Ontwerp van een algemene maatregel van rijksbestuur houdende regels met betrekking tot de veiligheid en certificering van zeeschepen (Schepenbesluit 2004), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W09.04.0116/V/K
- Datum advies
- 17 mei 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 13 juli 2004, nr 131
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerp van een algemene maatregel van rijksbestuur houdende regels met betrekking tot de veiligheid en certificering van zeeschepen (Schepenbesluit 2004), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 18 maart 2004, no.04.001105, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Verkeer en Waterstaat, bij de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerp van een algemene maatregel van rijksbestuur houdende regels met betrekking tot de veiligheid en certificering van zeeschepen (Schepenbesluit 2004), met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit beoogt – ter vervanging van het Schepenbesluit 1965 - het kader voor de regels ter uitvoering van de Schepenwet te moderniseren en te vereenvoudigen en de daaruit voortvloeiende administratieve lasten voor het bedrijfsleven te verminderen. De Raad van State van het Koninkrijk onderschrijft de strekking van het voorstel, maar maakt een opmerking over de definitie van “Onze Minister” in de begripsbepalingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het voorstel wenselijk is.
In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, wordt onder “Onze Minister” verstaan: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, handelende in overeenstemming met Onze Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba wie het mede aangaat. Volgens de toelichting op dit onderdeel van artikel 1 zijn tussen de landen van het Koninkrijk in het verleden afspraken gemaakt over de medebetrokkenheid van de Nederlandse Antillen en Aruba bij de totstandkoming van krachtens de Schepenwet aan de Minister van Verkeer en Waterstaat gedelegeerde regelgeving. Beoogd is deze afspraken door middel van de toegevoegde zinsnede “handelende in overeenstemming met Onze Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba wie het mede aangaat” in het ontwerpbesluit te verankeren.
De Raad adviseert deze toevoeging te laten vervallen. De Minister van Verkeer en Waterstaat treedt in het kader van de Schepenwet immers op in de hoedanigheid van minister van het Koninkrijk. Dat veronderstelt dat hij waar nodig overleg pleegt met de regeringen van de landen van het Koninkrijk. Bovendien worden aan hem in het ontwerpbesluit ook andere taken en bevoegdheden dan het stellen van nadere regels toegekend, waarbij van medebetrokkenheid geen sprake hoeft te zijn.
De Raad adviseert te volstaan met de vermelding van genoemde afspraken in de nota van toelichting.
De Raad van State van het Koninkrijk geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State van het Koninkrijk
Nader rapport (reactie op het advies) van 16 juni 2004
De Raad van State van het Koninkrijk onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, doch acht het wenselijk dat het besluit op een onderdeel wordt aangepast.
1. De Raad heeft geadviseerd om in de omschrijving van het begrip “Onze Minister” (artikel 1, eerste lid, onder h) de toevoeging “handelende in overeenstemming met Onze Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba wie het mede aangaat” te laten vervallen en de medebetrokkenheid van de Nederlandse Antillen en Aruba bij de totstandkoming van gedelegeerde regelgeving in de toelichting tot uitdrukking te laten komen. Aan dit advies van de Raad is gevolg gegeven.
2. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in het besluit de volgende wijzigingen en verbeteringen aan te brengen:
a. In artikel 5, tweede lid, is de voorgenomen beëindiging van de uitzonderingspositie voor zeilschepen tot 500 GT komen te vervallen. In het ontwerp-besluit was bepaald dat de uitzondering slechts zou blijven gelden voor zeilschepen, gebouwd voor 1 januari 2005. Na overleg met de sector is evenwel besloten om de uitzondering voorlopig voor alle zeilschepen tot 500 GT te handhaven, ongeacht hun bouwdatum, omdat de consequenties van de voorgenomen beëindiging bij nader inzien nog onvoldoende duidelijk zijn.
Met het oog op het feit dat de uitzonderingspositie voor zeilschepen voorlopig zal worden gehandhaafd, is besloten om ook de thans geldende beperking dat de uitzondering alleen geldt voor zeilschepen met ten hoogste 36 passagiers, te handhaven. De totnogtoe gebruikelijke bovengrens van 40 meter keert echter niet meer terug. Om zoveel mogelijk eenheid te brengen in de in het besluit gehanteerde lengte- en tonnagegrenzen die het toepassingsbereik van de verschillende voorschriften bepalen, is de 40-metergrens (die verder nergens in het besluit voorkomt) vervangen door de meer algemene grens van 500 GT die ook in het SOLAS-verdrag wordt gehanteerd. Voor de praktijk heeft deze wijziging van de bovengrens, die hierdoor feitelijk iets hoger komt te liggen, geen consequenties.
b. In artikel 46, eerste en tweede lid, is het woord "veiligheidseisen" vervangen door het woord "eisen". Het begrip "veiligheidseisen" hield ten onrechte geen rekening met het feit dat eventuele krachtens artikel 46 te stellen eisen ook betrekking moeten kunnen hebben op de beveiliging van schepen (vgl. artikel 44). Het begrip "veiligheid" (in het SOLAS-verdrag aangeduid als "Safety") ziet op wat zou kunnen worden omschreven als de traditionele scheepsveiligheid en heeft geen betrekking op de beveiliging van schepen ("Security"). In artikel 46 is daarom aansluiting gezocht bij het ook in artikel 3a van de Schepenwet gebruikte begrip "eisen", dat in de systematiek van wet en besluit zowel betrekking kan hebben op de veiligheid van schepen als op hun beveiliging.
c. In artikel 50 is een nieuw tweede lid opgenomen. De aanvankelijke tekst van artikel 50 bleek vragen op te roepen of met het eerste lid ook de verplichting van de eigenaar om ervoor te zorgen dat in zijn bedrijfsorganisatie en aan boord van zijn schepen beveiligingsfunctionarissen worden aangesteld, voldoende was afgedekt. Om er geen onduidelijkheid over te laten bestaan dat de aanstelling van beveiligingsfunctionarissen een eis is waaraan ter verkrijging van een internationaal scheepsbeveiligingscertificaat moet worden voldaan, is deze eis thans uitdrukkelijk in het tweede lid opgenomen. Het oorspronkelijke tweede lid is vernummerd tot derde lid.
d. Aan artikel 63 is een derde lid toegevoegd. Aanvankelijk was het de bedoeling om de vaststelling van de beveiligingsniveaus door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te laten geschieden. In het SOLAS-verdrag is dit immers een bevoegdheid van de “Administration” en het leek daarom voor de hand te liggen om deze bevoegdheid, evenals de meeste andere aan de “Administration“ toekomende bevoegdheden, aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toe te kennen. Bij nader inzien komt het echter wenselijker voor om de bevoegdheid tot vaststelling van de beveiligingsniveaus voor schepen op te dragen aan dezelfde ministers waaraan op grond van de (nog tot stand te brengen) havenbeveiligingswetgeving van de landen ook de bevoegdheid tot vaststelling van de beveiligingsniveaus voor zeehavens zal worden opgedragen.
e. Met het oog op de snel naderende 1 juli 2004-datum waarop de internationale beveiligingsmaatregelen voor schepen in werking moeten treden, is er voor gekozen om artikel 74 alvast de inwerkingtreding van de uit het besluit voortvloeiende beveiligingsverplichtingen te laten regelen. Voor de overige uit het besluit voortvloeiende verplichtingen blijft gelden dat hun inwerkingtreding bij koninklijk besluit zal worden geregeld.
Tot besluit is van de gelegenheid gebruik gemaakt om nog een aantal redactionele verbeteringen aan te brengen en de nota van toelichting bij het besluit op een aantal punten te actualiseren, bijvoorbeeld ten aanzien van de onlangs totstandgekomen verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PbEU L 129).
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
Het ontwerpbesluit beoogt – ter vervanging van het Schepenbesluit 1965 - het kader voor de regels ter uitvoering van de Schepenwet te moderniseren en te vereenvoudigen en de daaruit voortvloeiende administratieve lasten voor het bedrijfsleven te verminderen. De Raad van State van het Koninkrijk onderschrijft de strekking van het voorstel, maar maakt een opmerking over de definitie van “Onze Minister” in de begripsbepalingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het voorstel wenselijk is.
In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, wordt onder “Onze Minister” verstaan: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, handelende in overeenstemming met Onze Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba wie het mede aangaat. Volgens de toelichting op dit onderdeel van artikel 1 zijn tussen de landen van het Koninkrijk in het verleden afspraken gemaakt over de medebetrokkenheid van de Nederlandse Antillen en Aruba bij de totstandkoming van krachtens de Schepenwet aan de Minister van Verkeer en Waterstaat gedelegeerde regelgeving. Beoogd is deze afspraken door middel van de toegevoegde zinsnede “handelende in overeenstemming met Onze Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba wie het mede aangaat” in het ontwerpbesluit te verankeren.
De Raad adviseert deze toevoeging te laten vervallen. De Minister van Verkeer en Waterstaat treedt in het kader van de Schepenwet immers op in de hoedanigheid van minister van het Koninkrijk. Dat veronderstelt dat hij waar nodig overleg pleegt met de regeringen van de landen van het Koninkrijk. Bovendien worden aan hem in het ontwerpbesluit ook andere taken en bevoegdheden dan het stellen van nadere regels toegekend, waarbij van medebetrokkenheid geen sprake hoeft te zijn.
De Raad adviseert te volstaan met de vermelding van genoemde afspraken in de nota van toelichting.
De Raad van State van het Koninkrijk geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State van het Koninkrijk
Nader rapport (reactie op het advies) van 16 juni 2004
De Raad van State van het Koninkrijk onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, doch acht het wenselijk dat het besluit op een onderdeel wordt aangepast.
1. De Raad heeft geadviseerd om in de omschrijving van het begrip “Onze Minister” (artikel 1, eerste lid, onder h) de toevoeging “handelende in overeenstemming met Onze Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba wie het mede aangaat” te laten vervallen en de medebetrokkenheid van de Nederlandse Antillen en Aruba bij de totstandkoming van gedelegeerde regelgeving in de toelichting tot uitdrukking te laten komen. Aan dit advies van de Raad is gevolg gegeven.
2. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in het besluit de volgende wijzigingen en verbeteringen aan te brengen:
a. In artikel 5, tweede lid, is de voorgenomen beëindiging van de uitzonderingspositie voor zeilschepen tot 500 GT komen te vervallen. In het ontwerp-besluit was bepaald dat de uitzondering slechts zou blijven gelden voor zeilschepen, gebouwd voor 1 januari 2005. Na overleg met de sector is evenwel besloten om de uitzondering voorlopig voor alle zeilschepen tot 500 GT te handhaven, ongeacht hun bouwdatum, omdat de consequenties van de voorgenomen beëindiging bij nader inzien nog onvoldoende duidelijk zijn.
Met het oog op het feit dat de uitzonderingspositie voor zeilschepen voorlopig zal worden gehandhaafd, is besloten om ook de thans geldende beperking dat de uitzondering alleen geldt voor zeilschepen met ten hoogste 36 passagiers, te handhaven. De totnogtoe gebruikelijke bovengrens van 40 meter keert echter niet meer terug. Om zoveel mogelijk eenheid te brengen in de in het besluit gehanteerde lengte- en tonnagegrenzen die het toepassingsbereik van de verschillende voorschriften bepalen, is de 40-metergrens (die verder nergens in het besluit voorkomt) vervangen door de meer algemene grens van 500 GT die ook in het SOLAS-verdrag wordt gehanteerd. Voor de praktijk heeft deze wijziging van de bovengrens, die hierdoor feitelijk iets hoger komt te liggen, geen consequenties.
b. In artikel 46, eerste en tweede lid, is het woord "veiligheidseisen" vervangen door het woord "eisen". Het begrip "veiligheidseisen" hield ten onrechte geen rekening met het feit dat eventuele krachtens artikel 46 te stellen eisen ook betrekking moeten kunnen hebben op de beveiliging van schepen (vgl. artikel 44). Het begrip "veiligheid" (in het SOLAS-verdrag aangeduid als "Safety") ziet op wat zou kunnen worden omschreven als de traditionele scheepsveiligheid en heeft geen betrekking op de beveiliging van schepen ("Security"). In artikel 46 is daarom aansluiting gezocht bij het ook in artikel 3a van de Schepenwet gebruikte begrip "eisen", dat in de systematiek van wet en besluit zowel betrekking kan hebben op de veiligheid van schepen als op hun beveiliging.
c. In artikel 50 is een nieuw tweede lid opgenomen. De aanvankelijke tekst van artikel 50 bleek vragen op te roepen of met het eerste lid ook de verplichting van de eigenaar om ervoor te zorgen dat in zijn bedrijfsorganisatie en aan boord van zijn schepen beveiligingsfunctionarissen worden aangesteld, voldoende was afgedekt. Om er geen onduidelijkheid over te laten bestaan dat de aanstelling van beveiligingsfunctionarissen een eis is waaraan ter verkrijging van een internationaal scheepsbeveiligingscertificaat moet worden voldaan, is deze eis thans uitdrukkelijk in het tweede lid opgenomen. Het oorspronkelijke tweede lid is vernummerd tot derde lid.
d. Aan artikel 63 is een derde lid toegevoegd. Aanvankelijk was het de bedoeling om de vaststelling van de beveiligingsniveaus door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te laten geschieden. In het SOLAS-verdrag is dit immers een bevoegdheid van de “Administration” en het leek daarom voor de hand te liggen om deze bevoegdheid, evenals de meeste andere aan de “Administration“ toekomende bevoegdheden, aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toe te kennen. Bij nader inzien komt het echter wenselijker voor om de bevoegdheid tot vaststelling van de beveiligingsniveaus voor schepen op te dragen aan dezelfde ministers waaraan op grond van de (nog tot stand te brengen) havenbeveiligingswetgeving van de landen ook de bevoegdheid tot vaststelling van de beveiligingsniveaus voor zeehavens zal worden opgedragen.
e. Met het oog op de snel naderende 1 juli 2004-datum waarop de internationale beveiligingsmaatregelen voor schepen in werking moeten treden, is er voor gekozen om artikel 74 alvast de inwerkingtreding van de uit het besluit voortvloeiende beveiligingsverplichtingen te laten regelen. Voor de overige uit het besluit voortvloeiende verplichtingen blijft gelden dat hun inwerkingtreding bij koninklijk besluit zal worden geregeld.
Tot besluit is van de gelegenheid gebruik gemaakt om nog een aantal redactionele verbeteringen aan te brengen en de nota van toelichting bij het besluit op een aantal punten te actualiseren, bijvoorbeeld ten aanzien van de onlangs totstandgekomen verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PbEU L 129).
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat