Ontwerpbesluit houdende regels met betrekking tot jachthavens (Besluit jachthavens), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W08.04.0082/V
- Datum advies
- 6 mei 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 12 oktober 2004, nr 196
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit houdende regels met betrekking tot jachthavens (Besluit jachthavens), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 25 februari 2004, no.04.000782, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels met betrekking tot jachthavens (Besluit jachthavens), met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit, een algemene maatregel van bestuur gebaseerd op artikel 8.40 van de Wet milieubeheer (Wm), stelt regels ter bescherming van het milieu waaraan jachthavens met tussen de 10 en de 500 ligplaatsen moeten voldoen. De vergunningplicht, die nu nog op grond van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer voor deze categorie jachthavens geldt, komt daarmee in beginsel te vervallen. Het ontwerpbesluit past in het streven van de regering naar deregulering en verlichting van administratieve lasten.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt opmerkingen over de verenigbaarheid van enkele voorschriften met artikel 8.11 Wm, de vraag of de voorschriften zich ook richten tot anderen dan degene die de inrichting drijft, het ontbreken van een termijn voor beslissing op een melding op grond van artikel 4, en de mogelijkheid tot het aanvullen van de bij een melding verstrekte gegevens. De Raad is van mening dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Verenigbaarheid met artikel 8.11, derde lid, Wm
De voorschriften 1.2.2 en 1.7.2 van de bijlage bij het ontwerpbesluit bepalen, kort gezegd, dat inrichtingen met een hoog verbruik van respectievelijk energie en water die besparende maatregelen moeten doorvoeren die "rendabel" zijn. In de voorschriften 4.2.2, 4.3.2 en 4.6.2 wordt verder bepaald dat door het bevoegd gezag te stellen nadere eisen met betrekking tot respectievelijk energie, afval en waterbesparing geen verplichtingen mogen betreffen tot het nemen van maatregelen met een terugverdientijd van meer dan vijf jaar. Deze voorschriften stellen derhalve eisen aan de economische haalbaarheid van de milieumaatregelen die op basis van het ontwerpbesluit dan wel de nadere eis moeten worden getroffen.
Het ontwerpbesluit is gebaseerd op artikel 8.40 Wm. Het derde lid van artikel 8.40 bepaalt dat ten aanzien van een op dat artikel gebaseerde algemene maatregel van bestuur het derde lid van artikel 8.11 van overeenkomstige toepassing is. Dit laatste artikellid verwoordt het alara-beginsel: voorzover door het stellen van voorschriften de nadelige gevolgen die een inrichting voor het milieu kan veroorzaken niet kunnen worden voorkomen, worden die voorschriften gesteld die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Met deze laatste volzin wordt met name gedoeld op de economische haalbaarheid van de voor te schrijven maatregelen. Uit de rechtspraak blijkt dat de beoordeling of bepaalde maatregelen wel of niet economisch haalbaar zijn moet plaatsvinden op het niveau van de gehele bedrijfstak, en niet op dat van het individuele bedrijf. Een gebrek aan financiële draagkracht van een specifiek bedrijf mag, anders gezegd, geen reden zijn om voor dat bedrijf af te zien van het voorschrijven van milieubeschermende maatregelen die voor andere bedrijven in de sector wel economisch haalbaar zijn.(zie noot 1)
De toelichting bij voorschrift 1.2.2 vermeldt weliswaar dat er wordt uitgegaan van de binnen de branche gebruikelijke terugverdientijden, maar stelt vervolgens dat de terugverdientijd mede afhankelijk zal zijn van de specifieke omstandigheden van het bedrijf. Voorts wordt in de toelichting over afvalpreventie gezegd dat "de maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd worden bepaald door de stand van de techniek en door de technische en financiële mogelijkheden van het desbetreffende bedrijf".(zie noot 2) Ook met betrekking tot het stellen van nadere eisen met betrekking tot geluidhinder (voorschriften 4.1.1 en 4.1.2) wordt in de nota van toelichting aangegeven dat vanwege individuele bedrijfseconomische redenen de geluidsgrenzen in een bepaald geval hoger kunnen worden vastgesteld.(zie noot 3)
De Raad adviseert in de nota van toelichting op het vorenstaande in te gaan, en daarbij te expliciteren dat bij het bepalen van de rendabiliteit en de terugverdientijd van de te nemen maatregelen de financiële positie van individuele bedrijven geen rol mag spelen.
2. Normadressaat voorschriften
In de toelichting op artikel 4, eerste lid, wordt opgemerkt dat de genoemde bepaling onverlet laat dat ook andere personen, zoals ondergeschikten en recreanten, strafrechtelijk kunnen worden vervolgd. Dat strookt echter niet met de tekst van het eerste lid; artikel 4, eerste lid, bepaalt immers dat de in de bijlage opgenomen voorschriften gelden voor eenieder die de inrichting drijft, en dat deze ervoor zorgt dat de voorschriften worden nageleefd.4 De drijver van de inrichting is derhalve de (enige) normadressaat.
De Raad beveelt aan de toelichting in overeenstemming te brengen met de tekst van het besluit.
3. Termijn beslissing over juistheid alternatieve middelen
Artikel 4, derde lid, bepaalt dat degene die andere middelen wil toepassen dan die in de bijlage bij het besluit zijn voorgeschreven dat voornemen ten minste vier weken van tevoren meldt bij het bevoegd gezag. Het vierde lid bepaalt dat het bevoegd gezag beslist over de juistheid van een gekozen middel; het stelt echter geen termijn waarbinnen de beslissing moet zijn genomen. Gelet op de termijn van vier weken genoemd in het derde lid ligt een beslissingstermijn van dezelfde lengte in de rede.
De Raad adviseert in artikel 4, vierde lid, een dergelijke termijn op te nemen.
4. Aanvulling van gegevens
In de toelichting op het tiende en het elfde lid van artikel 6 wordt opgemerkt dat het bevoegd gezag degene die een melding doet van het voornemen een inrichting op te richten in de gelegenheid stelt de daarbij verstrekte gegevens aan te vullen, indien het van oordeel is dat die gegevens niet toereikend of niet actueel zijn. In de tekst van artikel 6 is een bepaling hierover echter niet terug te vinden. Ook in artikel 4, derde en vierde lid, waarin het gaat om de melding van het voornemen om andere middelen toe te passen dan de middelen die op grond van het ontwerpbesluit zijn voorgeschreven, komt een dergelijke bepaling niet voor.
De Raad adviseert in de artikelen 4 en 6 een bepaling van de bovenbedoelde strekking op te nemen.
5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 6 mei 2004, no.W08.04.0082/V, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ontwerpbesluit
- In artikel 1 een omschrijving opnemen van "etmaalwaarde".
- De toevoeging "waaronder voor de toepassing van dit besluit ook trekkershutten worden begrepen" in artikel 2, tweede lid, onderdeel g, opnemen in de definitie van kampeermiddelen in artikel 1.
- In artikel 3, eerste lid, onderdeel g, verduidelijken op wiens "eigen gebruik" wordt gedoeld.
- In artikel 4, tweede lid, na "paragraaf 1.1" invoegen: van onderdeel B.
- Artikel 4, tweede lid, laten vervallen. Aangezien de voorschriften van paragraaf 1.1 ook in de bijlage bij het ontwerpbesluit staan, is het tweede lid naast het eerste lid van artikel 4 overbodig.
- In artikel 6, eerste lid, "Degene die een inrichting opricht" vervangen door: Degene die voornemens is een inrichting op te richten.
- In artikel 6, vierde lid, "indien het aannemelijk is dat" vervangen door: Indien het naar het oordeel van het bevoegd gezag aannemelijk is dat.
- In artikel 10, tweede lid, "mits het voorschrift betrekking heeft" vervangen door: mits de desbetreffende nadere eis betrekking heeft.
- In onderdeel A van de bijlage, de definitie van "ten minste gelijkwaardige instelling", die in deze redactie alle denkbare instellingen in de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte omvat, inperken.
- In onderdeel A van de bijlage, in de definitie van CUR/PBV-aanbeveling 44, voor "Beoordeling van vloeistofdichte voorzieningen" invoegen: de aanbeveling van CUR/PBV getiteld:.
- In onderdeel B van de bijlage voorschrift 1.1.6, onder b, als volgt herformuleren: "b. andere festiviteiten of activiteiten die plaatsvinden binnen de inrichting, voorzover zij plaatsvinden op bij of krachtens verordening aangewezen dagen of delen van dagen, waarbij het aantal aldus aangewezen dagen of delen daarvan niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar".
- In onderdeel B van de bijlage voorschrift 1.3.2 opnieuw redigeren, en daarbij duidelijk maken (a) welke soorten afvalstoffen in ieder geval gescheiden moeten worden of moeten worden gehouden; (b) welke soorten afvalstoffen gescheiden moeten worden of moeten worden gehouden tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd; en (c) welke soorten afvalstoffen niet gescheiden hoeven te worden of te worden gehouden.
Nota van toelichting
- In het algemeen deel, paragraaf 1.2.5, eerste tekstblok, "artikel 6" vervangen door: artikel 5.
- In het algemeen deel, paragraaf 1.3.5, tweede tekstblok, "Vrijwel de meeste havens" vervangen door: De meeste havens.
- In het artikelsgewijs deel, in de toelichting op artikel 4, vierde lid, "Om het bevoegd gezag in staat te stellen te kunnen beoordelen" vervangen door: Om het bevoegd gezag in staat te stellen te beoordelen.
- In het artikelsgewijs deel, in de toelichting op artikel 6, achtste en negende lid, "naar de oorspronkelijke toestand" vervangen door: "in de oorspronkelijke toestand".
- In dezelfde paragraaf verduidelijken op grond waarvan formeel verwezen dient te worden naar het daar genoemde kennisdocument.
- In dezelfde paragraaf "aan het Wet bodembescherming bevoegde gezag" vervangen door: aan het op grond van de Wet bodembescherming bevoegde gezag.
In het artikelsgewijs deel, in de toelichting op artikel 10, eerste tekstblok, "nr. E03.96.0485" vervangen door: nr. E03.96.0458.
Nader rapport (reactie op het advies) van 22 juli 2004
De Raad van State geeft u in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met zijn advies rekening zal zijn gehouden.
1. Verenigbaarheid met artikel 8.11, derde lid, Wm
Gelet op het advies van de Raad is, in lijn met de genoemde rechtspraak uit 1999, in de betreffende onderdelen van de nota van toelichting geëxpliciteerd dat het alara-beginsel, zoals neergelegd in artikel 8.11, derde lid, Wm, geen ruimte biedt voor een afweging tussen het belang van de bescherming van het milieu en individuele bedrijfseconomische belangen.
Het onderhavige ontwerpbesluit maakt deel uit van een reeks van op artikel 8.40 Wm gebaseerde besluiten die vanaf het midden van de jaren ’90 in het kader van de MDW-operatie (Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit) algemene milieuregels voor inrichtingen tot stand zijn gekomen en die in belangrijke mate dezelfde opzet kennen en sterk vergelijkbare voorschriften bevatten (de zgn. 8.40-amvb’s of 8.40-besluiten). De door de Raad aangehaalde passages in de nota van toelichting wijken dan ook niet of nauwelijks af van die in eerdere 8.40-besluiten.
In het kader van de operatie herijking Vrom-regelgeving (Kamerstukken II, 2003-2004, 29 383, nr. 1) zullen de bestaande 8.40-amvb’s, met het oog op een betere afstemming, overigens (integraal) worden herzien dan wel samengevoegd. In dat kader zal ook aandacht besteed worden aan de betekenis van het alarabeginsel voor deze amvb’s, mede in het licht van de recente jurisprudentie van de Afdeling.
2. Normadressaat voorschriften
Conform de aanbeveling van de Raad is de toelichting op artikel 4, eerste lid, aangepast.
3. Termijn beslissing over juistheid alternatieve middelen
Artikel 4, vierde lid, bepaalt dat het bevoegd gezag beslist over de juistheid van een gekozen middel, maar stelt daarbij geen termijn waarbinnen de beslissing moet zijn genomen.
Indien een (wettelijke) beslistermijn ontbreekt, dient de beschikking op grond van artikel 4:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag (i.c. de melding van het voornemen een ander middel toe te passen) te worden gegeven. Deze ‘redelijke termijn’ is in ieder geval verstreken indien het bestuursorgaan binnen acht weken na de ontvangst van de aanvraag nog geen beschikking heeft gegeven en evenmin aan de aanvrager heeft medegedeeld binnen welke redelijke termijn hij de beschikking wel tegemoet kan zien (artikel 4:13, tweede lid, Awb). De wijze waarop de juistheid van een gekozen middel door het bevoegd gezag getoetst wordt verschilt vaak per middel. Niet in alle gevallen is een termijn van vier weken dan voldoende.
Het opnemen van een beslistermijn van vier weken zoals de Raad adviseert, acht ik gelet op bovenstaande dan ook niet noodzakelijk.
4. Aanvulling van gegevens
Ook op dit punt geldt dat de door de Raad aangehaalde artikelen en de passages in de nota van toelichting niet of nauwelijks afwijken van die in eerdere 8.40-besluiten. Het mag als vanzelfsprekend worden beschouwd dat het bevoegd gezag, in het kader van het uitoefenen van behoorlijk bestuur, degene die de melding doet in de gelegenheid stelt om verstrekte gegevens aan te vullen. Het opnemen van een daartoe strekkende (expliciete) verplichting voor het bevoegd gezag, zoals de Raad adviseert, wordt, mede bezien in het licht van het streven naar zo min mogelijk in regels vastleggen, dan ook niet strikt noodzakelijk geacht.
5. Redactionele kanttekeningen
Aan de redactionele kanttekeningen van de Raad is gevolg gegeven, met dien verstande dat de door de Raad voorgestelde redactionele aanpassingen van artikel 6, eerste lid, en de definitie van ‘tenminste gelijkwaardige instelling’ in onderdeel A van de bijlage, omwille van de gelijkluidendheid en de uniformiteit met de bestaande 8.40-besluiten(zie noot 4), in het kader van dit besluit niet zijn overgenomen. Wel kunnen deze redactionele kanttekeningen bij de uitvoering van de reeds genoemde operatie herijking Vrom-regelgeving wellicht leiden tot een uniforme aanpassing van de 8.40-besluiten.
De redactionele kanttekening met betrekking tot artikel 6, vierde lid, is niet overgenomen, daar deze berust op een onjuiste uitleg van het betreffende artikellid. Het bevoegd gezag kan immers niet reeds vóór een melding aannemelijk achten dat in de inrichting geluidsniveau’s worden overschreden.
Naar aanleiding van de redactionele kanttekening van de Raad met betrekking tot het opnemen van trekkershutten in de definitie van kampeermiddel, wordt opgemerkt dat dit bij nader inzien niet noodzakelijk is. Een trekkershut valt reeds onder ‘enig ander onderkomen’ in de definitie van kampeermiddel in artikel 1. De toevoeging in artikel 2, tweede lid, onder g, is geschrapt. De nota van toelichting is hierop aangepast.
De redactionele kanttekening van de Raad ten aanzien van voorschrift 1.3.2 met betrekking tot afvalscheiding heeft geleid tot het opnieuw redigeren van dit voorschrift en tot het actualiseren van de nota van toelichting (algemeen deel, paragraaf 1.2.4, en artikelgewijs).
In het kader van de redactionele aanpassingen is van de gelegenheid gebruik gemaakt om in de bijlage, onderdeel A en de voorschriften 1.1.7 en 4.1.5 de verwijzing naar een richtlijn van de Stichting Bouwresearch uit 1993 te actualiseren.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(1) Zie bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 24 juni 1999, AB 2000, 93 nt. Jongma.
(2) Nota van toelichting, algemeen deel, paragraaf 1.2.4.
(3) Nota van toelichting, toelichting op voorschriften 4.1.1 en 4.1.2.
(4)Waaronder: Besluit horeca-sport-en recreatieinrichtingen milieubeheer; Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer; Besluit bouw-en houtbedrijven milieubeheer; Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer; Besluit opslag-en transportbedrijven milieubeheer.
Het ontwerpbesluit, een algemene maatregel van bestuur gebaseerd op artikel 8.40 van de Wet milieubeheer (Wm), stelt regels ter bescherming van het milieu waaraan jachthavens met tussen de 10 en de 500 ligplaatsen moeten voldoen. De vergunningplicht, die nu nog op grond van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer voor deze categorie jachthavens geldt, komt daarmee in beginsel te vervallen. Het ontwerpbesluit past in het streven van de regering naar deregulering en verlichting van administratieve lasten.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt opmerkingen over de verenigbaarheid van enkele voorschriften met artikel 8.11 Wm, de vraag of de voorschriften zich ook richten tot anderen dan degene die de inrichting drijft, het ontbreken van een termijn voor beslissing op een melding op grond van artikel 4, en de mogelijkheid tot het aanvullen van de bij een melding verstrekte gegevens. De Raad is van mening dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Verenigbaarheid met artikel 8.11, derde lid, Wm
De voorschriften 1.2.2 en 1.7.2 van de bijlage bij het ontwerpbesluit bepalen, kort gezegd, dat inrichtingen met een hoog verbruik van respectievelijk energie en water die besparende maatregelen moeten doorvoeren die "rendabel" zijn. In de voorschriften 4.2.2, 4.3.2 en 4.6.2 wordt verder bepaald dat door het bevoegd gezag te stellen nadere eisen met betrekking tot respectievelijk energie, afval en waterbesparing geen verplichtingen mogen betreffen tot het nemen van maatregelen met een terugverdientijd van meer dan vijf jaar. Deze voorschriften stellen derhalve eisen aan de economische haalbaarheid van de milieumaatregelen die op basis van het ontwerpbesluit dan wel de nadere eis moeten worden getroffen.
Het ontwerpbesluit is gebaseerd op artikel 8.40 Wm. Het derde lid van artikel 8.40 bepaalt dat ten aanzien van een op dat artikel gebaseerde algemene maatregel van bestuur het derde lid van artikel 8.11 van overeenkomstige toepassing is. Dit laatste artikellid verwoordt het alara-beginsel: voorzover door het stellen van voorschriften de nadelige gevolgen die een inrichting voor het milieu kan veroorzaken niet kunnen worden voorkomen, worden die voorschriften gesteld die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Met deze laatste volzin wordt met name gedoeld op de economische haalbaarheid van de voor te schrijven maatregelen. Uit de rechtspraak blijkt dat de beoordeling of bepaalde maatregelen wel of niet economisch haalbaar zijn moet plaatsvinden op het niveau van de gehele bedrijfstak, en niet op dat van het individuele bedrijf. Een gebrek aan financiële draagkracht van een specifiek bedrijf mag, anders gezegd, geen reden zijn om voor dat bedrijf af te zien van het voorschrijven van milieubeschermende maatregelen die voor andere bedrijven in de sector wel economisch haalbaar zijn.(zie noot 1)
De toelichting bij voorschrift 1.2.2 vermeldt weliswaar dat er wordt uitgegaan van de binnen de branche gebruikelijke terugverdientijden, maar stelt vervolgens dat de terugverdientijd mede afhankelijk zal zijn van de specifieke omstandigheden van het bedrijf. Voorts wordt in de toelichting over afvalpreventie gezegd dat "de maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd worden bepaald door de stand van de techniek en door de technische en financiële mogelijkheden van het desbetreffende bedrijf".(zie noot 2) Ook met betrekking tot het stellen van nadere eisen met betrekking tot geluidhinder (voorschriften 4.1.1 en 4.1.2) wordt in de nota van toelichting aangegeven dat vanwege individuele bedrijfseconomische redenen de geluidsgrenzen in een bepaald geval hoger kunnen worden vastgesteld.(zie noot 3)
De Raad adviseert in de nota van toelichting op het vorenstaande in te gaan, en daarbij te expliciteren dat bij het bepalen van de rendabiliteit en de terugverdientijd van de te nemen maatregelen de financiële positie van individuele bedrijven geen rol mag spelen.
2. Normadressaat voorschriften
In de toelichting op artikel 4, eerste lid, wordt opgemerkt dat de genoemde bepaling onverlet laat dat ook andere personen, zoals ondergeschikten en recreanten, strafrechtelijk kunnen worden vervolgd. Dat strookt echter niet met de tekst van het eerste lid; artikel 4, eerste lid, bepaalt immers dat de in de bijlage opgenomen voorschriften gelden voor eenieder die de inrichting drijft, en dat deze ervoor zorgt dat de voorschriften worden nageleefd.4 De drijver van de inrichting is derhalve de (enige) normadressaat.
De Raad beveelt aan de toelichting in overeenstemming te brengen met de tekst van het besluit.
3. Termijn beslissing over juistheid alternatieve middelen
Artikel 4, derde lid, bepaalt dat degene die andere middelen wil toepassen dan die in de bijlage bij het besluit zijn voorgeschreven dat voornemen ten minste vier weken van tevoren meldt bij het bevoegd gezag. Het vierde lid bepaalt dat het bevoegd gezag beslist over de juistheid van een gekozen middel; het stelt echter geen termijn waarbinnen de beslissing moet zijn genomen. Gelet op de termijn van vier weken genoemd in het derde lid ligt een beslissingstermijn van dezelfde lengte in de rede.
De Raad adviseert in artikel 4, vierde lid, een dergelijke termijn op te nemen.
4. Aanvulling van gegevens
In de toelichting op het tiende en het elfde lid van artikel 6 wordt opgemerkt dat het bevoegd gezag degene die een melding doet van het voornemen een inrichting op te richten in de gelegenheid stelt de daarbij verstrekte gegevens aan te vullen, indien het van oordeel is dat die gegevens niet toereikend of niet actueel zijn. In de tekst van artikel 6 is een bepaling hierover echter niet terug te vinden. Ook in artikel 4, derde en vierde lid, waarin het gaat om de melding van het voornemen om andere middelen toe te passen dan de middelen die op grond van het ontwerpbesluit zijn voorgeschreven, komt een dergelijke bepaling niet voor.
De Raad adviseert in de artikelen 4 en 6 een bepaling van de bovenbedoelde strekking op te nemen.
5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 6 mei 2004, no.W08.04.0082/V, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ontwerpbesluit
- In artikel 1 een omschrijving opnemen van "etmaalwaarde".
- De toevoeging "waaronder voor de toepassing van dit besluit ook trekkershutten worden begrepen" in artikel 2, tweede lid, onderdeel g, opnemen in de definitie van kampeermiddelen in artikel 1.
- In artikel 3, eerste lid, onderdeel g, verduidelijken op wiens "eigen gebruik" wordt gedoeld.
- In artikel 4, tweede lid, na "paragraaf 1.1" invoegen: van onderdeel B.
- Artikel 4, tweede lid, laten vervallen. Aangezien de voorschriften van paragraaf 1.1 ook in de bijlage bij het ontwerpbesluit staan, is het tweede lid naast het eerste lid van artikel 4 overbodig.
- In artikel 6, eerste lid, "Degene die een inrichting opricht" vervangen door: Degene die voornemens is een inrichting op te richten.
- In artikel 6, vierde lid, "indien het aannemelijk is dat" vervangen door: Indien het naar het oordeel van het bevoegd gezag aannemelijk is dat.
- In artikel 10, tweede lid, "mits het voorschrift betrekking heeft" vervangen door: mits de desbetreffende nadere eis betrekking heeft.
- In onderdeel A van de bijlage, de definitie van "ten minste gelijkwaardige instelling", die in deze redactie alle denkbare instellingen in de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte omvat, inperken.
- In onderdeel A van de bijlage, in de definitie van CUR/PBV-aanbeveling 44, voor "Beoordeling van vloeistofdichte voorzieningen" invoegen: de aanbeveling van CUR/PBV getiteld:.
- In onderdeel B van de bijlage voorschrift 1.1.6, onder b, als volgt herformuleren: "b. andere festiviteiten of activiteiten die plaatsvinden binnen de inrichting, voorzover zij plaatsvinden op bij of krachtens verordening aangewezen dagen of delen van dagen, waarbij het aantal aldus aangewezen dagen of delen daarvan niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar".
- In onderdeel B van de bijlage voorschrift 1.3.2 opnieuw redigeren, en daarbij duidelijk maken (a) welke soorten afvalstoffen in ieder geval gescheiden moeten worden of moeten worden gehouden; (b) welke soorten afvalstoffen gescheiden moeten worden of moeten worden gehouden tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd; en (c) welke soorten afvalstoffen niet gescheiden hoeven te worden of te worden gehouden.
Nota van toelichting
- In het algemeen deel, paragraaf 1.2.5, eerste tekstblok, "artikel 6" vervangen door: artikel 5.
- In het algemeen deel, paragraaf 1.3.5, tweede tekstblok, "Vrijwel de meeste havens" vervangen door: De meeste havens.
- In het artikelsgewijs deel, in de toelichting op artikel 4, vierde lid, "Om het bevoegd gezag in staat te stellen te kunnen beoordelen" vervangen door: Om het bevoegd gezag in staat te stellen te beoordelen.
- In het artikelsgewijs deel, in de toelichting op artikel 6, achtste en negende lid, "naar de oorspronkelijke toestand" vervangen door: "in de oorspronkelijke toestand".
- In dezelfde paragraaf verduidelijken op grond waarvan formeel verwezen dient te worden naar het daar genoemde kennisdocument.
- In dezelfde paragraaf "aan het Wet bodembescherming bevoegde gezag" vervangen door: aan het op grond van de Wet bodembescherming bevoegde gezag.
In het artikelsgewijs deel, in de toelichting op artikel 10, eerste tekstblok, "nr. E03.96.0485" vervangen door: nr. E03.96.0458.
Nader rapport (reactie op het advies) van 22 juli 2004
De Raad van State geeft u in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met zijn advies rekening zal zijn gehouden.
1. Verenigbaarheid met artikel 8.11, derde lid, Wm
Gelet op het advies van de Raad is, in lijn met de genoemde rechtspraak uit 1999, in de betreffende onderdelen van de nota van toelichting geëxpliciteerd dat het alara-beginsel, zoals neergelegd in artikel 8.11, derde lid, Wm, geen ruimte biedt voor een afweging tussen het belang van de bescherming van het milieu en individuele bedrijfseconomische belangen.
Het onderhavige ontwerpbesluit maakt deel uit van een reeks van op artikel 8.40 Wm gebaseerde besluiten die vanaf het midden van de jaren ’90 in het kader van de MDW-operatie (Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit) algemene milieuregels voor inrichtingen tot stand zijn gekomen en die in belangrijke mate dezelfde opzet kennen en sterk vergelijkbare voorschriften bevatten (de zgn. 8.40-amvb’s of 8.40-besluiten). De door de Raad aangehaalde passages in de nota van toelichting wijken dan ook niet of nauwelijks af van die in eerdere 8.40-besluiten.
In het kader van de operatie herijking Vrom-regelgeving (Kamerstukken II, 2003-2004, 29 383, nr. 1) zullen de bestaande 8.40-amvb’s, met het oog op een betere afstemming, overigens (integraal) worden herzien dan wel samengevoegd. In dat kader zal ook aandacht besteed worden aan de betekenis van het alarabeginsel voor deze amvb’s, mede in het licht van de recente jurisprudentie van de Afdeling.
2. Normadressaat voorschriften
Conform de aanbeveling van de Raad is de toelichting op artikel 4, eerste lid, aangepast.
3. Termijn beslissing over juistheid alternatieve middelen
Artikel 4, vierde lid, bepaalt dat het bevoegd gezag beslist over de juistheid van een gekozen middel, maar stelt daarbij geen termijn waarbinnen de beslissing moet zijn genomen.
Indien een (wettelijke) beslistermijn ontbreekt, dient de beschikking op grond van artikel 4:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag (i.c. de melding van het voornemen een ander middel toe te passen) te worden gegeven. Deze ‘redelijke termijn’ is in ieder geval verstreken indien het bestuursorgaan binnen acht weken na de ontvangst van de aanvraag nog geen beschikking heeft gegeven en evenmin aan de aanvrager heeft medegedeeld binnen welke redelijke termijn hij de beschikking wel tegemoet kan zien (artikel 4:13, tweede lid, Awb). De wijze waarop de juistheid van een gekozen middel door het bevoegd gezag getoetst wordt verschilt vaak per middel. Niet in alle gevallen is een termijn van vier weken dan voldoende.
Het opnemen van een beslistermijn van vier weken zoals de Raad adviseert, acht ik gelet op bovenstaande dan ook niet noodzakelijk.
4. Aanvulling van gegevens
Ook op dit punt geldt dat de door de Raad aangehaalde artikelen en de passages in de nota van toelichting niet of nauwelijks afwijken van die in eerdere 8.40-besluiten. Het mag als vanzelfsprekend worden beschouwd dat het bevoegd gezag, in het kader van het uitoefenen van behoorlijk bestuur, degene die de melding doet in de gelegenheid stelt om verstrekte gegevens aan te vullen. Het opnemen van een daartoe strekkende (expliciete) verplichting voor het bevoegd gezag, zoals de Raad adviseert, wordt, mede bezien in het licht van het streven naar zo min mogelijk in regels vastleggen, dan ook niet strikt noodzakelijk geacht.
5. Redactionele kanttekeningen
Aan de redactionele kanttekeningen van de Raad is gevolg gegeven, met dien verstande dat de door de Raad voorgestelde redactionele aanpassingen van artikel 6, eerste lid, en de definitie van ‘tenminste gelijkwaardige instelling’ in onderdeel A van de bijlage, omwille van de gelijkluidendheid en de uniformiteit met de bestaande 8.40-besluiten(zie noot 4), in het kader van dit besluit niet zijn overgenomen. Wel kunnen deze redactionele kanttekeningen bij de uitvoering van de reeds genoemde operatie herijking Vrom-regelgeving wellicht leiden tot een uniforme aanpassing van de 8.40-besluiten.
De redactionele kanttekening met betrekking tot artikel 6, vierde lid, is niet overgenomen, daar deze berust op een onjuiste uitleg van het betreffende artikellid. Het bevoegd gezag kan immers niet reeds vóór een melding aannemelijk achten dat in de inrichting geluidsniveau’s worden overschreden.
Naar aanleiding van de redactionele kanttekening van de Raad met betrekking tot het opnemen van trekkershutten in de definitie van kampeermiddel, wordt opgemerkt dat dit bij nader inzien niet noodzakelijk is. Een trekkershut valt reeds onder ‘enig ander onderkomen’ in de definitie van kampeermiddel in artikel 1. De toevoeging in artikel 2, tweede lid, onder g, is geschrapt. De nota van toelichting is hierop aangepast.
De redactionele kanttekening van de Raad ten aanzien van voorschrift 1.3.2 met betrekking tot afvalscheiding heeft geleid tot het opnieuw redigeren van dit voorschrift en tot het actualiseren van de nota van toelichting (algemeen deel, paragraaf 1.2.4, en artikelgewijs).
In het kader van de redactionele aanpassingen is van de gelegenheid gebruik gemaakt om in de bijlage, onderdeel A en de voorschriften 1.1.7 en 4.1.5 de verwijzing naar een richtlijn van de Stichting Bouwresearch uit 1993 te actualiseren.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(1) Zie bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 24 juni 1999, AB 2000, 93 nt. Jongma.
(2) Nota van toelichting, algemeen deel, paragraaf 1.2.4.
(3) Nota van toelichting, toelichting op voorschriften 4.1.1 en 4.1.2.
(4)Waaronder: Besluit horeca-sport-en recreatieinrichtingen milieubeheer; Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer; Besluit bouw-en houtbedrijven milieubeheer; Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer; Besluit opslag-en transportbedrijven milieubeheer.