Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie, het Besluit bezoldiging politie en het Besluit rechtspositie vrijwillige politie onder meer voortkomend uit de inwerkingtreding van de Wet verbetering poortwachter, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W04.04.0482/I
- Datum advies
- 5 november 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 14 december 2004, nr 241
- Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie, het Besluit bezoldiging politie en het Besluit rechtspositie vrijwillige politie onder meer voortkomend uit de inwerkingtreding van de Wet verbetering poortwachter, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 8 oktober 2004, no.04.003871, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie, het Besluit bezoldiging politie en het Besluit rechtspositie vrijwillige politie onder meer voortkomend uit de inwerkingtreding van de Wet verbetering poortwachter, met nota van toelichting.
Dit besluit strekt ertoe de voorschriften van de Wet verbetering poortwachter - twee jaar na de inwerkingtreding van die wet - om te zetten in het Besluit algemene rechtspositie politie en het Besluit bezoldiging politie (Bbp).
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een opmerking met betrekking tot de afstemming van het ontwerpbesluit op de Wet terugdringing ziekteverzuim. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. De Raad merkt op dat in het voorgestelde artikel 38, eerste tot en met vierde lid, Bbp geen rekening is gehouden met de met ingang van 1 januari 2004 in werking getreden Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003. Met deze wet is in artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting van 52 naar 104 weken ook voor overheidspersoneel geregeld. In het voorgestelde artikel 38, eerste lid, Bbp wordt echter nog steeds uitgegaan van 52 weken, terwijl op grond van artikel XV, vierde lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim bij algemeen verbindend voorschrift ten nadele van de betrokkene slechts in zoverre kan worden afgeweken van het tweede lid dat betrokkene voor de eerste twee dagen van het tijdvak van 104 weken geen aanspraak heeft op bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt. De Raad adviseert derhalve artikel 38 Bbp niet alleen af te stemmen op de Wet verbetering poortwachter, maar ook op artikel XV van de Wet terugdringing ziekteverzuim.
2. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no. W04.04.0482/I met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- Het opschrift van Hoofdstuk VII in artikel I, onderdelen C en D, gelijkluidend formuleren: Hoofdstuk VII Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en maatregelen en voorzieningen in verband met ziekte en zwangerschap.
- Aangeven in welke paragrafen van Hoofdstuk VII de in het opschrift van hoofdstuk VII bedoelde “voorzieningen” zijn opgenomen; het opschrift van paragraaf 1 spreekt slechts over “begeleiding en maatregelen” (artikel I, onderdeel D).
- In de toelichting op de artikelen I, onderdeel A, en II, onderdeel A, verduidelijken dat de mededeling dat “passende arbeid … nooit onverenigbaar kan zijn met de functie van ambtenaar” uitsluitend ziet op beletselen tot het verrichten van nevenwerkzaamheden gedurende de integratieperiode waarin betrokkene nog als ambtenaar in dienst is (bijvoorbeeld artikel 66 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) juncto artikel 5 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus).
- In de transponeringstabel tot uitdrukking brengen dat artikel 49, derde lid, Barp (oud) gelijk is aan het voorgestelde artikel 49 Barp.
Nader rapport (op het advies) van 15 november 2004
De Raad van State geeft u in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met zijn advies rekening zal zijn gehouden.
1. Het advies van de Raad om de wijziging van artikel 38 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) ook af te stemmen op artikel XV van de Wet terugdringing ziekteverzuim (Wet TZ) wordt niet overgenomen. De Raad gaat in zijn advies voorbij aan het gegeven dat artikel XV van de Wet TZ rechtstreeks geldt voor de politieambtenaar en dat artikel 38 van het Bbp zoals dat zal luiden na inwerkingtreding van het onderhavige ontwerpbesluit geen afbreuk doet aan de in artikel XV, tweede lid, van de Wet TZ opgenomen minimumaanspraak van de politieambtenaar. Daarnaast zij in dit verband vermeld dat over de gevolgen van de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 voor de sector Politie nog overleg wordt gevoerd met de politievakorganisaties. Eerst na afloop van dat overleg zal artikel 38 van het Bbp worden aangepast.
2. De redactionele kanttekening over een verduidelijking van de toelichting op de artikelen I, onderdeel A, en II, onderdeel A, is naar haar kennelijke strekking overgenomen. De overige redactionele kanttekeningen zijn volledig verwerkt.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt een technische correctie door te voeren in
de artikelen 46a en 46b van het Bbp.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Dit besluit strekt ertoe de voorschriften van de Wet verbetering poortwachter - twee jaar na de inwerkingtreding van die wet - om te zetten in het Besluit algemene rechtspositie politie en het Besluit bezoldiging politie (Bbp).
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een opmerking met betrekking tot de afstemming van het ontwerpbesluit op de Wet terugdringing ziekteverzuim. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. De Raad merkt op dat in het voorgestelde artikel 38, eerste tot en met vierde lid, Bbp geen rekening is gehouden met de met ingang van 1 januari 2004 in werking getreden Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003. Met deze wet is in artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting van 52 naar 104 weken ook voor overheidspersoneel geregeld. In het voorgestelde artikel 38, eerste lid, Bbp wordt echter nog steeds uitgegaan van 52 weken, terwijl op grond van artikel XV, vierde lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim bij algemeen verbindend voorschrift ten nadele van de betrokkene slechts in zoverre kan worden afgeweken van het tweede lid dat betrokkene voor de eerste twee dagen van het tijdvak van 104 weken geen aanspraak heeft op bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt. De Raad adviseert derhalve artikel 38 Bbp niet alleen af te stemmen op de Wet verbetering poortwachter, maar ook op artikel XV van de Wet terugdringing ziekteverzuim.
2. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no. W04.04.0482/I met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- Het opschrift van Hoofdstuk VII in artikel I, onderdelen C en D, gelijkluidend formuleren: Hoofdstuk VII Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en maatregelen en voorzieningen in verband met ziekte en zwangerschap.
- Aangeven in welke paragrafen van Hoofdstuk VII de in het opschrift van hoofdstuk VII bedoelde “voorzieningen” zijn opgenomen; het opschrift van paragraaf 1 spreekt slechts over “begeleiding en maatregelen” (artikel I, onderdeel D).
- In de toelichting op de artikelen I, onderdeel A, en II, onderdeel A, verduidelijken dat de mededeling dat “passende arbeid … nooit onverenigbaar kan zijn met de functie van ambtenaar” uitsluitend ziet op beletselen tot het verrichten van nevenwerkzaamheden gedurende de integratieperiode waarin betrokkene nog als ambtenaar in dienst is (bijvoorbeeld artikel 66 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) juncto artikel 5 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus).
- In de transponeringstabel tot uitdrukking brengen dat artikel 49, derde lid, Barp (oud) gelijk is aan het voorgestelde artikel 49 Barp.
Nader rapport (op het advies) van 15 november 2004
De Raad van State geeft u in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met zijn advies rekening zal zijn gehouden.
1. Het advies van de Raad om de wijziging van artikel 38 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) ook af te stemmen op artikel XV van de Wet terugdringing ziekteverzuim (Wet TZ) wordt niet overgenomen. De Raad gaat in zijn advies voorbij aan het gegeven dat artikel XV van de Wet TZ rechtstreeks geldt voor de politieambtenaar en dat artikel 38 van het Bbp zoals dat zal luiden na inwerkingtreding van het onderhavige ontwerpbesluit geen afbreuk doet aan de in artikel XV, tweede lid, van de Wet TZ opgenomen minimumaanspraak van de politieambtenaar. Daarnaast zij in dit verband vermeld dat over de gevolgen van de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 voor de sector Politie nog overleg wordt gevoerd met de politievakorganisaties. Eerst na afloop van dat overleg zal artikel 38 van het Bbp worden aangepast.
2. De redactionele kanttekening over een verduidelijking van de toelichting op de artikelen I, onderdeel A, en II, onderdeel A, is naar haar kennelijke strekking overgenomen. De overige redactionele kanttekeningen zijn volledig verwerkt.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt een technische correctie door te voeren in
de artikelen 46a en 46b van het Bbp.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties