgestaan, in de DNA-databank voor strafzaken wordt opgenomen en bewaard.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit maar is van oordeel dat voor toepassing op veroordeelden die hun straf volledig hebben ondergaan, een grondslag in de wet in formele zin geboden is. Voorts maakt de Raad onder meer een opmerking over de uitvoerbaarheid.
1. Het ontwerpbesluit moet in werking treden tegelijk met de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.(zie noot 1) Uit de opzet van en de toelichting bij dat wetsvoorstel blijkt dat iemand onder het begrip "veroordeelden" valt, zo lang hij, na te zijn veroordeeld, zijn straf nog niet heeft uitgediend. Daarna wordt de betrokkene, in de terminologie van de toelichting bij het onderhavige ontwerpbesluit, aangeduid als "ex-veroordeelde".
Daarmee bestaat er geen expliciete wettelijke grondslag voor het bij algemene maatregel van bestuur stellen van regels voor het verwerken van DNA-profielen van ex-veroordeelden (die vrijwillig meewerken aan een DNA-onderzoek). Het ontwerpbesluit heeft wel mede op deze categorie betrekking, door de toevoeging van onderdeel e aan artikel 14, vierde lid, van het Besluit DNA-onderzoeken in strafzaken (hierna: het Besluit).(zie noot 2)
Het kabinet is voornemens om in de Wet DNA-onderzoek een expliciete grondslag op te nemen voor regeling van deze materie bij algemene maatregel van bestuur.(zie noot 3) In dit geval acht het kabinet de figuur van een zelfstandige algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 89, eerste lid, van de Grondwet aanvaardbaar.(zie noot 4) Het opsporings- en vervolgingsbelang maakt het volgens de nota van toelichting wenselijk om veroordeelden die hun straf hebben ondergaan in de gelegenheid te stellen celmateriaal af te staan voor verwerking van de gegevens van hun DNA. Daar het voornemen bestaat in de wet een expliciete basis op te nemen, betreft het een tijdelijke voorziening, aldus de toelichting.(zie noot 5)
De Raad van State acht het gebruik van de zelfstandige algemene maatregel van bestuur in dit geval onjuist. Hij verwijst naar zijn advies over het besluit van 16 december 2002, waarbij vooruitlopend op de invoering van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (die voor veroordeelden een plicht schept tot het dulden van DNA-onderzoek) de mogelijkheid is geopend dat veroordeelden op vrijwillige basis kunnen meewerken aan DNA-onderzoek.(zie noot 6) De regering heeft het advies niet gevolgd. In het nader rapport gaat zij er - kort gezegd - van uit dat de bevoegdheid van de Kroon tot wetgeving bij zelfstandige algemene maatregel van bestuur die in 1887 in de Grondwet is opgenomen ook nu nog onverkort bestaat, omdat zij nooit uitdrukkelijk is afgeschaft, tenzij het gaat om voorschriften door straffen te handhaven.
Naar het oordeel van de Raad gaat deze redenering voorbij aan de ontwikkeling van de staatsrechtelijke verhoudingen sindsdien. Het is intussen gevestigde en aanvaarde praktijk dat zelfstandige algemene maatregelen van bestuur - afgezien van bijzondere regels in het Statuut - alleen nog voor noodmaatregelen, interne huishoudelijke regels en (thans alleen nog tijdelijke) subsidieregelingen worden gebruikt.(zie noot 7) In het fluorideringsarrest (HR 22 juni 1973, NJ 1973, 386) is eveneens de eis van een wettelijke grondslag gesteld, ook al was er van strafrechtelijke handhaving geen sprake.
Voor het onderwerp van de onderhavige algemene maatregel van bestuur komt hier nog bij dat ook de gevolgen ervan voor de persoonlijke levenssfeer (artikel 10 Grondwet en artikel 8 van het Europees verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) en het strafvorderlijk gebruik (artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering) regeling bij of krachtens de wet indiceren. In dit verband merkt de Raad op dat in de nota van toelichting de toelichting op aanwijzing 21 van de Aanwijzingen voor de Regelgeving onvolledig is geciteerd. Immers in die toelichting wordt ook nadrukkelijk gewezen op het primaat van de wetgever waaraan met het kiezen voor een zelfstandige algemene maatregel van bestuur geen recht wordt gedaan. Om al deze redenen adviseert de Raad een novelle in te dienen die voorziet in de door het kabinet reeds beoogde aanvulling van het voorstel van Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.
Daarom is de Raad van oordeel dat niet kan worden overgegaan tot het opnemen van onderdeel e in artikel 14, vierde lid, van het Besluit voordat daarvoor een grondslag in de wet bestaat.
2. Het is de Raad opgevallen dat in de nota van toelichting niet wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het voornemen om DNA-profielen van veroordeelden die hebben ingestemd met het afnemen van celmateriaal voor het bepalen van hun DNA, op te nemen in de DNA-databank. Het gaat hier om personen die hun straf of maatregel volledig hebben ondergaan en die de inrichting hebben verlaten (artikel 14, vierde lid, onder e, nieuw).(zie noot 8) Niet duidelijk is hoe groot de groep bereidwilligen is en of deze nog nader zal worden ingeperkt op grond van, bijvoorbeeld, leeftijd en recidive. Zo ligt het niet voor de hand om ieder die dertig jaar geleden is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf, nog te benaderen voor vrijwillige deelname aan een DNA-onderzoek. Verder zal het soms lastig zijn om het huidige adres te achterhalen. Ten slotte is onduidelijk wie zal worden belast met de uitvoering en wat de kosten zullen zijn.
De Raad adviseert in de nota van toelichting aandacht te schenken aan deze uitvoeringsaspecten.
3. Volgens het geldende artikel 14, eerste lid, van het Besluit heeft de DNA-databank tot doel de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten te bevorderen. Over het doel van de databank maakt de Raad twee opmerkingen.
a. Voorgesteld wordt om het doel te verruimen met het voorkómen van strafbare feiten, omdat "bij nader inzien kan worden gesteld dat het verwerken van DNA-profielen van verdachten in de DNA-databank ook dient om te voorkomen dat betrokkenen opnieuw strafbare feiten plegen. […] Om die reden blijft na afronding van de strafzaak waarin van de verdachte een DNA-profiel is opgemaakt, het profiel opgenomen in de DNA-databank", aldus de nota van toelichting.(zie noot 9)
De Raad merkt op dat het DNA-profiel van verdachten na afronding van de strafzaak slechts wordt bewaard als een veroordeling is gevolgd wegens bepaalde misdrijven (artikel 14, vierde lid, onder d, artikel 16, eerste lid en artikel 17, eerste lid, zoals voorgesteld).
De Raad beveelt aan de nota van toelichting op dit punt aan te passen.
b. DNA-onderzoek kan er ook toe leiden dat een verdenking die op iemand is komen te rusten, vervalt. De Raad geeft in overweging dit aspect in de toelichting tot uitdrukking te brengen bij de doeleinden van de DNA-databank.
4. Voorts wijst de Raad op de eerste volzin van de artikelsgewijze toelichting waarin artikel 23, eerste lid, onder a van de Wet bescherming persoonsgegevens wordt geciteerd. Dit artikel maakt het mogelijk dat met uitdrukkelijke toestemming van de ex-veroordeelde zijn celmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek kan worden afgenomen en zijn DNA-profiel kan worden verwerkt; aldus de toelichting. De Raad wijst erop dat de hier bedoelde toestemming kan worden herroepen. Als die situatie zich zou voordoen rijst de vraag of de nu voorliggende algemene maatregel van bestuur de onherroepelijkheid van de gegeven toestemming zou vestigen - hetgeen niet denkbaar zou zijn waar het hier gaat om niet-formele regelgeving - of dat de rechtmatigheid van het opnemen en verwerken van het DNA-materiaal in de DNA-databank vervalt.
De Raad adviseert in de toelichting op de gestelde situatie in te gaan.
5. Wat het bewaren van celmateriaal van overleden verdachten of veroordeelden betreft wordt voorgesteld aansluiting te zoeken bij de verjaringstermijnen in het Wetboek van Strafrecht.(zie noot 10) De Raad merkt op dat bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel in behandeling is dat ertoe strekt de (vervolgings)verjaringstermijnen te verruimen.(zie noot 11) De Raad geeft in overweging in de toelichting tot uitdrukking te brengen dat met dit wetsvoorstel rekening is gehouden.
6. Het voorgestelde artikel 5, vierde lid, van het ontwerpbesluit ziet op het verrichten van formaliteiten ten aanzien van in beslag genomen voorwerpen "voorzover een voorwerp in beslag is genomen van een veroordeelde". De Raad wijst erop dat ook voorwerpen welke niet aan de veroordeelde toebehoren zijn celmateriaal kunnen bevatten. Gelet hierop geeft de Raad in overweging het voorgestelde artikel 5, vierde lid, van het ontwerpbesluit aan te passen.
7. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State heeft mitsdien bezwaren tegen het ontwerpbesluit en geeft U in overweging niet aldus te besluiten.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no.W03.04.0452/I met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- In artikel I, onderdeel D, bij artikel 4, onder 1, onderdeel a, "bij een veroordeelde en hij in een inrichting" vervangen door: bij een veroordeelde en bij een persoon die in een inrichting.
- In de nota van toelichting, artikelsgewijze toelichting, artikel I, onder I, "Bij nader inzien kan worden gesteld dat het verwerken van DNA-profielen van verdachten in de DNA-databank ook dient om te voorkomen dat betrokkenen opnieuw strafbare feiten plegen" wijzigen in: Bij nader inzien kan worden gesteld dat het verwerken van DNA-profielen van verdachten in de DNA-databank ook dient om te voorkomen dat verdachten opnieuw met justitie in aanraking komen.
Nader rapport (reactie op het advies) van 22 december 2004
1. Het onderhavige ontwerpbesluit strekt er mede toe om - vooruitlopend op het creëren van een wettelijke grondslag in de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden - het verwerken van DNA-profielen en celmateriaal van daaraan vrijwillig meewerkende personen die hun straf of maatregel reeds hebben ondergaan, de zogenaamde ex-veroordeelden, te regelen. De Raad van State concludeert dat een regeling zonder expliciete wettelijke grondslag om dit bij algemene maatregel van bestuur te regelen, niet aanvaardbaar is. Voordat een wettelijke grondslag is gecreëerd, mag volgens de Raad niet worden overgegaan tot het opnemen van onderdeel e in artikel 14, vierde lid, van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken. De Raad adviseert een novelle in te dienen die voorziet in de door het kabinet reeds beoogde aanvulling van het voorstel van Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.
De Raad van State noemt twee redenen waarom een regeling van het afnemen en verwerken van celmateriaal van vrijwillig meewerkende ex-veroordeelden en het verwerken van hun DNA-profielen in de DNA-databank zonder uitdrukkelijke grondslag in de wet niet aanvaardbaar is. De eerste reden is dat het gevestigde en aanvaarde praktijk is dat zelfstandige algemene maatregelen van bestuur afgezien van bijzondere regels in het Statuut alleen nog voor noodmaatregelen, interne huishoudelijke regels en (thans alleen nog tijdelijke) subsidieregelingen worden gebruikt. De Raad wijst in dit verband op aanwijzing 21 van de Aanwijzingen voor de Regelgeving waarin nadrukkelijk gewezen wordt op het primaat van de wetgever waaraan met het kiezen voor een zelfstandige algemene maatregel van bestuur geen recht wordt gedaan.
Anders dan de Raad van State acht de regering de figuur van een zelfstandige algemene maatregel van bestuur in het onderhavige geval aanvaardbaar. Voorop zij gesteld dat de aanwijzingen richtsnoeren vormen voor het wetgevingsbeleid, maar geen kracht van wet hebben en in geen geval de grondwettelijke bevoegdheden kunnen beperken. De regering is zich er overigens van bewust dat in aanwijzing 21 is gepreciseerd dat de figuur van een zelfstandige algemene maatregel van bestuur slechts moet worden gebruikt in zeer uitzonderlijke situaties en bij wijze van tijdelijke voorziening. In het onderhavige geval is er evenwel ook sprake van een bijzondere situatie als bedoeld in deze aanwijzing. Het opsporings- en vervolgingsbelang maakt het wenselijk om ex-veroordeelden tot het moment waarop daarvoor een wettelijke grondslag in de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden is gecreëerd, in de gelegenheid te stellen op vrijwillige basis hun celmateriaal voor DNA-onderzoek af te staan en hun DNA-profielen in de DNA-databank te laten verwerken. Het ontwerpbesluit betreft derhalve een tijdelijke voorziening die uit een oogpunt van een efficiënte opsporing en vervolging van strafbare feiten wenselijk is. Daarbij is voorts van belang dat het besluit geen verplichtingen oplegt; het besluit ziet slechts op personen die vrijwillig en met de nodige waarborgen omgeven, celmateriaal afstaan en hun DNA-profiel in de DNA-databank laten verwerken. Zodra zij hun toestemming intrekken, worden hun DNA-profielen definitief uit de DNA-databank verwijderd en vernietigd en kunnen hun DNA-profielen niet meer worden vergeleken met de andere in de DNA-databank opgenomen profielen.
