Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 82a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Besluit experimenten SUWI).
- Kenmerk
- W12.04.0001/IV
- Datum advies
- 19 februari 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 11 mei 2004, nr 89
- Sociale zaken en Werkgelegenheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 82a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Besluit experimenten SUWI).
Bij Kabinetsmissive van 9 januari 2004, no.04.000023, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 82a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Besluit experimenten SUWI).
Met het ontwerpbesluit wordt uitwerking gegeven aan artikel 82a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI). Dit artikel en het ontwerpbesluit bieden aan de uitvoeringsorganen ruimte voor experimenten bij de voorbereiding voor arbeidsinschakeling en het geven van uitkeringen en dergelijke.
De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit een aantal opmerkingen over de bruikbaarheid van de beoogde experimenten en de voorwaarden die daarbij worden gehanteerd. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het voorstel wenselijk is.
1. De inzet van het experiment als beleidsinstrument
a. Met het in 2003 toegevoegde experimenteerartikel 82a heeft de Wet SUWI een basis gekregen voor het uitvoeren van experimenten. Dit neemt niet weg dat dient te worden gemotiveerd waarom er reden is van deze mogelijkheid gebruik te maken. De Inleiding van de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit geeft aan dat in de praktijk is gebleken dat bij de ketenpartners behoefte bestaat aan grotere beleidsvrijheid om te komen tot efficiëntere en effectievere samenwerking. Opgemerkt wordt dat de SUWI-regelgeving in dat verband geen keurslijf mag vormen.
De Raad adviseert in de toelichting de genoemde praktijkervaringen nader aan te duiden. Daarbij ware ook in te gaan op de vraag waarom deze ervaringen (nog) geen aanleiding vormen om, in plaats van een tussenfase van experimenteren, direct op dit punt wijziging van de Wet SUWI te overwegen, zodat de daardoor te creëren verruiming gelijk voor iedere uitvoeringsinstantie beschikbaar komt.
b. Een experiment met wetgeving zoals nu voorgesteld, betekent afwijking van de bestaande regels teneinde ervaring op te doen met een aangepast regime. Dit veronderstelt wat betreft het ontwerp van het experiment het stellen van een doel en van criteria om te zijner tijd te beoordelen of dat doel al dan niet is geëffectueerd, het preciseren van de afwijking, onder te stellen voorwaarden (waaronder de duur van het experiment), en het weloverwogen selecteren van de deelnemende instantie(s) en het bepalen van hun aantal, eventueel met waarborgen voor een voldoende spreiding naar relevant te achten kenmerken. Verder zal tijdens de uitvoering van het experiment moeten zijn voorzien in geobjectiveerde
waarneming van de aangepaste bestuurspraktijk en van de ervaringen daarmee, terwijl tevens moet zijn voorzien in evaluatie, aan de hand van de tevoren ontwikkelde criteria. Een en ander veronderstelt een zekere mate van regie vanuit een centraal punt, in casu het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Immers, daar zullen uiteindelijk de opgedane ervaringen moeten worden beoordeeld op de vraag of zij een toereikende basis vormen voor besluitvorming over aanpassing van de wet zelf, of dat eventueel verlenging nodig is van de periode waarin geëxperimenteerd wordt.
Het voorgestelde besluit kent een “bottom up”-aanpak: het initiatief tot een experiment ligt bij de ketenpartners Centrale organisatie voor werk en inkomen (CWI), Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en college(s) van burgemeester en wethouders. Bij de minister ligt de bevoegdheid al dan niet toestemming te verlenen voor het initiatief. Zo’n decentrale opzet doet recht aan de verscheidenheid van omstandigheden in de praktijk van de uitvoering van de Wet SUWI in de verschillende gebieden van ons land, en biedt op zichzelf ruimte voor een daar op afgestemde aanpak. Dit roept bij de Raad echter wel de vraag op hoe is gewaarborgd dat de uit te voeren experimenten, bij elkaar genomen, door hun aantal en opzet en uit een oogpunt van onderlinge vergelijkbaarheid te zijner tijd een voldoende ervaringsgrondslag zullen vormen voor besluitvorming over eventuele aanpassing van de Wet SUWI. De Raad adviseert in de toelichting op die vraag in te gaan en het ontwerpbesluit op dit punt zo nodig aan te vullen.
