Voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs om meer maatwerk mogelijk te maken bij de toelating tot het praktijkonderwijs, met memorie van toelichting.
- Kenmerk
- W05.04.0407/III
- Datum advies
- 30 augustus 2004
- Vindplaats
- Kamerstukken II 2004/05, 29 823, nr 4
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Wet
Toon inhoud
Volledige tekst
Voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs om meer maatwerk mogelijk te maken bij de toelating tot het praktijkonderwijs, met memorie van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 13 augustus 2004, no.04.003074, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs om meer maatwerk mogelijk te maken bij de toelating tot het praktijkonderwijs, met memorie van toelichting.
Het voorstel beoogt regionale verwijzingscommissies (hierna: RVC’s) meer beoordelingsvrijheid te geven bij de toelating van leerlingen tot het praktijkonderwijs. Het gaat hierbij om leerlingen die (net) niet aan de toelatingscriteria voldoen en om leerlingen voor wie het indienen van een aanvraag niet meer mogelijk is. Thans kunnen deze leerlingen worden toegelaten op basis van een overgangsregeling die met ingang van 1 augustus 2005 vervalt.
De Raad kan zich vinden in de verruiming van de beoordelingsvrijheid maar maakt opmerkingen over het onderscheid tussen inhoudelijke toelatingscriteria en aanvraagtermijnen. In verband hiermee is enige aanpassing van het voorstel wenselijk.
1. Volgens de memorie toelichting leidt de huidige regelgeving met betrekking tot de toelating tot het praktijkonderwijs er in enkele uitzonderlijke situaties toe dat leerlingen ten onrechte niet kunnen worden toegelaten. Het betreft hier twee soorten problemen. In de eerste plaats kan een leerling (net) niet voldoen aan de toelatingscriteria, terwijl hij voor het praktijkonderwijs geschikt is. In de tweede plaats wordt een verzoek om toelating soms gedaan op een tijdstip dat het doen van een aanvraag voor deze leerling niet meer mogelijk is. Ingevolge artikel 10g, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs kunnen verzoeken om toelating alleen worden gedaan voor leerlingen in het eerste leerjaar van het voortgezet onderwijs en voor leerlingen die uit het primair of speciaal onderwijs komen. Het voorstel tracht deze problemen op te lossen door bij algemene maatregel van bestuur voor deze leerlingen andere toelatingscriteria op te stellen.
De Raad wijst erop dat ingevolge artikel 10g, achtste lid, WVO, de toelatingscriteria bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen worden vastgesteld. Deze criteria zijn inmiddels opgenomen in het Besluit RVC’s, regionaal zorgbudget en praktijkscholen met declaratiebekostiging. Versoepeling van de toelatingscriteria kan dus plaatsvinden door wijziging van dit besluit.
De beoogde wetswijziging behoeft dus slechts te voorzien in versoepeling van de termijn waarbinnen een aanvraag kan worden ingediend. Mede gelet op het uitgangspunt dat afwijking van een wet bij lagere regeling zoveel mogelijk dient te worden beperkt, geeft de Raad in overweging de mogelijkheid van delegatie in deze bepaling te beperken tot het versoepelen van de termijnen waarbinnen een aanvraag voor een indicatie praktijkonderwijs moet worden gedaan.
De Raad adviseert het voorstel in die zin aan te passen.
2. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 6 oktober 2004
De Raad van State kan zich met het voorstel van wet verenigen nadat met het advies rekening zal zijn gehouden.
1. De Raad wijst erop dat ingevolge artikel 10g, achtste lid, WVO, de toelatingscriteria bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen worden vastgesteld. Versoepeling van de toelatingscriteria kan volgens de Raad dus al plaatsvinden door het huidige RVC-besluit te wijzigen. De Raad is daarom van mening dat het wetsvoorstel alleen maar hoeft te voorzien in versoepeling van de termijn voor indiening van een aanvraag.
Inderdaad kunnen de toelatingscriteria (bedoeld is kennelijk: beoordelingscriteria; zie de bewoordingen van artikel 10g, achtste lid) bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld. Aanpassing van deze criteria kan dus al plaatsvinden door wijziging van het RVC- besluit waarin ze nu zijn opgenomen. Maar artikel 10g, derde lid, beperkt de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot leerlingen die rechtstreeks afkomstig zijn van een school of instelling als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of de Wet op de expertisecentra of van het eerste leerjaar van een school voor voortgezet onderwijs. De bedoeling van het wetsvoorstel is een doelgroep toe te voegen voor wie ook een aanvraag tot indicatiestelling voor praktijkonderwijs kan worden ingediend. Dat doet het wetsvoorstel door te regelen dat een algemene maatregel van bestuur de groep van mogelijke aanvragers kan uitbreiden. Daarnaast staat het voornemen om voor deze apart te onderscheiden, nieuw toe te voegen, doelgroep de beoordelingscriteria aan te passen bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur op grond van het huidige achtste lid van artikel 10g. Een algemene verlenging van de termijn voor indiening van een aanvraag, gecombineerd met een aanpassing van de criteria op grond van het achtste lid, is dus niet voldoende om het doel van dit wetsvoorstel te bereiken.
Het advies van de Raad heeft wel duidelijk gemaakt dat het aanbeveling verdient, de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel te verduidelijken. Dat is dan ook gebeurd.
2. De redactionele kanttekeningen heb ik overgenomen.
Ik moge U, mede namens mijn ambtgenoot van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Het voorstel beoogt regionale verwijzingscommissies (hierna: RVC’s) meer beoordelingsvrijheid te geven bij de toelating van leerlingen tot het praktijkonderwijs. Het gaat hierbij om leerlingen die (net) niet aan de toelatingscriteria voldoen en om leerlingen voor wie het indienen van een aanvraag niet meer mogelijk is. Thans kunnen deze leerlingen worden toegelaten op basis van een overgangsregeling die met ingang van 1 augustus 2005 vervalt.
De Raad kan zich vinden in de verruiming van de beoordelingsvrijheid maar maakt opmerkingen over het onderscheid tussen inhoudelijke toelatingscriteria en aanvraagtermijnen. In verband hiermee is enige aanpassing van het voorstel wenselijk.
1. Volgens de memorie toelichting leidt de huidige regelgeving met betrekking tot de toelating tot het praktijkonderwijs er in enkele uitzonderlijke situaties toe dat leerlingen ten onrechte niet kunnen worden toegelaten. Het betreft hier twee soorten problemen. In de eerste plaats kan een leerling (net) niet voldoen aan de toelatingscriteria, terwijl hij voor het praktijkonderwijs geschikt is. In de tweede plaats wordt een verzoek om toelating soms gedaan op een tijdstip dat het doen van een aanvraag voor deze leerling niet meer mogelijk is. Ingevolge artikel 10g, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs kunnen verzoeken om toelating alleen worden gedaan voor leerlingen in het eerste leerjaar van het voortgezet onderwijs en voor leerlingen die uit het primair of speciaal onderwijs komen. Het voorstel tracht deze problemen op te lossen door bij algemene maatregel van bestuur voor deze leerlingen andere toelatingscriteria op te stellen.
De Raad wijst erop dat ingevolge artikel 10g, achtste lid, WVO, de toelatingscriteria bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen worden vastgesteld. Deze criteria zijn inmiddels opgenomen in het Besluit RVC’s, regionaal zorgbudget en praktijkscholen met declaratiebekostiging. Versoepeling van de toelatingscriteria kan dus plaatsvinden door wijziging van dit besluit.
De beoogde wetswijziging behoeft dus slechts te voorzien in versoepeling van de termijn waarbinnen een aanvraag kan worden ingediend. Mede gelet op het uitgangspunt dat afwijking van een wet bij lagere regeling zoveel mogelijk dient te worden beperkt, geeft de Raad in overweging de mogelijkheid van delegatie in deze bepaling te beperken tot het versoepelen van de termijnen waarbinnen een aanvraag voor een indicatie praktijkonderwijs moet worden gedaan.
De Raad adviseert het voorstel in die zin aan te passen.
2. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 6 oktober 2004
De Raad van State kan zich met het voorstel van wet verenigen nadat met het advies rekening zal zijn gehouden.
1. De Raad wijst erop dat ingevolge artikel 10g, achtste lid, WVO, de toelatingscriteria bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen worden vastgesteld. Versoepeling van de toelatingscriteria kan volgens de Raad dus al plaatsvinden door het huidige RVC-besluit te wijzigen. De Raad is daarom van mening dat het wetsvoorstel alleen maar hoeft te voorzien in versoepeling van de termijn voor indiening van een aanvraag.
Inderdaad kunnen de toelatingscriteria (bedoeld is kennelijk: beoordelingscriteria; zie de bewoordingen van artikel 10g, achtste lid) bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld. Aanpassing van deze criteria kan dus al plaatsvinden door wijziging van het RVC- besluit waarin ze nu zijn opgenomen. Maar artikel 10g, derde lid, beperkt de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot leerlingen die rechtstreeks afkomstig zijn van een school of instelling als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of de Wet op de expertisecentra of van het eerste leerjaar van een school voor voortgezet onderwijs. De bedoeling van het wetsvoorstel is een doelgroep toe te voegen voor wie ook een aanvraag tot indicatiestelling voor praktijkonderwijs kan worden ingediend. Dat doet het wetsvoorstel door te regelen dat een algemene maatregel van bestuur de groep van mogelijke aanvragers kan uitbreiden. Daarnaast staat het voornemen om voor deze apart te onderscheiden, nieuw toe te voegen, doelgroep de beoordelingscriteria aan te passen bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur op grond van het huidige achtste lid van artikel 10g. Een algemene verlenging van de termijn voor indiening van een aanvraag, gecombineerd met een aanpassing van de criteria op grond van het achtste lid, is dus niet voldoende om het doel van dit wetsvoorstel te bereiken.
Het advies van de Raad heeft wel duidelijk gemaakt dat het aanbeveling verdient, de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel te verduidelijken. Dat is dan ook gebeurd.
2. De redactionele kanttekeningen heb ik overgenomen.
Ik moge U, mede namens mijn ambtgenoot van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap