Verdrag inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Namibië; Windhoek, 26 november 2002 (Trb. 2003, 21), met toelichtende nota.
- Kenmerk
- W10.03.0414/II/K
- Datum advies
- 10 november 2003
- Vindplaats
- Kamerstukken II 2003/04, 29 457 (R 1751), nr 2
- Economische Zaken en Klimaat
- Verdrag
Toon inhoud
Volledige tekst
Verdrag inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Namibië; Windhoek, 26 november 2002 (Trb. 2003, 21), met toelichtende nota.
Bij Kabinetsmissive van 6 oktober 2003, no.03.004104, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Financiën, bij de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het Verdrag inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Namibië; Windhoek, 26 november 2002 (Trb.2003, 21), met toelichtende nota.
Het Verdrag inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Namibië (hierna: het Verdrag) heeft tot doel investeringen te beschermen, ter aanvulling op de bestaande, wettelijke bescherming. Mede door deze extra bescherming worden investeringen bevorderd. Het Verdrag voorziet daartoe in een non-discriminatoire behandeling van de investeerders, vrije transfer van betalingen, regels omtrent de onteigening van investeringen en een geschillenregeling.
De Raad van State van het Koninkrijk ziet geen beletsel voor de goedkeuring van het Verdrag, maar plaatst daarbij de volgende kanttekening.
Artikel 5 van het Verdrag ziet op de overboeking van betalingen. Ieder Verdragsluitende partij waarborgt dat alle betalingen voortvloeiend uit investeringen kunnen worden overgemaakt zonder beperking of vertraging in vrij inwisselbare valuta. Artikel 5, aanhef en onder h, van het Verdrag ziet op betalingen, voortvloeiende uit artikel 7. De regeling ziet niet op de betalingen, voortvloeiende uit artikel 6.
Artikel 6 van het Verdrag voorziet in een regeling omtrent het zonder vertraging betalen van schadeloosstellingen in de valuta van het land waarvan de gerechtigden onderdaan zijn of in een door de gerechtigden aanvaarde vrij inwisselbare valuta.
Gelet op hetgeen reeds in artikel 5 is bepaald, zou in artikel 5, aanhef en onder h, van het Verdrag kunnen worden verwezen naar artikel 6, zoals ook in vergelijkbare verdragen is geschied.(zie noot 1) De toelichtende nota geeft geen reden voor het ontbreken van een dergelijke verwijzing.
De Raad adviseert de toelichtende nota op dit punt aan te vullen.
De Raad van State van het Koninkrijk geeft U in overweging goed te vinden dat bedoeld Verdrag wordt overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal, aan de Staten van de Nederlandse Antillen en aan die van Aruba, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State van het Koninkrijk
Nader rapport (reactie op het advies) van 21 januari 2004
De toelichting op artikel 5 in de toelichtende nota is naar aanleiding van de kanttekening van de Raad van State van het Koninkrijk aangevuld.
Ik moge U, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Financiën, verzoeken de Minister van Buitenlandse Zaken te machtigen gevolg te geven aan zijn voornemen het verdrag vergezeld van de gewijzigde toelichtende nota ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen aan de Eerste Kamer en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en tevens over te leggen aan de Staten van de Nederlandse Antillen en aan de Staten van Aruba.
De Staatssecretaris van Economische Zaken
(1) Bijvoorbeeld de investeringsverdragen met de Republiek Mozambique van 18 december 2001 (Trb.2002, 44), de Libanese Republiek van 2 mei 2002 (Trb.2002, 118) en Belize van 20 september 2002 (Trb. 2003, 17).
Het Verdrag inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Namibië (hierna: het Verdrag) heeft tot doel investeringen te beschermen, ter aanvulling op de bestaande, wettelijke bescherming. Mede door deze extra bescherming worden investeringen bevorderd. Het Verdrag voorziet daartoe in een non-discriminatoire behandeling van de investeerders, vrije transfer van betalingen, regels omtrent de onteigening van investeringen en een geschillenregeling.
De Raad van State van het Koninkrijk ziet geen beletsel voor de goedkeuring van het Verdrag, maar plaatst daarbij de volgende kanttekening.
Artikel 5 van het Verdrag ziet op de overboeking van betalingen. Ieder Verdragsluitende partij waarborgt dat alle betalingen voortvloeiend uit investeringen kunnen worden overgemaakt zonder beperking of vertraging in vrij inwisselbare valuta. Artikel 5, aanhef en onder h, van het Verdrag ziet op betalingen, voortvloeiende uit artikel 7. De regeling ziet niet op de betalingen, voortvloeiende uit artikel 6.
Artikel 6 van het Verdrag voorziet in een regeling omtrent het zonder vertraging betalen van schadeloosstellingen in de valuta van het land waarvan de gerechtigden onderdaan zijn of in een door de gerechtigden aanvaarde vrij inwisselbare valuta.
Gelet op hetgeen reeds in artikel 5 is bepaald, zou in artikel 5, aanhef en onder h, van het Verdrag kunnen worden verwezen naar artikel 6, zoals ook in vergelijkbare verdragen is geschied.(zie noot 1) De toelichtende nota geeft geen reden voor het ontbreken van een dergelijke verwijzing.
De Raad adviseert de toelichtende nota op dit punt aan te vullen.
De Raad van State van het Koninkrijk geeft U in overweging goed te vinden dat bedoeld Verdrag wordt overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal, aan de Staten van de Nederlandse Antillen en aan die van Aruba, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State van het Koninkrijk
Nader rapport (reactie op het advies) van 21 januari 2004
De toelichting op artikel 5 in de toelichtende nota is naar aanleiding van de kanttekening van de Raad van State van het Koninkrijk aangevuld.
Ik moge U, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Financiën, verzoeken de Minister van Buitenlandse Zaken te machtigen gevolg te geven aan zijn voornemen het verdrag vergezeld van de gewijzigde toelichtende nota ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen aan de Eerste Kamer en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en tevens over te leggen aan de Staten van de Nederlandse Antillen en aan de Staten van Aruba.
De Staatssecretaris van Economische Zaken
(1) Bijvoorbeeld de investeringsverdragen met de Republiek Mozambique van 18 december 2001 (Trb.2002, 44), de Libanese Republiek van 2 mei 2002 (Trb.2002, 118) en Belize van 20 september 2002 (Trb. 2003, 17).