Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Vuurwerkbesluit en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer en enkele andere besluiten.
- Kenmerk
- W08.03.0324/V
- Datum advies
- 3 november 2003
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 10 februari 2004, nr 27
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Vuurwerkbesluit en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer en enkele andere besluiten.
Bij Kabinetsmissive van 30 juli 2003, no.03.003083, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Vuurwerkbesluit en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer en enkele andere besluiten.
Met het ontwerpbesluit wordt het regime voor de opslag en het bewerken van vuurwerk en voor het afsteken daarvan in het geldend Vuurwerkbesluit versoepeld. Daartoe wordt theatervuurwerk en ander professioneel vuurwerk dat voldoet aan de eisen van consumentenvuurwerk gelijkgesteld met consumentenvuurwerk. Dat is vooral van belang voor de afstandseisen die moeten worden gesteld met het oog op kwetsbare objecten. De inrichtingen waar zwaarder professioneel vuurwerk wordt opgeslagen of bewerkt zullen op termijn naar twee vuurwerkconcentratiegebieden (VCG’s) moeten worden verplaatst, namelijk de locaties Ulicoten-C en Kollummerwaard. In verband daarmee is de overgangstermijn waarbinnen deze inrichtingen aan de veiligheidseisen van het besluit moeten voldoen, verruimd tot een door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer te bepalen tijdstip. Verder wordt het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om kleinere veiligheidsafstanden vast te stellen voor opslag en bewerking van de andere categorieën professioneel vuurwerk en grote hoeveelheden consumentenvuurwerk wanneer wordt voldaan aan de in het besluit aangegeven criteria voor warmtestraling en weerstand tegen branddoorslag van de brandwerende voorzieningen. In samenhang daarmee wordt ook de overgangstermijn waarbinnen die inrichtingen aan de afstandscriteria en de veiligheidsvoorschriften van het besluit moeten voldoen, verlegd naar 1 maart 2005. De Raad van State kan zich verenigen met de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt kanttekeningen bij het bijzondere veiligheidsregime voor de VCG’s, bij de uit de flexibilisering van de veiligheidsafstanden voortvloeiende bestuurlijke lasten, de invoering van twee categorieën vuurwerk binnen professioneel vuurwerk en bij de overgangsbepaling van het ontwerpbesluit. Ook heeft het college enkele opmerkingen van meer technische aard. In verband hiermee adviseert het college het ontwerpbesluit op onderdelen aan te passen.
1. De vuurwerkconcentratiegebieden
In de toelichting op artikel I, onderdeel AA, wordt uiteengezet op welke wijze de twee VCG’s zijn aangewezen waarbinnen een aangepast veiligheidsregime zal gelden met het oog op de verplaatsing van de zwaardere categorie inrichtingen met professioneel vuurwerk die nu niet aan de veiligheidsnormen voldoen. Na een eerste inventarisatie van 18 potentiële locaties zijn zes locaties op basis van een nadere toets geselecteerd. Daarbij is naast de veiligheidsafstanden van het geldende Vuurwerkbesluit, voor de agrarische gebieden rekening gehouden met de eigendomsverhoudingen, de bereikbaarheid, de uitbreiding van bestaande agglomeraties en efficiënt agrarisch ruimtegebruik. Ten aanzien van deze zes locaties heeft een beoordeling plaatsgevonden van de technische mogelijkheden. Daarbij is onder meer gelet op de planologische situatie, de transportrisico’s, de inpasbaarheid in de natuur en de beperking van andere functies. Uiteindelijk heeft dit geleid tot de keuze van de locaties Kollummerwaard en Ulicoten-C als VCG.
Het aangepaste veiligheidsregime voor vuurwerkinrichtingen in de VCG’s (artikel 4.2, vierde lid) bestaat hierin dat de minister bij de verlening of wijziging van een vergunning op grond van de Wet milieubeheer de in bijlage 3 gestelde veiligheidsafstanden niet in acht hoeft te nemen ten aanzien van ten hoogste twee gebouwen of afzonderlijke gedeelten van een gebouw die voor bewoning bestemd zijn voorzover deze op 1 november 2003 zijn gelegen binnen de veiligheidsafstand die ingevolge bijlage 3 van toepassing is op een binnen een VCG gelegen vuurwerkinrichting. Blijkens de toelichting op artikel I, onderdeel X, gaat het bij Ulicoten-C in feite om een jachthuis en een vakantiewoning binnen de 800 meter veiligheidszone rond die locatie. Volgens die toelichting is voor vorengenoemde formulering gekozen om mogelijke onduidelijkheid ten aanzien van het kunnen blijven bestaan van dat jachthuis en die vakantiewoning te voorkomen. De Raad constateert dat met het oog op een specifiek geval een algemene uitzondering in het ontwerpbesluit wordt geregeld. Hij acht dit uit oogpunt van behoorlijke wetgeving niet juist. Voor een dergelijke situatie is het naar de mening van de Raad eerder aangewezen dat de bedoelde gebouwen - op termijn - door de overheid met het oog op sanering worden aangekocht of onteigend en dat voor de periode waarin daarin nog niet is voorzien een overgangsbepaling in het ontwerpbesluit wordt opgenomen. Bovendien ligt het niet in de rede dat een uitzondering wordt gemaakt voor een saneringssituatie die uit de veiligheidsvoorschriften van het Vuurwerkbesluit voortvloeit.
De Raad adviseert daarom de in artikel 4.2, vierde lid, gemaakte uitzondering te schrappen.
2. Flexibilisering en bestuurlijke lasten
Gedeputeerde staten kunnen ingevolge artikel 5.3.2, derde lid, op verzoek van degene die de inrichting drijft een kleinere veiligheidsafstand vaststellen dan genoemd in bijlage 3 voor een inrichting waar theatervuurwerk al dan niet tezamen met professioneel vuurwerk als bedoeld in artikel 3.1.4 wordt opgeslagen of bewerkt, of een inrichting waar meer dan 10.000 kilogram consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, herverpakt of bewerkt. In die gevallen zullen zodanige voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden dat de warmtestraling ten gevolge van brand in die inrichting waarbij vuurwerk betrokken is, voor personen die zich ophouden buiten een gebouw dat onderdeel is van een kwetsbaar object, beperkt blijft tot ten hoogste 10 kW/m2. Voorts dienen deze ertoe te leiden dat de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen de deuropening van een bewaarplaats of een bufferbewaarplaats en een gebouw behorende tot een kwetsbaar project niet lager is dan 60 minuten. Alvorens gedeputeerde staten toepassing geven aan deze bevoegdheid winnen zij het advies in van de commandant van de regionale brandweer over het desbetreffende verzoek. Gedeputeerde staten zullen dus zelf moeten onderzoeken of een kleinere veiligheidsafstand mogelijk is. Gelet op deze taakverzwaring voor gedeputeerde staten zal in de nota van toelichting moeten worden ingegaan op de daarmee samenhangende lasten. Voorts adviseert de Raad inzicht te geven in de uit de flexibilisering voortvloeiende handhavingslasten, in het bijzonder die welke verband houden met de coördinatie van kennis en deskundigheid. Daarbij ware aan te sluiten op hetgeen reeds over de uit het Vuurwerkbesluit voortvloeiende bestuurlijke en handhavingslasten is medegedeeld in de lijst van vragen en antwoorden die is opgesteld bij de behandeling van het ontwerpbesluit in de Tweede Kamer der Staten-Generaal(zie noot 1).
3. Differentiatie binnen professioneel vuurwerk
Met het oog op de vermindering van lasten worden twee nieuwe categorieën professioneel vuurwerk ingevoerd: “theatervuurwerk”, waarvoor een definitie in het ontwerpbesluit wordt gegeven, en vuurwerk dat in artikel 3.1.4 wordt omschreven als: “professioneel vuurwerk dat voldoet aan de ter uitwerking van artikel 2.1.1 gestelde regels krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen”. Voor beide categorieën geldt een lichter regime dan voor ander professioneel vuurwerk: de regeling van de veiligheidsafstanden in de artikelen 3.2.1, tweede lid, en 4.2, zesde lid, het overgangsregime in de artikelen 5.3.2, derde lid, onder a, en 5.3.3, zesde lid, de regeling van de toestemming (advisering door luchtvaartdienst) voor ontbranden in artikel 3.3.4, vierde lid, de regeling van de gevallen waarin voor een ontbranding met een melding kan worden volstaan in artikel 3.3.4a, eerste lid, onder b, en de gelijkstelling met consumentenvuurwerk in bijlage 1 (voorschriften) en in bijlage 3 (veiligheidsafstanden). De Raad wijst erop dat deze wijziging weliswaar zal leiden tot vermindering van bestaande lasten voor het bedrijfsleven en tot minder lasten bij de handhaving, maar dat zij de vuurwerkregelgeving ingewikkelder maakt en daarmee nieuwe bestuurlijke en handhavingslasten kan genereren. De Raad adviseert daarom in de toelichting in te gaan op de vraag of de lastenvermindering die met het nadere onderscheid in professioneel vuurwerk wordt beoogd, opweegt tegen de lasten voor de overheid die uit de regeling van dat nadere onderscheid in vuurwerk voortvloeien.
4. Toepassing van het criterium netto explosieve massa
a. In voorschrift 1.1 van bijlage 2 (artikel I, onderdeel EE) wordt voorgeschreven dat binnen een inrichting (voor het bewerken van vuurwerk) de totale netto explosieve massa niet meer mag bedragen dan 6.000 kg. In het geldende voorschrift wordt die grens gesteld aan de totale hoeveelheid professioneel vuurwerk en consumentvuurwerk. In de toelichting op voorschrift 1.1 wordt erop gewezen dat het gaat om professioneel vuurwerk. Daarbij wordt verwezen naar de toelichting op de definitie van netto explosieve massa in artikel 1.1.1, vijfde lid. Ook in die toelichting wordt een exclusief verband gelegd tussen netto explosieve massa en professioneel vuurwerk. Dat zou betekenen dat er in bewerkingsinrichtingen geen maximumgrens van 6.000 kg vuurwerk meer geldt voor de gezamenlijke aanwezigheid van professioneel vuurwerk en consumentenvuurwerk. Indien dit de bedoeling is, dient daarvoor een verantwoording te worden gegeven in de nota van toelichting.
b. In onderdeel 1.1 van bijlage 3, onderdeel B, (artikel I, onderdeel FF) worden de afstanden vanaf bewaarplaats tot kwetsbaar object voorgeschreven voor inrichtingen waarin verpakt of onverpakt professioneel vuurwerk als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, aanwezig mag zijn. Het is niet duidelijk (ook hier weer door het gebruik van het criterium netto explosieve massa) of hiermee uitsluitend professioneel vuurwerk wordt bedoeld, dan wel professioneel vuurwerk al dan niet tezamen met consumentenvuurwerk waarop artikel 3.2.1, eerste lid, ook doelt, en voor welke mogelijke combinatie in het geldende onderdeel 1.1 van bijlage 3, onderdeel B, dezelfde veiligheidsafstanden gelden als voor uitsluitend professioneel vuurwerk. In de toelichting op artikel I, onderdeel FF, wordt opgemerkt dat bij de berekening van de netto explosieve massa alleen het professioneel vuurwerk in aanmerking wordt genomen dat niet voldoet aan de producteisen voor consumentenvuurwerk of theatervuurwerk. Indien het de bedoeling is om in gevallen van gezamenlijke aanwezigheid van professioneel vuurwerk en consumentenvuurwerk de hoeveelheid van de laatste categorie niet mee te laten tellen bij de bepaling van de afstandseisen, adviseert de Raad die nader te verklaren in de nota van toelichting.
5. Door de overheid in beslag genomen vuurwerk
Ingevolge artikel 1.1.3, aanhef en onder a, is het besluit niet van toepassing op in beslag genomen vuurwerk dat in beheer is bij de overheid. Dat betekent een verruiming ten opzichte van het geldende besluit. Ingevolge het geldende artikel 1.1.3, aanhef en onder b, is het Vuurwerkbesluit niet van toepassing op vuurwerk dat bij de Nederlandse krijgsmacht, bij de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid of bij de politie in gebruik of beheer is. Naar de mening van de Raad moet duidelijk zijn welke veiligheidsrisico’s zijn verbonden aan de bedoelde opslagen in vergelijking tot opslag van vuurwerk bij particuliere bedrijven. Van de daarbij in acht te nemen veiligheidswaarborgen zal afhangen welke overheidsinstanties op basis van hun bekwaamheid met het beheer van in beslag genomen vuurwerk kunnen worden belast. De Raad adviseert daarom artikel 1.1.3, aanhef en onder a, te preciseren, en in ieder geval in de nota van toelichting nader in te gaan op de aan het beheer door de overheid verbonden veiligheidsaspecten.
6. Voorschrift 1.8 van bijlage 1
In voorschrift 1.8 van bijlage 1 wordt bepaald dat consumentenvuurwerk niet alleen aanwezig mag zijn op begane grond maar voortaan ook in een kelder of op de eerste verdieping indien deze ruimten naar het oordeel van de regionale brandweer voldoende bereikbaar en toegankelijk zijn met het oog op brandbestrijding. Hieruit zou kunnen worden opgemaakt dat de regionale brandweer op dit punt beslissingsbevoegdheid heeft. Aangezien die bevoegdheid uitsluitend kan toekomen aan het betrokken bevoegd gezag, dient naar de mening van de Raad overeenkomstig de regeling van de betrokkenheid van de brandweer in artikel 5.3.2, vijfde lid, te worden bepaald dat het bevoegd gezag – tenzij bij of krachtens de wet uitdrukkelijk anders is bepaald – na advies van de (commandant van de) regionale brandweer, kan bepalen dat ook in de kelder of op de eerste verdieping consumentenvuurwerk mag worden opgeslagen. Voorschrift 1.8 van bijlage 1 ware aldus aan te passen.
7. Overgangsrecht
Artikel VII, eerste lid, aanhef en onder b, voorziet in eerbiedigende werking voor lopende saneringsgevallen waarin afspraken tussen het bevoegd gezag en de drijver van de inrichting zijn gemaakt over de beëindiging van de activiteiten van de inrichting. Het valt op dat geen voorwaarden worden gesteld aan de vorm waarin die afspraken gegoten moeten zijn. De Raad neemt aan dat in ieder geval schriftelijk vastgelegde afspraken worden bedoeld. Artikel VII behoeft op dit punt precisering.
Voorts wordt in de toelichting op dit artikel opgemerkt dat de bedoelde afspraken kunnen zien op beëindiging van de activiteiten van de inrichting zowel voor als na de inwerkingtreding van het besluit. Naar de mening van de Raad zal aan de tijdspanne die in die afspraken voor beëindiging wordt gegund, toch een grens moeten worden gesteld. Het ligt met het oog op de effectiviteit van het besluit in ieder geval niet in de rede dat met de bedoelde afspraken de in de artikelen 5.3.2 en 5.3.3. nader geregelde overgangstermijnen kunnen worden overschreden. Ook op dat punt behoeft artikel VII naar de mening van de Raad verduidelijking.
8. Kamerbehandeling en nota van toelichting
Het is de Raad opgevallen dat in de eerdergenoemde lijst van vragen en antwoorden die is opgesteld bij de behandeling van het ontwerpbesluit in de Tweede Kamer meer dan in de toelichting op het ontwerpbesluit wordt ingegaan op de saneringsproblematiek en de mogelijke planologische complicaties voor de realisatie van de VCG’s. Ook wordt daarin, zoals het college in punt 2 van dit advies heeft opgemerkt, inzicht gegeven in de bestuurlijke en handhavingslasten. De Raad beveelt aan de nota van toelichting met gegevens uit dat kamerstuk aan te vullen.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 14 januari 2004
1. De vuurwerkconcentratiegebieden
De Raad adviseert de in artikel 4.2 gemaakte uitzondering te schrappen. Omdat is gebleken dat er onvoldoende belangstelling is voor realisatie van en vestiging op de voorgenomen vuurwerkconcentratiegebieden Ulicoten-C en de Kollumerwaard, is besloten af te zien van het aanwijzen van die vuurwerkconcentratiegebieden. Na de locatiekeuze door het kabinet zijn de vuurwerkbedrijven gewezen op hun eigen verantwoordelijkheid voor de realisatie van de vuurwerkconcentratiegebieden. Aan de bedrijven is kenbaar gemaakt dat bij onvoldoende animo voor de vuurwerkconcentratiegebieden van de aanwijzing van die gebieden zou worden afgezien. De vuurwerkbedrijven zijn middels brieven van 19 mei 2003 en 27 augustus 2003 gevraagd aan te geven of zij zich daadwerkelijk op één van beide voorgenomen vuurwerkconcentratiegebieden zullen gaan vestigen. Verder is in het voor inspraak gepubliceerde voornemen tot wijziging van het Vuurwerkbesluit in het tweede lid van artikel 5.3.2 een bepaling opgenomen inhoudende dat een vuurwerkbedrijf voor 15 september 2003 om latere effectuering van de veiligheidsafstanden kon verzoeken. Daartoe zou door een vuurwerkbedrijf ten genoegen van de minister moeten worden aangetoond, dat de inrichting zal worden gevestigd op een aangewezen vuurwerkconcentratiegebied. Dit kon door een op de voorgenomen vestiging betrekking hebbende overeenkomst met de grondexploitant te overleggen, Hoewel van enkele bedrijven wel een reactie is ontvangen, blijkt uit deze reacties niet dat inrichtingen zich zullen gaan vestigen op één van beide voorgenomen vuurwerkconcentratiegebieden. Bovendien heeft geen marktpartij zich bereid verklaard de realisatie voor zijn rekening te nemen. In het licht van het vorenstaande lag het niet in de verwachting dat zich daadwerkelijk bedrijven zouden vestigen in een aangewezen vuurwerkconcentratiegebied en is besloten af te zien van de aanwijzing. In het licht van het vorenstaande zijn het ontwerpbesluit en de toelichting aangepast.
2. Flexibilisering en bestuurlijke lasten
De Raad van State adviseert in de nota van toelichting in te gaan op het tweede lid van artikel 5.3.2. Aan dit advies is gevolg gegeven.
3. Differentiatie binnen professioneel vuurwerk
De Raad heeft geadviseerd in de toelichting bij het besluit aan te geven of de lasten-vermindering die de differentiatie binnen professioneel vuurwerk voor het bedrijfsleven tot gevolg heeft, opweegt tegen de lasten die uit de regeling voortvloeien voor de overheid.
Inderdaad leidt de omschrijving van twee nieuwe categorieën professioneel vuurwerk tot vermindering van de bestaande lasten voor het bedrijfsleven. Het was namelijk niet doelmatig om consumentenvuurwerk dat louter door zijn bestemming moest worden aangemerkt als professioneel vuurwerk onder een zwaarder regime te brengen. Omdat de gevaarseigenschappen van theatervuurwerk vergelijkbaar zijn met consumenten-vuurwerk is deze nieuwe categorie geïntroduceerd. Verder is in artikel 3.1.4 een uitzondering opgenomen voor professioneel vuurwerk dat voldoet aan de ter uitwerking van artikel 2.1.1 gestelde regels krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen. Hierdoor kan een juiste afstemming van de zwaarte van de bepalingen in het Vuurwerkbesluit op deze categorieën worden bewerkstelligd.
Dat de vuurwerkregelgeving hierdoor ingewikkelder wordt kan niet worden vol-gehouden omdat deze soorten vuurwerk al bestaan en door de voorgestelde wijziging slechts wordt bereikt dat er niet onevenredig zware regelgeving wordt ingezet op deze relatief ongevaarlijke soort vuurwerk.
In de toelichting bij het besluit is hierover een passage opgenomen waaruit blijkt dat deze differentiatie ook tot een lastenverlichting bij de overheid leidt omdat hierdoor voor een deel van de vuurwerkevenementen kan worden volstaan met een melding. Een melding in plaats van een vergunningprocedure betekent een aanzienlijke lastenver-mindering voor de overheid. Daartegenover staat de last tot handhaving om te controleren of inderdaad vuurwerk uit de juiste categorie wordt toegepast. Echter ook zonder differentiatie binnen professioneel vuurwerk moet worden gecontroleerd. De kennis bij de handhavers om het onderscheid te kunnen maken tussen de verschillende soorten vuurwerk is reeds in voldoende mate bij hen aanwezig omdat de gemaakte differentiatie nauw aansluit bij het onderscheid tussen professioneel vuurwerk en consumentenvuurwerk in de huidige situatie. Per saldo is daarmee ook voor de overheid sprake van lastenvermindering.
4. Toepassing van het criterium netto explosieve massa
a. Voorschrift 1.1 van bijlage 2 is op twee onderdelen gewijzigd. Ten eerste is voor professioneel vuurwerk het internationaal gangbare begrip netto explosieve massa geïntroduceerd. Dit begrip wordt onder meer gehanteerd in het ADR en het NAVO handboek AASTP-1. Bovendien is in de Europese Seveso II-richtlijn bepaald dat de verpakkingen niet meegerekend hoeven te worden bij de beoordeling of een bedrijf is aangewezen op grond van deze richtlijn. De reden hiervan is dat de verpakking niet bijdraagt aan de kracht van een eventuele massa-explosie. De consequentie van de introductie van dit begrip is dat per saldo meer professioneel vuurwerk opgeslagen mag worden binnen een inrichting bij gelijk gebleven veiligheidsafstand. Hiermee wordt echter geen afbreuk gedaan aan het beoogde beschermingsniveau dat de invallende piekoverdruk ter plaatse van een kwetsbaar object maximaal 2 kPa bedraagt en dat ter plaatse hiervan maximaal één letaal brokstuk per 56 m2 terecht kan komen.
Ten tweede wordt in samenhang met artikel 1.1.1, vijfde lid, niet alle professioneel vuurwerk meegenomen bij de berekening van de netto explosieve massa. Om dit te verduidelijken is naar aanleiding van de opmerking van de Raad in artikel 1.1.1, vijfde lid, de omschrijving van het begrip netto explosieve massa aangepast en is de daarbij behorende toelichting verduidelijkt. Professioneel vuurwerk dat voldoet aan de producteisen voor theatervuurwerk (artikel 3.1.2) of aan de regels voor consumenten-uurwerk (artikel 2.1.1) wordt bij de berekening van de netto explosieve massa dus buiten beschouwing gelaten. Deze twee soorten vuurwerk zijn dusdanig qua aard en samenstelling dat dit vuurwerk niet zal bijdragen aan de kracht van een eventuele massa-explosie indien het in combinatie met ander professioneel vuurwerk wordt opgeslagen.
b. In onderdeel 1.1 van bijlage 3, onderdeel B, wordt in navolging van voorschrift 1.1 van bijlage 2 ook het begrip netto explosieve massa gehanteerd. Bij de berekening van de netto explosieve massa wordt zoals hiervoor is uiteengezet in onderdeel a het professioneel vuurwerk dat voldoet aan de producteisen voor theatervuurwerk of consumentenvuurwerk buiten beschouwing gelaten. Daartoe is artikel 1.1.1, vijfde lid, verduidelijkt. Verder zijn de veiligheidsafstanden gedifferentieerd naar de hoeveelheid netto explosieve massa. De afstand staat in een bepaalde rekenkundige relatie tot de netto explosieve massa van het vuurwerk. Dit betekent dat bij een opslag van professioneel vuurwerk dat equivalent is aan 750 kg netto explosieve massa, de invallende piek-overdruk maximaal 2 kPa bedraagt. Deze aanpassing doet daarmee geen afbreuk aan het beoogde beschermingsniveau. Voor de goede orde zij opgemerkt dat de veiligheidsafstand niet langer voor de maximale hoeveelheid per inrichting geldt maar per bewaarplaats of bewerkings-ruimte. Dit betekent dat binnen één inrichting maximaal 8 bewaarplaatsen van elk 750 kg aanwezig kunnen zijn. Voorwaarde daarbij is dat sympathische reacties voorkomen worden. Dit betekent dat een eventuele massa-explosie in een bewaarplaats niet mag leiden tot het nagenoeg gelijktijdig exploderen van een andere bewaarplaats. Voorschrift 1.14 is daarom aan bijlage 2 toegevoegd.
5. Door de overheid in beslag genomen vuurwerk
Het geldende artikel 1.3.1 ziet op vuurwerk dat in gebruik of beheer is bij nader genoemde instanties. De formulering wordt toegeschreven op inbeslaggenomen vuurwerk en gewijzigd om beter rekening te kunnen houden met de situatie waarbij inbeslaggenomen vuurwerk in beheer bij bijvoorbeeld domeinen niet onder een vergunning van defensie plaatsvindt, maar onder een eigen vergunning van domeinen. Dit blijkt in de praktijk namelijk de gebruikelijke situatie te zijn.
Verder is bepaald dat vuurwerk waarover de krijgsmacht, de politie of de brandweer beschikken ten behoeve van instructiedoeleinden uitgezonderd is van de werking van het besluit.
6. Voorschrift 1.8 van bijlage 1
Aan de opmerking van de Raad is gevolg gegeven door aanpassing van voorschrift 1.8 van bijlage 1.
7. Overgangsrecht
Aan beide opmerkingen van de Raad is tegemoetgekomen door aanpassing van artikel VII.
8. Kamerbehandeling en nota van toelichting
Omdat niet wordt overgegaan tot aanwijzing van vuurwerkconcentratiegebieden is geen gevolg gegeven aan het advies van de Raad om in te gaan op de planologische complicaties voor de realisatie van de vuurwerkconcentratiegebieden en de daarmee samenhangende lasten.
9. De redactionele opmerkingen van de Raad zijn verwerkt. Daarbij is van de gelegenheid gebruik gemaakt artikel 3.3.3, eerste lid, onder c, aan te passen om buiten twijfel te stellen dat een certificaat van bekwaamheid betrekking moet hebben op de handelingen die de betrokken aanvrager wenst te verrichten.
Verder is in bijlage 1, in voorschrift 1.10 de verkoopruimte geschrapt omdat het risico van een stofexplosie daar bij nader inzien te verwaarlozen is.
In voorschrift 2.3. van bijlage 1, onder B, is gewijzigd om te waarborgen dat er ook bij deuren van de verkoopruimte een constructieve scheiding wordt aangebracht.
Aan artikel 1.1.3 is aan de uitzondering toegevoegd vuurwerk waarover door de krijgsmacht, de politie of de brandweer wordt beschikt ten behoeve van instructie-doeleinden. Dientengevolge kon de voorgestelde wijziging van artikel 1.1.5 vervallen.
Artikel 3.3.3, eerste lid, onder c, is redactioneel verduidelijkt. De toelichting op onderdeel T is aangevuld.
Voorts is de wijziging van bijlage 1 gesplist in twee onderdelen. Dit in verband met de notificatie van voorschriften voor sprinkler-, brandmeld- en ontruimingsalarminstallaties in vuurwerkbewaarplaatsen en verkoopruimten voor consumentenvuurwerk. Omdat het memorandum vrij laat ter notificatie is aangeboden en de standstill-termijn pas medio maart 2004 afloopt zal dit onderdeel later in werking treden.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(1) Kamerstukken II 2002/03, 28 600, XI, nr.116.
Met het ontwerpbesluit wordt het regime voor de opslag en het bewerken van vuurwerk en voor het afsteken daarvan in het geldend Vuurwerkbesluit versoepeld. Daartoe wordt theatervuurwerk en ander professioneel vuurwerk dat voldoet aan de eisen van consumentenvuurwerk gelijkgesteld met consumentenvuurwerk. Dat is vooral van belang voor de afstandseisen die moeten worden gesteld met het oog op kwetsbare objecten. De inrichtingen waar zwaarder professioneel vuurwerk wordt opgeslagen of bewerkt zullen op termijn naar twee vuurwerkconcentratiegebieden (VCG’s) moeten worden verplaatst, namelijk de locaties Ulicoten-C en Kollummerwaard. In verband daarmee is de overgangstermijn waarbinnen deze inrichtingen aan de veiligheidseisen van het besluit moeten voldoen, verruimd tot een door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer te bepalen tijdstip. Verder wordt het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om kleinere veiligheidsafstanden vast te stellen voor opslag en bewerking van de andere categorieën professioneel vuurwerk en grote hoeveelheden consumentenvuurwerk wanneer wordt voldaan aan de in het besluit aangegeven criteria voor warmtestraling en weerstand tegen branddoorslag van de brandwerende voorzieningen. In samenhang daarmee wordt ook de overgangstermijn waarbinnen die inrichtingen aan de afstandscriteria en de veiligheidsvoorschriften van het besluit moeten voldoen, verlegd naar 1 maart 2005. De Raad van State kan zich verenigen met de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt kanttekeningen bij het bijzondere veiligheidsregime voor de VCG’s, bij de uit de flexibilisering van de veiligheidsafstanden voortvloeiende bestuurlijke lasten, de invoering van twee categorieën vuurwerk binnen professioneel vuurwerk en bij de overgangsbepaling van het ontwerpbesluit. Ook heeft het college enkele opmerkingen van meer technische aard. In verband hiermee adviseert het college het ontwerpbesluit op onderdelen aan te passen.
1. De vuurwerkconcentratiegebieden
In de toelichting op artikel I, onderdeel AA, wordt uiteengezet op welke wijze de twee VCG’s zijn aangewezen waarbinnen een aangepast veiligheidsregime zal gelden met het oog op de verplaatsing van de zwaardere categorie inrichtingen met professioneel vuurwerk die nu niet aan de veiligheidsnormen voldoen. Na een eerste inventarisatie van 18 potentiële locaties zijn zes locaties op basis van een nadere toets geselecteerd. Daarbij is naast de veiligheidsafstanden van het geldende Vuurwerkbesluit, voor de agrarische gebieden rekening gehouden met de eigendomsverhoudingen, de bereikbaarheid, de uitbreiding van bestaande agglomeraties en efficiënt agrarisch ruimtegebruik. Ten aanzien van deze zes locaties heeft een beoordeling plaatsgevonden van de technische mogelijkheden. Daarbij is onder meer gelet op de planologische situatie, de transportrisico’s, de inpasbaarheid in de natuur en de beperking van andere functies. Uiteindelijk heeft dit geleid tot de keuze van de locaties Kollummerwaard en Ulicoten-C als VCG.
Het aangepaste veiligheidsregime voor vuurwerkinrichtingen in de VCG’s (artikel 4.2, vierde lid) bestaat hierin dat de minister bij de verlening of wijziging van een vergunning op grond van de Wet milieubeheer de in bijlage 3 gestelde veiligheidsafstanden niet in acht hoeft te nemen ten aanzien van ten hoogste twee gebouwen of afzonderlijke gedeelten van een gebouw die voor bewoning bestemd zijn voorzover deze op 1 november 2003 zijn gelegen binnen de veiligheidsafstand die ingevolge bijlage 3 van toepassing is op een binnen een VCG gelegen vuurwerkinrichting. Blijkens de toelichting op artikel I, onderdeel X, gaat het bij Ulicoten-C in feite om een jachthuis en een vakantiewoning binnen de 800 meter veiligheidszone rond die locatie. Volgens die toelichting is voor vorengenoemde formulering gekozen om mogelijke onduidelijkheid ten aanzien van het kunnen blijven bestaan van dat jachthuis en die vakantiewoning te voorkomen. De Raad constateert dat met het oog op een specifiek geval een algemene uitzondering in het ontwerpbesluit wordt geregeld. Hij acht dit uit oogpunt van behoorlijke wetgeving niet juist. Voor een dergelijke situatie is het naar de mening van de Raad eerder aangewezen dat de bedoelde gebouwen - op termijn - door de overheid met het oog op sanering worden aangekocht of onteigend en dat voor de periode waarin daarin nog niet is voorzien een overgangsbepaling in het ontwerpbesluit wordt opgenomen. Bovendien ligt het niet in de rede dat een uitzondering wordt gemaakt voor een saneringssituatie die uit de veiligheidsvoorschriften van het Vuurwerkbesluit voortvloeit.
De Raad adviseert daarom de in artikel 4.2, vierde lid, gemaakte uitzondering te schrappen.
2. Flexibilisering en bestuurlijke lasten
Gedeputeerde staten kunnen ingevolge artikel 5.3.2, derde lid, op verzoek van degene die de inrichting drijft een kleinere veiligheidsafstand vaststellen dan genoemd in bijlage 3 voor een inrichting waar theatervuurwerk al dan niet tezamen met professioneel vuurwerk als bedoeld in artikel 3.1.4 wordt opgeslagen of bewerkt, of een inrichting waar meer dan 10.000 kilogram consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, herverpakt of bewerkt. In die gevallen zullen zodanige voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden dat de warmtestraling ten gevolge van brand in die inrichting waarbij vuurwerk betrokken is, voor personen die zich ophouden buiten een gebouw dat onderdeel is van een kwetsbaar object, beperkt blijft tot ten hoogste 10 kW/m2. Voorts dienen deze ertoe te leiden dat de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen de deuropening van een bewaarplaats of een bufferbewaarplaats en een gebouw behorende tot een kwetsbaar project niet lager is dan 60 minuten. Alvorens gedeputeerde staten toepassing geven aan deze bevoegdheid winnen zij het advies in van de commandant van de regionale brandweer over het desbetreffende verzoek. Gedeputeerde staten zullen dus zelf moeten onderzoeken of een kleinere veiligheidsafstand mogelijk is. Gelet op deze taakverzwaring voor gedeputeerde staten zal in de nota van toelichting moeten worden ingegaan op de daarmee samenhangende lasten. Voorts adviseert de Raad inzicht te geven in de uit de flexibilisering voortvloeiende handhavingslasten, in het bijzonder die welke verband houden met de coördinatie van kennis en deskundigheid. Daarbij ware aan te sluiten op hetgeen reeds over de uit het Vuurwerkbesluit voortvloeiende bestuurlijke en handhavingslasten is medegedeeld in de lijst van vragen en antwoorden die is opgesteld bij de behandeling van het ontwerpbesluit in de Tweede Kamer der Staten-Generaal(zie noot 1).
3. Differentiatie binnen professioneel vuurwerk
Met het oog op de vermindering van lasten worden twee nieuwe categorieën professioneel vuurwerk ingevoerd: “theatervuurwerk”, waarvoor een definitie in het ontwerpbesluit wordt gegeven, en vuurwerk dat in artikel 3.1.4 wordt omschreven als: “professioneel vuurwerk dat voldoet aan de ter uitwerking van artikel 2.1.1 gestelde regels krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen”. Voor beide categorieën geldt een lichter regime dan voor ander professioneel vuurwerk: de regeling van de veiligheidsafstanden in de artikelen 3.2.1, tweede lid, en 4.2, zesde lid, het overgangsregime in de artikelen 5.3.2, derde lid, onder a, en 5.3.3, zesde lid, de regeling van de toestemming (advisering door luchtvaartdienst) voor ontbranden in artikel 3.3.4, vierde lid, de regeling van de gevallen waarin voor een ontbranding met een melding kan worden volstaan in artikel 3.3.4a, eerste lid, onder b, en de gelijkstelling met consumentenvuurwerk in bijlage 1 (voorschriften) en in bijlage 3 (veiligheidsafstanden). De Raad wijst erop dat deze wijziging weliswaar zal leiden tot vermindering van bestaande lasten voor het bedrijfsleven en tot minder lasten bij de handhaving, maar dat zij de vuurwerkregelgeving ingewikkelder maakt en daarmee nieuwe bestuurlijke en handhavingslasten kan genereren. De Raad adviseert daarom in de toelichting in te gaan op de vraag of de lastenvermindering die met het nadere onderscheid in professioneel vuurwerk wordt beoogd, opweegt tegen de lasten voor de overheid die uit de regeling van dat nadere onderscheid in vuurwerk voortvloeien.
4. Toepassing van het criterium netto explosieve massa
a. In voorschrift 1.1 van bijlage 2 (artikel I, onderdeel EE) wordt voorgeschreven dat binnen een inrichting (voor het bewerken van vuurwerk) de totale netto explosieve massa niet meer mag bedragen dan 6.000 kg. In het geldende voorschrift wordt die grens gesteld aan de totale hoeveelheid professioneel vuurwerk en consumentvuurwerk. In de toelichting op voorschrift 1.1 wordt erop gewezen dat het gaat om professioneel vuurwerk. Daarbij wordt verwezen naar de toelichting op de definitie van netto explosieve massa in artikel 1.1.1, vijfde lid. Ook in die toelichting wordt een exclusief verband gelegd tussen netto explosieve massa en professioneel vuurwerk. Dat zou betekenen dat er in bewerkingsinrichtingen geen maximumgrens van 6.000 kg vuurwerk meer geldt voor de gezamenlijke aanwezigheid van professioneel vuurwerk en consumentenvuurwerk. Indien dit de bedoeling is, dient daarvoor een verantwoording te worden gegeven in de nota van toelichting.
b. In onderdeel 1.1 van bijlage 3, onderdeel B, (artikel I, onderdeel FF) worden de afstanden vanaf bewaarplaats tot kwetsbaar object voorgeschreven voor inrichtingen waarin verpakt of onverpakt professioneel vuurwerk als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, aanwezig mag zijn. Het is niet duidelijk (ook hier weer door het gebruik van het criterium netto explosieve massa) of hiermee uitsluitend professioneel vuurwerk wordt bedoeld, dan wel professioneel vuurwerk al dan niet tezamen met consumentenvuurwerk waarop artikel 3.2.1, eerste lid, ook doelt, en voor welke mogelijke combinatie in het geldende onderdeel 1.1 van bijlage 3, onderdeel B, dezelfde veiligheidsafstanden gelden als voor uitsluitend professioneel vuurwerk. In de toelichting op artikel I, onderdeel FF, wordt opgemerkt dat bij de berekening van de netto explosieve massa alleen het professioneel vuurwerk in aanmerking wordt genomen dat niet voldoet aan de producteisen voor consumentenvuurwerk of theatervuurwerk. Indien het de bedoeling is om in gevallen van gezamenlijke aanwezigheid van professioneel vuurwerk en consumentenvuurwerk de hoeveelheid van de laatste categorie niet mee te laten tellen bij de bepaling van de afstandseisen, adviseert de Raad die nader te verklaren in de nota van toelichting.
5. Door de overheid in beslag genomen vuurwerk
Ingevolge artikel 1.1.3, aanhef en onder a, is het besluit niet van toepassing op in beslag genomen vuurwerk dat in beheer is bij de overheid. Dat betekent een verruiming ten opzichte van het geldende besluit. Ingevolge het geldende artikel 1.1.3, aanhef en onder b, is het Vuurwerkbesluit niet van toepassing op vuurwerk dat bij de Nederlandse krijgsmacht, bij de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid of bij de politie in gebruik of beheer is. Naar de mening van de Raad moet duidelijk zijn welke veiligheidsrisico’s zijn verbonden aan de bedoelde opslagen in vergelijking tot opslag van vuurwerk bij particuliere bedrijven. Van de daarbij in acht te nemen veiligheidswaarborgen zal afhangen welke overheidsinstanties op basis van hun bekwaamheid met het beheer van in beslag genomen vuurwerk kunnen worden belast. De Raad adviseert daarom artikel 1.1.3, aanhef en onder a, te preciseren, en in ieder geval in de nota van toelichting nader in te gaan op de aan het beheer door de overheid verbonden veiligheidsaspecten.
6. Voorschrift 1.8 van bijlage 1
In voorschrift 1.8 van bijlage 1 wordt bepaald dat consumentenvuurwerk niet alleen aanwezig mag zijn op begane grond maar voortaan ook in een kelder of op de eerste verdieping indien deze ruimten naar het oordeel van de regionale brandweer voldoende bereikbaar en toegankelijk zijn met het oog op brandbestrijding. Hieruit zou kunnen worden opgemaakt dat de regionale brandweer op dit punt beslissingsbevoegdheid heeft. Aangezien die bevoegdheid uitsluitend kan toekomen aan het betrokken bevoegd gezag, dient naar de mening van de Raad overeenkomstig de regeling van de betrokkenheid van de brandweer in artikel 5.3.2, vijfde lid, te worden bepaald dat het bevoegd gezag – tenzij bij of krachtens de wet uitdrukkelijk anders is bepaald – na advies van de (commandant van de) regionale brandweer, kan bepalen dat ook in de kelder of op de eerste verdieping consumentenvuurwerk mag worden opgeslagen. Voorschrift 1.8 van bijlage 1 ware aldus aan te passen.
7. Overgangsrecht
Artikel VII, eerste lid, aanhef en onder b, voorziet in eerbiedigende werking voor lopende saneringsgevallen waarin afspraken tussen het bevoegd gezag en de drijver van de inrichting zijn gemaakt over de beëindiging van de activiteiten van de inrichting. Het valt op dat geen voorwaarden worden gesteld aan de vorm waarin die afspraken gegoten moeten zijn. De Raad neemt aan dat in ieder geval schriftelijk vastgelegde afspraken worden bedoeld. Artikel VII behoeft op dit punt precisering.
Voorts wordt in de toelichting op dit artikel opgemerkt dat de bedoelde afspraken kunnen zien op beëindiging van de activiteiten van de inrichting zowel voor als na de inwerkingtreding van het besluit. Naar de mening van de Raad zal aan de tijdspanne die in die afspraken voor beëindiging wordt gegund, toch een grens moeten worden gesteld. Het ligt met het oog op de effectiviteit van het besluit in ieder geval niet in de rede dat met de bedoelde afspraken de in de artikelen 5.3.2 en 5.3.3. nader geregelde overgangstermijnen kunnen worden overschreden. Ook op dat punt behoeft artikel VII naar de mening van de Raad verduidelijking.
8. Kamerbehandeling en nota van toelichting
Het is de Raad opgevallen dat in de eerdergenoemde lijst van vragen en antwoorden die is opgesteld bij de behandeling van het ontwerpbesluit in de Tweede Kamer meer dan in de toelichting op het ontwerpbesluit wordt ingegaan op de saneringsproblematiek en de mogelijke planologische complicaties voor de realisatie van de VCG’s. Ook wordt daarin, zoals het college in punt 2 van dit advies heeft opgemerkt, inzicht gegeven in de bestuurlijke en handhavingslasten. De Raad beveelt aan de nota van toelichting met gegevens uit dat kamerstuk aan te vullen.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 14 januari 2004
1. De vuurwerkconcentratiegebieden
De Raad adviseert de in artikel 4.2 gemaakte uitzondering te schrappen. Omdat is gebleken dat er onvoldoende belangstelling is voor realisatie van en vestiging op de voorgenomen vuurwerkconcentratiegebieden Ulicoten-C en de Kollumerwaard, is besloten af te zien van het aanwijzen van die vuurwerkconcentratiegebieden. Na de locatiekeuze door het kabinet zijn de vuurwerkbedrijven gewezen op hun eigen verantwoordelijkheid voor de realisatie van de vuurwerkconcentratiegebieden. Aan de bedrijven is kenbaar gemaakt dat bij onvoldoende animo voor de vuurwerkconcentratiegebieden van de aanwijzing van die gebieden zou worden afgezien. De vuurwerkbedrijven zijn middels brieven van 19 mei 2003 en 27 augustus 2003 gevraagd aan te geven of zij zich daadwerkelijk op één van beide voorgenomen vuurwerkconcentratiegebieden zullen gaan vestigen. Verder is in het voor inspraak gepubliceerde voornemen tot wijziging van het Vuurwerkbesluit in het tweede lid van artikel 5.3.2 een bepaling opgenomen inhoudende dat een vuurwerkbedrijf voor 15 september 2003 om latere effectuering van de veiligheidsafstanden kon verzoeken. Daartoe zou door een vuurwerkbedrijf ten genoegen van de minister moeten worden aangetoond, dat de inrichting zal worden gevestigd op een aangewezen vuurwerkconcentratiegebied. Dit kon door een op de voorgenomen vestiging betrekking hebbende overeenkomst met de grondexploitant te overleggen, Hoewel van enkele bedrijven wel een reactie is ontvangen, blijkt uit deze reacties niet dat inrichtingen zich zullen gaan vestigen op één van beide voorgenomen vuurwerkconcentratiegebieden. Bovendien heeft geen marktpartij zich bereid verklaard de realisatie voor zijn rekening te nemen. In het licht van het vorenstaande lag het niet in de verwachting dat zich daadwerkelijk bedrijven zouden vestigen in een aangewezen vuurwerkconcentratiegebied en is besloten af te zien van de aanwijzing. In het licht van het vorenstaande zijn het ontwerpbesluit en de toelichting aangepast.
2. Flexibilisering en bestuurlijke lasten
De Raad van State adviseert in de nota van toelichting in te gaan op het tweede lid van artikel 5.3.2. Aan dit advies is gevolg gegeven.
3. Differentiatie binnen professioneel vuurwerk
De Raad heeft geadviseerd in de toelichting bij het besluit aan te geven of de lasten-vermindering die de differentiatie binnen professioneel vuurwerk voor het bedrijfsleven tot gevolg heeft, opweegt tegen de lasten die uit de regeling voortvloeien voor de overheid.
Inderdaad leidt de omschrijving van twee nieuwe categorieën professioneel vuurwerk tot vermindering van de bestaande lasten voor het bedrijfsleven. Het was namelijk niet doelmatig om consumentenvuurwerk dat louter door zijn bestemming moest worden aangemerkt als professioneel vuurwerk onder een zwaarder regime te brengen. Omdat de gevaarseigenschappen van theatervuurwerk vergelijkbaar zijn met consumenten-vuurwerk is deze nieuwe categorie geïntroduceerd. Verder is in artikel 3.1.4 een uitzondering opgenomen voor professioneel vuurwerk dat voldoet aan de ter uitwerking van artikel 2.1.1 gestelde regels krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen. Hierdoor kan een juiste afstemming van de zwaarte van de bepalingen in het Vuurwerkbesluit op deze categorieën worden bewerkstelligd.
Dat de vuurwerkregelgeving hierdoor ingewikkelder wordt kan niet worden vol-gehouden omdat deze soorten vuurwerk al bestaan en door de voorgestelde wijziging slechts wordt bereikt dat er niet onevenredig zware regelgeving wordt ingezet op deze relatief ongevaarlijke soort vuurwerk.
In de toelichting bij het besluit is hierover een passage opgenomen waaruit blijkt dat deze differentiatie ook tot een lastenverlichting bij de overheid leidt omdat hierdoor voor een deel van de vuurwerkevenementen kan worden volstaan met een melding. Een melding in plaats van een vergunningprocedure betekent een aanzienlijke lastenver-mindering voor de overheid. Daartegenover staat de last tot handhaving om te controleren of inderdaad vuurwerk uit de juiste categorie wordt toegepast. Echter ook zonder differentiatie binnen professioneel vuurwerk moet worden gecontroleerd. De kennis bij de handhavers om het onderscheid te kunnen maken tussen de verschillende soorten vuurwerk is reeds in voldoende mate bij hen aanwezig omdat de gemaakte differentiatie nauw aansluit bij het onderscheid tussen professioneel vuurwerk en consumentenvuurwerk in de huidige situatie. Per saldo is daarmee ook voor de overheid sprake van lastenvermindering.
4. Toepassing van het criterium netto explosieve massa
a. Voorschrift 1.1 van bijlage 2 is op twee onderdelen gewijzigd. Ten eerste is voor professioneel vuurwerk het internationaal gangbare begrip netto explosieve massa geïntroduceerd. Dit begrip wordt onder meer gehanteerd in het ADR en het NAVO handboek AASTP-1. Bovendien is in de Europese Seveso II-richtlijn bepaald dat de verpakkingen niet meegerekend hoeven te worden bij de beoordeling of een bedrijf is aangewezen op grond van deze richtlijn. De reden hiervan is dat de verpakking niet bijdraagt aan de kracht van een eventuele massa-explosie. De consequentie van de introductie van dit begrip is dat per saldo meer professioneel vuurwerk opgeslagen mag worden binnen een inrichting bij gelijk gebleven veiligheidsafstand. Hiermee wordt echter geen afbreuk gedaan aan het beoogde beschermingsniveau dat de invallende piekoverdruk ter plaatse van een kwetsbaar object maximaal 2 kPa bedraagt en dat ter plaatse hiervan maximaal één letaal brokstuk per 56 m2 terecht kan komen.
Ten tweede wordt in samenhang met artikel 1.1.1, vijfde lid, niet alle professioneel vuurwerk meegenomen bij de berekening van de netto explosieve massa. Om dit te verduidelijken is naar aanleiding van de opmerking van de Raad in artikel 1.1.1, vijfde lid, de omschrijving van het begrip netto explosieve massa aangepast en is de daarbij behorende toelichting verduidelijkt. Professioneel vuurwerk dat voldoet aan de producteisen voor theatervuurwerk (artikel 3.1.2) of aan de regels voor consumenten-uurwerk (artikel 2.1.1) wordt bij de berekening van de netto explosieve massa dus buiten beschouwing gelaten. Deze twee soorten vuurwerk zijn dusdanig qua aard en samenstelling dat dit vuurwerk niet zal bijdragen aan de kracht van een eventuele massa-explosie indien het in combinatie met ander professioneel vuurwerk wordt opgeslagen.
b. In onderdeel 1.1 van bijlage 3, onderdeel B, wordt in navolging van voorschrift 1.1 van bijlage 2 ook het begrip netto explosieve massa gehanteerd. Bij de berekening van de netto explosieve massa wordt zoals hiervoor is uiteengezet in onderdeel a het professioneel vuurwerk dat voldoet aan de producteisen voor theatervuurwerk of consumentenvuurwerk buiten beschouwing gelaten. Daartoe is artikel 1.1.1, vijfde lid, verduidelijkt. Verder zijn de veiligheidsafstanden gedifferentieerd naar de hoeveelheid netto explosieve massa. De afstand staat in een bepaalde rekenkundige relatie tot de netto explosieve massa van het vuurwerk. Dit betekent dat bij een opslag van professioneel vuurwerk dat equivalent is aan 750 kg netto explosieve massa, de invallende piek-overdruk maximaal 2 kPa bedraagt. Deze aanpassing doet daarmee geen afbreuk aan het beoogde beschermingsniveau. Voor de goede orde zij opgemerkt dat de veiligheidsafstand niet langer voor de maximale hoeveelheid per inrichting geldt maar per bewaarplaats of bewerkings-ruimte. Dit betekent dat binnen één inrichting maximaal 8 bewaarplaatsen van elk 750 kg aanwezig kunnen zijn. Voorwaarde daarbij is dat sympathische reacties voorkomen worden. Dit betekent dat een eventuele massa-explosie in een bewaarplaats niet mag leiden tot het nagenoeg gelijktijdig exploderen van een andere bewaarplaats. Voorschrift 1.14 is daarom aan bijlage 2 toegevoegd.
5. Door de overheid in beslag genomen vuurwerk
Het geldende artikel 1.3.1 ziet op vuurwerk dat in gebruik of beheer is bij nader genoemde instanties. De formulering wordt toegeschreven op inbeslaggenomen vuurwerk en gewijzigd om beter rekening te kunnen houden met de situatie waarbij inbeslaggenomen vuurwerk in beheer bij bijvoorbeeld domeinen niet onder een vergunning van defensie plaatsvindt, maar onder een eigen vergunning van domeinen. Dit blijkt in de praktijk namelijk de gebruikelijke situatie te zijn.
Verder is bepaald dat vuurwerk waarover de krijgsmacht, de politie of de brandweer beschikken ten behoeve van instructiedoeleinden uitgezonderd is van de werking van het besluit.
6. Voorschrift 1.8 van bijlage 1
Aan de opmerking van de Raad is gevolg gegeven door aanpassing van voorschrift 1.8 van bijlage 1.
7. Overgangsrecht
Aan beide opmerkingen van de Raad is tegemoetgekomen door aanpassing van artikel VII.
8. Kamerbehandeling en nota van toelichting
Omdat niet wordt overgegaan tot aanwijzing van vuurwerkconcentratiegebieden is geen gevolg gegeven aan het advies van de Raad om in te gaan op de planologische complicaties voor de realisatie van de vuurwerkconcentratiegebieden en de daarmee samenhangende lasten.
9. De redactionele opmerkingen van de Raad zijn verwerkt. Daarbij is van de gelegenheid gebruik gemaakt artikel 3.3.3, eerste lid, onder c, aan te passen om buiten twijfel te stellen dat een certificaat van bekwaamheid betrekking moet hebben op de handelingen die de betrokken aanvrager wenst te verrichten.
Verder is in bijlage 1, in voorschrift 1.10 de verkoopruimte geschrapt omdat het risico van een stofexplosie daar bij nader inzien te verwaarlozen is.
In voorschrift 2.3. van bijlage 1, onder B, is gewijzigd om te waarborgen dat er ook bij deuren van de verkoopruimte een constructieve scheiding wordt aangebracht.
Aan artikel 1.1.3 is aan de uitzondering toegevoegd vuurwerk waarover door de krijgsmacht, de politie of de brandweer wordt beschikt ten behoeve van instructie-doeleinden. Dientengevolge kon de voorgestelde wijziging van artikel 1.1.5 vervallen.
Artikel 3.3.3, eerste lid, onder c, is redactioneel verduidelijkt. De toelichting op onderdeel T is aangevuld.
Voorts is de wijziging van bijlage 1 gesplist in twee onderdelen. Dit in verband met de notificatie van voorschriften voor sprinkler-, brandmeld- en ontruimingsalarminstallaties in vuurwerkbewaarplaatsen en verkoopruimten voor consumentenvuurwerk. Omdat het memorandum vrij laat ter notificatie is aangeboden en de standstill-termijn pas medio maart 2004 afloopt zal dit onderdeel later in werking treden.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(1) Kamerstukken II 2002/03, 28 600, XI, nr.116.