Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering houdende enkele wijzigingen in de regeling van de voorlopige hechtenis.
- Kenmerk
- W03.03.0226/I
- Datum advies
- 12 september 2003
- Vindplaats
- Kamerstukken II 2003/04, 29 253, nr 5
- Justitie en Veiligheid
- Wet
Toon inhoud
Volledige tekst
Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering houdende enkele wijzigingen in de regeling van de voorlopige hechtenis.
Bij Kabinetsmissive van 27 juni 2003, no.03.002732, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering houdende enkele wijzigingen in de regeling van de voorlopige hechtenis.
Het wetsvoorstel maakt deel uit van vier wetsvoorstellen die alle strekken tot het verbeteren van de efficiency in het strafproces.(zie noot 1) Een belangrijk onderdeel van het wetsvoorstel vormt de invoering van de mogelijkheid om het bevel tot gevangenhouding voor 90 dagen te verlenen.
De Raad van State maakt twee opmerkingen met betrekking tot dat onderdeel. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het wetsvoorstel wenselijk is.
1. Onderdeel C van Artikel I (wijziging van artikel 66 van het Wetboek van Strafvordering, (WvSv)) strekt ertoe de rechter de bevoegdheid te geven gevangenneming of gevangenhouding te bevelen voor de duur van ten hoogste 90 dagen. Deze regeling treedt in plaats van de huidige, tweemaal telkens met ten hoogste 30 dagen te verlengen termijn van 30 dagen. De mogelijkheid blijft bestaan dat de duur van de voorlopige hechtenis op een kleiner aantal dagen wordt gesteld; verlengingen mogen alsdan het totaal van 90 dagen niet overschrijden. De verdachte behoudt de mogelijkheid de rechtbank om opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis te vragen.
De Raad merkt op dat een voorstel van deze strekking reeds was vervat in het meerderheidsstandpunt van de Commissie Herijking Wetboek van Strafvordering (de commissie-Moons) in haar in juni 1993 uitgebrachte rapport “Recht in vorm”.(zie noot 2)
Aanleiding tot dit voorstel was het grote aantal voorgeleidingen waartoe de voorgeschreven maandelijkse toetsing leidt, met een navenant risico van termijnoverschrijdingen en vormverzuimen, het veelvuldig op transport stellen van gedetineerden en het circuleren van dossiers.
Het advies van de commissie-Moons is in het in 1995 ingediende wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de verlengings-procedure van voorlopige hechtenis niet gevolgd, onder meer omdat de legitimerende functie van de periodieke rechterlijke toetsing van het voortduren van de voorlopige hechtenis werd beschouwd als wezenlijke waarborg bij de toepassing van een zo ingrijpend dwangmiddel.(zie noot 3)
De Raad onderkent dat - zoals de commissie-Moons reeds had opgemerkt - de grondslag voor voorlopige hechtenis “veelal statisch van aard” is, in het bijzonder wanneer de grond ervoor gelegen is in de ernst van het feit of in het niet hebben van een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. “Ieder die met de raadkamerprocedure gevangenhouding vertrouwd is weet dat een aanzienlijk deel van de vorderingen tot verlenging van de gevangenhouding als hamerstuk behandeld wordt”, aldus de ook door tegenstanders van het voorstel destijds onderschreven observatie van de commissie-Moons.(zie noot 4)
De Raad gaat ervan uit dat - niettegenstaande deze realiteit in de huidige rechtspraktijk - de redenen voor het geven van een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding voor een periode van meer dan dertig dagen uitdrukkelijk betrokken zullen moeten worden in de vordering die de officier van justitie daartoe op grond van de artikelen 65, 66 of 66a WvSv. tot de rechtbank richt. De vrijheid van de verdachte behoort immers niet meer en niet langer te worden beperkt dan in het desbetreffende geval nodig is. Een zodanige motivering stelt de rechtbank in staat tot een beoordeling van een mogelijk langere duur te komen en een automatische toepassing van de 90-dagentermijn te voorkomen. De Raad adviseert in de memorie van toelichting uitdrukkelijk te vermelden dat de officier van justitie de vordering ook in dit opzicht zal dienen te motiveren.
2. De mogelijkheid om de gevangenhouding voor 90 dagen te bevelen geldt ook voor verdachten die vallen onder het jeugdstrafrecht. Gelet op het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht, waarin meer dan in het commune strafrecht belang wordt gehecht aan contact tussen rechter en verdachte, en gelet op de veel kortere vrijheidsbenemende sancties die de kinderrechter kan opleggen, geeft de Raad in overweging om de mogelijkheid tot het opleggen van een bevel voor gevangenhouding voor 90 dagen uit te sluiten voor verdachten die vallen onder het jeugdstrafrecht en artikel 493 WvSv in die zin aan te vullen.
3. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 12 september 2003, no.W03.03.0226/I, met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
— In de toelichting, inleiding, tweede alinea, de zinsnede “zij heeft separaat nog geen advies uitgebracht” schrappen.
Nader rapport (reactie op het advies) van 8 oktober 2003
Het voorstel geeft de Raad van State aanleiding tot het maken van twee opmerkingen.
1. Aan het advies van de Raad is voldaan.
2. Het advies van de Raad heeft ertoe geleid dat in de memorie van toelichting is aangegeven dat de omstandigheid dat in het jeugdstrafrecht meer belang wordt gehecht aan contact tussen rechter en verdachte dan in het “volwassenenstrafrecht” in het algemeen gesproken tot terughoudendheid maant bij het geven van een bevel tot voorlopige hechtenis voor de duur van negentig dagen ten aanzien van minderjarigen. Het kan in de opvatting van het kabinet evenwel aan de raadkamer worden overgelaten om te beoordelen of deze algemene karakteristiek in het concrete geval tot een bevel gevangenhouding voor dertig dagen met mogelijkheid van verlenging behoort te leiden. Daarbij is een aantal factoren aangegeven die bij de afweging in een concrete strafzaak kunnen meespelen, zoals de mogelijkheid dat het volwassenenstrafrecht wordt toegepast in verband met de ernst van het begane feit en/of de persoonlijkheid van de dader. Het wettelijk geheel uitsluiten van de mogelijkheid van een bevel tot voorlopige hechtenis voor negentig dagen bij minderjarigen ligt naar de mening van het kabinet niet in de rede.
Tenslotte is gevolg gegeven aan de redactionele opmerking van de Raad.
Ik moge U verzoeken het hierbij gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Justitie
(1) De drie andere wetsvoorstellen betreffen de wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met inbeslagneming en doorzoeking door de rechter-commissaris (no.W03.03.0227/I); de wijziging van het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht in verband met het horen van getuigen en enkele aanverwante onderwerpen (no.W03.03.0228/I) en de wijziging van het Wetboek van Strafvordering strekkende tot aanpassing van de eisen te stellen aan de motivering van de bewezenverklaring bij een bekennende verdachte (no.W03.03.0229/I).
(2) Paragraaf 5.3.1.
(3) Kamerstukken II 1994/95, 24 219, nr.3, blz.3-4.
(4) Bladzijde 56.
Het wetsvoorstel maakt deel uit van vier wetsvoorstellen die alle strekken tot het verbeteren van de efficiency in het strafproces.(zie noot 1) Een belangrijk onderdeel van het wetsvoorstel vormt de invoering van de mogelijkheid om het bevel tot gevangenhouding voor 90 dagen te verlenen.
De Raad van State maakt twee opmerkingen met betrekking tot dat onderdeel. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het wetsvoorstel wenselijk is.
1. Onderdeel C van Artikel I (wijziging van artikel 66 van het Wetboek van Strafvordering, (WvSv)) strekt ertoe de rechter de bevoegdheid te geven gevangenneming of gevangenhouding te bevelen voor de duur van ten hoogste 90 dagen. Deze regeling treedt in plaats van de huidige, tweemaal telkens met ten hoogste 30 dagen te verlengen termijn van 30 dagen. De mogelijkheid blijft bestaan dat de duur van de voorlopige hechtenis op een kleiner aantal dagen wordt gesteld; verlengingen mogen alsdan het totaal van 90 dagen niet overschrijden. De verdachte behoudt de mogelijkheid de rechtbank om opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis te vragen.
De Raad merkt op dat een voorstel van deze strekking reeds was vervat in het meerderheidsstandpunt van de Commissie Herijking Wetboek van Strafvordering (de commissie-Moons) in haar in juni 1993 uitgebrachte rapport “Recht in vorm”.(zie noot 2)
Aanleiding tot dit voorstel was het grote aantal voorgeleidingen waartoe de voorgeschreven maandelijkse toetsing leidt, met een navenant risico van termijnoverschrijdingen en vormverzuimen, het veelvuldig op transport stellen van gedetineerden en het circuleren van dossiers.
Het advies van de commissie-Moons is in het in 1995 ingediende wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de verlengings-procedure van voorlopige hechtenis niet gevolgd, onder meer omdat de legitimerende functie van de periodieke rechterlijke toetsing van het voortduren van de voorlopige hechtenis werd beschouwd als wezenlijke waarborg bij de toepassing van een zo ingrijpend dwangmiddel.(zie noot 3)
De Raad onderkent dat - zoals de commissie-Moons reeds had opgemerkt - de grondslag voor voorlopige hechtenis “veelal statisch van aard” is, in het bijzonder wanneer de grond ervoor gelegen is in de ernst van het feit of in het niet hebben van een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. “Ieder die met de raadkamerprocedure gevangenhouding vertrouwd is weet dat een aanzienlijk deel van de vorderingen tot verlenging van de gevangenhouding als hamerstuk behandeld wordt”, aldus de ook door tegenstanders van het voorstel destijds onderschreven observatie van de commissie-Moons.(zie noot 4)
De Raad gaat ervan uit dat - niettegenstaande deze realiteit in de huidige rechtspraktijk - de redenen voor het geven van een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding voor een periode van meer dan dertig dagen uitdrukkelijk betrokken zullen moeten worden in de vordering die de officier van justitie daartoe op grond van de artikelen 65, 66 of 66a WvSv. tot de rechtbank richt. De vrijheid van de verdachte behoort immers niet meer en niet langer te worden beperkt dan in het desbetreffende geval nodig is. Een zodanige motivering stelt de rechtbank in staat tot een beoordeling van een mogelijk langere duur te komen en een automatische toepassing van de 90-dagentermijn te voorkomen. De Raad adviseert in de memorie van toelichting uitdrukkelijk te vermelden dat de officier van justitie de vordering ook in dit opzicht zal dienen te motiveren.
2. De mogelijkheid om de gevangenhouding voor 90 dagen te bevelen geldt ook voor verdachten die vallen onder het jeugdstrafrecht. Gelet op het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht, waarin meer dan in het commune strafrecht belang wordt gehecht aan contact tussen rechter en verdachte, en gelet op de veel kortere vrijheidsbenemende sancties die de kinderrechter kan opleggen, geeft de Raad in overweging om de mogelijkheid tot het opleggen van een bevel voor gevangenhouding voor 90 dagen uit te sluiten voor verdachten die vallen onder het jeugdstrafrecht en artikel 493 WvSv in die zin aan te vullen.
3. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 12 september 2003, no.W03.03.0226/I, met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
— In de toelichting, inleiding, tweede alinea, de zinsnede “zij heeft separaat nog geen advies uitgebracht” schrappen.
Nader rapport (reactie op het advies) van 8 oktober 2003
Het voorstel geeft de Raad van State aanleiding tot het maken van twee opmerkingen.
1. Aan het advies van de Raad is voldaan.
2. Het advies van de Raad heeft ertoe geleid dat in de memorie van toelichting is aangegeven dat de omstandigheid dat in het jeugdstrafrecht meer belang wordt gehecht aan contact tussen rechter en verdachte dan in het “volwassenenstrafrecht” in het algemeen gesproken tot terughoudendheid maant bij het geven van een bevel tot voorlopige hechtenis voor de duur van negentig dagen ten aanzien van minderjarigen. Het kan in de opvatting van het kabinet evenwel aan de raadkamer worden overgelaten om te beoordelen of deze algemene karakteristiek in het concrete geval tot een bevel gevangenhouding voor dertig dagen met mogelijkheid van verlenging behoort te leiden. Daarbij is een aantal factoren aangegeven die bij de afweging in een concrete strafzaak kunnen meespelen, zoals de mogelijkheid dat het volwassenenstrafrecht wordt toegepast in verband met de ernst van het begane feit en/of de persoonlijkheid van de dader. Het wettelijk geheel uitsluiten van de mogelijkheid van een bevel tot voorlopige hechtenis voor negentig dagen bij minderjarigen ligt naar de mening van het kabinet niet in de rede.
Tenslotte is gevolg gegeven aan de redactionele opmerking van de Raad.
Ik moge U verzoeken het hierbij gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Justitie
(1) De drie andere wetsvoorstellen betreffen de wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met inbeslagneming en doorzoeking door de rechter-commissaris (no.W03.03.0227/I); de wijziging van het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht in verband met het horen van getuigen en enkele aanverwante onderwerpen (no.W03.03.0228/I) en de wijziging van het Wetboek van Strafvordering strekkende tot aanpassing van de eisen te stellen aan de motivering van de bewezenverklaring bij een bekennende verdachte (no.W03.03.0229/I).
(2) Paragraaf 5.3.1.
(3) Kamerstukken II 1994/95, 24 219, nr.3, blz.3-4.
(4) Bladzijde 56.