Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Besluit uitbreiding en beperking kring ver-zekerden werknemersverzekeringen 1990 en het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999.
- Kenmerk
- W12.03.0113/IV
- Datum advies
- 9 mei 2003
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 12 augustus 2003, nr 153
- Sociale zaken en Werkgelegenheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Besluit uitbreiding en beperking kring ver-zekerden werknemersverzekeringen 1990 en het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999.
Bij Kabinetsmissive van 28 maart 2003, no.03.001417, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 en het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999.
Met het ontwerpbesluit worden enkele wijzigingen aangebracht in de kring van verzekerden voor de sociale verzekeringen zoals die is geregeld in het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 en het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999.
De Raad van State plaatst enkele opmerkingen bij het ontwerpbesluit waar het betreft een wijziging inzake de vrijstelling van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen, en bij de terugwerkende kracht van het ontwerpbesluit voorzover het de verruiming van de vrijstellingsregeling betreft. Hij meent dat het ontwerpbesluit in verband daarmee mogelijk enige aanpassing behoeft.
1. Vrijstelling verzekeringsplicht volksverzekeringen
De regeling inzake de vrijstelling van de verzekeringsplicht kent volgens de toelichting twee knelpunten:
a. Het feit dat uitkeringen uit hoofde van het Duitse stelsel van sociale verzekering netto verstrekt worden en dat de toekenningsbeschikkingen ten behoeve van deze uitkeringen de netto-uitkeringsbedragen vermelden. De toelichting constateert dat er als gevolg van deze praktijk sprake is van een onevenwichtigheid omdat een Duitse socialeverzekeringsuitkering meer bestedingscapaciteit kan impliceren dan een uit een derde land afkomstige bruto-uitkering die meer bedraagt dan 70% van het bruto-minimumloon.
b. Het feit dat buitenlandse bovenwettelijke uitkeringen niet meetellen bij het bepalen van de grens voor de vrijstelling.
Om beide problemen op te lossen wordt ook een buitenlandse bovenwettelijke uitkering, voorzover voor het leven gegarandeerd, betrokken bij de vrijstellingsregeling (artikel IIB van het ontwerpbesluit en paragraaf 2 van de toelichting).
Ad a) Netto Duitse uitkering
De Raad verstaat het eerste knelpunt aldus dat kennelijk de netto Duitse socialeverzekeringsuitkering wordt getoetst aan het bedrag van 70% van het bruto-wettelijk minimumloon. Om dit knelpunt op te lossen zou moeten worden geregeld dat bij beide grootheden van een netto-bedrag wordt uitgegaan, dan wel een voorziening moeten worden getroffen om de netto Duitse uitkering te bruteren, bijvoorbeeld met een percentage afgeleid van het Nederlandse bruto-netto-traject.
De vraag rijst waarom het knelpunt van de Duitse uitkeringen wordt meegenomen in het onderhavige ontwerpbesluit. De gesignaleerde verschillen blijven immers in beginsel bestaan. Niet duidelijk is of en in hoeverre het voorstel om voortaan bij de vrijstellingsregeling bovenwettelijke uitkeringen mee te nemen, ook effectief is voor de aanpak van de problemen met de Duitse uitkering. Dat laatste lijkt thans alleen het geval te zijn indien het personen betreft met een Duitse uitkering die tevens een bovenwettelijke uitkering van voldoende omvang hebben.
De Raad adviseert om in de toelichting op het voorgaande in te gaan, en de voorgestelde regeling zo nodig aan te passen.
Ad b) Bovenwettelijke uitkeringen
Het voorstel om de vrijstellingsregeling te verruimen tot personen met een uitkering op grond van een buitenlandse bovenwettelijke regeling inzake sociale zekerheid bevat een aantal onduidelijkheden. In de eerste plaats is niet duidelijk wat onder een buitenlandse bovenwettelijke uitkering wordt verstaan, en om welke regelingen inzake sociale zekerheid het daarbij gaat. Deze begrippen zouden in de regeling gedefinieerd moeten worden. Voorts rijst de vraag in hoeverre die bovenwettelijke regelingen dezelfde bescherming bieden in de vorm van sociale verzekeringsaanspraken als die welke voortvloeit uit een wettelijke regeling. Het bestaan van een dergelijke bescherming was immers uitgangspunt voor de vrijstellingsregeling. In verband met de hiervoor geschetste onduidelijkheden valt thans ook niet te beoordelen in hoeverre de regeling uitvoerbaar zal zijn voor de Sociale Verzekeringsbank.
De Raad adviseert de voorgaande punten in de toelichting te verduidelijken en de voorgestelde regeling zo nodig aan te passen.
2. Terugwerkende kracht
Aan het besluit wordt terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2003 verleend voorzover het de verruiming van de vrijstellingsregeling betreft.
Terugwerkende kracht is in beginsel niet toegestaan indien dit tot negatieve effecten voor belanghebbenden kan leiden. De Raad meent dat zich door de terugwerkende kracht van de verruimde voorwaarden van de vrijstelling in combinatie met het tweede lid van artikel 22 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 in bepaalde gevallen negatieve effecten kunnen voordoen. Het tweede lid van artikel 22 bepaalt dat indien de aanvraag voor de vrijstelling wordt ingediend binnen een jaar na de datum waarop de persoon bedoeld in het eerste lid voor het eerst voldoet aan de in dat lid opgenomen voorwaarden, de vrijstelling op die datum ingaat. Indien de aanvraag voor de vrijstelling later wordt ingediend, gaat de vrijstelling in op de datum van de aanvraag om vrijstelling.
De Raad wijst erop dat een en ander ertoe leidt dat voor een persoon die op grond van de terugwerkende kracht van dit besluit met ingang van 1 januari 2003 voldoet aan de voorwaarden voor de vrijstelling, maar die zijn aanvraag indient na 31 december 2003, op grond van artikel 22, tweede lid, de vrijstelling pas in kan gaan met ingang van de datum van de aanvraag. Voor deze persoon zou de vrijstelling eerder gerealiseerd worden indien aan het ontwerpbesluit geen terugwerkende kracht zou worden verleend. In dat geval zou immers op grond van artikel 22, tweede lid, eerste volzin, de vrijstelling - indien de aanvraag binnen een jaar na de inwerkingtreding van het besluit wordt ingediend - reeds kunnen gelden met ingang van de datum van inwerkingtreding van het besluit.
De Raad adviseert de terugwerkende kracht zodanig vorm te geven dat zich geen negatieve effecten voordoen, dan wel aan de regeling voor het hiervoor bedoelde geval geen terugwerkende kracht te verbinden.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 25 juni 2003
1. Ad a) Netto Duitse uitkering
In het voorliggende ontwerpbesluit stelt het kabinet onder meer voor om bij de beoordeling of iemand in aanmerking kan komen voor vrijstelling van verzekeringsplicht voor de AOW, de ANW en de AKW, niet alleen langlopende uitkeringen op grond van een wettelijk, buitenlands sociaalverzekeringsstelsel te betrekken maar tevens de zogenaamde bovenwettelijke buitenlandse uitkeringen. Het is de Raad niet duidelijk of en in hoeverre dit voorstel ook effectief is voor de aanpak van de problemen die iemand ondervindt met een Duitse uitkering in verband met het feit dat Duitse uitkeringen netto worden verstrekt. Dat laatste zou namelijk alleen het geval zijn voor Duitse uitkeringsgerechtigden die tevens een bovenwettelijke uitkering van voldoende omvang ontvangen.
In de nota van toelichting is er reeds op gewezen dat het doel van de bestaande vrijstellingsregeling, namelijk het verlenen van vrijstelling van verzekerings- en dus ook premieplicht voor de hierboven gememoreerde drie volksverzekeringen - met name niet functioneert onder de groep aanvragers die een Duitse wettelijke sociale verzekeringsuitkering ontvangen. Als oorzaak daarvan gaf het kabinet aan, dat op deze uitkeringen in Duitsland geen premies voor de sociale verzekeringen worden ingehouden. De uitkeringen worden met andere woorden netto verstrekt. In de praktijk zal de Sociale verzekeringsbank (SVB) dergelijke netto uitkeringen aan het Nederlandse bruto minimumloon moeten toetsen, hetgeen in het verleden tot onevenwichtigheden leidde. Door naast de wettelijke uitkering ook de bovenwettelijke uitkering bij het vrijstellingenbeleid te betrekken, heeft de Duitse uitkeringsgerechtigde die als uitvloeisel van de bestaande praktijk veelal verzekeringsplichtig blijft voor de volksverzekeringen, volgens het kabinet in de toekomst aanzienlijk meer kans vrijgesteld te kunnen worden van verzekeringsplicht voor de AOW, ANW en AKW.
De Raad van State merkt met zoveel woorden op dat men dan wel een bovenwettelijke uitkering van voldoende omvang moet ontvangen. Volgens het kabinet is deze constatering op zich correct, maar daaraan dient wel te worden toegevoegd dat het vooral deze groep is voor wie het kabinet iets wil doen. Zij met name ervaart de bestaande vrijstellingsregeling als ongunstig. Deze personen beschikken immers over een duurzame dekking in de bovenwettelijke sfeer, die bovendien qua hoogte beduidend groter is dan die van de lage wettelijke uitkering.
De wijziging zoals het kabinet die voorstelt heeft niet tot doel de drempel tot het gebruik maken van de vrijstellingsregeling zodanig te verlagen dat uitholling er van het uiteindelijke gevolg zou kunnen zijn, maar de betreffende regeling slechts te verruimen naar personen die een bovenwettelijke buitenlandse uitkering ontvangen. Al dan niet in combinatie met hun wettelijke uitkering zullen velen van hen wel voldoen aan de voorwaarde dat deze qua hoogte ten minste 70% van het in Nederland geldende wettelijke bruto minimumloon dient te bedragen.
Het kabinet heeft zich bij de keuze voor deze oplossing gerealiseerd dat uitkeringsgerechtigden met uitsluitend een lage buitenlandse wettelijke uitkering geen baat hebben bij deze wijziging. Datzelfde geldt veelal ook voor uitkeringsgerechtigden die daarnaast nog beschikken over een lage bovenwettelijke uitkering.
De problemen die om een oplossing vragen, worden met name veroorzaakt door uitkeringsgerechtigden die een Duitse wettelijke uitkering ontvangen. Het zoeken naar een oplossing specifiek voor deze groep - bijvoorbeeld door een netto-netto-toetsing in het leven te roepen dan wel door de netto Duitse uitkering fictief te bruteren - is niet mogelijk omdat de vrijstellingsregeling bedoeld is voor uitkeringsgerechtigden die vanuit welk land dan ook een wettelijke sociale verzekeringsuitkering ontvangen. Daarom is gekozen voor een modus die voor iedereen acceptabel is.
De nota van toelichting is op dit punt aangevuld.
1. Ad b) Bovenwettelijke uitkeringen
Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad van State over de uitbreiding van de vrijstellingsregeling met bovenwettelijke, buitenlandse uitkeringen, merkt het kabinet op dat in de nota van toelichting een nadere aanduiding hiervan wordt gegeven.
De SVB verwacht geen grote problemen met de uitvoering van de regeling. Degenen die om vrijstelling verzoeken zullen namelijk moeten aantonen in welk kader een bovenwettelijke uitkering wordt genoten. Overigens is het uitvoeringsorgaan in staat om daarbij op reeds aanwezige gegevens te oordelen. Van een groot aantal niet-wettelijke uitkeringen vooral uit Duitsland, is namelijk de (bovenwettelijke) aard al bekend. De beoordeling zal in dergelijke gevallen zeker geen problemen opleveren. In alle andere situaties zal de belanghebbende dus een pensioenreglement of een duidelijke verzekeringspolis dienen te overleggen. De SVB heeft de intentie om met behulp van de reeds bekende (en nog aan te leveren) informatie over niet-wettelijke uitkeringen een bestand van bovenwettelijke uitkeringen aan te leggen.
2. Terugwerkende kracht
Volgens de Raad van State valt de door het kabinet voorgestelde terugwerkende krachtbepaling in combinatie met het huidige tweede lid van artikel 22 nadelig uit voor personen die op 1 januari 2003 voldoen aan de nieuwe voorwaarden voor vrijstelling maar die hun aanvraag pas indienen op een datum na 31 december van dat jaar. Naar aanleiding van deze opmerking is de betreffende bepaling aangepast. Deze aanpassing houdt in dat ook voor degenen die hun aanvraag pas indienen in de periode tussen 31 december 2003 en een jaar na de datum waarop dit besluit in werking treedt (de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad), de vrijstelling op laatstbedoelde dag zal ingaan. Wel zal ook voor deze groep de eis gelden dat zij reeds op 1 januari 2003 aan de nieuwe vrijstellingsvoorwaarden voldeden. De nota van toelichting is ter zake aangepast.
Ik moge U hierbij, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid