Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit aanwijzing rechtstreekse gemeenten en verdeelsleutel stedelijke vernieuwing (wijziging verdeelsleutel stedelijke vernieuwing met het oog op het investeringstijdvak stedelijke vernieuwing 2005 tot en met 2009), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W08.04.0391/V
- Datum advies
- 4 oktober 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 14 december 2004, nr 241
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit aanwijzing rechtstreekse gemeenten en verdeelsleutel stedelijke vernieuwing (wijziging verdeelsleutel stedelijke vernieuwing met het oog op het investeringstijdvak stedelijke vernieuwing 2005 tot en met 2009), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 26 juli 2004, no.04.002977, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit aanwijzing rechtstreekse gemeenten en verdeelsleutel stedelijke vernieuwing (wijziging verdeelsleutel stedelijke vernieuwing met het oog op het investeringstijdvak stedelijke vernieuwing 2005 tot en met 2009), met nota van toelichting.
Ter voldoening aan artikel 6 van de Wet stedelijke vernieuwing (Wsv) geeft dit ontwerpbesluit de regels voor de verdeling over de gemeenten van het investeringsbudget ten behoeve van stedelijke vernieuwing, in het tweede investeringstijdvak (2005-2009). De dertig steden die onder het grotestedenbeleid (GSB) vallen (de G30) ontvangen de bijdragen rechtstreeks van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM); dit zijn de zogenoemde ‘rechtstreekse gemeenten’. De overige gemeenten ontvangen hun budget via de provincies.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar plaatst daarbij de volgende kanttekeningen.
1. Indicatie van de budgetten
Artikel 6, eerste lid, Wsv bepaalt dat de Minister van VROM telkens uiterlijk op 1 april van het jaar dat voorafgaat aan een investeringstijdvak aan de rechtstreekse gemeenten en aan de provincies een indicatie geeft van de hoogte van de aan hen te verstrekken budgetten. Voor het tweede investeringstijdvak betekent dit dat dit inzicht uiterlijk op 1 april 2004 had moeten zijn gegeven. De regels voor de berekening van de budgetten worden echter pas gegeven in dit ontwerpbesluit, dat, mede gelet op de termijn van acht weken die moet worden aangehouden tussen het moment van publicatie in het Staatsblad en het tijdstip van inwerkingtreding,(zie noot 1) waarschijnlijk niet voor december 2004 in werking zal kunnen treden.
De periode van negen maanden tussen bekendmaking van het (indicatieve) budget en de start van het investeringstijdvak is bedoeld om gemeenten de gelegenheid te geven bij het opstellen van hun ontwikkelingsprogramma’s rekening te houden met de middelen die daarvoor beschikbaar zullen zijn. De Raad adviseert in de nota van toelichting in te gaan op de gevolgen die de gemeenten en de provincies hebben ondervonden (of nog zullen ondervinden) van het feit dat de indicatie van de hoogte van de budgetten, in afwijking van de regeling in de wet, op een zo laat tijdstip wordt gegeven.
2. Voor enkele redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no.W08.04.0391/V met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- In artikel I, onderdeel A, bij de omschrijvingen van de A-lijst en de Raillijst verwijzen naar de regeling die deze lijsten reeds kent.
- Artikel I, onderdeel C (het nieuwe derde lid van artikel 4), wijzigen, aangezien het aantal panden gelegen binnen stads- of dorpsgezichten die in de toekomst zullen worden aangewezen niet kan worden bepaald aan de hand van een publicatie uit 1984.
- In artikel I, onderdeel B, in het nieuwe vierde lid van artikel 3 bepalen dat de wegingsfactor ‘wGSC’ voor alle overige gemeenten 1 bedraagt.
- In hetzelfde onderdeel in het nieuwe achtste lid van artikel 3 ‘op de A- en Raillijst voorkomende’ telkens vervangen door: op de A-lijst of op de Raillijst voorkomende.
Nader rapport (reactie op het advies) van 19 oktober 2004
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan zijn advies aandacht zal zijn geschonken.
1. De opmerking van de Raad is gevolgd. In de nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit is een passage opgenomen waarin wordt ingegaan op de gevolgen die de gemeenten en de provincies hebben ondervonden of nog zullen ondervinden van het feit dat de indicatie van de hoogte van de budgetten, in afwijking van de regeling in de wet, op een zo laat tijdstip wordt gegeven.
2. De redactionele opmerkingen van de Raad zijn gevolgd.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
(1)Zie artikel 26, eerste lid, Wsv.
Ter voldoening aan artikel 6 van de Wet stedelijke vernieuwing (Wsv) geeft dit ontwerpbesluit de regels voor de verdeling over de gemeenten van het investeringsbudget ten behoeve van stedelijke vernieuwing, in het tweede investeringstijdvak (2005-2009). De dertig steden die onder het grotestedenbeleid (GSB) vallen (de G30) ontvangen de bijdragen rechtstreeks van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM); dit zijn de zogenoemde ‘rechtstreekse gemeenten’. De overige gemeenten ontvangen hun budget via de provincies.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar plaatst daarbij de volgende kanttekeningen.
1. Indicatie van de budgetten
Artikel 6, eerste lid, Wsv bepaalt dat de Minister van VROM telkens uiterlijk op 1 april van het jaar dat voorafgaat aan een investeringstijdvak aan de rechtstreekse gemeenten en aan de provincies een indicatie geeft van de hoogte van de aan hen te verstrekken budgetten. Voor het tweede investeringstijdvak betekent dit dat dit inzicht uiterlijk op 1 april 2004 had moeten zijn gegeven. De regels voor de berekening van de budgetten worden echter pas gegeven in dit ontwerpbesluit, dat, mede gelet op de termijn van acht weken die moet worden aangehouden tussen het moment van publicatie in het Staatsblad en het tijdstip van inwerkingtreding,(zie noot 1) waarschijnlijk niet voor december 2004 in werking zal kunnen treden.
De periode van negen maanden tussen bekendmaking van het (indicatieve) budget en de start van het investeringstijdvak is bedoeld om gemeenten de gelegenheid te geven bij het opstellen van hun ontwikkelingsprogramma’s rekening te houden met de middelen die daarvoor beschikbaar zullen zijn. De Raad adviseert in de nota van toelichting in te gaan op de gevolgen die de gemeenten en de provincies hebben ondervonden (of nog zullen ondervinden) van het feit dat de indicatie van de hoogte van de budgetten, in afwijking van de regeling in de wet, op een zo laat tijdstip wordt gegeven.
2. Voor enkele redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no.W08.04.0391/V met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- In artikel I, onderdeel A, bij de omschrijvingen van de A-lijst en de Raillijst verwijzen naar de regeling die deze lijsten reeds kent.
- Artikel I, onderdeel C (het nieuwe derde lid van artikel 4), wijzigen, aangezien het aantal panden gelegen binnen stads- of dorpsgezichten die in de toekomst zullen worden aangewezen niet kan worden bepaald aan de hand van een publicatie uit 1984.
- In artikel I, onderdeel B, in het nieuwe vierde lid van artikel 3 bepalen dat de wegingsfactor ‘wGSC’ voor alle overige gemeenten 1 bedraagt.
- In hetzelfde onderdeel in het nieuwe achtste lid van artikel 3 ‘op de A- en Raillijst voorkomende’ telkens vervangen door: op de A-lijst of op de Raillijst voorkomende.
Nader rapport (reactie op het advies) van 19 oktober 2004
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan zijn advies aandacht zal zijn geschonken.
1. De opmerking van de Raad is gevolgd. In de nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit is een passage opgenomen waarin wordt ingegaan op de gevolgen die de gemeenten en de provincies hebben ondervonden of nog zullen ondervinden van het feit dat de indicatie van de hoogte van de budgetten, in afwijking van de regeling in de wet, op een zo laat tijdstip wordt gegeven.
2. De redactionele opmerkingen van de Raad zijn gevolgd.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
(1)Zie artikel 26, eerste lid, Wsv.