Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de International Service for National Agricultural Research (ISNAR) inzake de positie van de ISNAR-stagiairs in Nederland; 's-Gravenhage, 16 oktober 2002 (Trb.2002, 194), met toelichtende nota.
- Kenmerk
- W02.02.0488/II
- Datum advies
- 13 januari 2003
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 14-12-2004, nr 241
- Buitenlandse zaken
- Verdrag
Toon inhoud
Volledige tekst
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de International Service for National Agricultural Research (ISNAR) inzake de positie van de ISNAR-stagiairs in Nederland; 's-Gravenhage, 16 oktober 2002 (Trb.2002, 194), met toelichtende nota.
Bij Kabinetsmissive van 26 november 2002, no.02.005090, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de International Service for National Agricultural Research (ISNAR) inzake de positie van de ISNAR-stagiairs in Nederland; 's-Gravenhage, 16 oktober 2002 (Trb.2002, 194), met toelichtende nota.
Het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de International Service for National Agricultural Research (hierna: Verdrag) inzake de positie van de ISNAR-stagiairs in Nederland strekt ertoe om het mogelijk te maken dat de International Service for National Agricultural Research uit het buitenland afkomstige stagiairs, die niet onder de werking van het EG-Verdrag vallen, kan inzetten zonder dat daarbij de reguliere Nederlandse vreemdelingen- en tewerkstellingsregelgeving moet worden inachtgenomen. Daartoe wordt de bestaande overeenkomst tussen het Koninkrijk en de ISNAR aangevuld.
De Raad van State onderschrijft het voorstel tot goedkeuring van het Verdrag, maar maakt daarbij een kanttekening over de relatie tussen het Verdrag en de Vreemdelingenwet 2000.
De toelichtende nota bij het Verdrag gaat niet in op de verblijfstitel van de ISNAR-stagiairs. De Raad meent dat een beschouwing over de verblijfstitel alsmede over de verhouding tussen het Verdrag en de Vreemdelingenwet 2000 - in het bijzonder de verhouding tot de voorwaarden voor een machtiging tot voorlopig verblijf - niet mag ontbreken in de toelichtende nota.
De Raad adviseert de toelichtende nota op dit punt aan te vullen.
De Raad van State geeft U in overweging goed te vinden dat bedoeld Verdrag wordt overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 11 november 2004
In zijn advies maakt de Raad een opmerking met betrekking tot de tekst van de toelichtende nota bij het verdrag. Het heeft echter geen zin meer daar op in te gaan, op grond van de volgende omstandigheid, die er tevens de reden van vormt dat eerst nu dit nader rapport wordt uitgebracht.
Door de Raad van de Consultative Group on International Agricultural Research (CGIAR) werd eind 2003 besloten dat de International Service for National Agricultural Research (ISNAR) per 31 maart 2004 zou worden opgeheven. De taken van ISNAR zijn na de opheffing gedeeltelijk overgenomen door andere, onder CGIAR ressorterende, organisaties op het gebied van landbouwkundig onderzoek buiten Nederland. Met de opheffing van ISNAR als organisatie in Nederland is derhalve de grond vervallen voor het op 2 juni 1980 te ’s-Gravenhage totstandgekomen verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en ISNAR betreffende de zetel van ISNAR (Trb. 1980, 110) alsmede het onderhavige verdrag, dat hieraan een nadere uitwerking geeft.
In deze omstandigheden heeft het aan de Staten-Generaal ter goedkeuring overleggen van het verdrag geen zin meer.
Daartoe gemachtigd door de ministerraad moge ik U verzoeken goed te vinden dat het advies van de Raad van State buiten verdere behandeling wordt gelaten en dat het onderhavige nader rapport tezamen met het advies van de Raad van State en de toelichtende nota bij het verdrag zoals deze aan de Raad van State is voorgelegd, openbaar wordt gemaakt.
De Minister van Buitenlandse Zaken
Het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de International Service for National Agricultural Research (hierna: Verdrag) inzake de positie van de ISNAR-stagiairs in Nederland strekt ertoe om het mogelijk te maken dat de International Service for National Agricultural Research uit het buitenland afkomstige stagiairs, die niet onder de werking van het EG-Verdrag vallen, kan inzetten zonder dat daarbij de reguliere Nederlandse vreemdelingen- en tewerkstellingsregelgeving moet worden inachtgenomen. Daartoe wordt de bestaande overeenkomst tussen het Koninkrijk en de ISNAR aangevuld.
De Raad van State onderschrijft het voorstel tot goedkeuring van het Verdrag, maar maakt daarbij een kanttekening over de relatie tussen het Verdrag en de Vreemdelingenwet 2000.
De toelichtende nota bij het Verdrag gaat niet in op de verblijfstitel van de ISNAR-stagiairs. De Raad meent dat een beschouwing over de verblijfstitel alsmede over de verhouding tussen het Verdrag en de Vreemdelingenwet 2000 - in het bijzonder de verhouding tot de voorwaarden voor een machtiging tot voorlopig verblijf - niet mag ontbreken in de toelichtende nota.
De Raad adviseert de toelichtende nota op dit punt aan te vullen.
De Raad van State geeft U in overweging goed te vinden dat bedoeld Verdrag wordt overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 11 november 2004
In zijn advies maakt de Raad een opmerking met betrekking tot de tekst van de toelichtende nota bij het verdrag. Het heeft echter geen zin meer daar op in te gaan, op grond van de volgende omstandigheid, die er tevens de reden van vormt dat eerst nu dit nader rapport wordt uitgebracht.
Door de Raad van de Consultative Group on International Agricultural Research (CGIAR) werd eind 2003 besloten dat de International Service for National Agricultural Research (ISNAR) per 31 maart 2004 zou worden opgeheven. De taken van ISNAR zijn na de opheffing gedeeltelijk overgenomen door andere, onder CGIAR ressorterende, organisaties op het gebied van landbouwkundig onderzoek buiten Nederland. Met de opheffing van ISNAR als organisatie in Nederland is derhalve de grond vervallen voor het op 2 juni 1980 te ’s-Gravenhage totstandgekomen verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en ISNAR betreffende de zetel van ISNAR (Trb. 1980, 110) alsmede het onderhavige verdrag, dat hieraan een nadere uitwerking geeft.
In deze omstandigheden heeft het aan de Staten-Generaal ter goedkeuring overleggen van het verdrag geen zin meer.
Daartoe gemachtigd door de ministerraad moge ik U verzoeken goed te vinden dat het advies van de Raad van State buiten verdere behandeling wordt gelaten en dat het onderhavige nader rapport tezamen met het advies van de Raad van State en de toelichtende nota bij het verdrag zoals deze aan de Raad van State is voorgelegd, openbaar wordt gemaakt.
De Minister van Buitenlandse Zaken