Ontwerpbesluit houdende regels met betrekking tot het veilig en ongestoord gebruik van hoofdspoorwegen (Besluit spoorverkeer), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W09.03.0393/V
- Datum advies
- 19 december 2003
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 11 januari 2005
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit houdende regels met betrekking tot het veilig en ongestoord gebruik van hoofdspoorwegen (Besluit spoorverkeer), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 24 september 2003, no.03.003898, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels met betrekking tot het veilig en ongestoord gebruik van hoofdspoorwegen (Besluit spoorverkeer), met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit bevat, ter uitvoering van de desbetreffende bepalingen van de Spoorwegwet, verkeersregels voor het gebruik van hoofdspoorwegen. De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt daarover enkele opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het besluit wenselijk is.
1. Artikel 2, eerste lid, van het ontwerpbesluit bepaalt dat de spoorwegonderneming er zorg voor draagt dat een trein waarmee in haar opdracht aan het verkeer op een hoofdspoorweg wordt deelgenomen door een deskundige wordt onderzocht op gebreken.
a. Het besluit maakt niet duidelijk wie als “deskundige” in de zin van dit artikel kan worden aangemerkt. In de nota van toelichting wordt alleen opgemerkt dat controle van goederenwagens wordt verricht door de wagencontroleur(zie noot 1), maar wie treinen controleert die zijn bestemd voor personenvervoer blijft in het midden. De Raad adviseert het zesde lid van artikel 2 zo aan te vullen, dat de ministeriële regeling krachtens dit lid regels kan bevatten over de persoon van de deskundige.
b. Het eerste lid bepaalt niet wanneer en hoe vaak het onderzoek moet plaatsvinden. Omdat op grond van het derde lid gebreken vóór het vertrek van de trein moeten worden gerepareerd, ligt het voor de hand dat ook het onderzoek telkens voor het vertrek moet plaatsvinden. De Raad adviseert dit in het eerste lid te bepalen. Daarbij dient te worden verduidelijkt of “vertrek” hier, net als in de artikelen 3, 4 en 6, wordt gebruikt in de betekenis van “vertrek voor de eerste rit op een dag” of in een andere betekenis.
c. Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, moet de bestuurder zich er voor vertrek van vergewissen dat een technisch onderzoek als bedoeld in artikel 2, eerste lid, is verricht. Het derde lid van artikel 6 bepaalt dat het eerste lid van dat artikel, voor wat betreft het onderzoek, van overeenkomstige toepassing is op wijzigingen van de samenstelling van een goederentrein tijdens de rit. Artikel 2 bevat echter niet een corresponderende verplichting om een onderzoek uit te voeren als zo’n wijziging van de samenstelling zich voordoet. De Raad adviseert een dergelijke verplichting in artikel 2 op te nemen.
2. De artikelen 3, 4 en 6 verlangen dat de spoorwegonderneming vóór het vertrek aan de bestuurder en aan de beheerder mededeling doet van een aantal feiten, respectievelijk dat de bestuurder zich van een aantal zaken vergewist.
a. Het valt op dat een aantal van de te verstrekken gegevens maar betrekking heeft op één rit (artikel 3, eerste lid, onderdelen e en h; artikel 4, eerste lid, onderdelen b en e). Gelet op de uitleg die de nota van toelichting geeft aan de term “vertrek”, namelijk “vertrek voor de eerste rit op een dag”,(zie noot 2) moet worden aangenomen dat het hier alleen om de eerste rit van de dag gaat. Het is echter niet duidelijk waarom deze gegevens alleen van belang zouden zijn voor de eerste rit, en niet voor eventuele volgende. De Raad adviseert de betrokken onderdelen zo te wijzigen dat ook gegevens over volgende ritten op de desbetreffende dag moeten worden verstrekt.
b. Gezien het doel van artikel 3 - te verzekeren dat bepaalde informatie bij de bestuurder bekend is - ligt het voor de hand om de mededelingenplicht die op grond van dat artikel geldt ook van toepassing te laten zijn bij een wisseling van de bestuurder, zoals voor een aantal controleverplichtingen van de bestuurder ook is bepaald in artikel 6, vierde lid. Het college adviseert het besluit in deze zin aan te passen.
3. Artikel 14, derde lid, bepaalt dat de bestuurder bij het gebruik van een deel van een hoofdspoorweg waar geen verkeerslichten zijn, verplicht is de aanwijzingen op te volgen die de beheerder hem geeft. Het vierde lid bepaalt dat het bij het niet opvolgen van de aanwijzingen de bestuurder verboden is het desbetreffende deel van de hoofdspoorweg te gebruiken.
Deze laatste bepaling is kennelijk bedoeld als voorziening voor het geval dat de bestuurder de verplichting om de aanwijzingen van de beheerder op te volgen niet nakomt. Uit de verplichting om aanwijzingen op te volgen vloeit echter al voort dat het gebruik van een spoorweg waarbij van die aanwijzingen wordt afgeweken niet is toegestaan. Anderzijds is het naast het verbod van het vierde lid niet nodig om de verplichting van het derde lid op te leggen.
De Raad adviseert om uit de twee voorschriften een keuze te maken. Hetzelfde geldt voor de corresponderende bepalingen in de artikelen 16, 19 en 28.
4. In de toelichting op artikel 39 staat dat bepaalde standaardaanwijzingen die tot nu toe werden gebruikt zullen worden opgenomen in een ministeriële regeling. Dat gebeurt met de bedoeling om de beheerder bevoegd te maken die aanwijzingen ook onder het nu voorliggende besluit te gebruiken, aldus de toelichting. Er wordt echter nergens in het ontwerpbesluit bepaald dat de beheerder alleen aanwijzingen zou mogen geven die zijn vastgelegd in een ministeriële regeling.
De Raad adviseert de nota van toelichting op dit punt te wijzigen.
5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 19 december 2003,
no.W09.03.0393/V met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ontwerpbesluit
- In de aanhef achter “Gelet op” toevoegen: richtlijn 96/48/EG.
- In de artikelen 3, 4 en 6 “voor het vertrek” vervangen door: voor het vertrek voor de eerste rit op een dag. Deze uitleg van de term “vertrek” spreekt immers niet vanzelf. Zie de aanwijzingen 54, eerste lid, en 214, van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar).
- In artikel 3, eerste lid, onder b, “de maximale snelheid van de trein” vervangen door: de door de spoorwegonderneming voor die trein vastgestelde maximumsnelheid.
- In hetzelfde lid onderdeel f vervangen door: “f. de voorgeschreven verlichting aan de voorzijde goed functioneert;”. Vervolgens als onderdeel g invoegen: “g. de voorgeschreven verlichting aan de achterzijde goed functioneert dan wel of de schilden aan de achterzijde zijn aangebracht;”. Daarna de bestaande onderdelen g tot en met i letteren h tot en met j.
- In artikel 6, eerste lid, huidig onderdeel i, voor “ontheffing” invoegen: zo nodig.
- In artikel 13, tweede lid, onderdeel a, tot uitdrukking laten komen dat het hier een ander bij ministeriële regeling vastgesteld profiel betreft dan dat genoemd in het eerste lid.
- In artikel 13, vierde lid, “in gevaar brengt of kan brengen” vervangen door: niet in gevaar brengt of kan brengen.
- In artikel 15 “gezien de rijrichting van de trein” vervangen door: gezien de plaats waar de bestuurder zich bevindt.
- In artikel 27, tweede lid, de aanhef vervangen door: In afwijking van het eerste lid, onderdeel b.
- In artikel 29 een omschrijving opnemen van “locomotief”.
Nota van toelichting
- EG-richtlijn 96/48/EG de eerste keer aanhalen overeenkomstig aanwijzing 89 Ar.
- In de toelichting op artikel 38 “richtlijn 2001/14/EG” vervangen door: richtlijn 2001/16/EG.
Nader rapport (reactie op het advies) van 29 november 2004
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met de volgende punten rekening zal zijn gehouden.
1.a. Ingevolge de nieuwe Spoorwegwet worden bij algemene maatregel van bestuur de zogenaamde veiligheidsfuncties aangewezen en worden deze functies beschreven. Tevens wordt uitgewerkt aan welke eisen de veiligheidsfunctionarissen moeten voldoen. Een en ander is uitgewerkt in het Besluit spoorwegpersoneel. Een van de veiligheidsfuncties is die van de wagencontroleur.
Onderzoeken als bedoeld in artikel 2 worden echter niet alleen uitgevoerd door een wagencontroleur, doch in bepaalde gevallen ook door een machinist, die daarvoor een aanvullende opleiding heeft genoten, of een storingsmonteur.
In het kader van het veiligheidsattest, bedoeld in artikel 32 van de Spoorwegwet, dient de spoorwegonderneming onder meer aan te tonen dat hij kennis draagt van de wijze waarop de onderhavige controles uitgevoerd moeten worden en door wie.
Er bestaat derhalve geen behoefte om deze materie ook in de ministeriële regeling op basis van het zesde lid van artikel 2 op te nemen.
Aan het advies van de Raad op dit punt is derhalve bij en krachtens voornoemde algemene maatregel van bestuur uitvoering gegeven.
1.b. Het technisch onderzoek, bedoeld in artikel 2, is zowel in technisch opzicht als op het punt van tijdstippen waarop het onderzoek moet plaatsvinden, tamelijk gedetailleerd. Om die reden is ingevolge het zesde lid de uitwerking van dit artikel voorzien in een ministeriële regeling. In die regeling wordt aangegeven welk onderzoek op welk tijdstip aan welk soort trein of locomotief dient te worden uitgevoerd.
1.c. Het door de Raad geadviseerde voorschrift in artikel 2 is opgenomen in de ministeriële regeling op basis van het zesde lid van dat artikel.
2.a. De Raad attendeert terecht op een tekortkoming in de redactie van artikel 3. Een dienstregeling bevat alle ritten in een bepaalde periode, met vermelding van de routen, de treinnummers en dergelijke. Dit geldt eveneens voor het aspect ontheffingen of vrijstellingen. Om die reden kunnen in het eerste lid, onderdeel e, de woorden “voor die rit” en in onderdeel h de woorden “ten aanzien van de betrokken rit” geschrapt worden.
2.b. Aan het verzoek van de Raad is voldaan door toevoeging van een lid, waarin is bepaald dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is na wisseling van de bestuurder.
3. Aan het advies van de Raad is voor wat betreft de artikelen 14, 16 en 19 (thans 13, 15 en 18) gevolg gegeven door het schrappen van het vierde lid van deze artikelen.
In het door de Raad eveneens aangehaalde artikel 28 (thans 27) ligt de situatie anders omdat aldaar geen sprake is van het niet opvolgen van een aanwijzing op overtreding waarvan waarvan een sanctie is gesteld. In artikel 28 gaat het om het niet naleven van bepaalde voorschriften. Overtreding hiervan is niet van een strafsanctie voorzien. In verband met de mogelijkheid van bestuursdwang is in dit artikel het verbod om door te rijden opgenomen. Overtreding van dat verbod is wel van een strafsanctie voorzien.
4. Met de Raad kan worden ingestemd, dat het voorliggende ontwerpbesluit geen bepaling kent, dat de beheerder alleen aanwijzingen zou mogen geven die in een ministeriële regeling zijn vastgelegd. Een dergelijke bepaling is bewust niet opgenomen omdat de beheerder anders te zeer zou worden belemmerd in het kunnen verwezenlijken van zijn verantwoordelijkheid voor een veilig en ongestoord verkeer op de hoofdspoorwegen. Het doel van artikel 39 (thans 38) is in wezen om de betekenis van de oude aanwijzingen, die slechts met een korte aanduiding werden gegeven, weer te geven. Als voorbeeld zij genoemd de aanwijzing STS (stop tonend sein), SB (snelheid begrenzen). Het is aan de beheerder om te beslissen of hij van deze oude aanwijzingen gebruik wil of kan maken.
5. De door de Raad gemaakte redactionele kanttekeningen zijn alle verwerkt.
6. Voorts is het wenselijk gebleken het ontwerpbesluit op enkele onderdelen aan te passen. Zo is het verbod om met aslasten te rijden die afwijken van het bij ministeriële regeling vast te stellen kaartje (artikel 9 van het oorspronkelijke ontwerpbesluit) komen te vervallen. In plaats daarvan kan worden volstaan met het verbod op het beschadigen van de infrastructuur (artikel 36 van de wet), waarbij de beheerder het aslastenkaartje publiceert in de netverklaring.
Voorts is de bepaling met betrekking tot de door de beheerder te verstrekken bewijzen van toegang (artikel 40 van het oorspronkelijke ontwerpbesluit) komen te vervallen.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
(1) Nota van toelichting, toelichting op artikel 2.
(2) Nota van toelichting, toelichting op artikelen 3 en 4 respectievelijk artikel 6.
Het ontwerpbesluit bevat, ter uitvoering van de desbetreffende bepalingen van de Spoorwegwet, verkeersregels voor het gebruik van hoofdspoorwegen. De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt daarover enkele opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het besluit wenselijk is.
1. Artikel 2, eerste lid, van het ontwerpbesluit bepaalt dat de spoorwegonderneming er zorg voor draagt dat een trein waarmee in haar opdracht aan het verkeer op een hoofdspoorweg wordt deelgenomen door een deskundige wordt onderzocht op gebreken.
a. Het besluit maakt niet duidelijk wie als “deskundige” in de zin van dit artikel kan worden aangemerkt. In de nota van toelichting wordt alleen opgemerkt dat controle van goederenwagens wordt verricht door de wagencontroleur(zie noot 1), maar wie treinen controleert die zijn bestemd voor personenvervoer blijft in het midden. De Raad adviseert het zesde lid van artikel 2 zo aan te vullen, dat de ministeriële regeling krachtens dit lid regels kan bevatten over de persoon van de deskundige.
b. Het eerste lid bepaalt niet wanneer en hoe vaak het onderzoek moet plaatsvinden. Omdat op grond van het derde lid gebreken vóór het vertrek van de trein moeten worden gerepareerd, ligt het voor de hand dat ook het onderzoek telkens voor het vertrek moet plaatsvinden. De Raad adviseert dit in het eerste lid te bepalen. Daarbij dient te worden verduidelijkt of “vertrek” hier, net als in de artikelen 3, 4 en 6, wordt gebruikt in de betekenis van “vertrek voor de eerste rit op een dag” of in een andere betekenis.
c. Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, moet de bestuurder zich er voor vertrek van vergewissen dat een technisch onderzoek als bedoeld in artikel 2, eerste lid, is verricht. Het derde lid van artikel 6 bepaalt dat het eerste lid van dat artikel, voor wat betreft het onderzoek, van overeenkomstige toepassing is op wijzigingen van de samenstelling van een goederentrein tijdens de rit. Artikel 2 bevat echter niet een corresponderende verplichting om een onderzoek uit te voeren als zo’n wijziging van de samenstelling zich voordoet. De Raad adviseert een dergelijke verplichting in artikel 2 op te nemen.
2. De artikelen 3, 4 en 6 verlangen dat de spoorwegonderneming vóór het vertrek aan de bestuurder en aan de beheerder mededeling doet van een aantal feiten, respectievelijk dat de bestuurder zich van een aantal zaken vergewist.
a. Het valt op dat een aantal van de te verstrekken gegevens maar betrekking heeft op één rit (artikel 3, eerste lid, onderdelen e en h; artikel 4, eerste lid, onderdelen b en e). Gelet op de uitleg die de nota van toelichting geeft aan de term “vertrek”, namelijk “vertrek voor de eerste rit op een dag”,(zie noot 2) moet worden aangenomen dat het hier alleen om de eerste rit van de dag gaat. Het is echter niet duidelijk waarom deze gegevens alleen van belang zouden zijn voor de eerste rit, en niet voor eventuele volgende. De Raad adviseert de betrokken onderdelen zo te wijzigen dat ook gegevens over volgende ritten op de desbetreffende dag moeten worden verstrekt.
b. Gezien het doel van artikel 3 - te verzekeren dat bepaalde informatie bij de bestuurder bekend is - ligt het voor de hand om de mededelingenplicht die op grond van dat artikel geldt ook van toepassing te laten zijn bij een wisseling van de bestuurder, zoals voor een aantal controleverplichtingen van de bestuurder ook is bepaald in artikel 6, vierde lid. Het college adviseert het besluit in deze zin aan te passen.
3. Artikel 14, derde lid, bepaalt dat de bestuurder bij het gebruik van een deel van een hoofdspoorweg waar geen verkeerslichten zijn, verplicht is de aanwijzingen op te volgen die de beheerder hem geeft. Het vierde lid bepaalt dat het bij het niet opvolgen van de aanwijzingen de bestuurder verboden is het desbetreffende deel van de hoofdspoorweg te gebruiken.
Deze laatste bepaling is kennelijk bedoeld als voorziening voor het geval dat de bestuurder de verplichting om de aanwijzingen van de beheerder op te volgen niet nakomt. Uit de verplichting om aanwijzingen op te volgen vloeit echter al voort dat het gebruik van een spoorweg waarbij van die aanwijzingen wordt afgeweken niet is toegestaan. Anderzijds is het naast het verbod van het vierde lid niet nodig om de verplichting van het derde lid op te leggen.
De Raad adviseert om uit de twee voorschriften een keuze te maken. Hetzelfde geldt voor de corresponderende bepalingen in de artikelen 16, 19 en 28.
4. In de toelichting op artikel 39 staat dat bepaalde standaardaanwijzingen die tot nu toe werden gebruikt zullen worden opgenomen in een ministeriële regeling. Dat gebeurt met de bedoeling om de beheerder bevoegd te maken die aanwijzingen ook onder het nu voorliggende besluit te gebruiken, aldus de toelichting. Er wordt echter nergens in het ontwerpbesluit bepaald dat de beheerder alleen aanwijzingen zou mogen geven die zijn vastgelegd in een ministeriële regeling.
De Raad adviseert de nota van toelichting op dit punt te wijzigen.
5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 19 december 2003,
no.W09.03.0393/V met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ontwerpbesluit
- In de aanhef achter “Gelet op” toevoegen: richtlijn 96/48/EG.
- In de artikelen 3, 4 en 6 “voor het vertrek” vervangen door: voor het vertrek voor de eerste rit op een dag. Deze uitleg van de term “vertrek” spreekt immers niet vanzelf. Zie de aanwijzingen 54, eerste lid, en 214, van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar).
- In artikel 3, eerste lid, onder b, “de maximale snelheid van de trein” vervangen door: de door de spoorwegonderneming voor die trein vastgestelde maximumsnelheid.
- In hetzelfde lid onderdeel f vervangen door: “f. de voorgeschreven verlichting aan de voorzijde goed functioneert;”. Vervolgens als onderdeel g invoegen: “g. de voorgeschreven verlichting aan de achterzijde goed functioneert dan wel of de schilden aan de achterzijde zijn aangebracht;”. Daarna de bestaande onderdelen g tot en met i letteren h tot en met j.
- In artikel 6, eerste lid, huidig onderdeel i, voor “ontheffing” invoegen: zo nodig.
- In artikel 13, tweede lid, onderdeel a, tot uitdrukking laten komen dat het hier een ander bij ministeriële regeling vastgesteld profiel betreft dan dat genoemd in het eerste lid.
- In artikel 13, vierde lid, “in gevaar brengt of kan brengen” vervangen door: niet in gevaar brengt of kan brengen.
- In artikel 15 “gezien de rijrichting van de trein” vervangen door: gezien de plaats waar de bestuurder zich bevindt.
- In artikel 27, tweede lid, de aanhef vervangen door: In afwijking van het eerste lid, onderdeel b.
- In artikel 29 een omschrijving opnemen van “locomotief”.
Nota van toelichting
- EG-richtlijn 96/48/EG de eerste keer aanhalen overeenkomstig aanwijzing 89 Ar.
- In de toelichting op artikel 38 “richtlijn 2001/14/EG” vervangen door: richtlijn 2001/16/EG.
Nader rapport (reactie op het advies) van 29 november 2004
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met de volgende punten rekening zal zijn gehouden.
1.a. Ingevolge de nieuwe Spoorwegwet worden bij algemene maatregel van bestuur de zogenaamde veiligheidsfuncties aangewezen en worden deze functies beschreven. Tevens wordt uitgewerkt aan welke eisen de veiligheidsfunctionarissen moeten voldoen. Een en ander is uitgewerkt in het Besluit spoorwegpersoneel. Een van de veiligheidsfuncties is die van de wagencontroleur.
Onderzoeken als bedoeld in artikel 2 worden echter niet alleen uitgevoerd door een wagencontroleur, doch in bepaalde gevallen ook door een machinist, die daarvoor een aanvullende opleiding heeft genoten, of een storingsmonteur.
In het kader van het veiligheidsattest, bedoeld in artikel 32 van de Spoorwegwet, dient de spoorwegonderneming onder meer aan te tonen dat hij kennis draagt van de wijze waarop de onderhavige controles uitgevoerd moeten worden en door wie.
Er bestaat derhalve geen behoefte om deze materie ook in de ministeriële regeling op basis van het zesde lid van artikel 2 op te nemen.
Aan het advies van de Raad op dit punt is derhalve bij en krachtens voornoemde algemene maatregel van bestuur uitvoering gegeven.
1.b. Het technisch onderzoek, bedoeld in artikel 2, is zowel in technisch opzicht als op het punt van tijdstippen waarop het onderzoek moet plaatsvinden, tamelijk gedetailleerd. Om die reden is ingevolge het zesde lid de uitwerking van dit artikel voorzien in een ministeriële regeling. In die regeling wordt aangegeven welk onderzoek op welk tijdstip aan welk soort trein of locomotief dient te worden uitgevoerd.
1.c. Het door de Raad geadviseerde voorschrift in artikel 2 is opgenomen in de ministeriële regeling op basis van het zesde lid van dat artikel.
2.a. De Raad attendeert terecht op een tekortkoming in de redactie van artikel 3. Een dienstregeling bevat alle ritten in een bepaalde periode, met vermelding van de routen, de treinnummers en dergelijke. Dit geldt eveneens voor het aspect ontheffingen of vrijstellingen. Om die reden kunnen in het eerste lid, onderdeel e, de woorden “voor die rit” en in onderdeel h de woorden “ten aanzien van de betrokken rit” geschrapt worden.
2.b. Aan het verzoek van de Raad is voldaan door toevoeging van een lid, waarin is bepaald dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is na wisseling van de bestuurder.
3. Aan het advies van de Raad is voor wat betreft de artikelen 14, 16 en 19 (thans 13, 15 en 18) gevolg gegeven door het schrappen van het vierde lid van deze artikelen.
In het door de Raad eveneens aangehaalde artikel 28 (thans 27) ligt de situatie anders omdat aldaar geen sprake is van het niet opvolgen van een aanwijzing op overtreding waarvan waarvan een sanctie is gesteld. In artikel 28 gaat het om het niet naleven van bepaalde voorschriften. Overtreding hiervan is niet van een strafsanctie voorzien. In verband met de mogelijkheid van bestuursdwang is in dit artikel het verbod om door te rijden opgenomen. Overtreding van dat verbod is wel van een strafsanctie voorzien.
4. Met de Raad kan worden ingestemd, dat het voorliggende ontwerpbesluit geen bepaling kent, dat de beheerder alleen aanwijzingen zou mogen geven die in een ministeriële regeling zijn vastgelegd. Een dergelijke bepaling is bewust niet opgenomen omdat de beheerder anders te zeer zou worden belemmerd in het kunnen verwezenlijken van zijn verantwoordelijkheid voor een veilig en ongestoord verkeer op de hoofdspoorwegen. Het doel van artikel 39 (thans 38) is in wezen om de betekenis van de oude aanwijzingen, die slechts met een korte aanduiding werden gegeven, weer te geven. Als voorbeeld zij genoemd de aanwijzing STS (stop tonend sein), SB (snelheid begrenzen). Het is aan de beheerder om te beslissen of hij van deze oude aanwijzingen gebruik wil of kan maken.
5. De door de Raad gemaakte redactionele kanttekeningen zijn alle verwerkt.
6. Voorts is het wenselijk gebleken het ontwerpbesluit op enkele onderdelen aan te passen. Zo is het verbod om met aslasten te rijden die afwijken van het bij ministeriële regeling vast te stellen kaartje (artikel 9 van het oorspronkelijke ontwerpbesluit) komen te vervallen. In plaats daarvan kan worden volstaan met het verbod op het beschadigen van de infrastructuur (artikel 36 van de wet), waarbij de beheerder het aslastenkaartje publiceert in de netverklaring.
Voorts is de bepaling met betrekking tot de door de beheerder te verstrekken bewijzen van toegang (artikel 40 van het oorspronkelijke ontwerpbesluit) komen te vervallen.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
(1) Nota van toelichting, toelichting op artikel 2.
(2) Nota van toelichting, toelichting op artikelen 3 en 4 respectievelijk artikel 6.