2. De rol van het CWI
Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het ontwerpbesluit geldt als vereiste om in aanmerking te kunnen komen voor toestemming dat de CWI geheel of gedeeltelijk de taak blijft vervullen aanvragen voor uitkeringen in te nemen. Blijkens de tweede paragraaf van de nota van toelichting mag de afwijking van de in de Wet SUWI neergelegde taakverdeling niet zo ver gaan dat de CWI in het geheel geen taak meer uitvoert met betrekking tot de intake (het innemen van aanvragen voor een uitkering).
Daarmee is echter nog onvoldoende duidelijk waar, uit een oogpunt van het voorkomen van onaanvaardbare uitholling, de ondergrens voor de afname van werkzaamheden van de CWI precies ligt. Een afname kan immers betrekking hebben op het aantal af te handelen aanvragen, maar ook op de werkzaamheden ten behoeve van de cliënt die volgen op een door hem in te dienen aanvraag. Verder is niet duidelijk of bij een goed te keuren experiment moet worden gedacht aan een verschuiving van de taakverdeling voor de gehele regio waarin de desbetreffende CWI-vestiging werkzaam is, of dat ook de mogelijkheid van differentiatie tussen de gemeenten in die regio wordt voorzien.
De Raad adviseert in de toelichting te verduidelijken waar de ondergrens zal liggen voor het wegnemen van taken van de CWI, en daarbij aan te geven hoe deze ondergrens past binnen de zienswijze van de regering ten aanzien van de toekomstige rol van de CWI ten opzichte van de beide andere ketenpartners in het kader van de uitvoering van de Wet SUWI. Zo nodig ware het ontwerpbesluit op dit punt te preciseren.
3. Voorwaarden
a. Financiering
De beoogde experimenten betekenen een verschuiving van werkzaamheden tussen de ketenpartners. Dat kan gevolgen hebben voor de verdeling tussen hen van personele en materiële uitgaven. Ook kan zich de situatie voordoen dat na afloop van een experiment verrekening van investeringen (zoals een bedrijfsverzamelgebouw, of een ICT-voorziening) nodig is. Het ontwerpbesluit bevat geen bepaling ten aanzien van de financiering, terwijl de toelichting evenmin op dit punt ingaat.
De Raad beveelt aan de voornemens ten aanzien van de financiering van een experiment, als onderdeel van het plan van aanpak, onderdeel te maken van de reeks van voorwaarden in artikel 3.
b. Werkproceskoppelingen en ICT-ondersteuning
Blijkens de toelichting bij artikel 3 ligt het in de rede dat eventuele consequenties van het experiment op het gebied van werkproceskoppelingen en ICT-ondersteuning in het plan van aanpak worden weergegeven.
De Raad adviseert toe te lichten waarom dit punt dan niet ook in het tweede lid van artikel 3 is opgenomen, en het ontwerpbesluit op dit punt eventueel aan te vullen.
4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bijlage bij dit advies.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 19 februari 2004, no.W12.04.0001/IV, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ontwerpbesluit
- In artikel 2, eerste lid, tussen “kan” en “toestemming geven” invoegen: op hun gezamenlijk verzoek.
- In artikel 2, eerste lid, “burgemeester en wethouders”, daar hier - zoals uit het daaropvolgende tweede lid blijkt - het bestuursorgaan wordt aangeduid, wijzigen in: het college van burgemeester en wethouders.
- In artikel 3, eerste lid, “overlegd” wijzigen in: overgelegd.
- In artikel 3, tweede lid, onderdeel a, “de doelstelling, wijze van inrichting” wijzigen in: de doelstelling, de wijze van inrichting.
- In artikel 3, tweede lid, onderdeel b, “de start- en doorlooptijd” wijzigen in: de begindatum en de duur.
- In artikel 3, tweede lid, onderdeel c, “de locatie waar het experiment wordt gehouden” wijzigen in: de plaats waar het experiment wordt uitgevoerd.
- In artikel 3, tweede lid, onderdeel d, aan “de evaluatie” toevoegen: van het experiment.
- In artikel 3, derde lid, “op een locatie” wijzigen in: op een plaats.
- In artikel 3, vierde lid, “over het experiment” verplaatsen en zetten achter “het oordeel”.
Nota van toelichting
- De paragrafen ter bevordering van de raadpleegbaarheid nummeren.
Nader rapport (reactie op het advies) van 17 maart 2004
De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit een aantal opmerkingen.
1. De inzet van het experiment als beleidsinstrument
a. Met het experimenteerartikel 82a heeft de Wet SUWI een basis gekregen voor het uitvoeren van experimenten. Zoals in de toelichting bij het ontwerpbesluit is aangegeven, is in de praktijk gebleken dat bij ketenpartners de behoefte bestaat aan grotere beleidsvrijheid om te kunnen komen tot een efficiëntere en effectievere samenwerking. De Raad adviseert in de toelichting de praktijkervaringen nader te duiden en aan te geven waarom deze ervaringen geen aanleiding vormen om direct de Wet SUWI op punten aan te passen.
Voor de dagelijkse uitvoeringspraktijk is sinds de invoering van SUWI door partners in de keten van werk en inkomen naar innovatieve organisatievormen gezocht voor de in de Wet SUWI voorgeschreven wijze van uitvoering. Met name is gezocht naar effectievere methoden voor arbeidstoeleiding al dan niet in combinatie met een pragmatische taakverdeling op het gebied van de uitkeringsintake. Deze activiteiten moeten in het licht worden gezien van het streven de poortwachtersfunctie te optimaliseren. Veelal heeft dit geresulteerd in detacheringsconstructies over en weer, waardoor de beschikbare kennis en kunde bij de ketenpartners op een effectievere en efficiëntere wijze kan worden ingezet.
Het kabinet acht het wenselijk ketenpartners de ruimte te bieden om, binnen de in het ontwerpbesluit gestelde voorwaarden, invulling te geven aan de samenwerking. Het doel van het experimenteerartikel is, zoals vermeld in de toelichting bij het ontwerpbesluit, nieuwe vormen van samenwerking, die niet passen binnen de huidige wettelijke kaders, in de praktijk te beproeven. Eerst nadat proefondervindelijk is vastgesteld of de voorgestelde veranderingen daadwerkelijk verbeteringen zijn, is aanpassing van de Wet SUWI aan de orde. Om deze reden is besloten de Wet SUWI niet direct aan te passen. De toelichting is op dit punt aangepast.
b. De Raad stelt zich de vraag hoe is gewaarborgd dat de uit te voeren experimenten, bij elkaar genomen, door hun aantal en opzet en uit een oogpunt van onderlinge vergelijkbaarheid te zijner tijd een voldoende ervaringsgrondslag zullen vormen voor besluitvorming over eventuele aanpassing van de Wet SUWI. In de toelichting bij het ontwerpbesluit staat dat ketenpartners en het Ministerie van SZW periodiek in commissieverband overleg voeren over de afstemming tussen en de voortgang van de experimenten. Ook de evaluaties van de experimenten en de resultaten die met de experimenten zijn bereikt worden in deze commissie besproken. Dit biedt de mogelijkheid om op basis van de resultaten van meerdere experimenten conclusies te trekken over de wenselijkheid te komen tot aanpassing van SUWI-regelgeving. In dit verband zullen argumenten worden bezien en gewogen of het resultaat van een experiment voldoende aanleiding vormt om de Wet SUWI aan te passen. In het evaluatie-rapport, dat aan de Staten-Generaal moet worden gezonden, moet ook een standpunt worden opgenomen over de wijze van voortzetting. De uitkomsten van het beraad in de commissie zullen voor dit standpunt bepalend zijn. De toelichting is op dit punt aangepast.
2. De rol van het CWI
In artikel 2, tweede lid, is bepaald dat CWI altijd een deel van de uitkeringsintake blijft verrichten. De Raad adviseert in de toelichting te verduidelijken waar de ondergrens ligt voor het wegnemen van taken van CWI. Met het experimenteerartikel beoogt het kabinet de ketenpartners maximale ruimte te bieden voor de samenwerking op het gebied van de arbeidsinschakeling en het aanvragen van uitkeringen, toeslagen of bijstand. Zoals de Raad terecht opmerkt, ligt het initiatief tot een experiment bij de ketenpartners gezamenlijk. Dat geldt eveneens voor de vorm en inhoud van het experiment. Het kabinet heeft gemeend geen ondergrens te moeten bepalen met betrekking tot uitvoering van de uitkeringsintake door CWI, anders dan de voorwaarde dat ten minste een deel van de uitkeringsintake bij CWI moet zijn belegd. Deze voorwaarde is opgenomen om zeker te stellen dat alle daarvoor in aanmerking komende werkzoekenden zich te allen tijde eerst melden bij CWI. Het is aan de ketenpartners om te bepalen waar de ondergrens precies ligt. Het advies van de Raad is op dit punt niet overgenomen.
3. Voorwaarden
a. Financiering
De Raad beveelt aan de voornemens ten aanzien van de financiering van een experiment, als onderdeel van het plan van aanpak, deel uit te laten maken van de reeks voorwaarden genoemd in artikel 3 van het ontwerpbesluit.
Artikel 82a van de Wet SUWI voorziet niet in financiering van welke kosten van experimenten dan ook, zodat hieraan in deze algemene maatregel van bestuur geen uitwerking wordt gegeven. Het staat de ketenpartners echter vrij om binnen de gegeven financiële kaders met elkaar afspraken te maken over een nadere kostenverdeling. Het kabinet deelt de opvatting van de Raad, dat het wenselijk is dat wanneer partijen afspraken hebben gemaakt over een nadere kostenverdeling, deze afspraken worden weergegeven in het plan van aanpak. Echter, gezien het feit dat deze afspraken niet noodzakelijkerwijs tot stand hoeven te komen, is een dergelijke bepaling niet in het ontwerpbesluit opgenomen. In de toelichting op artikel 3 is opgenomen, dat het in de rede ligt dat wanneer partijen afspraken hebben gemaakt over een nadere kostenverdeling, deze afspraken in het plan van aanpak worden weergegeven.
b. Werkproceskoppelingen
Een experiment kan gevolgen hebben voor werkproceskoppelingen en ICT-ondersteuning. Indien deze gevolgen zich voordoen, ligt het in de rede dat partijen deze consequenties in het plan van aanpak weergeven. De Raad adviseert artikel 3, tweede lid, hierop aan te passen. Gezien het feit dat niet alle experimenten consequenties voor de werkproceskoppelingen en ICT-ondersteuning zullen hebben, is dit punt niet in artikel 3, tweede lid, opgenomen. De toelichting is conform 3a op dit punt aangepast.
4. De redactionele kanttekeningen zijn overgenomen met uitzondering van wijziging van de term ‘locatie’ in ‘plaats’. Ten aanzien van bedrijfsverzamelgebouwen, waar dienstverlening op het gebied van werk en inkomen plaatsvindt, is het gebruikelijk de term ‘locatie’ te hanteren.
Ik moge U hierbij, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Met het ontwerpbesluit wordt uitwerking gegeven aan artikel 82a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI). Dit artikel en het ontwerpbesluit bieden aan de uitvoeringsorganen ruimte voor experimenten bij de voorbereiding voor arbeidsinschakeling en het geven van uitkeringen en dergelijke.
De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit een aantal opmerkingen over de bruikbaarheid van de beoogde experimenten en de voorwaarden die daarbij worden gehanteerd. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het voorstel wenselijk is.
1. De inzet van het experiment als beleidsinstrument
a. Met het in 2003 toegevoegde experimenteerartikel 82a heeft de Wet SUWI een basis gekregen voor het uitvoeren van experimenten. Dit neemt niet weg dat dient te worden gemotiveerd waarom er reden is van deze mogelijkheid gebruik te maken. De Inleiding van de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit geeft aan dat in de praktijk is gebleken dat bij de ketenpartners behoefte bestaat aan grotere beleidsvrijheid om te komen tot efficiëntere en effectievere samenwerking. Opgemerkt wordt dat de SUWI-regelgeving in dat verband geen keurslijf mag vormen.
De Raad adviseert in de toelichting de genoemde praktijkervaringen nader aan te duiden. Daarbij ware ook in te gaan op de vraag waarom deze ervaringen (nog) geen aanleiding vormen om, in plaats van een tussenfase van experimenteren, direct op dit punt wijziging van de Wet SUWI te overwegen, zodat de daardoor te creëren verruiming gelijk voor iedere uitvoeringsinstantie beschikbaar komt.
b. Een experiment met wetgeving zoals nu voorgesteld, betekent afwijking van de bestaande regels teneinde ervaring op te doen met een aangepast regime. Dit veronderstelt wat betreft het ontwerp van het experiment het stellen van een doel en van criteria om te zijner tijd te beoordelen of dat doel al dan niet is geëffectueerd, het preciseren van de afwijking, onder te stellen voorwaarden (waaronder de duur van het experiment), en het weloverwogen selecteren van de deelnemende instantie(s) en het bepalen van hun aantal, eventueel met waarborgen voor een voldoende spreiding naar relevant te achten kenmerken. Verder zal tijdens de uitvoering van het experiment moeten zijn voorzien in geobjectiveerde
waarneming van de aangepaste bestuurspraktijk en van de ervaringen daarmee, terwijl tevens moet zijn voorzien in evaluatie, aan de hand van de tevoren ontwikkelde criteria. Een en ander veronderstelt een zekere mate van regie vanuit een centraal punt, in casu het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Immers, daar zullen uiteindelijk de opgedane ervaringen moeten worden beoordeeld op de vraag of zij een toereikende basis vormen voor besluitvorming over aanpassing van de wet zelf, of dat eventueel verlenging nodig is van de periode waarin geëxperimenteerd wordt.
Het voorgestelde besluit kent een “bottom up”-aanpak: het initiatief tot een experiment ligt bij de ketenpartners Centrale organisatie voor werk en inkomen (CWI), Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en college(s) van burgemeester en wethouders. Bij de minister ligt de bevoegdheid al dan niet toestemming te verlenen voor het initiatief. Zo’n decentrale opzet doet recht aan de verscheidenheid van omstandigheden in de praktijk van de uitvoering van de Wet SUWI in de verschillende gebieden van ons land, en biedt op zichzelf ruimte voor een daar op afgestemde aanpak. Dit roept bij de Raad echter wel de vraag op hoe is gewaarborgd dat de uit te voeren experimenten, bij elkaar genomen, door hun aantal en opzet en uit een oogpunt van onderlinge vergelijkbaarheid te zijner tijd een voldoende ervaringsgrondslag zullen vormen voor besluitvorming over eventuele aanpassing van de Wet SUWI. De Raad adviseert in de toelichting op die vraag in te gaan en het ontwerpbesluit op dit punt zo nodig aan te vullen.
2. De rol van het CWI
Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het ontwerpbesluit geldt als vereiste om in aanmerking te kunnen komen voor toestemming dat de CWI geheel of gedeeltelijk de taak blijft vervullen aanvragen voor uitkeringen in te nemen. Blijkens de tweede paragraaf van de nota van toelichting mag de afwijking van de in de Wet SUWI neergelegde taakverdeling niet zo ver gaan dat de CWI in het geheel geen taak meer uitvoert met betrekking tot de intake (het innemen van aanvragen voor een uitkering).
Daarmee is echter nog onvoldoende duidelijk waar, uit een oogpunt van het voorkomen van onaanvaardbare uitholling, de ondergrens voor de afname van werkzaamheden van de CWI precies ligt. Een afname kan immers betrekking hebben op het aantal af te handelen aanvragen, maar ook op de werkzaamheden ten behoeve van de cliënt die volgen op een door hem in te dienen aanvraag. Verder is niet duidelijk of bij een goed te keuren experiment moet worden gedacht aan een verschuiving van de taakverdeling voor de gehele regio waarin de desbetreffende CWI-vestiging werkzaam is, of dat ook de mogelijkheid van differentiatie tussen de gemeenten in die regio wordt voorzien.
De Raad adviseert in de toelichting te verduidelijken waar de ondergrens zal liggen voor het wegnemen van taken van de CWI, en daarbij aan te geven hoe deze ondergrens past binnen de zienswijze van de regering ten aanzien van de toekomstige rol van de CWI ten opzichte van de beide andere ketenpartners in het kader van de uitvoering van de Wet SUWI. Zo nodig ware het ontwerpbesluit op dit punt te preciseren.
3. Voorwaarden
a. Financiering
De beoogde experimenten betekenen een verschuiving van werkzaamheden tussen de ketenpartners. Dat kan gevolgen hebben voor de verdeling tussen hen van personele en materiële uitgaven. Ook kan zich de situatie voordoen dat na afloop van een experiment verrekening van investeringen (zoals een bedrijfsverzamelgebouw, of een ICT-voorziening) nodig is. Het ontwerpbesluit bevat geen bepaling ten aanzien van de financiering, terwijl de toelichting evenmin op dit punt ingaat.
