Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer (arbeids- en rusttijden van dierenbegeleiders en enkele technische verbeteringen), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W09.03.0366/V
- Datum advies
- 1 december 2003
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 14 september 2004, nr 176
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer (arbeids- en rusttijden van dierenbegeleiders en enkele technische verbeteringen), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 8 september 2003, no.03.003682 heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer (arbeids- en rusttijden van dierenbegeleiders en enkele technische verbeteringen), met nota van toelichting.
In het ontwerpbesluit worden de arbeids- en rusttijden geregeld van dierenbegeleiders in het luchtvervoer. Voorts worden enige wijzigingen van technische aard in het Arbeidstijdenbesluit vervoer aangebracht. Deze wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer volgt op die waarbij uitvoering wordt gegeven aan Richtlijn 2000/79/EG.(zie noot 1) De Raad van State kan zich met de strekking van het ontwerpbesluit verenigen maar maakt de volgende kanttekeningen bij het aanmerken van de vliegtijd van dierenbegeleiders als halve vliegwerktijd en bij enkele technische wijzigingen.
1. Ingevolge het nieuwe derde lid van artikel 4.6:2 (artikel I, onderdeel D) wordt voor een lid van het cabinepersoneel dat als dierenbegeleider werkzaam is de periode van de vliegwerktijd die deel uitmaakt van een vlucht slechts voor de helft aangemerkt als vliegwerktijd. Hierover merkt de Raad het volgende op.
a. Waarom de helft van de vliegtijd als vliegwerktijd geldt en hoe de andere helft van de vliegreis moet worden aangemerkt, is niet duidelijk. In het voorgestelde artikel 4.6:2, derde lid, wordt het begrip vliegwerktijd bovendien tweemaal - in verschillende zin - gehanteerd, waardoor deze bepaling innerlijk tegenstrijdig is. Bedoeld zal zijn te regelen, dat de periode gedurende de vlucht voor de helft wordt aangemerkt als vliegwerktijd. Dit artikel zal moeten worden gepreciseerd en nader toegelicht.
b. Voor een juiste beoordeling van de vliegwerktijd is van belang te weten welke positie de dierenbegeleider tijdens de vlucht precies heeft. In de nota van toelichting onder Algemeen, wordt slechts medegedeeld dat werkzaamheden van de dierenbegeleider in het bijzonder voor en na de vlucht plaatsvinden. Het betreft dan het inladen, verzorgen en afleveren van de dieren, aldus die toelichting. De Raad wijst erop dat indien een dierenbegeleider beschikbaar moet zijn om bij incidenten in het dierenruim te kunnen optreden, deze in de desbetreffende periode niet is ontheven van alle taken en opdrachten, ook al zou hij de beschikking hebben over een passende accommodatie om te rusten. Die periode zou dan in ieder geval niet als “rusttijd” in de zin van artikel 4.1:2 kunnen worden aangemerkt. In dit verband is de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) in de zaak C-151/02 (Landeshauptstadt Kiel vs. Norbert Jaeger) van 9 september 2003 van belang. In die uitspraak heeft het HvJEG ten aanzien van Richtlijn 93/104/EG(zie noot 2), uitgesproken dat die richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat beschikbaarheiddienst (Bereitschaftsdienst), waarbij een arts fysiek in het ziekenhuis aanwezig moet zijn, volledig als arbeidstijd in de zin van Richtlijn 93/104/EG moet worden beschouwd, zelfs indien de belanghebbende op zijn werkplek mag rusten tijdens de perioden waarin van hem geen werkzaamheden worden verlangd. Deze richtlijn verzet zich volgens het HvJEG tegen een nationale regeling van een lidstaat die de perioden tijdens welke de werknemer gedurende een dergelijke beschikbaarheiddienst geen werkzaamheden verricht, als rusttijd aanmerkt. Aangezien Richtlijn 2000/79/EG (clausule 2 van de bijlage bij die richtlijn) hetzelfde begrip arbeidstijd gebruikt als artikel 2 van Richtlijn 93/104/EG moet ervan worden uitgegaan dat het HvJEG in een eventueel geschil over de arbeidstijd (vliegwerktijd) van een dierenbegeleider dezelfde betekenis zal toekennen aan het element beschikbaarheid in de definitie van arbeidstijd in clausule 2 van de bijlage bij Richtlijn 2000/79/EG als bij zijn uitleg van artikel 2 van Richtlijn 93/104/EG. Ook in dat licht behoeft artikel 4.6.2, derde lid, verduidelijking in de nota van toelichting en zo nodig aanvulling.
2. In de onderdelen B, C, E, F, G, H en I van artikel I worden volgens de nota van toelichting wijzigingen in het Arbeidstijdenbesluit vervoer aangebracht waarmee wordt aangesloten op de voorschriften die golden voor de inwerkingtreding van het Arbeidstijdenbesluit vervoer op 1 december 1998. Voorzover het daarbij gaat om inhoudelijke wijzigingen, zoals de verruiming van de gecorrigeerde vliegwerktijd in de bijlagen B, tabel B en bijlage F, tabel E (artikel I, onderdelen G en I), rijst de vraag hoe het Arbeidstijdenbesluit vervoer in de tussentijd is toegepast. Met het oog op een juiste beoordeling van de effecten van deze wijzigingen zal daarover in de toelichting uitsluitsel moeten worden gegeven.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 5 juli 2004
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met zijn advies rekening zal zijn gehouden.
Op de opmerkingen van de Raad ga ik, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in het navolgende in, waarbij ik dezelfde volgorde en nummering zal aanhouden.
1a. Artikel 4.6:2, derde lid, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer is in de door de Raad bedoelde zin aangepast. De nota van toelichting is hiermee in overeenstemming gebracht.
1b. In de nota van toelichting bij artikel 4.6:2 wordt nader ingegaan op de betekenis die de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 9 september 2003 in de zaak C-151/02 (Landeshaupstadt Kiel vs. Norbert Jaeger) heeft voor de definitie van arbeidstijd in clausule 2 van de bijlage bij Richtlijn 2000/79/EG.
2. Met betrekking tot de wijze waarop toepassing is gegeven aan het Arbeidstijdenbesluit vervoer in de periode van 1 december 1998 tot en met het moment waarop het onderhavige besluit in werking zal treden, kan worden opgemerkt dat van toepassing van het Arbeidstijdenbesluit vervoer geen sprake is geweest. In de bedoelde periode is ten aanzien van dierenbegeleiders geen regelgeving met betrekking tot arbeidstijden van toepassing geweest.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in een tweetal artikelen verwijzingen naar andere bepalingen te actualiseren.
Hoewel de Raad er, ondanks het gegeven dat hij zijn advies heeft uitgebracht op 1 december 2003, geen opmerking over heeft gemaakt, moet in artikel II de datum van inwerkingtreding worden aangepast. Het onderhavige besluit dient immers in werking te treden nadat een andere wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer, te weten die in verband met implementatie van Richtlijn 2000/79/EG, in werking is getreden. Dat is nog niet gebeurd. Om deze reden en omdat de aanvankelijk in het onderhavige besluit genoemde datum 2 december 2003 inmiddels is verstreken, bepaalt artikel II thans dat het besluit in werking treedt met ingang van de dag na die waarop het andere besluit tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer in werking is getreden.
Ik moge U hierbij, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting wederom doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat
(1) Richtlijn 2000/79/EG van de Raad van 27 november 2000 inzake de inwerkingtreding van de Europese Overeenkomst betreffende de organisatie van arbeidstijd van mobiel personeel in de burgerluchtvaart.
(2) Richtlijn nr.93/104/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd.
In het ontwerpbesluit worden de arbeids- en rusttijden geregeld van dierenbegeleiders in het luchtvervoer. Voorts worden enige wijzigingen van technische aard in het Arbeidstijdenbesluit vervoer aangebracht. Deze wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer volgt op die waarbij uitvoering wordt gegeven aan Richtlijn 2000/79/EG.(zie noot 1) De Raad van State kan zich met de strekking van het ontwerpbesluit verenigen maar maakt de volgende kanttekeningen bij het aanmerken van de vliegtijd van dierenbegeleiders als halve vliegwerktijd en bij enkele technische wijzigingen.
1. Ingevolge het nieuwe derde lid van artikel 4.6:2 (artikel I, onderdeel D) wordt voor een lid van het cabinepersoneel dat als dierenbegeleider werkzaam is de periode van de vliegwerktijd die deel uitmaakt van een vlucht slechts voor de helft aangemerkt als vliegwerktijd. Hierover merkt de Raad het volgende op.
a. Waarom de helft van de vliegtijd als vliegwerktijd geldt en hoe de andere helft van de vliegreis moet worden aangemerkt, is niet duidelijk. In het voorgestelde artikel 4.6:2, derde lid, wordt het begrip vliegwerktijd bovendien tweemaal - in verschillende zin - gehanteerd, waardoor deze bepaling innerlijk tegenstrijdig is. Bedoeld zal zijn te regelen, dat de periode gedurende de vlucht voor de helft wordt aangemerkt als vliegwerktijd. Dit artikel zal moeten worden gepreciseerd en nader toegelicht.
b. Voor een juiste beoordeling van de vliegwerktijd is van belang te weten welke positie de dierenbegeleider tijdens de vlucht precies heeft. In de nota van toelichting onder Algemeen, wordt slechts medegedeeld dat werkzaamheden van de dierenbegeleider in het bijzonder voor en na de vlucht plaatsvinden. Het betreft dan het inladen, verzorgen en afleveren van de dieren, aldus die toelichting. De Raad wijst erop dat indien een dierenbegeleider beschikbaar moet zijn om bij incidenten in het dierenruim te kunnen optreden, deze in de desbetreffende periode niet is ontheven van alle taken en opdrachten, ook al zou hij de beschikking hebben over een passende accommodatie om te rusten. Die periode zou dan in ieder geval niet als “rusttijd” in de zin van artikel 4.1:2 kunnen worden aangemerkt. In dit verband is de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) in de zaak C-151/02 (Landeshauptstadt Kiel vs. Norbert Jaeger) van 9 september 2003 van belang. In die uitspraak heeft het HvJEG ten aanzien van Richtlijn 93/104/EG(zie noot 2), uitgesproken dat die richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat beschikbaarheiddienst (Bereitschaftsdienst), waarbij een arts fysiek in het ziekenhuis aanwezig moet zijn, volledig als arbeidstijd in de zin van Richtlijn 93/104/EG moet worden beschouwd, zelfs indien de belanghebbende op zijn werkplek mag rusten tijdens de perioden waarin van hem geen werkzaamheden worden verlangd. Deze richtlijn verzet zich volgens het HvJEG tegen een nationale regeling van een lidstaat die de perioden tijdens welke de werknemer gedurende een dergelijke beschikbaarheiddienst geen werkzaamheden verricht, als rusttijd aanmerkt. Aangezien Richtlijn 2000/79/EG (clausule 2 van de bijlage bij die richtlijn) hetzelfde begrip arbeidstijd gebruikt als artikel 2 van Richtlijn 93/104/EG moet ervan worden uitgegaan dat het HvJEG in een eventueel geschil over de arbeidstijd (vliegwerktijd) van een dierenbegeleider dezelfde betekenis zal toekennen aan het element beschikbaarheid in de definitie van arbeidstijd in clausule 2 van de bijlage bij Richtlijn 2000/79/EG als bij zijn uitleg van artikel 2 van Richtlijn 93/104/EG. Ook in dat licht behoeft artikel 4.6.2, derde lid, verduidelijking in de nota van toelichting en zo nodig aanvulling.
2. In de onderdelen B, C, E, F, G, H en I van artikel I worden volgens de nota van toelichting wijzigingen in het Arbeidstijdenbesluit vervoer aangebracht waarmee wordt aangesloten op de voorschriften die golden voor de inwerkingtreding van het Arbeidstijdenbesluit vervoer op 1 december 1998. Voorzover het daarbij gaat om inhoudelijke wijzigingen, zoals de verruiming van de gecorrigeerde vliegwerktijd in de bijlagen B, tabel B en bijlage F, tabel E (artikel I, onderdelen G en I), rijst de vraag hoe het Arbeidstijdenbesluit vervoer in de tussentijd is toegepast. Met het oog op een juiste beoordeling van de effecten van deze wijzigingen zal daarover in de toelichting uitsluitsel moeten worden gegeven.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 5 juli 2004
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met zijn advies rekening zal zijn gehouden.
Op de opmerkingen van de Raad ga ik, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in het navolgende in, waarbij ik dezelfde volgorde en nummering zal aanhouden.
1a. Artikel 4.6:2, derde lid, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer is in de door de Raad bedoelde zin aangepast. De nota van toelichting is hiermee in overeenstemming gebracht.
1b. In de nota van toelichting bij artikel 4.6:2 wordt nader ingegaan op de betekenis die de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 9 september 2003 in de zaak C-151/02 (Landeshaupstadt Kiel vs. Norbert Jaeger) heeft voor de definitie van arbeidstijd in clausule 2 van de bijlage bij Richtlijn 2000/79/EG.
2. Met betrekking tot de wijze waarop toepassing is gegeven aan het Arbeidstijdenbesluit vervoer in de periode van 1 december 1998 tot en met het moment waarop het onderhavige besluit in werking zal treden, kan worden opgemerkt dat van toepassing van het Arbeidstijdenbesluit vervoer geen sprake is geweest. In de bedoelde periode is ten aanzien van dierenbegeleiders geen regelgeving met betrekking tot arbeidstijden van toepassing geweest.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in een tweetal artikelen verwijzingen naar andere bepalingen te actualiseren.
Hoewel de Raad er, ondanks het gegeven dat hij zijn advies heeft uitgebracht op 1 december 2003, geen opmerking over heeft gemaakt, moet in artikel II de datum van inwerkingtreding worden aangepast. Het onderhavige besluit dient immers in werking te treden nadat een andere wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer, te weten die in verband met implementatie van Richtlijn 2000/79/EG, in werking is getreden. Dat is nog niet gebeurd. Om deze reden en omdat de aanvankelijk in het onderhavige besluit genoemde datum 2 december 2003 inmiddels is verstreken, bepaalt artikel II thans dat het besluit in werking treedt met ingang van de dag na die waarop het andere besluit tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer in werking is getreden.
Ik moge U hierbij, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting wederom doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat
(1) Richtlijn 2000/79/EG van de Raad van 27 november 2000 inzake de inwerkingtreding van de Europese Overeenkomst betreffende de organisatie van arbeidstijd van mobiel personeel in de burgerluchtvaart.
(2) Richtlijn nr.93/104/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd.