Ontwerpbesluit houdende regels ter voorkoming van verontreiniging door aangroeiwerende verfsystemen op schepen ter uitvoering van verordening (EG) nr.782/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 april 2003 houdende een verbod op organische tinverbindingen op schepen (PbEU L 115) (Besluit aangroeiwerende verfsystemen zeeschepen), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W09.04.0335/V
- Datum advies
- 16 september 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 11 januari 2005, nr 7
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit houdende regels ter voorkoming van verontreiniging door aangroeiwerende verfsystemen op schepen ter uitvoering van verordening (EG) nr.782/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 april 2003 houdende een verbod op organische tinverbindingen op schepen (PbEU L 115) (Besluit aangroeiwerende verfsystemen zeeschepen), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 13 juli 2004, no.04.002768, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Verkeer en Waterstaat, mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels ter voorkoming van verontreiniging door aangroeiwerende verfsystemen op schepen ter uitvoering van verordening (EG) nr.782/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 april 2003 houdende een verbod op organische tinverbindingen op schepen (PbEU L 115) (Besluit aangroeiwerende verfsystemen zeeschepen), met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit dient ter uitvoering van de bovenvermelde verordening, die een verbod bevat op het gebruik van aangroeiwerende verfsystemen waarin organische tinverbindingen zijn verwerkt. Met ingang van 1 juli 2003 moeten schepen van 400 brutoton of meer worden gekeurd en gecertificeerd, wanneer zij nieuw in bedrijf worden genomen of wanneer hun verfsysteem wordt vervangen of gewijzigd. Het hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangewezen als de instantie die de certificaten afgeeft. Het besluit is gebaseerd op de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, met name de artikelen 7 en 8.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt naar aanleiding daarvan de volgende opmerkingen.
1. Koninkrijksaspecten
Verordening (EG) 782/2003, waaraan dit ontwerpbesluit uitwerking geeft, is van toepassing op schepen die varen onder de vlag of onder het gezag van een lidstaat van de Europese Unie (EU), en op schepen waarvoor dat niet geldt maar die een offshore terminal of haven van een lidstaat aandoen.(zie noot 1) Dat betekent dat, naar de tekst van de verordening, de daaruit voortvloeiende verplichtingen ook van toepassing zijn op schepen geregistreerd op de Nederlandse Antillen of Aruba, die immers ook de Nederlandse vlag voeren.
De Raad adviseert in de toelichting in te gaan op de wijze waarop in die landen aan de verordening uitvoering zal worden gegeven voor deze schepen.
2. Inspectie van schepen uit andere EU-landen
In de nota van toelichting wordt opgemerkt dat het toezicht op de naleving van de voorschriften van het besluit door de Scheepvaartinspectie met name betrekking heeft op de aanwezigheid van geldige certificaten aan boord van Nederlandse schepen en dat dit naar verwachting weinig extra inspanning zal vergen, aangezien het wordt meegenomen bij het reguliere toezicht op de Nederlandse vloot.(zie noot 2) Uit artikel 7 van de verordening vloeit echter voort dat Nederland (in casu: de Scheepvaartinspectie) ook toezicht zal moeten uitoefenen op de naleving door schepen uit andere EU-landen die zich in Nederlandse havens bevinden. Ter uitvoering van artikel 7 is onlangs in de Regeling havenstaatcontrole een bepaling opgenomen die de uitoefening van dit toezicht mogelijk maakt.(zie noot 3)
De Raad adviseert in de nota van toelichting ook in te gaan op de extra inspanning (en de daarmee samenhangende lasten) die het toezicht op schepen uit andere lidstaten van de EU meebrengt.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 12 november 2004
1. De veronderstelling van de Raad dat de verordening ook in de Nederlandse Antillen en Aruba dient te worden uitgevoerd, omdat aldaar geregistreerde schepen dezelfde vlag voeren als in Nederland geregistreerde schepen, miskent dat de verordening niet verbindend is voor de Nederlandse Antillen en Aruba. Zoals bekend, zijn de Nederlandse Antillen en Aruba op grond van artikel 299, derde lid, van het EG-Verdrag alleen gehouden tot uitvoering van de secundaire Europese regelgeving die (mede) op de Associatieregeling in het vierde deel van dat verdrag is gebaseerd (zie onder andere het nader rapport van
21 augustus 1995, nr. J-13 677/95, inzake de wijziging van het Schepenbesluit 1965 en het Vissersvaartuigenbesluit in verband met Richtlijn nr. 92/29/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PbEG L 113)(opgenomen in het bijvoegsel bij de Nederlandse Staatscourant van 14 november 1995, nr. 221) en het nader rapport bij de Wet scheepsuitrusting (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 878, B, blz. 7 en 8)).
Aan de hierboven genoemde voorwaarde voor medegelding in de Nederlandse Antillen en Aruba is in het onderhavige geval (een verordening op het terrein van de zeevaart, gebaseerd op artikel 80, tweede lid, van het EG-Verdrag) niet voldaan. Voor de Nederlandse Antillen en Aruba bestaat derhalve geen verplichting tot uitvoering van de verordening. Dat in de verordening wordt gesproken over schepen die varen onder de vlag of onder het gezag van een lidstaat van de Europese Unie doet daar niet aan af. De werkingssfeer van een richtlijn of verordening kan nooit ruimer zijn dan het toepassingsbereik van het EG-Verdrag zelf. Het begrip ‘lidstaat’ (in de verordening ook niet gedefinieerd) dient derhalve te worden uitgelegd met inachtneming van de uit de Associatieregeling voortvloeiende beperkingen. Aangezien de verordening aldus alleen verbindend is voor het Europese deel van het Koninkrijk, is een beschouwing in de toelichting over de wijze waarop de Nederlandse Antillen en Aruba aan de verordening uitvoering geven, niet aan de orde.
Het bovenstaande laat onverlet dat ook in de Nederlandse Antillen en Aruba geregistreerde schepen te maken kunnen krijgen met de materiële voorschriften van de verordening als ze een Europese haven of offshore terminals aandoen. Voorlopig is dat echter nog niet aan de orde; op dit moment is het toezicht op de naleving van de verplichtingen voor buitenlandse schepen immers beperkt tot schepen van de Europese Unie. Voor buitenlandse schepen van buiten de Europese Unie zullen de verboden uit de verordening pas gaan gelden vanaf het moment dat het Internationaal Verdrag inzake de beperking van schadelijke aangroeiwerende verfsystemen op schepen in werking treedt of met ingang van 1 januari 2008 (zie de artikelen 4, tweede alinea, en 5, tweede lid, van de verordening).
2. De Raad constateert terecht dat op grond van de verordening Nederland ook toezicht zal moeten houden op de naleving van de verordening door schepen uit andere EU-landen die zich in Nederlandse havens bevinden. In de toelichting bij de wijziging van de Regeling havenstaatcontrole die ter uitvoering van de verordening tot stand is gekomen, is (per abuis) niet ingegaan op de extra inspanningen (en de daarmee samenhangende lasten) die dat toezicht met zich meebrengt. Het toezicht op de naleving van de verordening door schepen uit andere EU-landen in de Nederlandse havens zal echter weinig extra inspanningen vergen, aangezien het onderdeel uitmaakt van de reguliere havenstaatcontroles waaraan buitenlandse schepen worden onderworpen. De Raad adviseert om hieraan in de toelichting bij het besluit aandacht te besteden. In de toelichting wordt echter wat betreft de aspecten van de verordening die uitvoering behoeven, alleen ingegaan op die aspecten ter uitvoering waarvan het besluit zelf strekt. Om die reden is in de toelichting geen aandacht besteed aan de havenstaatcontrole. Het desondanks invoegen van een passage over de uit de havenstaatcontrole voortvloeiende inspanningen voor toezicht zou de logische opbouw van de toelichting doorbreken.
3. Naar aanleiding van recente wijzigingen in de Wet voorkoming verontreiniging door schepen (Wvvs) zijn in de aanhef, de artikelen 1, tweede lid, en 3, tweede lid, van het ontwerp-besluit technische wijzigingen aangebracht. De wijziging in de aanhef houdt verband met de verletteringen in artikel 1 van de Wvvs als gevolg van de Wet van 6 juli 2004 tot wijziging van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen en de Wet op de economische delicten in verband met richtlijn nr. 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PbEG L 332)(Stb. 348). De wijzigingen in de artikelen 2 en 3 houden verband met de wijzigingen als gevolg van de Wet van 4 maart 2004, houdende wijziging van een aantal wetten op het terrein van de scheepvaart in verband met de reorganisatie van de inspectiefunctie binnen het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (Stb. 117). Artikel 5 is nieuw ingevoegd en treft een voorziening voor het vervallen van enkele bepalingen uit het (nu nog) ontwerpbesluit en twee andere besluiten onder de Wvvs in verband met een wijziging in de wettelijke grondslag voor het vaststellen van tarieven die is voorgesteld in het bij koninklijke boodschap van 3 juli 2003 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, de Wet verontreiniging zeewater en de Scheepvaartverkeerswet in verband met de instelling van de Nederlandse exclusieve economische zone en enkele andere onderwerpen (28 984). Indien dat voorstel van wet tot wet wordt verheven en de nieuwe wettelijke grondslag voor het vaststellen van tarieven in de Wvvs in werking treedt, zullen de betreffende bepalingen op dat tijdstip van inwerkingtreding vervallen. De nota van toelichting is ook aangepast aan de bovengenoemde wetswijzigingen en aanpassingen in het besluit, op een enkel ander punt geactualiseerd, in paragraaf 3 verduidelijkt en op enkele punten redactioneel verbeterd.
Ik moge U hierbij, mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
(1) Artikel 3, eerste lid.
(2) Nota van toelichting, algemeen deel, paragraaf 6.
(3) Stcrt. 16 juli 2004, nr. 134.
Het ontwerpbesluit dient ter uitvoering van de bovenvermelde verordening, die een verbod bevat op het gebruik van aangroeiwerende verfsystemen waarin organische tinverbindingen zijn verwerkt. Met ingang van 1 juli 2003 moeten schepen van 400 brutoton of meer worden gekeurd en gecertificeerd, wanneer zij nieuw in bedrijf worden genomen of wanneer hun verfsysteem wordt vervangen of gewijzigd. Het hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangewezen als de instantie die de certificaten afgeeft. Het besluit is gebaseerd op de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, met name de artikelen 7 en 8.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt naar aanleiding daarvan de volgende opmerkingen.
1. Koninkrijksaspecten
Verordening (EG) 782/2003, waaraan dit ontwerpbesluit uitwerking geeft, is van toepassing op schepen die varen onder de vlag of onder het gezag van een lidstaat van de Europese Unie (EU), en op schepen waarvoor dat niet geldt maar die een offshore terminal of haven van een lidstaat aandoen.(zie noot 1) Dat betekent dat, naar de tekst van de verordening, de daaruit voortvloeiende verplichtingen ook van toepassing zijn op schepen geregistreerd op de Nederlandse Antillen of Aruba, die immers ook de Nederlandse vlag voeren.
De Raad adviseert in de toelichting in te gaan op de wijze waarop in die landen aan de verordening uitvoering zal worden gegeven voor deze schepen.
2. Inspectie van schepen uit andere EU-landen
In de nota van toelichting wordt opgemerkt dat het toezicht op de naleving van de voorschriften van het besluit door de Scheepvaartinspectie met name betrekking heeft op de aanwezigheid van geldige certificaten aan boord van Nederlandse schepen en dat dit naar verwachting weinig extra inspanning zal vergen, aangezien het wordt meegenomen bij het reguliere toezicht op de Nederlandse vloot.(zie noot 2) Uit artikel 7 van de verordening vloeit echter voort dat Nederland (in casu: de Scheepvaartinspectie) ook toezicht zal moeten uitoefenen op de naleving door schepen uit andere EU-landen die zich in Nederlandse havens bevinden. Ter uitvoering van artikel 7 is onlangs in de Regeling havenstaatcontrole een bepaling opgenomen die de uitoefening van dit toezicht mogelijk maakt.(zie noot 3)
De Raad adviseert in de nota van toelichting ook in te gaan op de extra inspanning (en de daarmee samenhangende lasten) die het toezicht op schepen uit andere lidstaten van de EU meebrengt.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 12 november 2004
1. De veronderstelling van de Raad dat de verordening ook in de Nederlandse Antillen en Aruba dient te worden uitgevoerd, omdat aldaar geregistreerde schepen dezelfde vlag voeren als in Nederland geregistreerde schepen, miskent dat de verordening niet verbindend is voor de Nederlandse Antillen en Aruba. Zoals bekend, zijn de Nederlandse Antillen en Aruba op grond van artikel 299, derde lid, van het EG-Verdrag alleen gehouden tot uitvoering van de secundaire Europese regelgeving die (mede) op de Associatieregeling in het vierde deel van dat verdrag is gebaseerd (zie onder andere het nader rapport van
21 augustus 1995, nr. J-13 677/95, inzake de wijziging van het Schepenbesluit 1965 en het Vissersvaartuigenbesluit in verband met Richtlijn nr. 92/29/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PbEG L 113)(opgenomen in het bijvoegsel bij de Nederlandse Staatscourant van 14 november 1995, nr. 221) en het nader rapport bij de Wet scheepsuitrusting (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 878, B, blz. 7 en 8)).
Aan de hierboven genoemde voorwaarde voor medegelding in de Nederlandse Antillen en Aruba is in het onderhavige geval (een verordening op het terrein van de zeevaart, gebaseerd op artikel 80, tweede lid, van het EG-Verdrag) niet voldaan. Voor de Nederlandse Antillen en Aruba bestaat derhalve geen verplichting tot uitvoering van de verordening. Dat in de verordening wordt gesproken over schepen die varen onder de vlag of onder het gezag van een lidstaat van de Europese Unie doet daar niet aan af. De werkingssfeer van een richtlijn of verordening kan nooit ruimer zijn dan het toepassingsbereik van het EG-Verdrag zelf. Het begrip ‘lidstaat’ (in de verordening ook niet gedefinieerd) dient derhalve te worden uitgelegd met inachtneming van de uit de Associatieregeling voortvloeiende beperkingen. Aangezien de verordening aldus alleen verbindend is voor het Europese deel van het Koninkrijk, is een beschouwing in de toelichting over de wijze waarop de Nederlandse Antillen en Aruba aan de verordening uitvoering geven, niet aan de orde.
Het bovenstaande laat onverlet dat ook in de Nederlandse Antillen en Aruba geregistreerde schepen te maken kunnen krijgen met de materiële voorschriften van de verordening als ze een Europese haven of offshore terminals aandoen. Voorlopig is dat echter nog niet aan de orde; op dit moment is het toezicht op de naleving van de verplichtingen voor buitenlandse schepen immers beperkt tot schepen van de Europese Unie. Voor buitenlandse schepen van buiten de Europese Unie zullen de verboden uit de verordening pas gaan gelden vanaf het moment dat het Internationaal Verdrag inzake de beperking van schadelijke aangroeiwerende verfsystemen op schepen in werking treedt of met ingang van 1 januari 2008 (zie de artikelen 4, tweede alinea, en 5, tweede lid, van de verordening).
2. De Raad constateert terecht dat op grond van de verordening Nederland ook toezicht zal moeten houden op de naleving van de verordening door schepen uit andere EU-landen die zich in Nederlandse havens bevinden. In de toelichting bij de wijziging van de Regeling havenstaatcontrole die ter uitvoering van de verordening tot stand is gekomen, is (per abuis) niet ingegaan op de extra inspanningen (en de daarmee samenhangende lasten) die dat toezicht met zich meebrengt. Het toezicht op de naleving van de verordening door schepen uit andere EU-landen in de Nederlandse havens zal echter weinig extra inspanningen vergen, aangezien het onderdeel uitmaakt van de reguliere havenstaatcontroles waaraan buitenlandse schepen worden onderworpen. De Raad adviseert om hieraan in de toelichting bij het besluit aandacht te besteden. In de toelichting wordt echter wat betreft de aspecten van de verordening die uitvoering behoeven, alleen ingegaan op die aspecten ter uitvoering waarvan het besluit zelf strekt. Om die reden is in de toelichting geen aandacht besteed aan de havenstaatcontrole. Het desondanks invoegen van een passage over de uit de havenstaatcontrole voortvloeiende inspanningen voor toezicht zou de logische opbouw van de toelichting doorbreken.
3. Naar aanleiding van recente wijzigingen in de Wet voorkoming verontreiniging door schepen (Wvvs) zijn in de aanhef, de artikelen 1, tweede lid, en 3, tweede lid, van het ontwerp-besluit technische wijzigingen aangebracht. De wijziging in de aanhef houdt verband met de verletteringen in artikel 1 van de Wvvs als gevolg van de Wet van 6 juli 2004 tot wijziging van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen en de Wet op de economische delicten in verband met richtlijn nr. 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PbEG L 332)(Stb. 348). De wijzigingen in de artikelen 2 en 3 houden verband met de wijzigingen als gevolg van de Wet van 4 maart 2004, houdende wijziging van een aantal wetten op het terrein van de scheepvaart in verband met de reorganisatie van de inspectiefunctie binnen het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (Stb. 117). Artikel 5 is nieuw ingevoegd en treft een voorziening voor het vervallen van enkele bepalingen uit het (nu nog) ontwerpbesluit en twee andere besluiten onder de Wvvs in verband met een wijziging in de wettelijke grondslag voor het vaststellen van tarieven die is voorgesteld in het bij koninklijke boodschap van 3 juli 2003 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, de Wet verontreiniging zeewater en de Scheepvaartverkeerswet in verband met de instelling van de Nederlandse exclusieve economische zone en enkele andere onderwerpen (28 984). Indien dat voorstel van wet tot wet wordt verheven en de nieuwe wettelijke grondslag voor het vaststellen van tarieven in de Wvvs in werking treedt, zullen de betreffende bepalingen op dat tijdstip van inwerkingtreding vervallen. De nota van toelichting is ook aangepast aan de bovengenoemde wetswijzigingen en aanpassingen in het besluit, op een enkel ander punt geactualiseerd, in paragraaf 3 verduidelijkt en op enkele punten redactioneel verbeterd.
Ik moge U hierbij, mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
(1) Artikel 3, eerste lid.
(2) Nota van toelichting, algemeen deel, paragraaf 6.
(3) Stcrt. 16 juli 2004, nr. 134.