Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen houdende regels inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu (uitvoering richtlijn nr.2001/18), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W08.03.0419/V
- Datum advies
- 23 december 2003
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 8 juni 2004, nr 106
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen houdende regels inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu (uitvoering richtlijn nr.2001/18), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 7 oktober 2003, no.03.004148, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen houdende regels inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu (uitvoering richtlijn nr.2001/18), met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit dient ter implementatie van richtlijn 2001/18/EG (hierna ook: de richtlijn).(zie noot 1) Er worden enige wijzigingen aangebracht in de bepalingen over de doelbewuste introductie in het milieu van genetisch gemodificeerde organismen (hierna: ggo’s) voor andere doeleinden dan het in de handel brengen. Verder wordt de procedure voor het verkrijgen van toestemming voor het in de handel brengen van ggo’s opgenomen in het besluit zelf; tot nu toe werd verwezen naar Europese regelgeving daarover.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar plaatst enkele opmerkingen. Hij is van oordeel dat het besluit in verband daarmee enige aanpassing behoeft.
1. Het ontwerpbesluit is gebaseerd op de artikelen 24, 26 en 39 van de Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms), zo blijkt uit de aanhef. Artikel 61, eerste lid, Wms bepaalt dat het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur gebaseerd op (onder andere) artikel 24 van die wet wordt overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal en in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, waarna gedurende een termijn van ten minste vier weken schriftelijk opmerkingen kunnen worden ingebracht bij de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Het tweede lid van artikel 61 Wms bepaalt dat een dergelijke maatregel niet eerder dan vier weken na publicatie in het Staatsblad in werking treedt.
a. Uit de nota van toelichting blijkt niet of overlegging van het ontwerp aan de Staten-Generaal en publicatie in de Staatscourant hebben plaatsgehad, en, zo ja, tot welke reacties dit geleid heeft. De Raad adviseert in de toelichting hierop in te gaan.
b. Artikel II van het ontwerpbesluit bepaalt de datum van inwerkingtreding op de dag na plaatsing van het ontwerpbesluit in het Staatsblad. Dat is in strijd met artikel 61, tweede lid, Wms. De Raad adviseert de inwerkingtreding van het besluit te regelen overeenkomstig artikel 61 Wms.
2. In de artikelen 22a, 23c, 24, tweede lid, 26, 28, eerste lid, onderdelen b, e en g, en 32, tweede lid, van het ontwerpbesluit wordt verwezen naar communautaire beschikkingen die door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer worden aangewezen. Het gaat hier om beschikkingen van hetzij de Europese Commissie, hetzij de Raad van de Europese Unie, die betrekking hebben op de aanpassing aan de stand van de techniek van een aantal bijlagen bij de richtlijn.(zie noot 2)
a. Artikel 40, tweede lid, van het ontwerpbesluit bepaalt dat dergelijke beschikkingen voor Nederland gaan gelden op een door de minister te bepalen tijdstip. In de toelichting op dit lid wordt vermeld dat de minister bij het bepalen van dat tijdstip het moment van inwerkingtreding van de beschikking zal volgen. De Raad adviseert om, in overeenstemming met aanwijzing 214 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar), een bepaling van die strekking op te nemen in het ontwerpbesluit zelf.
b. Het besluit van de minister zal ingevolge artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht algemeen moeten worden bekengemaakt. Daarbij zal tevens moeten worden vermeld op welke datum de desbetreffende beschikking voor Nederland gaat gelden. De Raad adviseert dit uitdrukkelijk in het ontwerpbesluit op te nemen.
3. In de toelichting op artikel 24, zesde lid (artikel I, onderdeel O) wordt opgemerkt dat de minister bij de beslissing op een vergunningaanvraag de eventuele opmerkingen in aanmerking neemt die andere lidstaten van de Europese Unie hebben gemaakt. De Raad adviseert om deze bepaling, die dient ter implementatie van een voorschrift in de richtlijn (artikel 6, vijfde lid), een plaats te geven in het ontwerpbesluit zelf; dit mede gelet op aanwijzing 214 Ar.
4. Artikel 37, vierde lid (artikel I, onderdeel R) bepaalt dat een vergunning voor het in de handel brengen met maximaal tien jaar wordt verlengd, met dien verstande dat de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op verzoek van de aanvrager van deze termijn kan afwijken. Uit artikel 17, zesde lid, van de richtlijn blijkt dat de termijn op meer of minder dan tien jaar kan worden gesteld als daarvoor specifieke redenen zijn. Een termijn van meer dan tien jaar is echter alleen toegestaan als het beoordelingsrapport concludeert dat het desbetreffende ggo in de handel mag blijven (artikel 17, derde lid, onder a) en er geen reacties van de Europese Commissie of een van de andere lidstaten zijn binnengekomen. Als er wel reacties zijn ingebracht, maar daarover binnen 75 dagen na de verspreiding van het beoordelingsrapport alsnog overeenstemming wordt bereikt, kan de bevoegde instantie (dus de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) de geldigheidsduur van de vergunning verlengen, maar niet met een periode langer dan tien jaar (artikel 17, zevende en achtste lid).
De Raad adviseert het vierde lid van artikel 37 in overeenstemming te brengen met de bepalingen van de richtlijn.
5. Op 11 september 2003 is het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid bij het Verdrag inzake biologische diversiteit in werking getreden.(zie noot 3) Het Cartagena-protocol geeft regels over de in- en uitvoer van veranderde levende organismen en de beperking van de nadelige gevolgen die deze organismen kunnen hebben voor het behoud en duurzaam gebruik van de biologische diversiteit. Nederland is partij bij dit protocol, evenals de Europese Gemeenschap.
In de nota van toelichting wordt geen aandacht besteed aan de vraag hoe de bepalingen van dit besluit zich verhouden tot de verplichtingen onder het Cartagena-protocol. De Raad adviseert hierop in de toelichting alsnog in te gaan.
6. De implementatietermijn voor richtlijn 2001/18 verstreek op 17 oktober 2002. Deze datum is niet gehaald. De Raad adviseert in de nota van toelichting aandacht te besteden aan de mogelijke gevolgen van deze te late implementatie.
7. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 23 december 2003, no.W08.03.0419/V met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Algemeen
— In het ontwerpbesluit en de nota van toelichting enkele malen “adressant” (= adresserende) vervangen door: geadresseerde.
Ontwerpbesluit
— In artikel I, onderdeel A, in de definitie van “genetisch gemodificeerde organismen” het laatste onderdeel verwerken van artikel 2, tweede lid, van de richtlijn, dat een specificatie bevat van enkele technieken die wel respectievelijk niet tot genetische modificatie leiden.
— In artikel I een bepaling opnemen met als strekking dat voor de toepassing van paragraaf 3 van het besluit onder genetisch gemodificeerde organismen mede wordt verstaan: een combinatie van genetisch gemodificeerde organismen. Vervolgens de verwijzingen naar dergelijke combinaties in het ontwerpbesluit schrappen.
— De nummering van de verschillende onderdelen van artikel I, onderdeel L, corrigeren, met inachtneming van aanwijzing 235 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar).
— In hetzelfde onderdeel het laatste punt als volgt redigeren: In het vierde lid wordt “wetgeving” vervangen door: regelingen en wordt “onderdeel e” vervangen door: onderdelen d tot en met f. (Artikel I, onderdeel L, voorziet immers in een nieuw derde lid van artikel 23, zodat hernummering niet nodig is.)
— In artikel I, onderdeel O, in het tweede lid van artikel 24 de onderdelen 5 en 7 invoegen als onderdelen c en d (na onderdelen a en b); het gaat immers niet om informatie over een monitoringplan en informatie over een samenvatting, maar om het monitoringplan en de samenvatting zelf.
— In hetzelfde onderdeel in het derde lid van artikel 24 “vergunninghouder” vervangen door: aanvrager. De vergunningaanvraag waarnaar wordt verwezen kan immers ook zijn afgewezen.
— In artikel I, onderdeel P, de verwijzing in de huidige tekst van artikel 24a naar “de vergunning bedoeld in artikel 24, vijfde lid” aanpassen.
— Indien bij inwerkingtreding van het onderhavige besluit de aanpassingswetgeving die verband houdt met de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (aangekondigd in Kamerstukken II 1999/2000, 27 023, nr.3, blz.21) voor wat de Wet milieugevaarlijke stoffen betreft nog niet in werking is getreden, in artikel 27 (artikel I, onderdeel R) “Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht” vervangen door: De paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht.
— In artikel I, onderdeel R, onderdeel h van het eerste lid van artikel 28 beginnen met “indien van toepassing,”.
— In artikel I, onderdeel R, in artikel 28 een bepaling opnemen met de strekking dat de minister indien nodig de aanvrager om aanvullende informatie kan verzoeken (artikelen 13, eerste lid, tweede alinea, en 14, vierde lid, van de richtlijn). Voorts in de artikelen 29 en 30 rekening houden met het feit dat de periode dat de minister wacht op aanvullende informatie niet meetelt voor de berekening van de maximale termijnen (artikel 14, vierde lid, van de richtlijn).
— In hetzelfde onderdeel artikel 29, tweede lid, als volgt redigeren: “Indien het beoordelingsrapport inhoudt dat het genetisch gemodificeerde organisme of de combinatie van genetisch gemodificeerde organismen in de handel kan worden gebracht, vermeldt het de voorwaarden waaronder dat dient te gebeuren. Onze Minister zendt het beoordelingsrapport en een afschrift van de aanvraag onverwijld aan de aanvrager en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.” Op deze manier komt tot uitdrukking dat de minister verplicht is de voorwaarden voor het in de handel brengen op te nemen, en dat het beoordelingsrapport wel een conclusie omtrent het in de handel brengen bevat maar daarover geen beslissing geeft (die volgt pas bij de vergunningverlening).
— In hetzelfde onderdeel in het derde lid van artikel 29 “niet in de handel mag worden gebracht” vervangen door: “niet in de handel dient te worden gebracht”. Voorts de zinsnede “in afwijking van het tweede lid” schrappen; het tweede en het derde lid kunnen immers niet gelijktijdig van toepassing zijn. Ten slotte het woord “eveneens”, waarvan niet duidelijk is waarnaar het verwijst, schrappen, en expliciet bepalen dat het rapport, ook als het inhoudt dat het desbetreffende genetisch gemodificeerde organisme niet in de handel dient te worden gebracht, ook aan de aanvrager wordt gezonden (artikel 14, tweede lid, eerste streepje, van de richtlijn).
— In hetzelfde onderdeel in artikel 34, eerste lid, na “herbeoordeling van bestaande informatie” invoegen: aan de hand van nieuwe of nadere wetenschappelijke kennis.
— In artikel I, onderdeel S, het eerste lid van artikel 39 laten vervallen, omdat de daarin neergelegde onmiddellijke werking van het besluit de hoofdregel is en dus niet afzonderlijk hoeft te worden bepaald (aanwijzing 166 Ar). Het tweede lid van artikel 39, als bepaling van overgangsrecht, met de nodige redactionele aanpassingen opnemen in een afzonderlijk artikel II van het voorliggende besluit. Vervolgens het huidige artikel II vernummeren tot artikel III.
— Onderdeel T van artikel I laten vervallen, aangezien artikel 41, eerste lid, van het Besluit ggo op het moment van inwerkingtreding van het Besluit ggo is uitgewerkt.
— In bijlage 1 bij het Besluit ggo de verwijzingen naar de onderdelen d en e van artikel 23, tweede lid, aanpassen.
Nota van toelichting
— In de toelichting op artikel I, onderdeel L, aandacht besteden aan de wijziging van het derde lid van artikel 23.
— In de toelichting op artikel I, onderdeel R, laatste tekstblok, de zin die begint met “Verder is in het Besluit ggo een bepaling opgenomen …” vervangen door: Verder is in het Besluit ggo, in de bepaling dat de beslissing wordt genomen na overleg met Onze overige Ministers wie het mede aangaat, nu gespecificeerd wanneer het de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport betreft.
Nader rapport (reactie op het advies) van 20 april 2004
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
1a. Het ontwerpbesluit is niet overgelegd aan de Staten-Generaal noch in de Staatscourant gepubliceerd, zoals artikel 61, eerste lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen (hierna: Wms) bepaalt. De reden hiervoor is dat artikel 1:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing is. Dit artikel houdt in dat een verplichting als bedoeld in artikel 61, eerste lid, van de Wms, niet geldt indien het voorgenomen besluit uitsluitend strekt tot uitvoering van een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Het onderhavige ontwerpbesluit strekt uitsluitend tot uitvoering van richtlijn 2001/18/EG en is daarom in afwijking van artikel 61, eerste lid, van de Wms, en conform artikel 1:8 van de Awb, niet overgelegd aan de Staten-Generaal noch in de Staatscourant gepubliceerd. Ik heb hierover alsnog een passage opgenomen in de nota van toelichting.
1b. De Raad van State adviseert om de inwerkingtreding van het besluit te regelen in overeenstemming met artikel 61, tweede lid, van de Wms. In artikel 7a van de Bekend-makingswet is echter geregeld dat kan worden afgezien van inwerkingtreding na een bepaalde voorgeschreven periode, in dit geval ten minste vier weken op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wms, indien een regeling uitsluitend strekt tot uitvoering van een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Zoals onder punt 1a is aangegeven strekt het onderhavige ontwerpbesluit uitsluitend tot uitvoering van richtlijn 2001/18/EG en is daarom afgeweken van artikel 61, tweede lid, van de Wms, conform artikel 7a van de Bekendmakingswet. Ik heb gekozen voor inwerkingtreding op de eerste dag van de eerste kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het ontwerpbesluit wordt geplaatst. Deze keuze is ingegeven vanwege de beoogde gelijktijdige inwerkingtreding van de eveneens te wijzigen Regeling genetisch gemodificeerde organismen die op het onderhavige ontwerpbesluit is gebaseerd.
2a. Bij nader inzien heb ik artikel 40 (thans: 39), tweede lid, laten vervallen, daar dit lid overbodig is. Immers, de door de Raad bedoelde beschikkingen zullen bij ministeriële regeling worden aangewezen en de bevoegdheid van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer om een ministeriële regeling vast te stellen volgt uit artikel 24, derde lid, van de Wms. Uit de regeling zelf zal blijken op welk moment de bij die regeling aan te wijzen beschikkingen in werking treden.
2b. Ik ben het eens met de strekking van de opmerking van de Raad. De door de Raad bedoelde besluiten zullen, zoals hierboven aangegeven, bij ministeriële regeling worden aangewezen en worden gepubliceerd in de Staatscourant, waarmee aan de eis van bekendmaking wordt voldaan.
3. De door de Raad gesignaleerde opmerking in de toelichting op artikel 24, zesde lid, had deel moeten uitmaken van de toelichting op het achtste lid. Ik heb de bepaling, in navolging van het advies van de Raad, derhalve in artikel 24, achtste lid, van het ontwerpbesluit opgenomen en overigens ook in de toelichting op dat lid.
4. Ik kan mij vinden in de interpretatie van de richtlijnbepalingen van de Raad en heb derhalve het vierde lid van artikel 37 van het ontwerpbesluit aangepast en een nieuw vijfde lid opgenomen.
5. In overeenstemming met het advies van de Raad is in de inleiding van de nota van toelichting alsnog ingegaan op de relatie tussen het ontwerpbesluit en de verplichtingen die voortvloeien uit het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid.
6. Onder punt 5 van het algemene deel van de nota van toelichting ben ik ingegaan op de mogelijke gevolgen van de te late implementatie van richtlijn 2001/18/EG.
7. De redactionele kanttekeningen zijn grotendeels overgenomen. In de gevallen waarin dat niet of niet volledig is gebeurd, geef ik hieronder de redenen daarvoor aan.
a. Tweede gedachtestreepje: deze kanttekening van de Raad heb ik niet overgenomen omdat de specificatie van enkele technieken waar de Raad op doelt, reeds in de uitzonderingsbepalingen van het te wijzigen besluit en in de Regeling genetisch gemodificeerde organismen is opgenomen.
b. Zesde gedachtestreepje: ik ben het eens met de constatering van de Raad dat het hier gaat om het monitoringplan en de samenvatting en niet over de informatie daarover. Ik heb de onderdelen 5 en 7 echter niet als onderdelen c en d opgenomen, daar het monitoringplan en de samenvatting deel uitmaken van het technisch dossier, dat geregeld is in onderdeel a. Ik heb door een aanpassing van de formulering wel het door de Raad beoogde resultaat bereikt.
c. Elfde gedachtestreepje: deze suggesties van de Raad heb ik niet overgenomen, daar dit al geregeld is in artikel 4:5 respectievelijk artikel 4:15 van de Awb, welke artikelen in verbinding met het ontwerpbesluit van toepassing zijn. Artikel 4:5 van de Awb voorziet in de mogelijkheid dat de aanvrager zijn aanvraag aanvult. Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de tijd die de aanvrager nodig heeft om zijn aanvraag aan te vullen of de daarvoor gestelde termijn wanneer die ongebruikt is verstreken, de termijn voor het nemen van een beschikking opschort.
De toelichting op artikel 29, eerste en tweede lid, gaat hierop in.
d. Twaalfde gedachtestreepje: ik heb de suggestie van de Raad overgenomen met uitzondering van de formulering ‘de voorwaarden waaronder dat dient te gebeuren’. In overeenstemming met aanwijzing 53 wil ik het gebruik van het woord ‘dienen’ zoveel mogelijk beperken. Ik heb daarom gekozen voor de formulering ‘de voorwaarden waaronder dat mag gebeuren’. De inhoud van de bepaling wordt daardoor niet gewijzigd.
e. Dertiende gedachtestreepje: Ook in deze bepaling heb ik de formulering met ‘dienen’ niet overgenomen. Zie hetgeen ik hierover bij het twaalfde gedachtestreepje heb opgemerkt.
f. Zestiende gedachtestreepje: met onderdeel T vervalt het eerste lid van artikel 41 (thans; artikel 40) omdat deze bepaling met de inwerkingtreding van het ontwerpbesluit is uitgewerkt. De inhoud van het tweede lid, dat de citeertitel bevat, moet gehandhaafd blijven. De suggestie van de Raad heb ik derhalve niet overgenomen.
8. Tot slot heb ik nog enkele onvolkomenheden in het besluit en in de nota van toelichting verholpen en heb ik de nota van toelichting waar nodig geactualiseerd.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(1) Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PbEG L 106).
(2) De artikelen 27 en 30, tweede lid, van de richtlijn, junctis de artikelen 5 en 7 van Besluit nr.1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (PbEG L 184).
(3) Montreal, 29 januari 2000; Trb. 2001, 170.
Het ontwerpbesluit dient ter implementatie van richtlijn 2001/18/EG (hierna ook: de richtlijn).(zie noot 1) Er worden enige wijzigingen aangebracht in de bepalingen over de doelbewuste introductie in het milieu van genetisch gemodificeerde organismen (hierna: ggo’s) voor andere doeleinden dan het in de handel brengen. Verder wordt de procedure voor het verkrijgen van toestemming voor het in de handel brengen van ggo’s opgenomen in het besluit zelf; tot nu toe werd verwezen naar Europese regelgeving daarover.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar plaatst enkele opmerkingen. Hij is van oordeel dat het besluit in verband daarmee enige aanpassing behoeft.
1. Het ontwerpbesluit is gebaseerd op de artikelen 24, 26 en 39 van de Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms), zo blijkt uit de aanhef. Artikel 61, eerste lid, Wms bepaalt dat het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur gebaseerd op (onder andere) artikel 24 van die wet wordt overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal en in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, waarna gedurende een termijn van ten minste vier weken schriftelijk opmerkingen kunnen worden ingebracht bij de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Het tweede lid van artikel 61 Wms bepaalt dat een dergelijke maatregel niet eerder dan vier weken na publicatie in het Staatsblad in werking treedt.
a. Uit de nota van toelichting blijkt niet of overlegging van het ontwerp aan de Staten-Generaal en publicatie in de Staatscourant hebben plaatsgehad, en, zo ja, tot welke reacties dit geleid heeft. De Raad adviseert in de toelichting hierop in te gaan.
b. Artikel II van het ontwerpbesluit bepaalt de datum van inwerkingtreding op de dag na plaatsing van het ontwerpbesluit in het Staatsblad. Dat is in strijd met artikel 61, tweede lid, Wms. De Raad adviseert de inwerkingtreding van het besluit te regelen overeenkomstig artikel 61 Wms.
2. In de artikelen 22a, 23c, 24, tweede lid, 26, 28, eerste lid, onderdelen b, e en g, en 32, tweede lid, van het ontwerpbesluit wordt verwezen naar communautaire beschikkingen die door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer worden aangewezen. Het gaat hier om beschikkingen van hetzij de Europese Commissie, hetzij de Raad van de Europese Unie, die betrekking hebben op de aanpassing aan de stand van de techniek van een aantal bijlagen bij de richtlijn.(zie noot 2)
a. Artikel 40, tweede lid, van het ontwerpbesluit bepaalt dat dergelijke beschikkingen voor Nederland gaan gelden op een door de minister te bepalen tijdstip. In de toelichting op dit lid wordt vermeld dat de minister bij het bepalen van dat tijdstip het moment van inwerkingtreding van de beschikking zal volgen. De Raad adviseert om, in overeenstemming met aanwijzing 214 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar), een bepaling van die strekking op te nemen in het ontwerpbesluit zelf.
b. Het besluit van de minister zal ingevolge artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht algemeen moeten worden bekengemaakt. Daarbij zal tevens moeten worden vermeld op welke datum de desbetreffende beschikking voor Nederland gaat gelden. De Raad adviseert dit uitdrukkelijk in het ontwerpbesluit op te nemen.
3. In de toelichting op artikel 24, zesde lid (artikel I, onderdeel O) wordt opgemerkt dat de minister bij de beslissing op een vergunningaanvraag de eventuele opmerkingen in aanmerking neemt die andere lidstaten van de Europese Unie hebben gemaakt. De Raad adviseert om deze bepaling, die dient ter implementatie van een voorschrift in de richtlijn (artikel 6, vijfde lid), een plaats te geven in het ontwerpbesluit zelf; dit mede gelet op aanwijzing 214 Ar.
4. Artikel 37, vierde lid (artikel I, onderdeel R) bepaalt dat een vergunning voor het in de handel brengen met maximaal tien jaar wordt verlengd, met dien verstande dat de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op verzoek van de aanvrager van deze termijn kan afwijken. Uit artikel 17, zesde lid, van de richtlijn blijkt dat de termijn op meer of minder dan tien jaar kan worden gesteld als daarvoor specifieke redenen zijn. Een termijn van meer dan tien jaar is echter alleen toegestaan als het beoordelingsrapport concludeert dat het desbetreffende ggo in de handel mag blijven (artikel 17, derde lid, onder a) en er geen reacties van de Europese Commissie of een van de andere lidstaten zijn binnengekomen. Als er wel reacties zijn ingebracht, maar daarover binnen 75 dagen na de verspreiding van het beoordelingsrapport alsnog overeenstemming wordt bereikt, kan de bevoegde instantie (dus de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) de geldigheidsduur van de vergunning verlengen, maar niet met een periode langer dan tien jaar (artikel 17, zevende en achtste lid).
De Raad adviseert het vierde lid van artikel 37 in overeenstemming te brengen met de bepalingen van de richtlijn.
5. Op 11 september 2003 is het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid bij het Verdrag inzake biologische diversiteit in werking getreden.(zie noot 3) Het Cartagena-protocol geeft regels over de in- en uitvoer van veranderde levende organismen en de beperking van de nadelige gevolgen die deze organismen kunnen hebben voor het behoud en duurzaam gebruik van de biologische diversiteit. Nederland is partij bij dit protocol, evenals de Europese Gemeenschap.
In de nota van toelichting wordt geen aandacht besteed aan de vraag hoe de bepalingen van dit besluit zich verhouden tot de verplichtingen onder het Cartagena-protocol. De Raad adviseert hierop in de toelichting alsnog in te gaan.
6. De implementatietermijn voor richtlijn 2001/18 verstreek op 17 oktober 2002. Deze datum is niet gehaald. De Raad adviseert in de nota van toelichting aandacht te besteden aan de mogelijke gevolgen van deze te late implementatie.
7. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 23 december 2003, no.W08.03.0419/V met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Algemeen
— In het ontwerpbesluit en de nota van toelichting enkele malen “adressant” (= adresserende) vervangen door: geadresseerde.
Ontwerpbesluit
— In artikel I, onderdeel A, in de definitie van “genetisch gemodificeerde organismen” het laatste onderdeel verwerken van artikel 2, tweede lid, van de richtlijn, dat een specificatie bevat van enkele technieken die wel respectievelijk niet tot genetische modificatie leiden.
— In artikel I een bepaling opnemen met als strekking dat voor de toepassing van paragraaf 3 van het besluit onder genetisch gemodificeerde organismen mede wordt verstaan: een combinatie van genetisch gemodificeerde organismen. Vervolgens de verwijzingen naar dergelijke combinaties in het ontwerpbesluit schrappen.
— De nummering van de verschillende onderdelen van artikel I, onderdeel L, corrigeren, met inachtneming van aanwijzing 235 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar).
— In hetzelfde onderdeel het laatste punt als volgt redigeren: In het vierde lid wordt “wetgeving” vervangen door: regelingen en wordt “onderdeel e” vervangen door: onderdelen d tot en met f. (Artikel I, onderdeel L, voorziet immers in een nieuw derde lid van artikel 23, zodat hernummering niet nodig is.)
— In artikel I, onderdeel O, in het tweede lid van artikel 24 de onderdelen 5 en 7 invoegen als onderdelen c en d (na onderdelen a en b); het gaat immers niet om informatie over een monitoringplan en informatie over een samenvatting, maar om het monitoringplan en de samenvatting zelf.
— In hetzelfde onderdeel in het derde lid van artikel 24 “vergunninghouder” vervangen door: aanvrager. De vergunningaanvraag waarnaar wordt verwezen kan immers ook zijn afgewezen.
— In artikel I, onderdeel P, de verwijzing in de huidige tekst van artikel 24a naar “de vergunning bedoeld in artikel 24, vijfde lid” aanpassen.
— Indien bij inwerkingtreding van het onderhavige besluit de aanpassingswetgeving die verband houdt met de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (aangekondigd in Kamerstukken II 1999/2000, 27 023, nr.3, blz.21) voor wat de Wet milieugevaarlijke stoffen betreft nog niet in werking is getreden, in artikel 27 (artikel I, onderdeel R) “Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht” vervangen door: De paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht.
— In artikel I, onderdeel R, onderdeel h van het eerste lid van artikel 28 beginnen met “indien van toepassing,”.
— In artikel I, onderdeel R, in artikel 28 een bepaling opnemen met de strekking dat de minister indien nodig de aanvrager om aanvullende informatie kan verzoeken (artikelen 13, eerste lid, tweede alinea, en 14, vierde lid, van de richtlijn). Voorts in de artikelen 29 en 30 rekening houden met het feit dat de periode dat de minister wacht op aanvullende informatie niet meetelt voor de berekening van de maximale termijnen (artikel 14, vierde lid, van de richtlijn).
— In hetzelfde onderdeel artikel 29, tweede lid, als volgt redigeren: “Indien het beoordelingsrapport inhoudt dat het genetisch gemodificeerde organisme of de combinatie van genetisch gemodificeerde organismen in de handel kan worden gebracht, vermeldt het de voorwaarden waaronder dat dient te gebeuren. Onze Minister zendt het beoordelingsrapport en een afschrift van de aanvraag onverwijld aan de aanvrager en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.” Op deze manier komt tot uitdrukking dat de minister verplicht is de voorwaarden voor het in de handel brengen op te nemen, en dat het beoordelingsrapport wel een conclusie omtrent het in de handel brengen bevat maar daarover geen beslissing geeft (die volgt pas bij de vergunningverlening).
— In hetzelfde onderdeel in het derde lid van artikel 29 “niet in de handel mag worden gebracht” vervangen door: “niet in de handel dient te worden gebracht”. Voorts de zinsnede “in afwijking van het tweede lid” schrappen; het tweede en het derde lid kunnen immers niet gelijktijdig van toepassing zijn. Ten slotte het woord “eveneens”, waarvan niet duidelijk is waarnaar het verwijst, schrappen, en expliciet bepalen dat het rapport, ook als het inhoudt dat het desbetreffende genetisch gemodificeerde organisme niet in de handel dient te worden gebracht, ook aan de aanvrager wordt gezonden (artikel 14, tweede lid, eerste streepje, van de richtlijn).
— In hetzelfde onderdeel in artikel 34, eerste lid, na “herbeoordeling van bestaande informatie” invoegen: aan de hand van nieuwe of nadere wetenschappelijke kennis.
— In artikel I, onderdeel S, het eerste lid van artikel 39 laten vervallen, omdat de daarin neergelegde onmiddellijke werking van het besluit de hoofdregel is en dus niet afzonderlijk hoeft te worden bepaald (aanwijzing 166 Ar). Het tweede lid van artikel 39, als bepaling van overgangsrecht, met de nodige redactionele aanpassingen opnemen in een afzonderlijk artikel II van het voorliggende besluit. Vervolgens het huidige artikel II vernummeren tot artikel III.
— Onderdeel T van artikel I laten vervallen, aangezien artikel 41, eerste lid, van het Besluit ggo op het moment van inwerkingtreding van het Besluit ggo is uitgewerkt.
— In bijlage 1 bij het Besluit ggo de verwijzingen naar de onderdelen d en e van artikel 23, tweede lid, aanpassen.
Nota van toelichting
— In de toelichting op artikel I, onderdeel L, aandacht besteden aan de wijziging van het derde lid van artikel 23.
— In de toelichting op artikel I, onderdeel R, laatste tekstblok, de zin die begint met “Verder is in het Besluit ggo een bepaling opgenomen …” vervangen door: Verder is in het Besluit ggo, in de bepaling dat de beslissing wordt genomen na overleg met Onze overige Ministers wie het mede aangaat, nu gespecificeerd wanneer het de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport betreft.
Nader rapport (reactie op het advies) van 20 april 2004
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
1a. Het ontwerpbesluit is niet overgelegd aan de Staten-Generaal noch in de Staatscourant gepubliceerd, zoals artikel 61, eerste lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen (hierna: Wms) bepaalt. De reden hiervoor is dat artikel 1:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing is. Dit artikel houdt in dat een verplichting als bedoeld in artikel 61, eerste lid, van de Wms, niet geldt indien het voorgenomen besluit uitsluitend strekt tot uitvoering van een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Het onderhavige ontwerpbesluit strekt uitsluitend tot uitvoering van richtlijn 2001/18/EG en is daarom in afwijking van artikel 61, eerste lid, van de Wms, en conform artikel 1:8 van de Awb, niet overgelegd aan de Staten-Generaal noch in de Staatscourant gepubliceerd. Ik heb hierover alsnog een passage opgenomen in de nota van toelichting.
1b. De Raad van State adviseert om de inwerkingtreding van het besluit te regelen in overeenstemming met artikel 61, tweede lid, van de Wms. In artikel 7a van de Bekend-makingswet is echter geregeld dat kan worden afgezien van inwerkingtreding na een bepaalde voorgeschreven periode, in dit geval ten minste vier weken op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wms, indien een regeling uitsluitend strekt tot uitvoering van een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Zoals onder punt 1a is aangegeven strekt het onderhavige ontwerpbesluit uitsluitend tot uitvoering van richtlijn 2001/18/EG en is daarom afgeweken van artikel 61, tweede lid, van de Wms, conform artikel 7a van de Bekendmakingswet. Ik heb gekozen voor inwerkingtreding op de eerste dag van de eerste kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het ontwerpbesluit wordt geplaatst. Deze keuze is ingegeven vanwege de beoogde gelijktijdige inwerkingtreding van de eveneens te wijzigen Regeling genetisch gemodificeerde organismen die op het onderhavige ontwerpbesluit is gebaseerd.
2a. Bij nader inzien heb ik artikel 40 (thans: 39), tweede lid, laten vervallen, daar dit lid overbodig is. Immers, de door de Raad bedoelde beschikkingen zullen bij ministeriële regeling worden aangewezen en de bevoegdheid van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer om een ministeriële regeling vast te stellen volgt uit artikel 24, derde lid, van de Wms. Uit de regeling zelf zal blijken op welk moment de bij die regeling aan te wijzen beschikkingen in werking treden.
2b. Ik ben het eens met de strekking van de opmerking van de Raad. De door de Raad bedoelde besluiten zullen, zoals hierboven aangegeven, bij ministeriële regeling worden aangewezen en worden gepubliceerd in de Staatscourant, waarmee aan de eis van bekendmaking wordt voldaan.
3. De door de Raad gesignaleerde opmerking in de toelichting op artikel 24, zesde lid, had deel moeten uitmaken van de toelichting op het achtste lid. Ik heb de bepaling, in navolging van het advies van de Raad, derhalve in artikel 24, achtste lid, van het ontwerpbesluit opgenomen en overigens ook in de toelichting op dat lid.
4. Ik kan mij vinden in de interpretatie van de richtlijnbepalingen van de Raad en heb derhalve het vierde lid van artikel 37 van het ontwerpbesluit aangepast en een nieuw vijfde lid opgenomen.
5. In overeenstemming met het advies van de Raad is in de inleiding van de nota van toelichting alsnog ingegaan op de relatie tussen het ontwerpbesluit en de verplichtingen die voortvloeien uit het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid.
6. Onder punt 5 van het algemene deel van de nota van toelichting ben ik ingegaan op de mogelijke gevolgen van de te late implementatie van richtlijn 2001/18/EG.
7. De redactionele kanttekeningen zijn grotendeels overgenomen. In de gevallen waarin dat niet of niet volledig is gebeurd, geef ik hieronder de redenen daarvoor aan.
a. Tweede gedachtestreepje: deze kanttekening van de Raad heb ik niet overgenomen omdat de specificatie van enkele technieken waar de Raad op doelt, reeds in de uitzonderingsbepalingen van het te wijzigen besluit en in de Regeling genetisch gemodificeerde organismen is opgenomen.
b. Zesde gedachtestreepje: ik ben het eens met de constatering van de Raad dat het hier gaat om het monitoringplan en de samenvatting en niet over de informatie daarover. Ik heb de onderdelen 5 en 7 echter niet als onderdelen c en d opgenomen, daar het monitoringplan en de samenvatting deel uitmaken van het technisch dossier, dat geregeld is in onderdeel a. Ik heb door een aanpassing van de formulering wel het door de Raad beoogde resultaat bereikt.
c. Elfde gedachtestreepje: deze suggesties van de Raad heb ik niet overgenomen, daar dit al geregeld is in artikel 4:5 respectievelijk artikel 4:15 van de Awb, welke artikelen in verbinding met het ontwerpbesluit van toepassing zijn. Artikel 4:5 van de Awb voorziet in de mogelijkheid dat de aanvrager zijn aanvraag aanvult. Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de tijd die de aanvrager nodig heeft om zijn aanvraag aan te vullen of de daarvoor gestelde termijn wanneer die ongebruikt is verstreken, de termijn voor het nemen van een beschikking opschort.
De toelichting op artikel 29, eerste en tweede lid, gaat hierop in.
d. Twaalfde gedachtestreepje: ik heb de suggestie van de Raad overgenomen met uitzondering van de formulering ‘de voorwaarden waaronder dat dient te gebeuren’. In overeenstemming met aanwijzing 53 wil ik het gebruik van het woord ‘dienen’ zoveel mogelijk beperken. Ik heb daarom gekozen voor de formulering ‘de voorwaarden waaronder dat mag gebeuren’. De inhoud van de bepaling wordt daardoor niet gewijzigd.
e. Dertiende gedachtestreepje: Ook in deze bepaling heb ik de formulering met ‘dienen’ niet overgenomen. Zie hetgeen ik hierover bij het twaalfde gedachtestreepje heb opgemerkt.
f. Zestiende gedachtestreepje: met onderdeel T vervalt het eerste lid van artikel 41 (thans; artikel 40) omdat deze bepaling met de inwerkingtreding van het ontwerpbesluit is uitgewerkt. De inhoud van het tweede lid, dat de citeertitel bevat, moet gehandhaafd blijven. De suggestie van de Raad heb ik derhalve niet overgenomen.
8. Tot slot heb ik nog enkele onvolkomenheden in het besluit en in de nota van toelichting verholpen en heb ik de nota van toelichting waar nodig geactualiseerd.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(1) Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PbEG L 106).
(2) De artikelen 27 en 30, tweede lid, van de richtlijn, junctis de artikelen 5 en 7 van Besluit nr.1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (PbEG L 184).
(3) Montreal, 29 januari 2000; Trb. 2001, 170.