De Raad beveelt aan de voornemens ten aanzien van de financiering van een experiment, als onderdeel van het plan van aanpak, onderdeel te maken van de reeks van voorwaarden in artikel 3.
b. Werkproceskoppelingen en ICT-ondersteuning
Blijkens de toelichting bij artikel 3 ligt het in de rede dat eventuele consequenties van het experiment op het gebied van werkproceskoppelingen en ICT-ondersteuning in het plan van aanpak worden weergegeven.
De Raad adviseert toe te lichten waarom dit punt dan niet ook in het tweede lid van artikel 3 is opgenomen, en het ontwerpbesluit op dit punt eventueel aan te vullen.
4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bijlage bij dit advies.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 19 februari 2004, no.W12.04.0001/IV, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ontwerpbesluit
- In artikel 2, eerste lid, tussen “kan” en “toestemming geven” invoegen: op hun gezamenlijk verzoek.
- In artikel 2, eerste lid, “burgemeester en wethouders”, daar hier - zoals uit het daaropvolgende tweede lid blijkt - het bestuursorgaan wordt aangeduid, wijzigen in: het college van burgemeester en wethouders.
- In artikel 3, eerste lid, “overlegd” wijzigen in: overgelegd.
- In artikel 3, tweede lid, onderdeel a, “de doelstelling, wijze van inrichting” wijzigen in: de doelstelling, de wijze van inrichting.
- In artikel 3, tweede lid, onderdeel b, “de start- en doorlooptijd” wijzigen in: de begindatum en de duur.
- In artikel 3, tweede lid, onderdeel c, “de locatie waar het experiment wordt gehouden” wijzigen in: de plaats waar het experiment wordt uitgevoerd.
- In artikel 3, tweede lid, onderdeel d, aan “de evaluatie” toevoegen: van het experiment.
- In artikel 3, derde lid, “op een locatie” wijzigen in: op een plaats.
- In artikel 3, vierde lid, “over het experiment” verplaatsen en zetten achter “het oordeel”.
Nota van toelichting
- De paragrafen ter bevordering van de raadpleegbaarheid nummeren.
Nader rapport (reactie op het advies) van 17 maart 2004
De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit een aantal opmerkingen.
1. De inzet van het experiment als beleidsinstrument
a. Met het experimenteerartikel 82a heeft de Wet SUWI een basis gekregen voor het uitvoeren van experimenten. Zoals in de toelichting bij het ontwerpbesluit is aangegeven, is in de praktijk gebleken dat bij ketenpartners de behoefte bestaat aan grotere beleidsvrijheid om te kunnen komen tot een efficiëntere en effectievere samenwerking. De Raad adviseert in de toelichting de praktijkervaringen nader te duiden en aan te geven waarom deze ervaringen geen aanleiding vormen om direct de Wet SUWI op punten aan te passen.
Voor de dagelijkse uitvoeringspraktijk is sinds de invoering van SUWI door partners in de keten van werk en inkomen naar innovatieve organisatievormen gezocht voor de in de Wet SUWI voorgeschreven wijze van uitvoering. Met name is gezocht naar effectievere methoden voor arbeidstoeleiding al dan niet in combinatie met een pragmatische taakverdeling op het gebied van de uitkeringsintake. Deze activiteiten moeten in het licht worden gezien van het streven de poortwachtersfunctie te optimaliseren. Veelal heeft dit geresulteerd in detacheringsconstructies over en weer, waardoor de beschikbare kennis en kunde bij de ketenpartners op een effectievere en efficiëntere wijze kan worden ingezet.
Het kabinet acht het wenselijk ketenpartners de ruimte te bieden om, binnen de in het ontwerpbesluit gestelde voorwaarden, invulling te geven aan de samenwerking. Het doel van het experimenteerartikel is, zoals vermeld in de toelichting bij het ontwerpbesluit, nieuwe vormen van samenwerking, die niet passen binnen de huidige wettelijke kaders, in de praktijk te beproeven. Eerst nadat proefondervindelijk is vastgesteld of de voorgestelde veranderingen daadwerkelijk verbeteringen zijn, is aanpassing van de Wet SUWI aan de orde. Om deze reden is besloten de Wet SUWI niet direct aan te passen. De toelichting is op dit punt aangepast.
b. De Raad stelt zich de vraag hoe is gewaarborgd dat de uit te voeren experimenten, bij elkaar genomen, door hun aantal en opzet en uit een oogpunt van onderlinge vergelijkbaarheid te zijner tijd een voldoende ervaringsgrondslag zullen vormen voor besluitvorming over eventuele aanpassing van de Wet SUWI. In de toelichting bij het ontwerpbesluit staat dat ketenpartners en het Ministerie van SZW periodiek in commissieverband overleg voeren over de afstemming tussen en de voortgang van de experimenten. Ook de evaluaties van de experimenten en de resultaten die met de experimenten zijn bereikt worden in deze commissie besproken. Dit biedt de mogelijkheid om op basis van de resultaten van meerdere experimenten conclusies te trekken over de wenselijkheid te komen tot aanpassing van SUWI-regelgeving. In dit verband zullen argumenten worden bezien en gewogen of het resultaat van een experiment voldoende aanleiding vormt om de Wet SUWI aan te passen. In het evaluatie-rapport, dat aan de Staten-Generaal moet worden gezonden, moet ook een standpunt worden opgenomen over de wijze van voortzetting. De uitkomsten van het beraad in de commissie zullen voor dit standpunt bepalend zijn. De toelichting is op dit punt aangepast.
2. De rol van het CWI
In artikel 2, tweede lid, is bepaald dat CWI altijd een deel van de uitkeringsintake blijft verrichten. De Raad adviseert in de toelichting te verduidelijken waar de ondergrens ligt voor het wegnemen van taken van CWI. Met het experimenteerartikel beoogt het kabinet de ketenpartners maximale ruimte te bieden voor de samenwerking op het gebied van de arbeidsinschakeling en het aanvragen van uitkeringen, toeslagen of bijstand. Zoals de Raad terecht opmerkt, ligt het initiatief tot een experiment bij de ketenpartners gezamenlijk. Dat geldt eveneens voor de vorm en inhoud van het experiment. Het kabinet heeft gemeend geen ondergrens te moeten bepalen met betrekking tot uitvoering van de uitkeringsintake door CWI, anders dan de voorwaarde dat ten minste een deel van de uitkeringsintake bij CWI moet zijn belegd. Deze voorwaarde is opgenomen om zeker te stellen dat alle daarvoor in aanmerking komende werkzoekenden zich te allen tijde eerst melden bij CWI. Het is aan de ketenpartners om te bepalen waar de ondergrens precies ligt. Het advies van de Raad is op dit punt niet overgenomen.
3. Voorwaarden
a. Financiering
De Raad beveelt aan de voornemens ten aanzien van de financiering van een experiment, als onderdeel van het plan van aanpak, deel uit te laten maken van de reeks voorwaarden genoemd in artikel 3 van het ontwerpbesluit.
Artikel 82a van de Wet SUWI voorziet niet in financiering van welke kosten van experimenten dan ook, zodat hieraan in deze algemene maatregel van bestuur geen uitwerking wordt gegeven. Het staat de ketenpartners echter vrij om binnen de gegeven financiële kaders met elkaar afspraken te maken over een nadere kostenverdeling. Het kabinet deelt de opvatting van de Raad, dat het wenselijk is dat wanneer partijen afspraken hebben gemaakt over een nadere kostenverdeling, deze afspraken worden weergegeven in het plan van aanpak. Echter, gezien het feit dat deze afspraken niet noodzakelijkerwijs tot stand hoeven te komen, is een dergelijke bepaling niet in het ontwerpbesluit opgenomen. In de toelichting op artikel 3 is opgenomen, dat het in de rede ligt dat wanneer partijen afspraken hebben gemaakt over een nadere kostenverdeling, deze afspraken in het plan van aanpak worden weergegeven.
b. Werkproceskoppelingen
Een experiment kan gevolgen hebben voor werkproceskoppelingen en ICT-ondersteuning. Indien deze gevolgen zich voordoen, ligt het in de rede dat partijen deze consequenties in het plan van aanpak weergeven. De Raad adviseert artikel 3, tweede lid, hierop aan te passen. Gezien het feit dat niet alle experimenten consequenties voor de werkproceskoppelingen en ICT-ondersteuning zullen hebben, is dit punt niet in artikel 3, tweede lid, opgenomen. De toelichting is conform 3a op dit punt aangepast.
4. De redactionele kanttekeningen zijn overgenomen met uitzondering van wijziging van de term ‘locatie’ in ‘plaats’. Ten aanzien van bedrijfsverzamelgebouwen, waar dienstverlening op het gebied van werk en inkomen plaatsvindt, is het gebruikelijk de term ‘locatie’ te hanteren.
Ik moge U hierbij, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid