Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W08.03.0424/V

Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels inzake het beperken van de milieugevolgen van het kleiduivenschieten (Besluit kleiduivenschieten Wms).

Kenmerk
W08.03.0424/V
Datum advies
17 november 2003
Vindplaats
Bijvoegsel Staatscourant 13 juli 2004, nr 131
  • Infrastructuur en Waterstaat
  • Algemene maatregel van bestuur

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels inzake het beperken van de milieugevolgen van het kleiduivenschieten (Besluit kleiduivenschieten Wms).

Bij Kabinetsmissive van 7 oktober 2003, no.03.004140, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels inzake het beperken van de milieugevolgen van het kleiduivenschieten (Besluit kleiduivenschieten Wms).

Het ontwerpbesluit verbiedt het schieten op kleiduiven met lood- of zinkhagelpatronen, met het oog op de nadelige gevolgen die deze soorten munitie hebben voor het milieu. Daarnaast wordt het mogelijk gemaakt bij ministeriële regeling maximale concentraties vast te stellen van milieugevaarlijke stoffen die in kleiduiven mogen voorkomen.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt enkele opmerkingen over de uitzonderingen op de in het besluit opgenomen verboden, en over de risico’s van het gebruik van staal- in plaats van loodhagel. Hij is van mening dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.

1. Artikel 1, eerste lid, van het ontwerpbesluit bevat een omschrijving van kleiduiven. Het tweede lid bepaalt dat voorwerpen waarop in het belang van de landsverdediging wordt geschoten, niet als kleiduiven worden aangemerkt. De bedoeling hiervan is te voorkomen dat de krijgsmacht voor schietoefeningen voortaan geen voorwerpen meer als doel mag gebruiken die bijvoorbeeld zware metalen bevatten, zo blijkt uit de toelichting.(zie noot 1) De Raad merkt hierover het volgende op.

a. De toelichting geeft geen informatie over de mate waarin de door de krijgsmacht bij schietoefeningen gebruikte munitie en bewegende doelen lood, zink of andere schadelijke stoffen zouden moeten bevatten. Ook wordt niet vermeld welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat militaire schietterreinen door het gebruik van dergelijke stoffen worden verontreinigd.
De Raad adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen.

b. In feite wordt met het tweede lid van artikel 1 beoogd bepaalde verbodsbepalingen niet van toepassing te laten zijn op een bepaalde categorie, en wel militairen. De daarvoor gekozen constructie - een uitzondering op de omschrijving van “kleiduiven” - doet geforceerd aan en leidt ertoe dat, afhankelijk van het belang dat de schutter vertegenwoordigt, eenzelfde voorwerp wel of niet als kleiduif wordt aangemerkt.
Het beoogde resultaat kan op een meer voor de hand liggende manier worden bereikt door een bepaling op te nemen met de strekking dat één of meer van de desbetreffende verboden niet van toepassing zijn op (het gebruik van kleiduiven door) de krijgsmacht. Dit zou een constructie opleveren analoog aan die in het derde lid van artikel 2 met betrekking tot bepaalde topsporters en bezitters van antieke wapens (zij het dat het daar gaat om een tijdelijke uitzondering).
De Raad beveelt aan het ontwerpbesluit in deze zin aan te passen.

2. Artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, bevat een uitzondering op de verboden in het eerste en tweede lid voor door “Onze Minister” aan te wijzen topsporters, voorzover die gebruik maken van “daarbij aan te wijzen schietbanen”. Hierover het volgende.

a. De toelichting vermeldt dat de desbetreffende topsporters zullen worden aangewezen door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.(zie noot 2) Dat stemt niet overeen met de tekst van het ontwerpbesluit; op grond van artikel 1 van de Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms) moet onder “Onze Minister” in dit geval de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer worden verstaan. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport lijkt de aangewezen persoon om te beoordelen of iemand topsporter is of niet; tegelijkertijd is de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de eerstverantwoordelijke minister voor de Wms, en lijkt het verstandig om de aanwijzing van topsporters, de banen waarop zij en bezitters van antieke wapens met loodhagel mogen schieten, en de specificaties van de kleiduiven die mogen worden gebruikt, te coördineren. Op grond daarvan zal bij de aanwijzing van topsporters ook een rol voor de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer moeten zijn weggelegd.

b. In zijn huidige formulering brengt artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, mee dat bij iedere aanwijzing van een individuele persoon als topsporter moet worden bepaald op welke banen zij of hij met loodhagel mag schieten en dat die banen dus per aangewezen topsporter kunnen verschillen. De toelichting wekt echter de indruk dat bedoeld is in een afzonderlijk besluit de schietbanen aan te wijzen waarop voor de bedoelde categorie personen de verboden van het eerste en tweede lid niet van toepassing zijn. Die indruk ontstaat onder meer doordat wordt gesproken van een vrijstelling voor bepaalde schietbaanhouders, waarbij kennelijk specifiek aan drie schietbanen wordt gedacht.(zie noot 3)
Deze laatste uitleg ligt meer in de rede dan de eerste. Zij zou ook beter te verenigen zijn met onderdeel b van het derde lid van artikel 2, dat de verboden van het eerste en tweede lid eveneens niet van toepassing verklaart op (kort gezegd) gebruikers van antieke geweren of replica’s, voorzover zij gebruik maken van “krachtens onderdeel a aangewezen schietbanen”. Het ligt immers niet voor de hand dat voor de mogelijkheden voor deze groep om te schieten met loodhagel wordt aangesloten bij de aanwijzing van schietbanen ten behoeve van individuele topsporters.

De Raad adviseert de hiervoor onder a en b gesignaleerde onduidelijkheden weg te nemen door aanpassing van de tekst van artikel 2, derde lid. Wat het onder b genoemde punt betreft zal de terminologie in de nota van toelichting, waar in dit verband eerst wordt gesproken van een “vrijstelling” en later van een “ontheffing” voor bepaalde schietbanen, daarbij moeten worden aangepast, zulks met inachtneming van aanwijzing 125 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.(zie noot 4)

3. De nota van toelichting merkt op dat het gebruik van ijzer- of staalhagelpatronen de voorkeur verdient boven de andere daar genoemde typen patronen.(zie noot 5) Tegelijkertijd wordt geconstateerd dat het gebruik van staalhagel een grotere kans geeft op afketsen, en dus een groter veiligheidsrisico oplevert, dan het gebruik van loodhagel. Naar de te nemen veiligheidsmaatregelen wordt op dit moment onderzoek verricht door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie.(zie noot 6)
Uit de nota van toelichting blijkt niet hoeveel groter de risico’s van het gebruik van staalhagel zijn. Ook wordt niet duidelijk op welke termijn de resultaten van het onderzoek kunnen worden verwacht. Op dit moment valt dus nog niet goed te overzien hoe ingrijpend de te nemen maatregelen zullen zijn, en of de schietbaanhouders voldoende tijd zullen hebben om de nodige maatregelen te nemen voor het besluit, zes maanden na publicatie, in werking treedt.
De Raad adviseert de resultaten van het genoemde onderzoek af te wachten alvorens het besluit in werking te laten treden.

4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.

De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De waarnemend Vice-President van de Raad van State



Bijlage bij het advies van de Raad van State van 17 november 2003, no.W08.03.0424/V, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.

Ontwerpbesluit
— Artikel 3, eerste lid, redigeren overeenkomstig aanwijzing 30 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

Nota van toelichting
— In het Algemeen deel, paragraaf 3.1, eerste alinea, na “saneringsplicht” invoegen: , dan wel de plicht de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.
— In het Algemeen deel, paragraaf 3.5, de verwijzingen naar de Jachtwet en de Vogelwet 1936 aanpassen aan de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet (waarop het Jachtbesluit thans gebaseerd is).
— In het Algemeen deel, paragraaf 6.2, tweede tekstblok, de vindplaats vermelden van de aangehaalde studies van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
— In dezelfde paragraaf, laatste tekstblok, vermelden of er een reactie is ontvangen op de melding aan de Wereldhandelsorganisatie, en (zo ja) welke.



Nader rapport (reactie op het advies) van 12 mei 2004

De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met zijn opmerkingen rekening zal zijn gehouden. Hieronder ga ik op de opmerkingen in.

1a. Naar aanleiding van het advies van de Raad is de uitzondering van het begrip “kleiduiven” voor “voorwerpen waarop in het belang van de landsverdediging wordt geschoten” geschrapt en is de begripsomschrijving aangepast. Het ontwerpbesluit beoogt het schieten op kleiduiven als vrijetijdsbesteding of als sportbeoefening te reguleren. Het ontwerpbesluit bevat daartoe een verbod op het schieten met en voorhanden hebben van lood- en zinkhagelpatronen en een verbod op het gebruik of voorhanden hebben van kleiduiven die meer dan een bepaalde concentratie milieugevaarlijke stoffen bevatten. Aangezien door de krijgsmacht geen gebruik wordt gemaakt van lood- en zinkhagelpatronen, was de uitzondering uitsluitend opgenomen in verband met de ruime omschrijving van het begrip “kleiduiven”. Door deze ruime omschrijving vielen ook de onbemande luchtvaartuigen die door de krijgsmacht worden gebruikt als doel bij schietoefeningen onder het begrip. De elektronica die bij deze onbemande luchtvaartuigen wordt gebruikt, kan milieugevaarlijke stoffen bevatten. Gevaar dat deze stoffen in de bodem terecht zullen komen en daar verontreiniging zullen veroorzaken is er niet, aangezien ook in gevallen waarin het doel wordt geraakt, de elektronica behouden blijft of wordt herwonnen. Door de ruime omschrijving van het begrip “kleiduiven” en de expliciete uitzondering daarop voor “voorwerpen waarop wordt geschoten in het belang van de landsverdediging” kwam de nadruk wel erg op de uitzondering voor de krijgsmacht te liggen. Dit is niet de bedoeling en daarom is de omschrijving van het begrip “kleiduiven” in die zin aangepast dat het uitsluitend gaat om voorwerpen waarop met hagelgeweren wordt geschoten. Hiermee vallen de onbemande luchtvaartuigen die door de krijgsmacht worden gebruikt als doel bij schietoefeningen buiten de reikwijdte van het ontwerpbesluit.
b. De Raad heeft bezwaar tegen de wijze waarop de uitzondering op de omschrijving van het begrip “kleiduiven” voor voorwerpen waarop wordt geschoten in het belang van de landsverdediging is vormgegeven. Gezien hetgeen bij punt 1, onder a, is vermeld, is het niet meer nodig deze uitzondering op te nemen. Het bezwaar van de Raad is door de gewijzigde omschrijving van het begrip “kleiduiven” niet meer aan de orde.

2a. Op grond van de Wet milieugevaarlijke stoffen is “Onze Minister” inderdaad de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Deze minister kan dan ook de topsporters aanwijzen. Uiteraard zal de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport daartoe de benodigde informatie aandragen. Het ontwerpbesluit en het algemeen deel van de nota van toelichting is in deze zin aangepast.
b. Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad is artikel 2, derde lid, verduidelijkt en is de nota van toelichting aangepast door consequent te kiezen voor het begrip “ontheffing” voor bepaalde schietbanen.

3. Het onderzoek naar de te nemen veiligheidsmaatregelen in verband met het risico op afketsen van staalhagel is inmiddels afgerond. De Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie heeft in reactie op dit onderzoek aangegeven dat het verhoogde risico door het gebruik van staalhagel tot een aanvaardbaar niveau is terug te brengen door het nemen van een aantal maatregelen. In de nota van toelichting wordt aan de resultaten van dit onderzoek aandacht besteed, waarmee aan het bezwaar van de Raad tegemoet is gekomen.

4. De redactionele kanttekeningen zijn verwerkt.

Ik moge U hierbij het gewijzigd ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer



(1) Nota van toelichting, deel I (Algemeen), paragraaf 7, en deel II (artikelsgewijs), toelichting op artikel 1.
(2) Nota van toelichting, Algemeen deel, paragraaf 7, eerste tekstblok.
(3) Nota van toelichting, Algemeen deel, paragraaf 7, laatste tekstblok, en de toelichting op artikel 2.
(4) Nota van toelichting, Algemeen deel, paragraaf 7, laatste tekstblok, en de toelichting op artikel 2.
(5) Nota van toelichting, Algemeen deel, paragraaf 1, tweede tekstblok.
(6) Nota van toelichting, Algemeen deel, paragraaf 1, vierde tekstblok, en paragraaf 7, eerste tekstblok.

  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon