Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (codificatie besluit hulpmiddelen).
- Kenmerk
- W06.02.0568/IV
- Datum advies
- 5 februari 2003
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 8 april 2003, nr 69
- Financiën
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (codificatie besluit hulpmiddelen).
Bij Kabinetsmissive van 19 december 2002, no.02.005817, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (codificatie besluit hulpmiddelen).
Het voorstel geeft uitwerking aan artikel 6.17, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Op grond van deze bepaling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aard van de hulpmiddelen waarvoor de uitgaven tot de buitengewone uitgaven als bedoeld in artikel 6.16 Wet IB 2001 worden gerekend. De Raad van State is van oordeel dat het ontwerpbesluit nauwkeuriger geformuleerd dient te worden en dat de toelichting verduidelijking behoeft.
1. De Raad merkt op dat de tekst van artikel 20a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: Uitv.besl.IB 2001) en de toelichting op het ontwerpbesluit onduidelijkheden kunnen oproepen.
Op grond van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 worden onder meer als uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling aangemerkt uitgaven voor andere dan farmaceutische hulpmiddelen. Volgens constante jurisprudentie vallen onder het begrip "andere hulpmiddelen" voorzieningen en apparaten die de zieke of invalide in staat stellen de normale lichaamsfuncties te vervullen waartoe hij zonder de voorziening of het apparaat niet in staat zou zijn. Onder normale lichaamsfuncties moeten worden verstaan de wezenlijke functies, zoals bewegen, waarnemen en communiceren. Deze hulpmiddelen zijn dus onder meer krukken, prothesen, pacemakers, gehoorapparaten, brillen, lenzen, rolstoelen, en een blindegeleidehond.
Teneinde grotere rechtszekerheid voor belanghebbenden te bereiken is deze jurisprudentie gecodificeerd door bij het Belastingplan 2002-I (Kamerstukken II 2001/02, 28 013) artikel 6.17, tweede lid, Wet IB 2001 op te nemen, waardoor de omschrijving van het begrip (niet-medisch) "hulpmiddel" in de Wet IB 2001 verankerd is.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aard van de hulpmiddelen terzake waarvan uitgaven in aanmerking kunnen worden genomen. Deze regels zijn opgenomen in artikel 20a Uitv.besl. IB 2001. Naar het oordeel van de Raad kunnen deze regels alleen betrekking hebben op woningaanpassing en andere zaken en voorzieningen, indien voldaan is aan de voorwaarde dat zij kunnen worden aangemerkt als middelen die de belastingplichtige in staat stelt tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie. Dit is ook het uitgangspunt dat is neergelegd in onderdeel 2 van de Resolutie van 21 oktober 1993, nr.DB 93/4220M, BNB 1994/61. In de toelichting op het ontwerpbesluit blijft dit aspect onderbelicht. In het bijzonder blijft onduidelijk of bij
woningaanpassing de omstandigheid dat de aanpassingen op medische indicatie of op medisch voorschrift zijn aangebracht en overigens (nagenoeg) niet tot waardevermeerdering van de woning leiden, het vermoeden schept dat aan de hiervoor genoemde voorwaarde is voldaan en zulks derhalve niet afzonderlijk behoeft te worden aangetoond. Hetzelfde geldt ten aanzien van zaken en aanpassingen (andere dan woningaanpassing) voorzover deze zaken en aanpassingen van zodanige aard zijn dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt.
Onduidelijk is eveneens of bij woningaanpassing de voorwaarde met betrekking tot de medische indicatie of het medisch voorschrift beperkend van aard is, op grond waarvan aanpassingen die voldoen aan de voorwaarde dat zij de belastingplichtige in staat stellen tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie en overigens niet tot waardevermeerdering van de woning leiden maar niet op medische indicatie of medisch voorschrift worden aangebracht, niet kwalificeren als hulpmiddelen.
De Raad adviseert de toelichting op deze punten te verduidelijken.
2. Artikel 20a, onderdeel b, Uitv.Besl. IB 2001 sluit naar de tekst woningaanpassing niet uit. Naar het oordeel van de Raad is echter beoogd dat dit onderdeel geen betrekking heeft op aanpassingen van een woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid.
De Raad adviseert de bepaling op dit punt nauwkeuriger te formuleren.
3. Voorgesteld wordt de kosten van de woningaanpassing te verminderen met de waardevermeerdering van de woning voorzover die 10% van de kosten van de aanpassing te boven gaat. Te verwachten is dat het bepalen van de omvang van de waardevermeerdering een aanmerkelijke bron van geschillen zal gaan vormen. Bij een geschil ligt de bewijslast inzake de waardevermeerdering op de belastingplichtige, aldus (impliciet) de toelichting. De Raad merkt op dat, nu in het ontwerpbesluit geen uitdrukkelijke bepaling omtrent de bewijslast is opgenomen, de bewijslasttoedeling is voorbehouden aan de belastingrechter. Daarbij is niet op voorhand uitgesloten dat de belastingrechter tot een andere bewijslasttoedeling komt dan in de toelichting is opgenomen, enerzijds omdat de waardevermeerdering een "aftrekpost" is op het bedrag van de buitengewone uitgave en anderzijds omdat de belastingdienst beter dan de belastingplichtige is toegerust om een waardevermeerdering van woningen, woonboten of woonwagens te bepalen.
De Raad adviseert in de toelichting op het punt van de bewijslastverdeling in te gaan.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 11 maart 2003
Naar aanleiding van het advies van de Raad van State merk ik het volgende op:
1. De Raad merkt op dat de ontwerptekst van artikel 20a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 en de toelichting op het ontwerpbesluit onduidelijkheden kunnen oproepen. Blijkens de uiteenzetting van de Raad betreft dit in wezen de verhouding tussen artikel 6.17, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 20a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State zijn de ontwerptekst en de toelichting op dit punt aangevuld.
2. De Raad adviseert in de tekst van artikel 20a, onderdeel b, Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 uitdrukkelijk aan te geven dat dit onderdeel geen betrekking heeft op aanpassingen van een woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid. Conform het advies van de Raad van State is de tekst van artikel 20a en de toelichting daarop aangepast.
3. De Raad adviseert in de toelichting op de bewijslastverdeling bij waardevermeerdering van de woning in te gaan. In het besluit is geen uitdrukkelijke bepaling omtrent de verdeling van de bewijslast opgenomen.
Hiervoor is gekozen omdat geen afwijking van de algemene regels met betrekking tot bewijslastverdeling beoogd is. Nu het hier een aftrekpost is, ligt de bewijslast omtrent de omvang van de aftrek in eerste instantie op de belastingplichtige. Daar het element van de waardevermeerdering de omvang van de aftrek beïnvloedt, zal de belastingplichtige daar een redelijke schatting van moeten maken. Vervolgens is het aan de Belastingdienst te oordelen of die schatting redelijk is. Zo de Belastingdienst dit niet bevredigend vindt, ligt het op de weg van de Belastingdienst gemotiveerd met een eigen benadering van de waardevermeerdering te komen. In deze is naar mijn oordeel irrelevant wie - de belastingplichtige of de Belastingdienst - beter in staat is de waarde in het economisch verkeer van een woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid te bepalen.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Financiën
Het voorstel geeft uitwerking aan artikel 6.17, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Op grond van deze bepaling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aard van de hulpmiddelen waarvoor de uitgaven tot de buitengewone uitgaven als bedoeld in artikel 6.16 Wet IB 2001 worden gerekend. De Raad van State is van oordeel dat het ontwerpbesluit nauwkeuriger geformuleerd dient te worden en dat de toelichting verduidelijking behoeft.
1. De Raad merkt op dat de tekst van artikel 20a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: Uitv.besl.IB 2001) en de toelichting op het ontwerpbesluit onduidelijkheden kunnen oproepen.
Op grond van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 worden onder meer als uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling aangemerkt uitgaven voor andere dan farmaceutische hulpmiddelen. Volgens constante jurisprudentie vallen onder het begrip "andere hulpmiddelen" voorzieningen en apparaten die de zieke of invalide in staat stellen de normale lichaamsfuncties te vervullen waartoe hij zonder de voorziening of het apparaat niet in staat zou zijn. Onder normale lichaamsfuncties moeten worden verstaan de wezenlijke functies, zoals bewegen, waarnemen en communiceren. Deze hulpmiddelen zijn dus onder meer krukken, prothesen, pacemakers, gehoorapparaten, brillen, lenzen, rolstoelen, en een blindegeleidehond.
Teneinde grotere rechtszekerheid voor belanghebbenden te bereiken is deze jurisprudentie gecodificeerd door bij het Belastingplan 2002-I (Kamerstukken II 2001/02, 28 013) artikel 6.17, tweede lid, Wet IB 2001 op te nemen, waardoor de omschrijving van het begrip (niet-medisch) "hulpmiddel" in de Wet IB 2001 verankerd is.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aard van de hulpmiddelen terzake waarvan uitgaven in aanmerking kunnen worden genomen. Deze regels zijn opgenomen in artikel 20a Uitv.besl. IB 2001. Naar het oordeel van de Raad kunnen deze regels alleen betrekking hebben op woningaanpassing en andere zaken en voorzieningen, indien voldaan is aan de voorwaarde dat zij kunnen worden aangemerkt als middelen die de belastingplichtige in staat stelt tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie. Dit is ook het uitgangspunt dat is neergelegd in onderdeel 2 van de Resolutie van 21 oktober 1993, nr.DB 93/4220M, BNB 1994/61. In de toelichting op het ontwerpbesluit blijft dit aspect onderbelicht. In het bijzonder blijft onduidelijk of bij
woningaanpassing de omstandigheid dat de aanpassingen op medische indicatie of op medisch voorschrift zijn aangebracht en overigens (nagenoeg) niet tot waardevermeerdering van de woning leiden, het vermoeden schept dat aan de hiervoor genoemde voorwaarde is voldaan en zulks derhalve niet afzonderlijk behoeft te worden aangetoond. Hetzelfde geldt ten aanzien van zaken en aanpassingen (andere dan woningaanpassing) voorzover deze zaken en aanpassingen van zodanige aard zijn dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt.
Onduidelijk is eveneens of bij woningaanpassing de voorwaarde met betrekking tot de medische indicatie of het medisch voorschrift beperkend van aard is, op grond waarvan aanpassingen die voldoen aan de voorwaarde dat zij de belastingplichtige in staat stellen tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie en overigens niet tot waardevermeerdering van de woning leiden maar niet op medische indicatie of medisch voorschrift worden aangebracht, niet kwalificeren als hulpmiddelen.
De Raad adviseert de toelichting op deze punten te verduidelijken.
2. Artikel 20a, onderdeel b, Uitv.Besl. IB 2001 sluit naar de tekst woningaanpassing niet uit. Naar het oordeel van de Raad is echter beoogd dat dit onderdeel geen betrekking heeft op aanpassingen van een woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid.
De Raad adviseert de bepaling op dit punt nauwkeuriger te formuleren.
3. Voorgesteld wordt de kosten van de woningaanpassing te verminderen met de waardevermeerdering van de woning voorzover die 10% van de kosten van de aanpassing te boven gaat. Te verwachten is dat het bepalen van de omvang van de waardevermeerdering een aanmerkelijke bron van geschillen zal gaan vormen. Bij een geschil ligt de bewijslast inzake de waardevermeerdering op de belastingplichtige, aldus (impliciet) de toelichting. De Raad merkt op dat, nu in het ontwerpbesluit geen uitdrukkelijke bepaling omtrent de bewijslast is opgenomen, de bewijslasttoedeling is voorbehouden aan de belastingrechter. Daarbij is niet op voorhand uitgesloten dat de belastingrechter tot een andere bewijslasttoedeling komt dan in de toelichting is opgenomen, enerzijds omdat de waardevermeerdering een "aftrekpost" is op het bedrag van de buitengewone uitgave en anderzijds omdat de belastingdienst beter dan de belastingplichtige is toegerust om een waardevermeerdering van woningen, woonboten of woonwagens te bepalen.
De Raad adviseert in de toelichting op het punt van de bewijslastverdeling in te gaan.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 11 maart 2003
Naar aanleiding van het advies van de Raad van State merk ik het volgende op:
1. De Raad merkt op dat de ontwerptekst van artikel 20a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 en de toelichting op het ontwerpbesluit onduidelijkheden kunnen oproepen. Blijkens de uiteenzetting van de Raad betreft dit in wezen de verhouding tussen artikel 6.17, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 20a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State zijn de ontwerptekst en de toelichting op dit punt aangevuld.
2. De Raad adviseert in de tekst van artikel 20a, onderdeel b, Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 uitdrukkelijk aan te geven dat dit onderdeel geen betrekking heeft op aanpassingen van een woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid. Conform het advies van de Raad van State is de tekst van artikel 20a en de toelichting daarop aangepast.
3. De Raad adviseert in de toelichting op de bewijslastverdeling bij waardevermeerdering van de woning in te gaan. In het besluit is geen uitdrukkelijke bepaling omtrent de verdeling van de bewijslast opgenomen.
Hiervoor is gekozen omdat geen afwijking van de algemene regels met betrekking tot bewijslastverdeling beoogd is. Nu het hier een aftrekpost is, ligt de bewijslast omtrent de omvang van de aftrek in eerste instantie op de belastingplichtige. Daar het element van de waardevermeerdering de omvang van de aftrek beïnvloedt, zal de belastingplichtige daar een redelijke schatting van moeten maken. Vervolgens is het aan de Belastingdienst te oordelen of die schatting redelijk is. Zo de Belastingdienst dit niet bevredigend vindt, ligt het op de weg van de Belastingdienst gemotiveerd met een eigen benadering van de waardevermeerdering te komen. In deze is naar mijn oordeel irrelevant wie - de belastingplichtige of de Belastingdienst - beter in staat is de waarde in het economisch verkeer van een woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid te bepalen.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Financiën