Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Algemeen militair ambtenarenreglement en het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie in verband met de vastlegging van regels inzake functioneringsgesprekken en beoordelingen.
- Kenmerk
- W07.03.0050/II
- Datum advies
- 31 maart 2003
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 10 juni 2003, nr 108
- Defensie
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Algemeen militair ambtenarenreglement en het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie in verband met de vastlegging van regels inzake functioneringsgesprekken en beoordelingen.
Bij Kabinetsmissive van 8 februari 2003, no.03.000580, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Defensie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Algemeen militair ambtenarenreglement en het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie in verband met de vastlegging van regels inzake functioneringsgesprekken en beoordelingen.
Het ontwerpbesluit betreft wijzigingen van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) en het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (BARD) die voortvloeien uit afspraken die zijn gemaakt in het arbeidsvoorwaardenakkoord van de sector Defensie voor de periode 1 oktober 2001 tot en met 31 december 2003. Die afspraken hebben betrekking op de wijziging van de systematiek van periodieke beoordelingen van militairen en burgerpersoneel in dienst van het Ministerie van Defensie door jaarlijks te houden functioneringsgesprekken.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt kanttekeningen over de late invoering, onduidelijke bepalingen en een gebrek aan toelichting op verschillende voorgestelde wijzigingen.
1. De voorgestelde wijzigingen vloeien voort uit afspraken die zijn gemaakt in het arbeidsvoorwaardenakkoord van de sector Defensie voor de periode 1 oktober 2001 tot en met 31 december 2003. Ingevolge artikel III zal het ontwerpbesluit pas op een nog nader te bepalen datum in 2003 in werking treden.
De Raad signaleert dat invoering van periodieke beoordelingen van militairen en burgerpersoneel in dienst van het Ministerie van Defensie door jaarlijks te houden functioneringsgesprekken voor de periode van 1 oktober 2001 tot de inwerkingtreding van dit besluit niet meer mogelijk is. In dit verband wijst het college erop dat een vergelijkbare wijzigingssystematiek voor Rijksambtenaren in het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) reeds met ingang van 1 maart 2001 is ingevoerd.(zie noot 1) De late wijziging van het ontwerpbesluit en de eventuele gevolgen voor defensiepersoneel hiervan worden niet toegelicht.
De Raad adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen.
2a. In de toelichting op artikel I betreffende te houden functioneringsgesprekken wordt een uiteenzetting gegeven van het voorgestelde artikel 131 AMAR en artikel 90 BARD. Daarbij worden de onderdelen daarvan gevolgd, zonder dat dieper wordt ingegaan op bepaalde aspecten van die onderdelen. Hierbij valt te denken aan de terugblik op de vervulling van de verschillende werkzaamheden in de voor het functioneringsgesprek liggende periode, de afspraken die daarover zijn gemaakt en de resultaten die zowel in kwalitatief als kwantitatief opzicht zijn bereikt. Het element afspraken is met zoveel woorden in de artikelen 131, vierde lid, onderdeel a, AMAR en artikel 90, vierde lid, onderdeel a, BARD bepalingen opgenomen. De elementen terugblik en resultaten zijn daarin evenwel, anders dan in het vergelijkbare artikel 71, eerste lid, ARAR is gedaan, op een weinig expliciete wijze vermeld.
Het college beveelt aan deze bepalingen te verduidelijken.
b. Voorts beveelt de Raad aan in de toelichting in te gaan op de relatie van het functioneringsgesprek tot de beloningsbeslissing en de relatie van het functioneringsgesprek tot het beoordelingsgesprek, mede bezien tegen het licht van de beloningsbeslissing. In dit verband wijst het college bij wijze van voorbeeld op de toelichting op artikel 71, eerste lid, onderdelen a en b, ARAR.
De Raad beveelt aan die toelichting op dit punt aan te vullen.
3. In het ontwerpbesluit worden voor de beoordeling in de artikelen I en II nieuwe bepalingen voorgesteld. Het betreft artikel 131a AMAR en artikel 90a BARD. Die bepalingen komen voor een deel inhoudelijk bezien overeen met de huidige artikelen 131 AMAR en 90 BARD. Bepaalde onderdelen zijn evenwel niet meer opgenomen.
In verband hiermee acht de Raad het noodzakelijk dat in de toelichting wordt aangegeven waarom nieuwe bepalingen voor de beoordeling zijn opgenomen. Daarbij kan worden ingegaan op het verschil tussen de huidige en de voorgestelde bepalingen.
4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 31 maart 2003, no.W07.03.0050/II, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- De voorgestelde artikelen 131, vijfde lid, Algemeen militair ambtenarenreglement en 90, vijfde lid, Burgerlijk ambtenarenreglement defensie met het oog op het onderscheid tussen de daarin opgenomen verschillende onderwerpen splitsen in de onderdelen a en b, waarbij het opleggen in het personeelsdossier in onderdeel b en het overige bepaalde in onderdeel a wordt ondergebracht.
- In zowel het ontwerpbesluit als in de toelichting daarop "Burgerlijk ambtenarenreglement" wijzigen in: Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.
Nader rapport (reactie op het advies) van 6 mei 2003
1. Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad over het moment van invoering van de voorliggende wijziging van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) en het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (BARD) is artikel III aangepast. Tevens zijn in de nota van toelichting de achtergronden betreffende het moment van invoering nader verwoord. Overigens is de verwijzing naar een vergelijkbare wijzigingssystematiek voor Rijksambtenaren in het ARAR (Stb. 2001, 99) niet op zijn plaats. De hier bedoelde wijziging van artikel 71 van het ARAR vormt een uitvloeisel van de afspraken uit de arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2000-2001. Deze afspraken gelden alleen voor medewerkers van de sector Rijk en niet voor medewerkers van de sector Defensie.
2. Naar aanleiding van de aanbeveling van de Raad om onder verwijzig naar artikel 71 van het ARAR op enkele punten tot verdere verduidelijking te komen, kan het volgende worden opgemerkt. De bedoeling van het functioneringsgesprek als bedoeld in het ARAR is om in ieder geval jaarlijks één actief afwegingsmoment te organiseren omtrent het functioneren van de medewerker van de sector Rijk en de daarbij passende beloning. De opbouw van het functioneringsgesprek is daarop gericht. Naar aanleiding van het functioneringsgesprek neemt het bevoegd gezag op basis van het terugkijken een beslissing over de vraag of de ambtenaar al dan niet in aanmerking komt voor een of meer periodieke verhogingen van het salaris of een salaris uit de naast hogere schaal. Bij het functioneringsgesprek als bedoeld in het AMAR en het BARD is het niet de bedoeling om een directe koppeling te leggen tussen het functioneren van de defensiemedewerker en een daarbij passende beloning. Centraal bij het functioneringsgesprek staan het verbeteren van het functioneren van de defensiemedewerker en diens persoonlijke ontwikkeling, zoals blijkt uit de inrichting van het gesprek. Het functioneringsgesprek vormt geen basis voor het nemen van een beloningsbeslissing. Het vorengaande is in de nota van toelichting bij de artikelen 131 AMAR en 90 BARD verduidelijkt.
3. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad is in de nota van toelichting bij de artikelen 131a AMAR en 90a BARD nader ingegaan op het verschil tussen de huidige en de voorgestelde bepalingen.
4. De redactionele kanttekeningen zijn in het besluit en de nota van toelichting aangebracht.
De Raad kan zich voor het overige met het ontwerp verenigen.
de Staatssecretaris van Defensie
(1) Stb. 2001, 99.
Het ontwerpbesluit betreft wijzigingen van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) en het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (BARD) die voortvloeien uit afspraken die zijn gemaakt in het arbeidsvoorwaardenakkoord van de sector Defensie voor de periode 1 oktober 2001 tot en met 31 december 2003. Die afspraken hebben betrekking op de wijziging van de systematiek van periodieke beoordelingen van militairen en burgerpersoneel in dienst van het Ministerie van Defensie door jaarlijks te houden functioneringsgesprekken.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt kanttekeningen over de late invoering, onduidelijke bepalingen en een gebrek aan toelichting op verschillende voorgestelde wijzigingen.
1. De voorgestelde wijzigingen vloeien voort uit afspraken die zijn gemaakt in het arbeidsvoorwaardenakkoord van de sector Defensie voor de periode 1 oktober 2001 tot en met 31 december 2003. Ingevolge artikel III zal het ontwerpbesluit pas op een nog nader te bepalen datum in 2003 in werking treden.
De Raad signaleert dat invoering van periodieke beoordelingen van militairen en burgerpersoneel in dienst van het Ministerie van Defensie door jaarlijks te houden functioneringsgesprekken voor de periode van 1 oktober 2001 tot de inwerkingtreding van dit besluit niet meer mogelijk is. In dit verband wijst het college erop dat een vergelijkbare wijzigingssystematiek voor Rijksambtenaren in het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) reeds met ingang van 1 maart 2001 is ingevoerd.(zie noot 1) De late wijziging van het ontwerpbesluit en de eventuele gevolgen voor defensiepersoneel hiervan worden niet toegelicht.
De Raad adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen.
2a. In de toelichting op artikel I betreffende te houden functioneringsgesprekken wordt een uiteenzetting gegeven van het voorgestelde artikel 131 AMAR en artikel 90 BARD. Daarbij worden de onderdelen daarvan gevolgd, zonder dat dieper wordt ingegaan op bepaalde aspecten van die onderdelen. Hierbij valt te denken aan de terugblik op de vervulling van de verschillende werkzaamheden in de voor het functioneringsgesprek liggende periode, de afspraken die daarover zijn gemaakt en de resultaten die zowel in kwalitatief als kwantitatief opzicht zijn bereikt. Het element afspraken is met zoveel woorden in de artikelen 131, vierde lid, onderdeel a, AMAR en artikel 90, vierde lid, onderdeel a, BARD bepalingen opgenomen. De elementen terugblik en resultaten zijn daarin evenwel, anders dan in het vergelijkbare artikel 71, eerste lid, ARAR is gedaan, op een weinig expliciete wijze vermeld.
Het college beveelt aan deze bepalingen te verduidelijken.
b. Voorts beveelt de Raad aan in de toelichting in te gaan op de relatie van het functioneringsgesprek tot de beloningsbeslissing en de relatie van het functioneringsgesprek tot het beoordelingsgesprek, mede bezien tegen het licht van de beloningsbeslissing. In dit verband wijst het college bij wijze van voorbeeld op de toelichting op artikel 71, eerste lid, onderdelen a en b, ARAR.
De Raad beveelt aan die toelichting op dit punt aan te vullen.
3. In het ontwerpbesluit worden voor de beoordeling in de artikelen I en II nieuwe bepalingen voorgesteld. Het betreft artikel 131a AMAR en artikel 90a BARD. Die bepalingen komen voor een deel inhoudelijk bezien overeen met de huidige artikelen 131 AMAR en 90 BARD. Bepaalde onderdelen zijn evenwel niet meer opgenomen.
In verband hiermee acht de Raad het noodzakelijk dat in de toelichting wordt aangegeven waarom nieuwe bepalingen voor de beoordeling zijn opgenomen. Daarbij kan worden ingegaan op het verschil tussen de huidige en de voorgestelde bepalingen.
4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 31 maart 2003, no.W07.03.0050/II, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- De voorgestelde artikelen 131, vijfde lid, Algemeen militair ambtenarenreglement en 90, vijfde lid, Burgerlijk ambtenarenreglement defensie met het oog op het onderscheid tussen de daarin opgenomen verschillende onderwerpen splitsen in de onderdelen a en b, waarbij het opleggen in het personeelsdossier in onderdeel b en het overige bepaalde in onderdeel a wordt ondergebracht.
- In zowel het ontwerpbesluit als in de toelichting daarop "Burgerlijk ambtenarenreglement" wijzigen in: Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.
Nader rapport (reactie op het advies) van 6 mei 2003
1. Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad over het moment van invoering van de voorliggende wijziging van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) en het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (BARD) is artikel III aangepast. Tevens zijn in de nota van toelichting de achtergronden betreffende het moment van invoering nader verwoord. Overigens is de verwijzing naar een vergelijkbare wijzigingssystematiek voor Rijksambtenaren in het ARAR (Stb. 2001, 99) niet op zijn plaats. De hier bedoelde wijziging van artikel 71 van het ARAR vormt een uitvloeisel van de afspraken uit de arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2000-2001. Deze afspraken gelden alleen voor medewerkers van de sector Rijk en niet voor medewerkers van de sector Defensie.
2. Naar aanleiding van de aanbeveling van de Raad om onder verwijzig naar artikel 71 van het ARAR op enkele punten tot verdere verduidelijking te komen, kan het volgende worden opgemerkt. De bedoeling van het functioneringsgesprek als bedoeld in het ARAR is om in ieder geval jaarlijks één actief afwegingsmoment te organiseren omtrent het functioneren van de medewerker van de sector Rijk en de daarbij passende beloning. De opbouw van het functioneringsgesprek is daarop gericht. Naar aanleiding van het functioneringsgesprek neemt het bevoegd gezag op basis van het terugkijken een beslissing over de vraag of de ambtenaar al dan niet in aanmerking komt voor een of meer periodieke verhogingen van het salaris of een salaris uit de naast hogere schaal. Bij het functioneringsgesprek als bedoeld in het AMAR en het BARD is het niet de bedoeling om een directe koppeling te leggen tussen het functioneren van de defensiemedewerker en een daarbij passende beloning. Centraal bij het functioneringsgesprek staan het verbeteren van het functioneren van de defensiemedewerker en diens persoonlijke ontwikkeling, zoals blijkt uit de inrichting van het gesprek. Het functioneringsgesprek vormt geen basis voor het nemen van een beloningsbeslissing. Het vorengaande is in de nota van toelichting bij de artikelen 131 AMAR en 90 BARD verduidelijkt.
3. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad is in de nota van toelichting bij de artikelen 131a AMAR en 90a BARD nader ingegaan op het verschil tussen de huidige en de voorgestelde bepalingen.
4. De redactionele kanttekeningen zijn in het besluit en de nota van toelichting aangebracht.
De Raad kan zich voor het overige met het ontwerp verenigen.
de Staatssecretaris van Defensie
(1) Stb. 2001, 99.