Bovendien voldoet de regeling voor ex-veroordeelden aan de vereisten van artikel 8, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zo dient ter rechtvaardiging van een beperking op het recht op privé-leven een dringende maatschappelijke behoefte te worden aangetoond. In casu bestaat behoefte aan deze maatregel vanwege accurate ondersteuning aan opsporing en vervolging.
De te ontwerpen wettelijke grondslag zal niet overeenkomstig het advies van de Raad bij novelle in de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden worden ingevoegd, maar bij afzonderlijke wetswijziging. Ingevolge aanwijzing 252 kan slechts ten aanzien van een wetsvoorstel tijdens of na de behandeling in de Eerste Kamer, maar voor de bekrachtiging door de Koningin een wijzigingsvoorstel worden ingediend. In casu is geen sprake meer van een wetsvoorstel, maar van een wet omdat deze reeds is bekrachtigd en in het Staatsblad (Stb. 2004, 465) is geplaatst.
In de tweede plaats meent de Raad van State dat voor het onderwerp van de onderhavige algemene maatregel van bestuur de gevolgen van de persoonlijke levenssfeer en het strafvorderlijk gebruik regeling bij of krachtens de wet indiceren.
Terecht stelt de Raad dat inbreuken op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer een wettelijke grondslag behoeven. Indien het op vrijwillige basis verwerken van DNA-profielen van ex-veroordeelden in de DNA-databank en van hun celmateriaal al een dergelijke inbreuk zou opleveren, biedt de Wet bescherming persoonsgegevens de wettelijke grondslag voor het verwerken van persoonsgegevens die op vrijwillige basis zijn verstrekt. Artikel 23, eerste lid, onder a, van de Wet bescherming persoonsgegevens maakt het mogelijk dat met uitdrukkelijke toestemming van een ex-veroordeelde zijn celmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek kan worden afgenomen en zijn DNA-profiel kan worden verwerkt. De Wet bescherming persoonsgegevens vereist daarvoor geen nadere grondslag of uitwerking in een andere wet. Wel is het nodig dat artikel 14, vierde lid, van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken wordt aangepast omdat dit artikellid een limitatieve opsomming bevat van de personen wier DNA-profiel in de DNA-databank mag worden opgeslagen en de DNA-profielen van de vrijwillig meewerkende ex-veroordeelden geen onderdeel uitmaken van deze opsomming. Artikel I, onder I, onderdeel 2, van de onderhavige regeling voorziet daar dan ook in.
Verder wijs ik erop dat vóór de inwerkingtreding, op 1 september 1994, van de wet tot aanvulling van het Wetboek van Strafvordering met voorzieningen ten behoeve DNA-onderzoek in strafzaken (Stb. 1993, 596) het al toelaatbaar werd geacht dat een DNA-onderzoek met instemming van de verdachte werd verricht met behulp van door hem vrijwillig afgestaan celmateriaal (vgl. HR 5 juni 1951, NJ 1951, 520).
Met de Raad van State ben ik tenslotte van mening dat het uitbreiden van de DNA-databank met DNA-profielen van ex-veroordeelden een strafvorderlijk doel dient. Het heeft immers tot doel een bijdrage te leveren aan de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten waarbij celmateriaal van daders is achtergelaten. Maar anders dan de Raad betekent zulks naar mijn mening niet dat de onderhavige regeling daarom in strijd is met het legaliteitsbeginsel uit artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering, nu dit artikel in het bijzonder de bevoegdheid van de overheid betreft tot het buiten medewerking van burgers maken van inbreuken op hun rechten en vrijheden. Dat is bij het verwerken van gegevens die op vrijwillige basis zijn afgestaan, niet aan de orde.
Het advies van de Raad heeft voor mij aanleiding gevormd om bij artikel I, onder L, onderdeel 4, in artikel 18 een nieuwe vierde lid op te nemen waarin is geregeld dat het Nederlands Forensisch Instituut het DNA-profiel van een ex-veroordeelde achttien jaar na vastlegging in de DNA-databank vernietigt of zodra deze persoon dit instuut heeft medegedeeld dat hij zijn toestemming tot het verwerken van zijn DNA-profiel heeft ingetrokken.
Alhoewel artikel 23, eerste lid, onder a, van de Wet bescherming persoonsgegevens ook impliceert dat de ex-veroordeelde de toestemming die hij heeft verleend om zijn DNA-profiel te verwerken, kan intrekken en dientengevolge zijn DNA-profiel kan laten vernietigen, is dit niettemin om misverstanden te voorkomen expliciet in het nieuwe artikel 18, vierde lid, vastgelegd. Als gevolg daarvan zijn bij artikel I, onder L, de andere leden van artikel 18 vernummerd tot vijfde tot en met tiende lid. Verder is in de nota van toelichting het nieuwe artikellid toegelicht.
2. Overeenkomstig het advies van de Raad van State is in de nota van toelichting in de toelichting op artikel I, onder I, ingegaan op de uitvoeringsaspecten die verbonden zijn aan het op vrijwillige basis afnemen van celmateriaal van ex-veroordeelden.
3a. De aanbeveling van de Raad om in de toelichting op artikel I, onder I, nadrukkelijk aan te geven dat de DNA-profielen van verdachten na afronding van de strafzaak in de DNA-databank vanuit preventief oogpunt slechts worden bewaard als een veroordeling is gevolgd wegens bepaalde misdrijven, heb ik niet overgenomen. Ik acht dat niet nodig nu ingevolge artikel 14, vierde lid, onder c, van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken alleen ten aanzien van misdrijven als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering een DNA-profiel van een verdachte kan worden opgeslagen.
Overigens is de verwijzing van de Raad in dit verband naar de artikelen 14, vierde lid, onder d, 16, eerste lid, en 17, eerste lid, niet juist. In artikel 14, vierde lid, onder d, gaat het niet om verdachten maar om veroordeelden die op vrijwillige basis hun DNA-profiel hebben laten opnemen. In de artikelen 16, eerste lid, en 17, eerste lid, worden juist omstandigheden beschreven waarin de profielen van de verdachten dienen te worden vernietigd in plaats van bewaard.
3b. Het advies van de Raad om in de toelichting op artikel I, onder I, bij de doeleinden van de DNA-databank tot uidrukking te brengen dat DNA-onderzoek ook ertoe kan leiden dat een verdenking die op iemand is komen te rusten, vervalt, heb ik niet opgevolgd. De reden daarvoor is dat het op deze plaats in de toelichting gaat over de uitbreiding van de doeleinden van de DNA-databank met het doeleinde "het bevorderen van het voorkomen van strafbare feiten"en de motivering van die uitbreiding. Het aspect waarop de Raad doelt, ligt reeds besloten in het opsporingsdoel van de DNA-databank dat hier verder niet ter discussie staat. DNA-onderzoek dat in het kader van de opheldering van een misdrijf heeft plaatsgevonden, kan ook ontlastend materiaal voor de verdachte opleveren waardoor de verdenking kan komen te vervallen. Het vervallen van de verdenking zal erin resulteren dat de officier van justitie de zaak seponeert, al dan niet door een officiële kennisgeving van niet verdere vervolging.
4. Met de Raad ben ik van mening dat het verlenen van toestemming als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder a, van de Wet bescherming persoonsgegevens ook impliceert dat de ex-veroordeelde de toestemming die hij heeft verleend om zijn celmateriaal af te nemen en zijn DNA-profiel te verwerken, kan intrekken en dientengevolge zijn DNA-profiel kan laten vernietigen. Zoals ik onder punt 1 heb opgemerkt, heeft het advies van de Raad voor mij aanleiding gegegeven om bij artikel I, onder L, onderdeel 4, in artikel 18 een nieuwe vierde lid op te nemen waarin is geregeld dat het DNA-profiel van een ex-veroordeelde wordt vernietigd zodra hij aan het Nederlands Forensisch Instituut heeft medegedeeld dat hij zijn toestemming voor het verwerken van zijn DNA-profiel heeft ingetrokken.
5. Overeenkomstig het advies van de Raad is bij de toelichting op artikel I, onder L, vermeld dat de bewaartermijnen van de DNA-profielen en het celmateriaal van overleden verdachten en veroordeelden zal worden heroverwogen zodra het wetsvoorstel opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten (Kamerstukken II 28 495) tot wet is verheven en in werking is getreden. Deze heroverweging is van belang omdat deze termijnen aansluiten bij de in artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht neergelegde verjaringstermijnen van achttien respectievelijk twaalf jaren voor een misdrijf. Verder is in de toelichting bij artikel I, onder L, aangegeven dat deze heroverweging om dezelfde reden ook zal plaatsvinden ten aanzien van de bewaartermijnen van de DNA-profielen en het celmateriaal van onbekende personen, overleden slachtoffers en ex-veroordeelden.
6. Naar aanleiding van het advies van de Raad is in het nieuwe artikel 5, vierde lid, de zinsnede "Voorzover een voorwerp in beslag is genomen van een veroordeelde"vervangen door: Voorzover een voorwerp waarop vermoedelijk celmateriaal van de veroordeelde aanwezig is, in beslag is genomen. Hiermee wordt aangesloten bij de formulering in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.
7. De redactionele opmerking van de Raad onder het tweede gedachtestreepje is in de nota van toelichting verwerkt. De opmerking van de Raad onder het eerste gedachtestreepje is echter niet overgenomen omdat het in artikel 4, eerste lid, onder a, om een en dezelfde persoon gaat, namelijk de veroordeelde die in een inrichting verblijft, en niet, zoals de Raad veronderstelt, om twee verschillende personen, te weten de veroordeelde en de persoon die in een inrichting verblijft.
Verder heb ik van de gelegenheid gebruik gemaakt om bij artikel I, onder I, de opsomming van misdrijven, bedoeld in artikel 14, zesde lid, aan te passen. In artikel 14, zesde lid, zijn gewelds- en zedenmisdrijven aangewezen waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en voor de opheldering waarvan DNA-onderzoek van betekenis kan zijn. Op basis van deze criteria zijn bij artikel I, onder I, van dit besluit aan de opsomming de misdrijven, genoemd in de artikelen 157 (brandstichting en ontploffing) en 300, eerste lid, (eenvoudige mishandeling) van het Wetboek van Strafrecht, toegevoegd. Brandstichting en ontploffing zijn toegevoegd omdat de praktijk heeft aangetoond dat DNA-onderzoek ook een nuttige bijdrage kan leveren aan de opheldering van deze geweldsmisdrijven. Eenvoudige mishandeling is in de opsomming van misdrijven opgenomen omdat artikel 300, eerste lid, bij artikel II, onder A, van de wet van 9 juli 2004 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Penitentiaire beginselenwet (plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders) (Stb. 2004, 351) onder de werkingssfeer van artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is gebracht en DNA-onderzoek onder omstandigheden relevant kan zijn voor de opheldering van dit misdrijf.
Verder zijn uit de opsomming van misdrijven de misdrijven, genoemd in de artikelen 179 en 301, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, geschrapt. Het is de bedoeling dat deze misdrijven weer in deze lijst worden opgenomen zodra het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima (Kamerstukken II 28 484) tot wet is verheven en in werking is getreden. Bij artikel I, onder P en U, van dit wetsvoorstel wordt de gevangenisstraf die op deze misdrijven verhoogd van ten hoogste drie jaren naar ten hoogste vier jaren. Hierdoor komen deze artikelen onder de werking van artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering te vallen.
Tot slot is in de nota van toelichting, daar waar nodig, voorstel van Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden vervangen door Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.
Hoogachtend,
De Minister van Justitie
(1) Kamerstukken II 2003/04, 28 685, A.
(2) Artikel I, onderdeel I, van het ontwerpbesluit.
(3) Nota van toelichting, artikelsgewijze toelichting, aanhef.
(4) Nota van toelichting, artikelsgewijze toelichting, aanhef.
(5) Nota van toelichting, artikelsgewijze toelichting, aanhef.
(6) Advies van 5 september 2002, Bijvoegsel Stcrt. 14 januari 2003, nr. 9 (Wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, het besluit van 4 december 1925 tot uitvoering van de artikelen 62 en 76 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Stb. 1925, 460) en het Besluit toepassing van maatregelen in het belang van het onderzoek.
(7) Idem Raad van State, Jaarverslag 2002, blz. 55.
(8) Het voorgestelde artikel 14, vierde lid, onderdeel d, van het ontwerpbesluit heeft betrekking op veroordeelden die hun straf niet volledig hebben ondergaan. Zie het voorgestelde artikel 1, onderdeel f (artikel I, onderdeel A, 4, van het ontwerpbesluit) alsmede Kamerstukken II 2002/03, 28 685, nr. 3, blz. 7.
(9) Nota van toelichting, artikelsgewijze toelichting, artikel I, onder I. Vergelijk ook Kamerstukken II 2003/04,
28 685, nr. 7 (Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden).
(10) Nota van toelichting, artikelsgewijze toelichting, artikel I, onder L.
(11) Kamerstukken II 2001/02, 28 495 (opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten).