Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W05.02.0420/III

Voorstel van wet van het lid Dijksma tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 in verband met het stellen van regels omtrent sponsoring van scholen in het primair en voortgezet onderwijs, met memorie van toelichting.

Kenmerk
W05.02.0420/III
Datum advies
3 januari 2003
Vindplaats
Kamerstukken 2002/03, 28 512, A
  • Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
  • Initiatiefwet

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Voorstel van wet van het lid Dijksma tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 in verband met het stellen van regels omtrent sponsoring van scholen in het primair en voortgezet onderwijs, met memorie van toelichting.

Bij brief van de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 23 september 2002, heeft de Tweede Kamer bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van het lid Dijksma tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 in verband met het stellen van regels omtrent sponsoring van scholen in het primair en voortgezet onderwijs, met memorie van toelichting.

Regels omtrent sponsoring in het primair en voortgezet onderwijs zijn vastgelegd in het "Convenant sponsoring in het primair en voortgezet onderwijs". Het initiatiefwetsvoorstel strekt ertoe om het stellen van regels omtrent materiële of geldelijke bijdragen van derden aan scholen bij algemene maatregel van bestuur mogelijk te maken en aan convenanten terzake een wettelijke status te geven.
De Raad van State plaatst een aantal kritische opmerkingen, in het bijzonder over de noodzaak van het voorstel en de toekenning van de status van regels voor het openbaar onderwijs en bekostigingsvoorwaarden voor het bijzonder onderwijs aan convenanten op dit terrein.

1. Inleiding
De toelichting bij het voorstel wijst op de gevaren van sponsoring in het onderwijs. Sponsoring, aldus het voorstel, "kan leiden tot beïnvloeding van leerlingen door reclame-uitingen, de vergoelijking van maatschappelijk minder gewenste producten door de bezwaren ertegen als het ware af te kopen, beïnvloeding van de schoolcultuur en het onderwijsprogramma".
De initiatiefnemer is van oordeel dat de naleving van het genoemde convenant te wensen overlaat. De toelichting wijst op een aantal problemen die in dit verband in de praktijk rijzen. Voor eenderde van de scholen die met sponsoring te maken hebben, zijn de inkomsten belangrijk voor het primaire proces. Eenzelfde aantal scholen blijkt de ouders niet te hebben geïnformeerd. Tevens blijft het beleid inzake sponsoring onvermeld in schoolgidsen en formuleren instellingen pas een sponsorbeleid zodra zich daadwerkelijke sponsoring voordoet.
Gezien de risico's van sponsoring enerzijds en de onvoldoende naleving van het convenant inzake sponsoring anderzijds, is de initiatiefnemer van mening dat sponsoring bij wet geregeld dient te worden.

2. Noodzaak

a. De Raad verwijst naar het in 2001 in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen opgestelde rapport "Sponsoring in het Onderwijs" van Regioplan. Uit dit rapport blijkt dat 15 procent van de basisscholen en 22 procent van de middelbare scholen in 1999 te maken heeft gehad met sponsoring. In 2001 was dit percentage, alleen voor wat betreft het middelbaar onderwijs, gestegen en wel tot 27%. In het primair onderwijs ging het om bedragen van 1.000 tot 5.000 gulden per jaar; in het voortgezet onderwijs lagen de bedragen tussen de 5.000 en 10.000 gulden. Voor beide vormen van onderwijs gold, dat het geld vooral werd besteed aan buitenschoolse activiteiten. De meeste scholen rapporteerden dat zij voor het primaire proces niet of nauwelijks afhankelijk waren van de middelen uit externe bron. De meest voorkomende tegenprestatie die scholen leverden, was het plaatsen van een advertentie van de sponsor in de schoolkrant. Het rapport vermeldt verder dat bij de klachtencommissies geen klachten zijn ingediend over sponsoring.(zie noot 1) Op basis van de genoemde gegevens is het college er niet van overtuigd dat de invloed van sponsoring in het onderwijs zo groot is dat overgegaan dient te worden tot de voorgestelde wetswijziging. De Raad vindt een toelichting op haar plaats.

b. Naar aanleiding van het voorstel om de verantwoording van de ontvangen sponsorbijdragen te verbeteren wijst het college erop dat de bepalingen over het schoolplan en de schoolgids nu al de verplichting tot het beschrijven van sponsorbijdragen omvatten. Ook verwijst de Raad naar de Wet medezeggenschap onderwijs 1992, die in artikel 9 de instemmingsbevoegdheid van ouders en eventueel een leerlingendeel vereist voor sponsorbijdragen.
Het college meent dat niet duidelijk is waarom de huidige afspraken en regels, mits aan de naleving de hand wordt gehouden, tekortschieten om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan. Nu met de voorstellen een uitbreiding van de regelgeving wordt ingevoerd die voor alle scholen gevolgen heeft, adviseert de Raad alleen een wettelijke regeling tot stand te brengen indien daaraan een meer dragende motivering ten grondslag kan worden gelegd.

3. De voorgestelde wetswijziging
De voorgestelde wijzigingen voorzien in een aantal wijzigingen van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs.

a. Het voorstel (artikelen I, II en III, onder A en B) laat het onderscheid tussen
sponsorbijdragen en andere bijdragen van derden vervallen. De huidige wetgeving bepaalt dat alleen indien er sprake is van een tegenprestatie van de school, het schoolplan een beschrijving dient te bevatten van het beleid ten aanzien van de aanvaarding van de bijdrage. De voorwaarde van de tegenprestatie komt met dit voorstel te vervallen, waardoor ook andere bijdragen dan sponsorbijdragen in het schoolplan vermeld dienen te worden. Deze wijziging, die niet ziet op sponsorgelden, wordt niet toegelicht.

b. De drie hiervoor genoemde wetten bevatten de verplichting om bijdragen van derden waar een tegenprestatie voor gegeven wordt, te vermelden in de schoolgids (respectievelijk artikel 13, eerste lid, onder g, artikel 22, eerste lid, onder f, en artikel 24, eerste lid, onder f). Niet geheel duidelijk is waarom de term "in het algemeen" wordt toegevoegd aan het eerste lid, onder f respectievelijk g, van de oorspronkelijke wettekst. Vermoedelijk wordt hier gedoeld op het algemene beleid inzake deze bijdragen. De Raad meent dat een toelichting op haar plaats zou zijn.
Voorts voegt het voorstel een onderdeel h respectievelijk g toe aan de oorspronkelijke wettekst, dat verplicht tot het informeren over de besteding van de in het afgelopen jaar ontvangen bijdragen. De toelichting maakt niet duidelijk waarom deze bepaling aan de oorspronkelijke wettekst wordt toegevoegd. Ook is niet duidelijk wat de betekenis is van de opmerking in de toelichting dat informatie moet worden verstrekt over de in de voorgaande vier jaar aanvaarde bijdragen van derden. Het college adviseert om de toelichting aan te passen en in overeenstemming te brengen met de voorgestelde bepaling.

c. Met de onderdelen B van de artikelen I, II en III wordt de verplichting opgelegd om in de schoolgids verantwoording af te leggen over de besteding van de in het afgelopen jaar ontvangen bijdragen. Tot dusver heeft de schoolgids alleen het karakter van een document waarmee de ouders worden geïnformeerd over de leerdoelen, de wijze waarop de school deze doelen wil bereiken en hoe op de school wordt omgegaan met de kinderen en met de onderwijstijd: een beleidsmatig document derhalve.
Een verandering van karakter van de schoolgids naar een verantwoordingsdocument lijkt verder te gaan dan nodig om alleen de besteding van de sponsorbijdragen te verantwoorden. De Raad adviseert in de toelichting de keuze om van de schoolgids een document te maken om tegenover de ouders verantwoording af te leggen over het voorafgaande jaar nader te motiveren.

d. Het voorstel voegt onder C de artikelen 13a, 22a en 24a1 toe aan vorengenoemde wetten. Het eerste lid van deze bepalingen maakt het mogelijk dat bij algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven omtrent de wijze waarop het bevoegd gezag "omgaat" met donaties en sponsorbijdragen. Het tweede en derde lid van deze bepaling schrijven voor dat, indien er een convenant is afgesloten inzake sponsoring in het onderwijs, dit in de plaats treedt van de bestaande algemene maatregel van bestuur, respectievelijk dat de algemene maatregel van bestuur niet opgesteld wordt zolang dit convenant van kracht is. Ingevolge artikel IV van het voorstel wordt het bestaande convenant aangemerkt als een convenant in de zin van deze bepaling.
Ingevolge het vierde lid van de voorgestelde bepaling worden de bepalingen uit het convenant die betrekking hebben op de wijze waarop schoolbesturen omgaan met bijdragen van derden aangemerkt als regels voor het openbaar onderwijs en voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder onderwijs. Daarmee worden deze bepalingen volgens de toelichting "als het ware bij wet "algemeen verbindend verklaard"".

De Raad wijst erop dat - zoals hij ook met betrekking tot de wetsvoorstellen Basisvorming en kerndoelen en Weer samen naar school naar voren heeft gebracht(zie noot 2)-de regels voor het openbaar onderwijs en de bekostigingsvoorwaarden voor het bijzonder onderwijs zoveel mogelijk dienen te worden vastgesteld bij wet of, krachtens de wet, bij algemene maatregel van bestuur. Het voorstel voorziet erin dat geen algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld, of - als deze reeds tot stand is gekomen - de algemene maatregel van bestuur niet in werking treedt c.q. niet van toepassing is zolang voor de betrokken bevoegde gezagsorganen een convenant als bedoeld in het wetsvoorstel geldt. De Raad acht het, gelet op het hiervoor vermelde criterium, niet juist de bepalingen van deze convenanten de status te geven van regels voor het openbaar onderwijs en voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder onderwijs.
De wijze van totstandkoming van een convenant is wezenlijk anders dan die van een wet of een algemene maatregel van bestuur. "Delegatie" van wetgeving aan een convenant zou niet alleen in strijd zijn met artikel 23 van de Grondwet, maar zou ook tot een situatie leiden waarin partijen die niet tot de overheid behoren deelnemen aan het vaststellen van regels over het openbaar onderwijs, hetgeen niet in overeenstemming is met de aard van dit van overheidswege ingerichte onderwijs. Een wettelijke bepaling ter verhoging van de status van de convenanten lijkt bovendien niet in overeenstemming met de aard van een convenant, nu de betrokken organisaties zich daaraan reeds bij de totstandkoming van het convenant hebben gebonden, ook jegens de minister als partij daarbij. Voorzover scholen thans zouden tekortschieten in het doen van een mededeling in de schoolgids over het beleid inzake bijdragen van derden,(zie noot 3) voorzien de onderdelen B van de artikelen I tot en met III reeds in een wettelijke verplichting. Evenmin lijkt een statusverhoging van de convenanten nodig om de inspectie op deze wijze terzake een taak te geven,(zie noot 4) nu deze ingevolge artikel 3 van de Wet op het onderwijstoezicht zich naast de naleving van wettelijke voorschriften ook uitstrekt tot andere aspecten van de kwaliteit van het onderwijs.
De Raad adviseert daarom in de onderdelen C van elk van de artikelen I tot en met III het daar opgenomen vierde lid van de nieuwe wetsartikelen te laten vervallen.

4. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.

De Vice-President van de Raad van State


Bijlage bij het advies van de Raad van State van 3 januari 2003, no.W05.02.0420/III, met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.

Aan de eerste volzin van de memorie van toelichting een verwijzing naar de daar bedoelde wettelijke bepalingen toevoegen.


Reactie (op het advies) van de indiener van 9 april 2003

2.a. Bij sponsoring in het onderwijs moet worden opgemerkt dat de bedragen niet zoveel zeggen als daarbij niet factoren als frequentie, doel en aantal leerlingen worden meegewogen.
In 1997 heeft de Staat der Nederlanden in casu de staatssecretaris van onderwijs zich tezamen met een groot aantal onderwijs- en maatschappelijke organisaties door middel van een convenant vooreerst voor een termijn van vijf jaar gebonden aan een aantal afspraken teneinde sponsoring in het onderwijs te reguleren. Na ommekomst van deze periode en op basis van een onderzoek hebben genoemde partijen besloten het convenant onder enkele aanpassingen te verlengen voor een nieuwe periode van vijf jaar.
Toen sponsoring in het onderwijs actueel werd heeft de toenmalige staatssecretaris advies gevraagd aan de Consumentenbond. De Consumentenbond adviseerde een wettelijke regeling, doch gaf partijen het voordeel van de twijfel door in te stemmen met zelfregulering in de vorm van een convenant. Daarbij tekende de Consumentenbond aan dat wanneer na enkele jaren zou blijken dat het convenant niet de beoogde werking zou hebben een wettelijke regeling alsnog kon worden ingevoerd.
Uit het onderzoek in 2001 blijkt dat het convenant niet de beoogde werking heeft gehad. Het convenant wordt nauwelijks gekend. Schoolleiders veronderstellen dat leerkrachten en ouders "het wel eens zullen zijn met de acceptatie van sponsorgelden", hetgeen door het onderzoek wordt weerlegd. Wettelijke bepalingen inzake sponsoring over medezeggenschap, vermelding in de schoolgids van het beleid en de mogelijkheid tot indienen van klachten worden niet nageleefd.
Daarentegen is een tendens waar te nemen dat bedrijven zich steeds vaker oriënteren op en manifesteren in het onderwijs. Onderwijs wordt als een aantrekkelijke markt gezien, waarover later meer.

Samenvattend:
Er kan worden geconcludeerd dat het zelfregulerend vermogen van de maatschappij duidelijk tekort schiet, ondanks de goede wil van partijen en de gepleegde inspanningen. Dit legitimeert een interventie door de overheid. Door het wetsvoorstel wordt enerzijds recht gedaan aan de uitkomsten van het genoemde onderzoek en anderzijds het oorspronkelijke advies van de Consumentenbond gehonoreerd.

De RvS constateert in zijn advies op basis van voornoemd onderzoek dat de invloed van sponsoring in het onderwijs niet zo groot is dat overgegaan dient te worden tot de voorgestelde wetswijziging.
De in het onderzoek genoemde feitelijke gegevens over de huidige omvang van sponsoring in het onderwijs worden niet weersproken. Zij zijn thans zo als ze zijn.
Daartegenover staat echter de maatschappelijke tendens dat grote bedrijven, in het bijzonder leveranciers van computer hardware, steeds meer daadwerkelijk in scholen aanwezig zijn, teneinde de mogelijkheden van deze markt te verkennen. KPN is begonnen in De Bilt, Siemens is gevolgd in Zoetermeer, Toshiba e.a. in Lichtenvoorde en van nog recenter datum IBM in 250 peuterspeelzalen (!). Het feit dat zij hier worden genoemd maakt de investering opnieuw rendabel, maar dat terzijde. Bij de laatste twee initiatieven waren overigens respectievelijk aanwezig de minister van onderwijs en de staatssecretaris van EZ, hetgeen naar de samenleving een impliciete goedkeuring representeert.

Samenvattend:
De activiteiten van het bedrijfsleven worden door hen getypeerd als een "pilot" met als doel «marktverkenning» gericht op een "spin off". Er is geen sprake van altruïsme, maar vooral van bedrijfseconomische motieven. De scholenmarkt is een interessante markt, die thans wordt verkend.

In het televisieprogramma Nieuw Economisch Peil (RVU/Teleac). "De school als marktplaats" van 6 januari 2003, wordt de gesignaleerde maatschappelijke tendens door verschillende deelnemers aan het programma benadrukt.
Drie deelnemers verwoordden de belangen van schoolsponsoring. Jongerenmarketeer Sikkema spreekt als volgt: "Waarom zijn jongeren zo interessant voor marketeers? De jongerenmarkt staat eigenlijk nog in de kinderschoenen, is zich zo langzamerhand aan het ontwikkelen. Op de eerste plaats zijn jongeren interessant omdat ze heel veel geld te besteden hebben en het inkomen van jongeren is in de laatste jaren sterk gestegen. Verder is het zo dat de jongeren de consumenten van de toekomst zijn en als je nu jongeren aan je weet te binden, dan zou dat profijt kunnen opleveren op de langere termijn. Zij blijven misschien wel 40 of 50 jaar jouw klant. Ze hebben thuis veel invloed op hun ouders. Er zullen maar weinig ouders zijn die een computer aanschaffen zonder dat hun zoon of dochter daar op een of andere manier invloed op uitoefent".
Reijmerink van Toshiba geeft het bedrijfsbelang van sponsoring aan: "Voor ons is het erg belangrijk dat we onze naam verbinden aan de educatieve markt in Nederland. Dit zijn toch wel de werknemers en de werkgevers van de toekomst, dus het commerciële belang is ook duidelijk aanwezig. Ze hebben toch een bepaald logo voortdurend onder de ogen. Kinderen merken daar aanvankelijk niks van maar zullen daar hopelijk later wel naar teruggrijpen." Sponsorwerver Van der Westen schetst een toekomstbeeld op basis van gesprekken met honderden onderwijsmensen, die niet meer geloven dat de overheid ooit de scholen op een fatsoenlijke manier zal bekostigen: "Private bijdragen aan het onderwijs, daar zul je zien dat initiatieven van lokale bedrijven, ondernemers en particulieren zullen gaan toenemen. Daar ben ik heilig van overtuigd."
Dat er inderdaad een nieuwe markt zich aandient blijkt tevens uit de nieuwe website voor verenigingen en scholen www.sponsorplan.nl.

Samenvattend:
Op dit moment is de omvang van sponsoring in scholen nog beperkt. De maatschappelijke tendens zal zich echter zonder interventie van de overheid in een ongewenste richting ontwikkelen. Om dat te voorkomen is een politiek antwoord vereist.
Wet- en regelgeving is veelal reactief en komt daarom vaak te laat tot stand. Dit wetsvoorstel is zowel actief als vooral pro-actief, zodat later niemand kan zeggen het niet te hebben geweten en daarom niet tijdig te hebben ingegrepen. De noodzaak tot interventie is voldoende aangetoond.

b. Waarom de huidige afspraken, in het bijzonder die in het convenant, tekort schieten is in het voorafgaande genoegzaam uiteengezet.
Met de door de RvS genoemde regels wordt door de Raad gedoeld op de bepalingen over het schoolplan en de schoolgids, die nu al de verplichting tot het beschrijven van sponsorbijdragen omvatten. Tevens verwijst de Raad naar artikel 9 van de Wet medezeggenschap onderwijs 1992, waarin de instemmingsbevoegdheid van ouders/leerlingen met betrekking tot sponsoring is vereist.
Om met het laatste te beginnen: met uitzondering van de aanhef wordt de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 verder in het wetsvoorstel niet genoemd. Uitsluitend in de toelichting wordt een status quo weergegeven. Er is hier dus sprake van een abuis, dat het wetsvoorstel zoals gewijzigd naar aanleiding van het advies van de RvS eenvoudig corrigeert. Voor wat betreft de overige genoemde regels meent de Raad dat niet duidelijk is waarom de huidige afspraken en regels, mits aan de naleving de hand wordt gehouden, tekort schieten. De Raad vraagt om een meer dragende motivering. De huidige regels zijn procedurele voorschriften zonder enig inhoudelijk referentiekader of wettelijke mogelijkheid tot het opleggen van sancties, die in verhouding staan tot een eventuele overtreding. Tussen de bestaande, procedurele regels en het inhoudelijke convenant sponsoring bestaat thans geen wettelijke relatie. Uit het genoemde onderzoek van Regioplan komt naar voren dat in veel schoolgidsen sponsorbeleid en klachtenregeling niet voorkomen. Erger nog, het onderzoek laat zien dat een groot aantal scholen geen schoolgids heeft. Wanneer de onderwijsinspectie dit soort omissies signaleert kan eventueel bij herhaling een aanwijzing worden gegeven, waarvan het niet opvolgen geen gevolgen heeft. Als dat wel zo zou zijn dan zouden de zonder meer stuitende gegevens uit het onderzoek niet naar voren zijn gekomen. Het wetsvoorstel ziet op het vormgeven van de inhoudelijke relatie.
De suggestie dat met de voorstellen een uitbreiding van de regelgeving wordt ingevoerd, is onjuist: er wordt slechts een wettelijke status verleend aan regels waaraan de convenantpartners zich reeds hebben gebonden.

Samenvattend:
De vermelding van de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 in de aanhef wordt geschrapt.
Het wetsvoorstel ziet op het vormgeven van de relatie tussen de bestaande, procedurele regels en het inhoudelijke convenant sponsoring. Het vormt niet zozeer een uitbreiding van de regelgeving als een wettelijke verankering van afspraken waaraan convenantpartners zich reeds hebben gebonden.

3a. De Raad mist een toelichting waarom het onderscheid tussen sponsoring en andere bijdragen conform het wetsvoorstel zou moeten vervallen.
Tussen sponsoring, vooralsnog gedefinieerd met het kernwoord "tegenprestatie", en donaties bestaat een grijs gebied. Tegenprestaties zijn niet (uitputtend) omschreven, hetgeen ook ondoenlijk kan worden geacht. De zelfde argumenten die tegen sponsoring opgeld doen zullen veelal ook op donaties en dergelijke van toepassing zijn. Hoewel donaties het karakter hebben van een eenmalige gift kan ook voor meerdere jaren een afspraak met een donateur worden gemaakt over jaarlijks eenmalige donaties. Zowel bij sponsoring als bij donaties kan de afhankelijkheid tussen de school en de gever ongewenste vormen aannemen. Gestart met een donatie kan een donateur op termijn wel tegenprestaties eisen, die alsdan gegeven de ontstane afhankelijkheid wel moeten worden geaccepteerd.
Net als bij sponsoring kunnen ouders/leerlingen bezwaar hebben tegen de bedrijfspolicy of de producten van een donateur. In de huidige situatie zouden die bezwaren niet worden gehoord.
Ook al zou de donateur blijvend geen tegenprestatie vragen, hij zal niet nalaten om zelf aan de samenleving te laten weten dat hij een donatie aan het onderwijs heeft gegeven en dit in reclame-uitingen en jaarverslagen naar buiten brengen. Daarmee kan het onderwijs ongewild worden gebruikt voor een legitimatie van maatschappelijk minder gewenste bedrijfsactiviteiten in termen van corporate communication of maatschappelijk verantwoord ondernemen.
Om deze redenen is het gewenst het onderscheid tussen sponsoring en donaties te laten vervallen.

Samenvattend:
Een uitputtende opsomming van mogelijke tegenprestaties, die het onderscheid tussen sponsoring en donaties zou kunnen aangeven, is niet reëel te achten. Daarenboven bestaat er een grijs gebied tussen sponsoring en donatie. Bezwaren die opgeld doen ten aanzien van sponsoring kunnen onverkort ook gelden ten aanzien van donaties. Om deze redenen is het gewenst het onderscheid tussen sponsoring en donaties te laten vervallen.

3b. De Raad acht niet geheel duidelijk waarom de term «in het algemeen» wordt toegevoegd aan het eerste lid onder f, respectievelijk g, van de oorspronkelijke wettekst. Het vermoeden wordt uitgesproken dat het hier om een algemeen beleid gaat.
Het vermoeden van de Raad is juist zij het met enige nuance. De actuele regelgeving stelt dat sponsorbeleid in het schoolplan en de schoolgids moet worden vermeld. Deze verplichting geldt voor alle scholen, dus ook voor die scholen die geen sponsors kennen of niet willen. Het is dus niet zo dat op het moment dat een sponsor zich aandient of wordt gevonden het beleid moet worden geformuleerd. Het beleid moet er nu al zijn, ongeacht de sponsorpraktijk van een school. Daarbij verdient het de voorkeur een algemeen beleid te formuleren, waaraan incidentele gevallen kunnen worden getoetst. Daarmee wordt voorkomen dat elk incident als "beleid" moet worden opgevat en behandeld.

Samenvattend:
De toevoeging "in het algemeen" strekt ertoe dat scholen beleid formuleren, ook al is sponsoring niet actueel of niet gewenst. Een kenmerk van beleid is dat dit niet wordt gebaseerd op incidenten maar vooraf en intentioneel wordt vormgegeven.

Naar de zienswijze van de Raad is de toelichting op de verplichting tot verantwoording van de besteding plus het geven van informatie over de in de voorgaande vier jaar aanvaarde bijdragen niet duidelijk.
Door het vermelden van de besteding in het achterliggende jaar kan door de ouders/leerlingen worden bepaald of het algemene beleid in overeenstemming is met de daadwerkelijke besteding van ontvangen bijdragen. Dit maakt het mogelijk om vroegtijdig een mogelijke afhankelijkheidsrelatie te onderkennen. Ook wordt helder of een additionele, spraakmakende activiteit, die mogelijkerwijs van betekenis is geweest bij de schoolkeuze, ook in de komende jaren plaats zal vinden. Bovendien maakt vermelding mogelijk na te gaan of de afspraken in het convenant ook in deze specifieke situatie zijn toegepast.
De Raad ziet het juist dat de opmerking in de toelichting dat informatie moet worden verstrekt over de in de voorgaande vier jaar aanvaarde bijdragen van derden geen directe relatie heeft met de tekst van het wetsvoorstel. Op dit punt is kennelijk iets misgegaan in de redactie. Beoogd wordt ook informatie te laten geven over de achterliggende jaren om te voorkomen dat wanneer in een enkel jaar geen bijdrage van derden zou worden ontvangen, maar daarvoor en daarna wel, de indruk zou worden gewekt dat de school niet met sponsors werkt. De termijn van vier jaar is gekozen om de termijn te laten sporen met de werkingsduur van een schoolplan.
De facto is dit punt ondervangen in de verplichting het algemeen beleid te formuleren en kan de toelichting derhalve worden aangepast.

Samenvattend:
De tekst in de toelichting onder B "de in de voorgaande vier schooljaren" wordt vervangen door "in het voorgaande schooljaar". De facto is dit punt ondervangen in de verplichting het algemeen beleid te formuleren en kan de toelichting derhalve worden aangepast.

3c. De Raad voorziet als gevolg van het wetsvoorstel een verandering van het karakter van de schoolgids van een beleids naar een verantwoordingsdocument. Deze zienswijze wordt niet gedeeld.
De schoolgids is in feite in de plaats gekomen van het jaarlijkse activiteitenplan en het jaarverslag van de school. De gids beschrijft in algemene termen het beeld van de school. Daarnaast wordt aandacht geschonken aan de resultaten van het gevoerde beleid, zowel wat is bereikt en wat (nog) niet is bereikt. De schoolgids is in die zin naast een informatiedocument ook te beschouwen als een voortgangsdocument, waarin reeds nu verantwoording wordt afgelegd. Citoscores, genomen maatregelen ten behoeve van een veilig schoolklimaat, de resultaten van de begeleiding van zorgkinderen, de ontwikkeling van het pedagogisch klimaat zijn onderwerpen die in vele schoolgidsen worden aangetroffen. Er is derhalve geen sprake van een verandering, maar van bestendiging van een reeds bestaande praktijk.

Samenvattend:
De zienswijze van de Raad dat er sprake is van een verandering van het karakter van de schoolgids van een beleids- naar een verantwoordingsdocument is niet juist. Reeds nu kenmerkt de schoolgids zich al door een aantal verantwoordingselementen.

3d. De Raad stelt dat als gevolg van het wetsvoorstel er sprake is van een delegatie van wetgeving, in strijd met artikel 23 van de Grondwet, en dat deze delegatie leidt tot een situatie waarin partijen die niet tot de overheid behoren deelnemen aan het vaststellen van regels over het openbaar onderwijs. Tevens voelt de Raad weinig voor een wettelijke bepaling ter verhoging van de status van een convenant.
Het wetsvoorstel beoogt geenszins de wetgeving te delegeren als dat al mogelijk zou zijn. Met betrekking tot (onderwijs)wetgeving ligt het primaat bij de Tweede Kamer en blijft ter zake het primaat daar ook liggen. Sinds jaar en dag is het te doen gebruikelijk dat onderwijsorganisaties door de minister en/of de Tweede Kamer worden betrokken bij het proces van wetgeving. Convenanten tussen de onderwijsorganisaties en de minister worden aan de Tweede Kamer ter kennis gebracht. De Tweede Kamer kan de minister aanspreken op de bereikte resultaten zoals neergelegd in een convenant. Voorbeelden van majeure verandering in het onderwijsbeleid, zoals Toerusting en bereikbaarheid en Weer-Samen-Naar-School, zijn in het recente verleden via convenanten neergelegd in wetgeving.
In principe zouden er twee mogelijkheden bestaan om de positie van de Tweede Kamer nader te bepalen. Zoals ook andere betrokkenen hun achterban raadplegen alvorens zij het convenant ondertekenen, zou kunnen worden bepaald dat de minister de eigen achterban, te weten het parlement zou moeten raadplegen alvorens hij of zij het convenant ondertekent. Boven deze mogelijkheid is echter een koninklijke route verkozen, waarbij een voorhangprocedure wordt gevolgd. Op deze wijze krijgt de Kamer de gelegenheid om naar eigen inzicht de vinger aan de pols te houden bij de afspraken die gaan gelden bij sponsoring.

4. Deze kanttekening zal worden overgenomen en verwerkt.

De indiener



(1) Regioplan Onderwijs en Arbeidsmarkt BV, in opdracht van OC&W, Amsterdam, 8 oktober 2001, bladzijden 28, 44 en 52.
(2) Kamerstukken II 1993/94, 23 406, B.
(3) Memorie van toelichting, 28 512, nr.3, blz.2, tweede alinea.
(4) Memorie van toelichting, 28 512, nr.3, blz.3, voorlaatste alinea.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon