Ontwerpbesluit strekkende tot goedkeuring van het besluit van de raad van Hoogeveen van 26 juni 2003, no.03/45, tot onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet.
- Kenmerk
- W08.03.0481/V
- Datum advies
- 12 december 2003
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 10 februari 2004, nr 27
- Infrastructuur en Waterstaat
- Onteigening
Toon inhoud
Ontwerpbesluit strekkende tot goedkeuring van het besluit van de raad van Hoogeveen van 26 juni 2003, no.03/45, tot onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet.
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, met een schrijven van 17 november 2003, no.MJZ2003115805, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit, strekkende tot goedkeuring van het besluit van de raad van Hoogeveen van 26 juni 2003, no.03/45, tot onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet.
Reclamanten wijzen in hun bedenkingen op de reactie van de gemeenteraad van Hoogeveen op de zienswijzen die zij hebben ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan "Begraafplaats te Fluitenberg". Zij maken daaruit op de het gemeentebestuur positief staat tegenover het door henzelf realiseren van dat bestemmingsplan. Naar aanleiding van deze bedenking wordt in het ontwerpbesluit overwogen dat onderzoek heeft uitgewezen dat reclamanten de beschikking hebben over minder dan de helft van de benodigde gronden voor de uitvoering van fase 1 van het bestemmingsplan "Begraafplaats te Fluitenberg" en dat de uitvoering van het bestemmingsplan door reclamanten zonder medewerking van derden (in casu de gemeente) derhalve niet gewaarborgd is. Verder wordt overwogen dat de gemeente de publieke taak - met de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheid - heeft om zorg te dragen voor de vaststelling en uitvoering van het beleid van de Wet op de lijkbezorging.
De Raad van State wijst in dit verband echter op paragraaf 4.2 (Landschappelijke inpassing) van de toelichting op het bestemmingsplan waarin wordt opgemerkt: "Zodra het bestemmingsplan in werking is getreden en er overeenstemming is bereikt met de huidige eigenaren over aankoop van de gronden of een vorm van zelfrealisatie, zal met de inrichting van het plangebied worden aangevangen."
Bovendien merkt de gemeenteraad in antwoord op een inspraakreactie bij het bestemmingsplan (reactie 4a, bladzijde 31 plantoelichting) het volgende op:
"De opmerking dat insprekers (bij onherroepelijk worden van het bestemmingsplan) zelf een begraafplaats kunnen exploiteren is juist. De gemeente gaat er echter vanuit de gronden verworven te hebben voordat het bestemmingsplan onherroepelijk wordt. Wanneer MEGA(zie noot 1) overigens geïnteresseerd is in de exploitatie van de onderhavige begraafplaats, is daarover te allen tijde met de gemeente te praten. Het is geen vaststaand gegeven dat de gemeente zelf de exploitatie voor haar rekening zal nemen."
De Raad is van mening dat de hiervoor geciteerde passages uit de plantoelichting niet in overeenstemming zijn met de in het ontwerpbesluit opgenomen overwegingen over de zelfrealisatie van het bestemmingsplan. Hij adviseert in het ontwerpbesluit alsnog duidelijkheid te verschaffen over de door de gemeente gewenste uitvoering van het bestemmingsplan en in dit licht daarvan de noodzaak van de onteigening van de gronden van reclamanten zo nodig nader te bezien.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 12 januari 2004
Naar aanleiding van het advies van de Raad van State merk ik het volgende op.
Met de Raad van State ben ik van oordeel, dat de door hem geciteerde passages uit de bij het bestemmingsplan “Begraafplaats te Fluitenberg” behorende toelichting en de in het ontwerpbesluit opgenomen overwegingen over de zelfrealisatie van het bestemmingsplan op het eerste gezicht niet met elkaar in overeenstemming lijken te zijn.
In dit verband merk ik op, dat de gemeente het standpunt, dat zij zelfrealisatie dan wel exploitatie van de begraafplaats door de huidige eigenaren niet op voorhand afwijst, heeft ingenomen omdat ten tijde van het tot stand komen van het bestemmingsplan alle gronden, die benodigd zijn voor de aanleg van het zuidelijk deel van de begraafplaats, in eigendom bij particulieren waren. De gemeente wenste de mogelijkheid van zelfrealisatie niet op voorhand uit te sluiten in het geval, dat degene die tot zelfrealisatie wenste over te gaan over alle benodigde gronden kon beschikken. De benodigde gronden zijn de percelen kadastraal bekend gemeente Hoogeveen, sectie U, nos. 649 (ged), 650 (ged.), 671 en 672. De door de Raad van State bedoelde reclamanten zijn slechts rechthebbenden op de percelen kadastraal bekend gemeente Hoogeveen, sectie U, nos. 650 (ged.) en 671.
De gemeente heeft om en nabij het tijdstip van het nemen van het raadsbesluit de percelen kadastraal bekend gemeente Hoogeveen, sectie U, nos. 649 (ged) en 672, kunnen verwerven. Laatstbedoelde gronden waren in eerste instantie ook in het concept raadsbesluit tot onteigening opgenomen.
Nu de reclamanten in het onderhavige geval bij de uitvoering van het bestemmingsplan zijn aangewezen op de medewerking van derden (in casu de gemeente), acht de gemeente om die reden de uitvoering niet voldoende gewaarborgd. Zij is - mijns inziens terecht - van mening dat de uitvoering van een voorziening als deze integraal dient plaats te vinden.
In het advies van de Raad van State heb ik voldoende aanleiding gevonden de overwegingen in vorenbedoelde zin aan te vullen.
Ik moge Uwe Majesteit dan ook verzoeken het hierbij aangeboden, gewijzigde, ontwerpbesluit te bekrachtigen.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(1) MEGA is één van de reclamanten.