Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W03.03.0116/I

Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende nadere aanpassing van besluiten aan de modernisering van de rechterlijke organisatie (Veegbesluit modernisering rechterlijke organisatie).

Kenmerk
W03.03.0116/I
Datum advies
21 juli 2003
Vindplaats
Bijvoegsel Staatscourant 9 december 2003, nr 238
  • Justitie en Veiligheid
  • Algemene maatregel van bestuur

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende nadere aanpassing van besluiten aan de modernisering van de rechterlijke organisatie (Veegbesluit modernisering rechterlijke organisatie).

Bij Kabinetsmissive van 3 april 2003, no.03.001466, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende nadere aanpassing van besluiten aan de modernisering van de rechterlijke organisatie (Veegbesluit modernisering rechterlijke organisatie).

Het ontwerpbesluit vormt samen met de Veegwet modernisering rechterlijke organisatie(zie noot 1) een sluitstuk van de aanpassing van regelgeving in verband met de modernisering van de rechterlijke organisatie. Het ontwerpbesluit beoogt aanvullingen en verbeteringen aan te brengen in de besluiten die ten gevolge van de Wet organisatie en bestuur gerechten en de Wet Raad voor de rechtspraak tot stand zijn gekomen of zijn gewijzigd. Daarnaast bevat het ontwerpbesluit wijzigingen die te maken hebben met de opheffing van de Stichting studiecentrum rechtspleging (SSR) en de vervanging van deze stichting door het studiecentrum rechtspleging.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt opmerkingen met betrekking tot de voorgestelde regeling van het opleidingsinstituut voor de rechterlijke organisatie, de vereisten om tot de rechterlijke macht toe te treden en de bepaling inzake de terugwerkende kracht die aan de werking van sommige artikelen wordt verleend. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.

1. De aanpassing van het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren
De uitvoering van de opleiding van rechterlijke ambtenaren was toevertrouwd aan de SSR. Per 1 januari 2002 is het studiecentrum rechtspleging daarmee belast. Per die datum heeft deze landelijke dienst ook de status van tijdelijk agentschap gekregen. De verantwoordelijkheid voor het functioneren van het tijdelijk agentschap studiecentrum rechtspleging is neergelegd bij de Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal tezamen. De voorgestelde wijzigingen in het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren (BORA) strekken ertoe dit besluit aan te passen aan de thans bestaande situatie. Zij geven de Raad aanleiding tot het maken van de navolgende opmerkingen.
a. In de nota van toelichting is aangegeven dat het ontwerpbesluit ertoe strekt het BORA aan te passen aan de inmiddels ontstane situatie, waar het de organisatie van de opleiding van rechterlijke ambtenaren betreft. De Raad mist een verklaring waarom eind 2001 is besloten die organisatie te veranderen en daarbij van een privaatrechtelijke rechtsvorm over te stappen
op een publiekrechtelijke. Ook wordt in de nota van toelichting niet aangegeven waarom nog geen definitieve regeling getroffen kan worden. De nota van toelichting behoeft aanvulling ten aanzien van genoemde onderwerpen en dient tevens in te gaan op de gronden van de voorgestelde veranderingen.
b. Om in aanmerking te komen voor de status van agentschap dient een dienst aan een aantal voorwaarden te voldoen. De Raad verwijst hierbij naar de Handleiding agentschappen van de Minister van Financiën(zie noot 2), die een agentschap omschrijft als een binnen de overheid verzelfstandigde dienst die, in tegenstelling tot extern verzelfstandigde eenheden, volledig onder ministeriële verantwoordelijkheid valt. Volgens de handleiding is het doel van agentschappen om met behulp van afwijkende beheersregels en integraal management een meer bedrijfsmatig beheer mogelijk te maken; agentschappen voeren daartoe een stelsel van baten en lasten. Aangezien het niet mogelijk bleek vóór 1 januari 2002 aan de voorwaarden te voldoen, is een oplossing gevonden in de binnen de rijksdienst geïntroduceerde tijdelijke agentschapstatus. Aanvankelijk was daarbij voorzien dat de status van agentschap per 1 januari 2004 zou kunnen worden bereikt. Uit een brief van de Minister van Justitie van 1 april 2003(zie noot 3) blijkt thans dat besloten is de tijdelijke agentschapstatus te verlengen tot 1 januari 2005. De Raad acht het gewenst dat in de nota van toelichting op de moeilijkheden die kennelijk worden ondervonden wordt ingegaan. Daarvoor is temeer reden nu de minister in zijn brief heeft laten weten dat “de opzet en de inrichting van de financiële functie moeilijker verlopen dan verwacht.”
c. In het voorgestelde artikel 10 is neergelegd dat de Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal gezamenlijk algemene en bijzondere aanwijzingen kunnen geven aan het studiecentrum rechtspleging. In de daaropvolgende artikelen is sprake van verdere bevoegdheden van die raad en dat college, terwijl uit artikel 13 blijkt dat het studiecentrum rechtspleging de opleiding bekostigt uit daarvoor door beide instanties beschikbaar gestelde gelden. De Raad is niet duidelijk hoe een en ander zich verhoudt tot de ministeriële verantwoordelijkheid, die, zoals de Handleiding agentschappen terecht opmerkt, ook volledig geldt voor agentschappen. De Raad adviseert nader uiteen te zetten hoe de minister voornemens is die verantwoordelijkheid waar te maken.
d. In dit verband merkt de Raad voorts op dat ongeregeld is gebleven hoe door het opleidingsinstituut verantwoording wordt afgelegd voor de uitgaven en aan wie dit dient te gebeuren. In het BORA was een daartoe strekkende bepaling opgenomen in artikel 14. Deze vervalt thans en in een vervangende regeling is niet voorzien. De Raad adviseert ook op dit punt duidelijkheid te verschaffen voordat tot invoering van de nieuwe bepalingen wordt overgegaan en het besluit zo nodig op dit punt aan te vullen.
e. Het vorenstaande roept ten slotte de vraag op waarom de aanpassing van het BORA in dit veegbesluit is opgenomen. De Raad adviseert hier in de nota van toelichting op in te gaan.

2. Vereisten om tot de rechterlijke macht toe te treden
Artikel X, onderdeel F, van het ontwerp introduceert een bepaling die inhoudt dat de eisen, bedoeld in artikel 38b, eerste en tweede lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren niet van toepassing zijn op degene die ten minste zes jaar voor de beoogde datum van benoeming het afsluitend examen heeft afgelegd. Volgens de nota van toelichting heeft deze bepaling betrekking op personen die de studie rechtsgeleerdheid hebben afgerond maar niet zijn geëxamineerd in twee van de daarboven genoemde rechtsgebieden. Hieraan wordt toegevoegd dat de praktijk behoefte heeft aan de mogelijkheid deze personen te benoemen. De Raad is van oordeel dat deze bepaling te ruim is. Zij maakt het immers mogelijk iedereen die meer dan zes jaar vóór de beoogde datum van benoeming de studie in de rechtsgeleerdheid heeft afgerond tot rechter te benoemen, ongeacht diens tussentijds verworven kennis en ervaring. Ook in de nota van toelichting is niet te lezen op wie de voorgestelde voorziening betrekking heeft.
De Raad adviseert deze bepaling meer toegespitst op de in de praktijk gevoelde behoefte te redigeren.

3. Terugwerkende kracht
In artikel XIX is bepaald dat aan de artikelen van het besluit terugwerkende kracht kan worden verleend tot en met een daarbij te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. De Raad acht dit te onbepaald en adviseert aan te geven welke bepalingen terugwerken en tot welk tijdstip.

4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.

De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De waarnemend Vice-President van de Raad van State



Bijlage bij het advies van de Raad van State van 21 juli 2003, no.W03.03.0116/I, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.

– Als grondslag voor artikel I in de aanhef van het ontwerpbesluit toevoegen: artikel 73, derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
– In artikel V, onderdeel B, de wijziging van artikel 4, onder i, vervangen door: 2. In onderdeel i (nieuw) wordt onder vervanging van de puntkomma door een komma na "Doetinchem" ingevoegd: Harderwijk;.
– Artikel VIII, onderdeel B (het voorgestelde artikel 8a van het Besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996), schrappen en in plaats daarvan in de nota van toelichting vermelden dat het Besluit berust op artikel 39 van de Comptabiliteitswet 2001 en op de artikelen 35a, tweede lid, en 104a, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
– In artikel XV na "artikel 72" toevoegen: , derde lid,.
– In artikel XVIII na "artikel 5" toevoegen: , eerste lid,.



Nader rapport van 29 oktober 2003

Op de opmerkingen van de Raad van State wordt in het navolgende nader ingegaan.

1. De aanpassing van het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren.

a. en b.
De wetgeving modernisering rechterlijke organisatie regelt onder meer dat per 1 januari 2002 het beheer van de rechtsprekende macht is overgeheveld van de Minister van Justitie naar de gerechten met op landelijk niveau een taak voor de Raad voor de rechtspraak (hierna: Raad). De overheveling van het beheer naar de rechterlijke organisatie bracht met zich mee dat het gemeenschappelijke beheer ontvlochten diende te worden. In dat kader diende een beslissing genomen te worden ten aanzien van de beheersdiensten die onder de Minister van Justitie ressorteerden en zowel voor de gerechten als het openbaar ministerie beheerstaken uitvoeren. Gekozen is een aantal van deze diensten, waaronder het opleidingsinstituut voor de rechterlijke macht, te handhaven, maar het beheer van deze diensten aan te passen aan de nieuwe taak- en bevoegdheidsverdeling uit de wetgeving modernisering rechterlijke organisatie. Daarbij is ervoor gekozen de Raad en College van procureurs-generaal (hierna: College) primair verantwoordelijk te maken voor de aansturing en het instandhouden (de bekostiging) van de landelijke beheersdiensten. Omdat de diensten formeel dienstonderdelen van het Ministerie van Justitie zijn, heeft de Minister van Justitie een convenant gesloten met Raad en College, waarin hierover afspraken zijn gemaakt. In het convenant zijn ook afspraken gemaakt over het opleidingsinstituut. Voor het opleidingsinstituut voor de rechterlijke macht lag de situatie overigens gecompliceerder dan voor de andere diensten die in het convenant worden genoemd, omdat het beheer van het opleidingsinstituut een duale structuur kende. Het opleidingsprogramma (een deel van het budget) was ondergebracht in een stichting en het overige beheer en het personeel was ondergebracht bij het bureau SSR, een dienst binnen de organisatie van het Ministerie van Justitie. De keuze lag voor de dienst bureau SSR onder te brengen bij de stichting, dan wel het opleidingsprogramma onder te brengen bij de dienst. Gezien de ambtelijke status van het personeel werd de eerstgenoemde keuze niet wenselijk geacht en is gekozen voor overheveling van het opleidingsprogramma en het deel van het budget dat daartoe in de stichting was ondergebracht, naar de dienst bureau SSR. Ter uitvoering van deze keuze wordt thans in het onderhavige besluit de stichting uit het BORA geschrapt. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State zal in de nota van toelichting een passage van voornoemde strekking worden opgenomen.

Daarnaast is ervoor gekozen voor de dienst bureau SSR een afwijkend beheer (baten-lasten) mogelijk te maken en is de (tijdelijke) agentschapstatus aangevraagd. Daartoe is de procedure krachtens de Comptabiliteitswet gevolgd. In het kader van die procedure heb ik op 1 januari 2003 bij brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer kenbaar gemaakt dat de periode die was ingecalculeerd om te komen tot een agentschap te kort bleek (Kamerstukken II 2002-2003, 26 352, nr. 65). Op de redenen hiervoor wordt in de voornoemde brief nader ingegaan. Het Ministerie van Financiën heeft toestemming verleend voor de verlening van de tijdelijke agentschapstatus tot 1 januari 2005. Anders dan de Raad van State ben ik niet van oordeel dat het gewenst is een aanvulling in de nota van toelichting op te nemen ten aanzien van de moeilijkheden die worden ondervonden om van een tijdelijk- naar een permanente agentschapstatus over te gaan. In de nota van toelichting worden de bepalingen uit het besluit toegelicht en de (tijdelijke) agentschapstatus wordt niet in het onderhavige besluit geregeld, maar krachtens de Comptabiliteitswet 2001.

c. en d.
De ministeriële verantwoordelijkheid zoals deze voor (tijdelijke) agentschappen is weergegeven in de Handleiding agentschappen van het Ministerie van Financiën (deze handleiding is opgenomen in het Handboek Financiële Informatie en Administratie Rijksoverheid), ziet op de situatie dat voor een dienstonderdeel van een ministerie een afwijkend beheer (agentschapstatus) wordt gerealiseerd. Een dergelijke situatie heeft zich ten aanzien van het studiecentrum rechtspleging maar deels voorgedaan. Zoals hiervoor aangegeven was er sprake van een “duale” structuur. Het opleidingsprogramma was ondergebracht bij een stichting die, gelet op de rechtsvorm, niet als een dienstonderdeel van het ministerie kan worden aangemerkt, het beheer en het personeel was ondergebracht bij een dienst (Bureau van de SSR), die onder het ministerie ressorteerde. De duale structuur is opgeheven en het opleidingsprogramma is ondergebracht bij de dienst SSR, waarvoor een (tijdelijke) agentschapstatus is aangevraagd. De dienst studiecentrum rechtspleging is formeel een dienstonderdeel van het ministerie. Feitelijk is de situatie dat het studiecentrum een dienst is die door de Raad en College worden bekostigd en aangestuurd en daarmee primair onder de verantwoordelijkheid van de Raad en College valt. Daarover zijn in het convenant afspraken gemaakt en deze situatie wordt in het onderhavige besluit geformaliseerd. Het feit dat het studiecentrum daarmee (ook) onder de Raad voor de rechtspraak ressorteert, een orgaan van de rechtsprekende macht, dat geen onderdeel uitmaakt van de departementale organisatie, betekent dat hier evenwel niet gesproken kan worden van een dienstonderdeel van het ministerie in de strikte betekenis zoals die in de Comptabiliteitswet 2001 wordt gehanteerd. In die context moet de ministeriële verantwoordelijkheid ook worden gezien. De ministeriële verantwoordelijkheid voor (het beheer van) de dienst studiecentrum rechtspleging is aanwezig voor zover aan de minister of aan het College, dat rechtstreeks onder hem ressorteert, taken of bevoegdheden zijn opgedragen. De verantwoording over de uitgaven verloopt getrapt via Raad en College. In de nota van toelichting wordt een passage opgenomen met betrekking tot de ministeriële verantwoordelijkheid en de wijze waarop verantwoording wordt afgelegd van de uitgaven.

e.
Het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren wordt gewijzigd in verband met de opheffing van de Stichting studiecentrum rechtspleging. Deze wijziging is in dit besluit opgenomen gezien het feit dat de rechterlijke organisatie per 1 januari 2002, met de komst van de Raad voor de rechtspraak en de invoering van intergraal management bij de gerechten een nieuwe fase is ingegaan. Deze moderniseringsoperatie had en heeft ook gevolgen voor de aansturing en organisatorische inbedding van de Stichting Studiecentrum Rechtspleging (SSR) te Zutphen. Het advies van de Raad van State om de nota van toelichting op dit punt aan te vullen is overgenomen.

2. Vereisten om tot rechterlijke macht toe te treden.
Het advies van de Raad van State de bepaling ten aanzien van de eisen, bedoeld in artikel 38b, eerste en tweede lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren meer toegespitst te laten zijn op de in de praktijk gevoelde behoefte, is overgenomen. Dit heeft geleid tot aanpassing van de bedoelde bepaling en de bijbehorende toelichting.

3. Terugwerkende kracht
Artikel XIX (thans artikel XX) is overeenkomstig het advies van de Raad van State aangepast.

4. Redactionele kanttekeningen
De redactionele kanttekeningen zijn, met uitzondering van de kanttekening ten aanzien van artikel VIII, onderdeel B, overgenomen. Van het overnemen van de hiervoor genoemde kanttekening is afgezien, aangezien de voorkeur wordt gegeven aan de systematiek, zoals deze is opgenomen in aanwijzing 227 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

5. Aanvullingen van het besluit
Naast de opmerkingen van de Raad van State is van de gelegenheid gebruik gemaakt het ontwerpbesluit op enkele punten aan te vullen.
a. In het Besluit beëindiging en vergoeding buitengriffiers en waarnemend griffiers is in artikel 3, het nieuwe tweede lid aangevuld.
b. In verband met de wijziging van de gemeentenaam van de gemeenten Olst, Denekamp, Vriezeveen, Bemmel en Steenwijk is het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen gewijzigd.
c. In het besluit opleidingen rechterlijke ambtenaren is een nieuw artikel 1a ingevoegd.
d. In de wijziging ten aanzien van het Besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen zijn in de wijziging van artikel 1, in het eerste lid, de woorden “bedoeld in” toegevoegd.
e. In het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren is een nieuw artikel 1a ingevoegd.
f. In het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren is in artikel 38n, onderdeel d, opnieuw vastgesteld.
g. In artikel XIX is een nieuwe bepaling opgenomen ten aanzien van een gemeenschappelijke facilitaire dienst van een gerecht in samenwerking met een of meer onderdelen van het openbaar ministerie.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Minister van Justitie



(1) Kamerstukken II 2002/03, 28 958.
(2) Handleiding agentschappen (Minister van Financiën, 28 februari 1996, kenmerk: DAR 96/77m; opgenomen in het Handboek Financiële Informatie en Administratie Rijksoverheid - HAFIR). De wettelijke grondslag voor de begroting en de verantwoording van agentschappen is vastgelegd in de artikelen 10 en 11 van de Comptabiliteitswet 2001.
(3) Brief van de Minister van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 1 april 2003, Kamerstukken II 2002/03, 26 352, nr.65.

  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon