Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W04.04.0292/I

Voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaat van Koninkrijksrelaties (IV) voor het jaar 2005, met memorie van toelichting.

Kenmerk
W04.04.0292/I
Datum advies
14 september 2004
Vindplaats
Kamerstukken II 2004/05, 29 800 IV, nr 3
  • Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties
  • Wet

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaat van Koninkrijksrelaties (IV) voor het jaar 2005, met memorie van toelichting.

Bij Kabinetsmissive van 7 september 2004, no.04.003438, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, mede namens de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaat van Koninkrijksrelaties (IV) voor het jaar 2005, met memorie van toelichting.

De Raad van State is van oordeel dat de toelichting vragen oproept.

1. Algemeen
De memorie van toelichting bij het begrotingshoofdstuk Koninkrijksrelaties begint met een hoopvolle constatering: “In 2005 zullen zich nieuwe verhoudingen tussen de landen van het Koninkrijk aftekenen”.(zie noot 1) Deze stelling wordt niet toegelicht. Om welke nieuwe verhoudingen het zou kunnen gaan wordt niet duidelijk gemaakt. Wel wordt gewezen op een tussenrapport van de werkgroep Bestuurlijke en Financiële verhoudingen, waarin tot uitgangspunt is gekozen dat het Land de Nederlandse Antillen als bestuurslaag zal verdwijnen. Tegen die achtergrond kondigt de memorie van toelichting aan dat meer nadruk zal worden gelegd op ondersteuning van het beleid van de eilandbesturen.
Ten aanzien van de Nederlandse Antillen wordt blijkens de memorie van toelichting uitgezien naar wat de huidige Antilliaanse regering in korte tijd tracht te bereiken. Deze regering heeft niet veel langer dan een jaar als regeerperiode voor zich en is vanuit een uiterst moeilijke positie gestart.
In de Miljoenennota wordt aangekondigd dat in 2005 de drie landen binnen het Koninkrijk zullen overleggen om te komen tot gemoderniseerde verhoudingen. In dit overleg hanteert Nederland de uitgangspunten: “maximale bevoegdheden voor de eilanden, minimale bevoegdheden voor het land en cruciale bevoegdheden voor het Koninkrijk”.(zie noot 2) Deze uitgangspunten verdienen nadere toelichting. Wat wordt precies bedoeld met maximale respectievelijk minimale en cruciale bevoegdheden? Op welke beleidsterreinen zijn deze termen van toepassing? Overigens zij opgemerkt dat “minimale bevoegdheden” voor het land Aruba geen uitgangspunt zullen kunnen zijn, aangezien land- en eilandbestuur voor Aruba samenvallen. Voorts behoeft de formule “maximale bevoegdheden voor eilandbesturen” toelichting, omdat de eilanden van de Nederlandse Antillen onderling sterk in omvang van bevolking en bestuurlijk apparaat verschillen. De regering zal waarschijnlijk al naar gelang de aard van de relaties met Nederland ook bepaalde samenwerkingsverbanden tussen eilanden onderling noodzakelijk achten. In de memorie van toelichting op de begroting voor Koninkrijksrelaties worden deze vragen niet beantwoord. De Raad adviseert in de toelichting hierop in te gaan en duidelijkheid te creëren omtrent beleid en aanpak.
De Raad van State adviseert in het onderhavige begrotingshoofdstuk uiteen te zetten hoe Nederland op korte termijn wil bijdragen aan nieuw ingezet beleid van de Antilliaanse regering en wat Nederland, vanuit zijn verantwoordelijkheid binnen het verband van het Statuut, nastreeft in zijn relatie tot de Nederlandse Antillen en Aruba.

2. Relatie tot de Europese Unie
In de memorie van toelichting wordt vermeld dat de regering ernaar streeft dat nog dit jaar de drie landen van het Koninkrijk politieke standpunten bepalen ten aanzien van de relatie van de Nederlandse Antillen en Aruba tot de Europese Unie op grond van het rapport dat de commissie Europese Unie (de Commissie Van Beuge) in juli 2004 heeft uitgebracht.(zie noot 3) Verder wordt gewezen op het komende rapport van de commissie Bestuurlijke en Financiële Verhoudingen. In zijn voorlichting inzake de relaties binnen het Koninkrijk en met de Europese Unie heeft de Raad erop gewezen dat de verhouding van de Nederlandse Antillen en Aruba tot de Europese Unie onlosmakelijk verbonden is met de relaties binnen het Koninkrijk.(zie noot 4) De Raad adviseert de passages over de relatie tot de Europese Unie in de memorie van toelichting in deze zin aan te vullen.

3. Verantwoordelijke Ministers

a. In de memorie van toelichting wordt gewezen op de specifieke verantwoordelijkheid van de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties (BVK), die voortvloeit uit de algemene zorg voor het Statuut en de Koninkrijksverhoudingen, en op de eigen verantwoordelijkheden op basis van het Statuut van de Ministers van Defensie en van Buitenlandse Zaken.(zie noot 5) De Raad wijst erop dat er meer ministers zijn met Statutaire taken. De artikelen 3 en 43 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden noemen immers ook als koninkrijksaangelegenheden:
- het Nederlanderschap;
- de regeling van de nationaliteit van schepen en het stellen van eisen met
betrekking tot de veiligheid en de navigatie van zeeschepen;
- het toezicht op de toelating en uitzetting van vreemdelingen;
- de uitlevering;
- het waarborgen van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de rechts-
zekerheid en de deugdelijkheid van bestuur.
Bij dit laatste is van belang dat thans internationaal algemeen aanvaard is dat ook economische, sociale en culturele grondrechten daartoe behoren, zoals recht op onderwijs, op een goed leefmilieu en op toereikende gezondheidszorg.
Voorts kunnen andere onderwerpen tot aangelegenheden van het Koninkrijk worden verklaard.
In de onderhavige paragraaf van de memorie van toelichting is wel het Ministerie van Justitie genoemd, maar had ten minste ook het Ministerie van Verkeer en Waterstaat moeten worden genoemd. Daar waar het Ministerie van Justitie aan de orde komt, ware tevens een verwijzing naar de onderwerpen Vreemdelingenzaken en Integratie op te nemen. Het verdient aanbeveling uiteen te zetten op welke wijze zowel de ministeries die verantwoordelijk zijn voor Koninkrijksaangelegenheden, als andere ministeries die met de Nederlandse Antillen en Aruba samenwerkingsrelaties kunnen onderhouden, tot een gecoördineerd beleid kunnen komen. De Raad wijst op het belang van een geïntegreerde aanpak. Hij adviseert in te gaan op de vraag op welke wijze door de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties met andere ministers wordt samengewerkt bij de bestrijding van de verschillende problemen op de Nederlandse Antillen en Aruba, waarvoor de artikelen 36 tot en met 38 van het Statuut de nodige aanknopingspunten bieden. De Raad adviseert de memorie van toelichting op deze punten aan te vullen.

b. De memorie van toelichting vermeldt dat de inhoud van de werkzaamheden van het Recherchesamenwerkingsteam en de Kustwacht valt onder verantwoordelijkheid van het “lokale gezag”, waarmee het gezag van de landsregeringen en niet dat van de eilandsbesturen bedoeld zal zijn.(zie noot 6) Aangezien er vaak sprake is van internationale criminaliteit en criminele netwerken die zich over meerdere Koninkrijkspartners uitstrekken, roept deze concentratie op de verantwoordelijkheid van het lokale gezag de vraag op hoe de regering zich een effectieve aanpak van landgrensoverschrijdende en internationale criminaliteit voorstelt door de Koninkrijksregering. De Raad adviseert hierop in te gaan in de memorie van toelichting.

4. Sociaal-economische aspecten

a. Het valt de Raad op dat de memorie van toelichting geen analyse bevat van de armoedeproblematiek op de Nederlandse Antillen. Volgens de toelichting zullen de eerste maatregelen gericht op de korte termijn in 2005 worden genomen, maar is het wachten vooral op een analyse van de Wereldbank en het UNDP. Contouren van voorstellen voor een structurele aanpak zullen pas eind 2005 zichtbaar worden. Deze problematiek is ook reeds eerder door andere instellingen en deskundigen geanalyseerd;(zie noot 7) naar het oordeel van de Raad is het dan ook niet nodig met nadere maatregelen op de analyse van de Wereldbank en het UNDP te wachten, aangezien de problemen snel verergeren.
Het valt verder op dat geen dwarsverbanden worden gelegd met de uitvoerige analyse van de sociaal-economische problematiek van diverse ontwikkelingslanden die in de memorie van toelichting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is te vinden, in het bijzonder ten aanzien van de Millenniumdoelstellingen. Onder erkenning van de specifieke relaties met de Nederlandse Antillen en Aruba in het Koninkrijksverband, waarbij de partners onderlinge hulp en bijstand verlenen, adviseert de Raad nader uiteen te zetten welke bijdrage Nederland wil leveren aan de bestrijding van de armoede op de Nederlandse Antillen.

b. Gesteld wordt, dat de armoede een verdelingsvraagstuk is.(zie noot 8) Deze constatering is door haar onvolledigheid feitelijk onjuist. Armoede heeft diverse oorzaken, zowel structurele als conjuncturele. Zo wordt ze voor een belangrijk deel veroorzaakt door gebrekkige opvoeding en scholing, andere sociaal-culturele aspecten en, in het geval van de Nederlandse Antillen, ook door immigratie van kansarmen uit de Caribische regio. De zinsnede weerspiegelt niet de grondige analyses van de armoedeproblematiek die door diverse instanties en deskundigen in het recente verleden zijn gemaakt.
De Raad adviseert de memorie van toelichting op dit punt aan te passen.

c. De memorie van toelichting geeft aan dat Nederland een extra bijdrage van 2 miljoen Euro heeft toegezegd voor armoedebestrijding.(zie noot 9) De omvang van dit bedrag steekt vreemd af tegen de omvang van het probleem en de taak van de Antilliaanse regering om reeds op betrekkelijk korte termijn resultaten te laten zien.
De Raad adviseert de hoogte van de toegezegde bijdrage toe te lichten en uiteen te zetten welke afspraken recent met de regering van de Nederlandse Antillen hierover zijn gemaakt, in het bijzonder voor een structurele verbetering van het beroepsonderwijs.

5. Rechtshandhaving

a. In de begroting wordt vooral de justitiële kant van de rechtshandhaving belicht. De Raad wijst erop dat behalve goed functionerende ketens van rechtshandhaving ook duurzame economische ontwikkeling en armoedebestrijding van belang zijn voor vermindering van de criminaliteit. Veel criminaliteit is het gevolg van onderliggende maatschappelijke problemen, zoals gebrekkige opvoeding en ontbrekende opvoedingsbegeleiding van behoeftigen (zoals tienerouders), gebrekkig onderwijs (40 % voortijdige schoolverlaters), ontbrekende sociale controle, structurele werkloosheid van vooral jongeren, en aanwezigheid van vertegenwoordigers van buitenlandse criminele netwerken (met name drugshandel) die lokaal personen voor criminele activiteiten recruteren.
Opmerkelijk is vervolgens, dat niets concreets is ingevuld over de prestatie-indicatoren, basiswaarden en streefwaarden inzake rechtshandhaving, ondanks alles wat bekend is over voorgaande jaren.(zie noot 10) De Raad beveelt aan in de toelichting in te gaan op de uiteenlopende oorzaken van hoge criminaliteit en aan te geven hoe Nederland een bijdrage zal leveren aan de aanpak hiervan.

b. Als de bijdragen van de Nederlandse Antillen en Aruba aan de kosten van de Kustwacht achterblijven, wordt het ontbrekende door “temporisering” gekort op andere middelen voor waarborgtaken.(zie noot 11) Dit roept de vraag op of een deficit van de bijdragen van de Nederlandse Antillen en Aruba aan de Kustwacht ten laste van bijvoorbeeld de recherchesamenwerking en de rechterlijke macht kan worden gebracht, en of het niet beter voor de handhaving van de rechtsorde zou zijn een eventueel deficit op een andere wijze op te vangen. De Raad geeft dit in overweging.

c. Het is de Raad opgevallen dat de memorie van toelichting geen aandacht schenkt aan het functioneren van het gevangeniswezen op de Nederlandse Antillen en Aruba; evenmin aan de vraag of op dit punt wordt voldaan aan internationale mensenrechtenverdragen. Dit is een vraagstuk dat internationale kritiek heeft opgeroepen. De Raad adviseert de stand van zaken op dit punt in de toelichting te bespreken.

De Raad wijst erop dat het onderwerp Koninkrijksrelaties ook voorkomt in zijn adviezen over de voorstellen van wet tot vaststelling van de begrotingsstaat van de Ministeries van Algemene Zaken, van Buitenlandse Zaken en van Verkeer en Waterstaat.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.

De waarnemend Vice-President van de Raad van State


Nader rapport (reactie op het advies) van 21 september 2004

In antwoord op de vragen en opmerkingen van de Raad van State deel ik u het volgende mee.

Ad 1 Algemeen
Uitgangspunt van het beleid is dat de taken en bevoegdheden zoveel als mogelijk op het niveau van de eilandgebieden moeten liggen en zo min mogelijk op het niveau van het land.
Dit uitgangspunt komt voort uit de subsidiariteitsgedachte zoals Nederland die ook kent in de bevoegdheidsverdeling tussen verschillende bestuurslagen. De Raad wijst terecht op het verschil in schaalgrootte tussen de eilandgebieden. In de Memorie van Toelichting wordt daarom als tweede uitgangspunt maatwerk per eiland genoemd. Om hieraan invulling te kunnen geven is het denkbaar dat taken en bevoegdheden binnen samenwerkingsverbanden tussen eilandgebieden onderling of met Nederland worden ingevuld.
Internationale ontwikkelingen zoals bijvoorbeeld de globalisering en terrorisme maken het noodzakelijk dat de waarborgtaak van het Koninkrijk meer wordt geconcretiseerd en van instrumenten wordt voorzien. Het gaat hierbij dus om voor het Koninkrijk cruciale taken, waarbij gedacht kan worden onderdelen van de rechtshandhaving en rechtspleging. In de Memorie van Toelichting wordt hiernaar verwezen.
De werkgroep Bestuurlijke Financiële Verhoudingen zal in oktober haar eindrapport presenteren en aanbevelingen doen hoe aan het vorenstaande invulling kan worden gegeven. Op basis van deze aanbevelingen zal de Nederlandse regering een standpunt bepalen.
De Raad merkt terecht op dat minimale bevoegdheden voor het land voor Aruba geen uitgangspunt kunnen zijn. Minimaal en maximaal vallen bij Aruba samen. Aanpassing van de tekst op dit punt is echter niet nodig.
De Raad van State adviseert in het onderhavige begrotingshoofdstuk uiteen te zetten hoe Nederland op korte termijn wil bijdragen aan nieuw ingezet beleid van de Antilliaanse regering en wat Nederland, vanuit zijn verantwoordelijkheid binnen het verband van het Statuut, nastreeft in zijn relatie tot de Nederlandse Antillen en Aruba.
In de Memorie van Toelichting wordt verwezen naar een op te stellen samenwerkingsplan tussen de Antilliaanse regering en de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties. Inmiddels is hierover overeenstemming bereikt en is het samenwerkingsplan aangeboden aan de Tweede Kamer.
Met betrekking tot de vraag wat Nederland, vanuit zijn verantwoordelijkheid binnen het verband van het Statuut, nastreeft in zijn relatie tot de Nederlandse Antillen en Aruba, het volgende. Het Statuut bedeelt Nederland als zodanig geen taken toe, maar spreekt slechts over taken van het Koninkrijk. In algemene zin streeft de Nederlandse regering naar een duurzame economische en sociale ontwikkeling in de Nederlandse Antillen en Aruba en naar rechtszekerheid voor de bevolking. De beleidsprioriteiten zoals benoemd in de Beleidsagenda geven hier invulling aan.

Ad 2 Relatie tot de Europese Unie
De Raad maakt hier een terechte opmerking. De relaties tussen de Caribische landen van het Koninkrijk en de Europese Unie zijn van invloed op de relatie tussen de landen van het Koninkrijk. De politieke standpunten van de landen op het rapport van de Commissie Europese Unie zullen dan ook een rol spelen binnen de discussie over de gemoderniseerde verhoudingen, zoals reeds in de Memorie van Toelichting is opgemerkt. Hiermee is impliciet tegemoetgekomen aan het advies van de Raad.

Ad 3 Verantwoordelijke Ministers

a. verantwoordelijkheden op basis van het Statuut/coördinatie van het Koninkrijksbeleid
De Raad attendeert op het ontbreken van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat in de opsomming van verantwoordelijke ministers en bepleit een verwijzing naar de onderwerpen Vreemdelingenzaken en Integratie daar waar het Ministerie van Justitie wordt genoemd. De opmerkingen van de Raad zullen worden verwerkt in de Memorie van Toelichting.
Sinds 1 juli 1998 is het ministerie voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties (BVK) belast met de coördinatie van het Nederlandse beleid ten aanzien van de Nederlandse Antillen en Aruba en is derhalve verantwoordelijk voor (het aanbrengen van) de samenhang in het beleid van de verschillende ministeries die betrokken zijn bij de samenwerkingsrelatie met de Nederlandse Antillen. Daartoe is in november 1998 – mede – de Interdepartementale Commissie Koninkrijksrelaties (ICKR) ingesteld. De commissie heeft tot taak te adviseren en voorstellen te doen over het beleid dat de departementen voeren ten aanzien van die beleidsterreinen waarop de Nederlandse Antillen en Aruba autonoom zijn, alsmede over de samenhang in dat beleid. De commissie kan desgevraagd of uit eigen beweging adviseren. De commissie brengt haar adviezen uit aan de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, dan wel de ministers die het aangaat.
De departementen met een verantwoordelijkheid voor koninkrijksaangelegenheden informeren de commissie over beleidsvoornemens ten aanzien van de Nederlandse Antillen en Aruba teneinde samenhang van het beleid in totaliteit te bevorderen.
Van de commissie wordt verwacht dat zij initiatieven onderneemt om de samenhang in beleid te bewerkstelligen en een effectieve en efficiënte uitvoering van dit beleid te bevorderen. Daartoe dienen de relevante aspecten van het beleid ten aanzien van de Nederlandse Antillen en Aruba van alle ministeries in de commissie aan de orde te komen. Waar echter reeds aparte overleggremia bestaan, komen in de ICKR de hoofdlijnen van de betreffende beleidsaspecten aan de orde.
In voorkomende gevallen vindt overleg plaats tussen meest betrokken ministers.
Gelet op het feit dat reeds sinds 1998 op vorenstaande wijze invulling wordt gegeven aan de coördinerende taak en de Tweede Kamer hierover bij diverse gelegenheden is geïnformeerd, ontbreekt de noodzaak om in de Memorie van Toelichting voor de begroting 2005 uitgebreid hierop in te gaan.

b. aanpak landsgrensoverschrijdende en internationale criminaliteit door de Koninkrijksregering
De Koninkrijksregering heeft geen verantwoordelijkheid bij de aansturing van de Kustwacht en het Recherchesamenwerkingsteam. Desondanks is het van belang dat over het beleid overeenstemming bestaat tussen de samenwerkende landen. In de Voorlopige regeling Kustwacht voor de Nederlandse Antillen (Stb. 1995 nr. 618) is daarom opgenomen dat de ministers van Justitie van de drie landen regelmatig overleg voeren over het justitieel beleid ten behoeve van de Kustwacht en dat zij dit beleid gezamenlijk vaststellen. In het zogenaamde RST-protocol is vastgelegd dat de ministers van Justitie en de minister voor Koninkrijksrelaties in onderlinge overeenstemming het beleid bepalen (Tweede Kamer 2001–2002, 27 925, nr. 30). Er is geen noodzaak om in de Memorie van Toelichting van de begroting 2005 deze regelgeving te parafraseren.

Ad 4 Sociaal-economische aspecten

a. analyse armoedeproblematiek
De memorie van toelichting bevat geen analyse van de armoedeproblematiek op de Nederlandse Antillen. De conclusies van de analyse, die mede gebaseerd is op de door de Raad van State aangehaalde rapporten en onderzoeken, zijn wel aangegeven. Er is echter tot op heden geen integraal onderzoek gedaan naar de omvang en mate van de armoede op de Nederlandse Antillen. Op basis van een dergelijke analyse zal vervolgens een structurele aanpak worden geformuleerd, waarbij het beleid en de financiële positie van de Antilliaanse overheid uitgangspunt is. Omdat een dergelijke aanpak de nodige tijd kost is met de Antillen afgesproken om op basis van een «quick scan» een aantal korte termijn maatregelen te identificeren die gericht zijn op urgente aspecten van de armoedeproblematiek.
De betrokkenheid van UNDP en in mindere mate de Wereldbank verzekert voorts de aansluiting van deze aanpak, beter bekend als Poverty Reduction Strategy Paper, bij de internationaal geformuleerde Millenniumdoelstellingen voor Ontwikkeling.
Met de Antilliaanse regering zijn inmiddels nadere afspraken gemaakt over de Nederlandse bijdrage aan de armoedebestrijding. Zo is als eerste stap in aansluiting op de wens van de Antilliaanse regering ANG 5 miljoen ter beschikking gesteld voor de integrale wijkaanpak door Reda Sosial. Deze bijdrage komt bovenop de reeds aan de Antilliaanse Medefinancieringsorganisatie (AMFO) overgemaakte middelen voor de NGO’s ten bedrage van € 9,5 miljoen. Hieruit blijkt dat met de aanpak niet wordt gewacht tot de uitkomsten van ingezette studies beschikbaar zijn. Daarenboven mag niet worden vergeten dat het Nederlandse beleid via het samenwerkingsprogramma Duurzame Economische Ontwikkeling een bijdrage levert aan het stimuleren van de Antilliaanse economie. Een goed economisch klimaat is de beste remedie tegen armoede. Ook investeert Nederland in de Antilliaanse jeugd door het leeuwendeel bij te dragen aan de kosten van het onderwijsvernieuwingsprogramma en door bekostiging van het Urgentieprogramma Jeugd en Jongeren. Dit helpt voorkomen dat de generatie die thans opgroeit met armoedeproblemen zal worden geconfronteerd.

b. oorzaken armoede
De armoede wordt inderdaad gekenmerkt door verschillende aspecten, zo wordt in de memorie van toelichting benadrukt. Erkend moet worden dat geen enkele analyse thans volledig is. De hierboven genoemde analyse door UNDP en Wereldbank zal meer inzicht geven. Gezien het relatieve welvaartsniveau op de Nederlandse Antillen acht ik aandacht voor het verdelingsvraagstuk gerechtvaardigd.

c. in te zetten middelen voor armoedebestrijding
De begroting heeft betrekking op het jaar 2005. Over meerdere jaren is in totaal circa € 13 miljoen aan extra middelen gereserveerd voor de armoedeproblematiek. Naast financiering van maatregelen uit het al genoemde UNDP-traject, wordt ook gedacht aan ondersteuning van de sociale vormingsplicht, zodra hiervoor een haalbaar plan is uitgewerkt. Hierover zijn in het eerder genoemde samenwerkingsplan afspraken gemaakt.

Ad 5 Rechtshandhaving

a. oorzaken en aanpak hoge criminaliteit
In aanvulling op hetgeen reeds is beschreven in de Memorie van Toelichting kan worden verwezen naar de afspraak hierover in het reeds genoemde samenwerkingsplan. Voor een geloofwaardige duurzame en structurele oplossing van de criminaliteitsproblematiek zal door de Antilliaanse regering een coherente visie worden ontwikkeld waarin zowel de preventie als repressie onderdeel uitmaken. Hiertoe zal met ondersteuning van Nederlandse deskundigen een veiligheidsstrategie worden ontwikkeld waarover uiterlijk medio 2005 besluitvorming kan plaatsvinden. In deze veiligheidsstrategie zullen onder meer criminaliteitsproblemen op een heldere wijze worden gerelateerd aan de capaciteit, kwaliteit en financiering van alle betrokken schakels van de rechtshandhavingsketen. Het voorkomen van het afglijden van Antilliaanse jongeren naar een marginaal of crimineel bestaan is één van de belangrijkste doelstellingen van de sociale vormingsplicht.

b. Antilliaanse en Arubaanse bijdrage aan de Kustwacht
In de Rijksministerraad van 13 juni 2003 hebben de drie landen afspraken gemaakt over de financiering van de Kustwacht. Onder andere is afgesproken dat de invordering van de bijdragen van de Nederlandse Antillen en Aruba met ingang van 2003 plaatsvindt door de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties. Voor de invordering zullen de daartoe geëigende instrumenten ingezet worden. Voorts is afgesproken dat op Hoofdstuk IV een voorziening zal worden aanhouden ten laste van de samenwerkingsmiddelen ter hoogte van de bijdragen van de Nederlandse Antillen en Aruba tot het moment van betaling door de landen. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd (Tweede Kamer 2002–2003, 28 600 IV en 28 600 X, nr. 17). De Memorie van Toelichting zal op dit punt adequater worden geformuleerd.

c. functioneren van het gevangeniswezen
Het functioneren van het gevangeniswezen is primair de verantwoordelijkheid van de Antilliaanse en Arubaanse regeringen. Het is aan de regeringen om uitvoering te geven aan de aanbevelingen die de CPT heeft gedaan inzake de mensenrechten. In het kader van het reeds genoemde samenwerkingsplan en in het kader van de aanpak drugsbestrijding wordt door Nederland ondersteuning verleend aan met name de Antilliaanse regering. Nederland voert geen actief beleid ten aanzien van deze aanbevelingen maar volgt de voortgang, opneming in de Memorie van Toelichting is derhalve niet opportuun.

De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties


(1) Par. 2.1, tweede volzin.
(2) Hoofdstuk 1, blz. 9, versie 31 augustus 2004. Zie tevens blz. 41.
(3) Paragraaf 2.1 De beleidsagenda, onder het kopje Veranderende verhoudingen (blz. 6).
(4) Voorlichting van 9 september 2003, gepubliceerd als bijlage bij het Jaarverslag van de Raad van State 2003, in Verdieping of geleidelijk uiteengaan?, februari 2004.
(5) Memorie van toelichting, onder kopje Directe verantwoordelijkheid Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties (BVK) (blz. 8).
(6) Memorie van toelichting, paragraaf 2.2, onder kopje Wat willen we bereiken? (blz. 9).
(7) Zie bijvoorbeeld: Stichting Fonds voor Sociale Ontwikkeling en Economische Bedrijvigheid, Atakanda Probesa: Armoedebestrijding door integrale wijkaanpak, Willemstad/Amsterdam, Reda Sosial-Rozenberg Publishers, 2003; Idem, Pobresa, ban atak'é, Een sociaal-economische diagnose van de armoede op Curaçao. Amsterdam/Willemstad, Thela Publishers, 1999. Voorts beschikt de regering over de analyses die het IMF in 1998 en volgende jaren van deze problematiek heeft gemaakt.
(8) Memorie van toelichting, onder kopje Armoedebestrijding (blz. 22).
(9) Memorie van toelichting, tabel onder kopje Wat mag het kosten? (blz. 26).
(10) Memorie van toelichting, onder het kopje: Operationele doelstelling 1: het waarborgen van een adequaat niveau van rechtshandhaving (blz. 12).
(11) Memorie van toelichting, onder kopje 5. Veronderstellingen in effectbereiking, doelmatigheid en raming (blz. 15).


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon