Voorstel van wet met memorie van toelichting tot vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Algemene Zaken (III) voor het jaar 2004.
- Kenmerk
- W01.03.0248/I
- Datum advies
- 9 oktober 2003
- Vindplaats
- Kamerstukken II 2003/04, 29 200 III, nr 3
- Algemene zaken
- Wet
Toon inhoud
Volledige tekst
Voorstel van wet met memorie van toelichting tot vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Algemene Zaken (III) voor het jaar 2004.
Bij Kabinetsmissiven van 2 en 5 september 2003, no.03.003535, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, mede namens de Minister-President, Minister van Algemene Zaken en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Algemene Zaken (III) voor het jaar 2004.
1. Algemeen
De Raad van State stemt in met de omschrijving van de staatsrechtelijke positie van het Kabinet der Koningin en de daaraan verbonden conclusies. De uitwerking daarvan in de Proeve van een besluit, houdende bepalingen over het Kabinet der Koningin behoeft op een enkel punt nadere precisering.
De notitie over het Kabinet der Koningin en de daarbij gevoegde Proeve vinden hun aanleiding in de op 18 maart 2003 aanvaarde motie-Kalsbeek c.s.(zie noot 1), zo wordt in de aanhef van de notitie gesteld. Op zichzelf is dat juist. De Raad van State beveelt echter aan de notitie ook van meet af aan in de context te plaatsen van de notitie “Beschouwing over het Koningschap” van 15 september 2000(zie noot 2) en het daarover uitgebrachte advies van de Raad van 13 september 2000.(zie noot 3) De notitie over het Kabinet der Koningin en de Proeve sluiten daar goed op aan.
In zijn genoemd advies signaleerde de Raad onder andere dat “meer en sneller bekendheid wordt gegeven aan hetgeen de Koning (en de leden van het Koninklijk Huis) doet, verondersteld wordt te doen of zou moeten doen. Daardoor komen de Minister-President (en andere ministers) steeds vaker voor de vraag te staan op welke wijze zij hun verantwoordelijkheid inhoud geven, anticiperend of reagerend”. De Minister-President en de overige ministers kunnen hun verantwoordelijkheid niet beperken tot de vraag of zij hun eigen taak juist uitoefenen. Hun verantwoordelijkheid is breder. Ministers zijn ingevolge artikel 42, tweede lid, van de Grondwet niet alleen aanspreekbaar op hetgeen de Koning doet of nalaat, maar zijn ook verantwoordelijk voor de ruimte en de ondersteuning die de Koning nodig heeft om zijn functie optimaal te kunnen vervullen. Om die tweezijdige verantwoordelijkheid te kunnen uitoefenen dienen ministers goed en tijdig geïnformeerd te zijn over al hetgeen voor hen in die dubbele verantwoordelijkheid van belang is en kan zijn. De tegenkant is dat ministers hunnerzijds de Koning tijdig informeren over hetgeen voor de goede uitoefening van de Koninklijke functie van belang is en kan zijn. Deze tweekantige ministeriële verantwoordelijkheid is ook van toepassing op de relatie van ministers met het Kabinet der Koningin, dat de Koningin ondersteunt in haar functie als staatshoofd.
De Raad acht artikel 3 van de Proeve, waarin is neergelegd dat de Directeur van het Kabinet der Koningin de ministers tijdig alle inlichtingen verstrekt in dit verband een passend instrument. Die inlichtingenplicht geldt de inlichtingen die van belang kunnen zijn om de minister in staat te stellen zijn verantwoordelijkheid voor de goede uitoefening van de Koninklijke functie waar te maken. Die beperking is wel in de notitie, maar niet in artikel 3 neergelegd.
In de toelichting op de Proeve zou naar het oordeel van de Raad de bredere strekking van de ministeriële verantwoordelijkheid (grenzen stellen èn ruimte bieden) zoals hiervoor geschetst tot uitdrukking moeten worden gebracht. Dat gebeurt in de notitie wel. Ook in de toelichting zou aangegeven moeten worden dat de ministeriële verantwoordelijkheid voor een goede uitoefening van de Koninklijke functie mede inhoudt, dat ministers en hun ambtenaren het Kabinet der Koningin de mogelijkheid bieden zijn ondersteunende functie naar behoren te vervullen en zij de Directeur van het Kabinet der Koningin daartoe tijdig (doen) informeren over hetgeen de goede uitoefening van de Koninklijke functie raakt.
Aan het advies om de notitie over het Kabinet der Koningin in bredere context te plaatsen ligt ook de volgende overweging ten grondslag.
De beschrijving van de ministeriële verantwoordelijkheid in de notitie van 15 september 2000 is gebaseerd op het staatsrechtelijke uitgangspunt, ook in de notitie verwoord, dat de relatie tussen Koning en minister niet hiërarchisch van aard is. Dat is ook niet omstreden. Hiërarchie is dus geen vereiste voor ministeriële verantwoordelijkheid. Zoals de Raad in zijn advies van 15 september 1999 heeft gesteld “beperkt (de ministeriële verantwoordelijkheid) zich niet tot de uitoefening van bestaande bevoegdheden, net zo min als de informatieplicht van artikel 68 van de Grondwet beperkt is tot het terrein van de bevoegdheden van de ministers en staatssecretarissen”. Deze constatering is van belang, omdat soms het misverstand bestaat dat ministeriële verantwoordelijkheid pas echt kan worden geëffectueerd als de minister de bevoegdheid heeft instructies te geven. Dat is in casu in de relatie Koning en minister zelfs constitutioneel onjuist, en daarmee ook in de relatie minister en Kabinet der Koningin. De Raad adviseert in de notitie en in de toelichting op de Proeve tot uitdrukking te brengen dat ministeriële verantwoordelijkheid zich niet beperkt tot terreinen waarop ministers bevoegd zijn instructies of aanwijzingen te geven. De ministeriële verantwoordelijkheid reikt verder; zij komt aan de orde wanneer vragen rijzen met betrekking tot behartiging van het algemeen belang.(zie noot 4) Dat kan bij uitstek het geval zijn als het gaat om de uitoefening van het Koningschap, inclusief de ondersteuning door het Kabinet der Koningin.
2. Het Kabinet der Koningin op de rijksbegroting
De Raad deelt de conclusie dat de positie van het Kabinet der Koningin het beste recht wordt gedaan door zijn begroting te laten staan in Hoofdstuk II van de rijksbegroting.
Het plaatsen van het Kabinet op Hoofdstuk I zou ten onrechte de indruk kunnen wekken dat het Kabinet onder het bereik valt van artikel 41 van de Grondwet, inhoudende dat de Koning, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis inricht.
De Raad adviseert de notitie aan te vullen met dit argument.
Onderbrenging op Hoofdstuk III zou ten onrechte de indruk kunnen wekken dat het Kabinet der Koningin deel uitmaakt van de ambtelijke organisatie van het Ministerie van Algemene Zaken, die hiërarchisch ondergeschikt is aan de Minister-President, Minister van Algemene Zaken. Het ontbreken van hiërarchische ondergeschiktheid ontbreekt in de notitie als belemmering voor onderbrenging op Hoofdstuk III. De Raad adviseert ook tot aanvulling in dit opzicht.
3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 10 september 2003,
no.W01.03.0248/I, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ten aanzien van de notitie
- In paragraaf 4, bladzijde 6, de eerste volzin, “Het … Rijksoverheid.” schrappen.
- In paragraaf 4, bladzijde 6, de tweede volzin “immers” schrappen.
- In paragraaf 4, bladzijde 6, de zesde volzin “Gegeven … daarvan.” schrappen.
- In paragraaf 4, bladzijde 6, tweede alinea, laatste volzin, de woorden: “Dat neemt echter niet weg” schrappen; vervolg van de zin aanpassen.
- In paragraaf 4, bladzijde 7, aan de zin die afsluit op de tweede regel toevoegen: , en omgekeerd dienen zij het Kabinet der Koningin de mogelijkheid te bieden zijn ondersteunende taak naar behoren te vervullen onder andere door de Directeur van het Kabinet tijdig te doen informeren over hetgeen de goede uitoefening van de Koninklijke functie raakt.
- In paragraaf 4, bladzijde 7, negende regel: “verantwoordelijkheid” vervangen door: taak.
- In paragraaf 5, bladzijde 8, tweede volledige alinea, tweede volzin “Zoals … hoofdstuk.” schrappen.
- In paragraaf 5, bladzijde 9, achtste regel: “die boven partijen staat” schrappen
- In paragraaf 6, bladzijde 10, op regel 20 toevoegen tussen “ministeriële verantwoordelijkheid voor” en “de Koninklijke functie”: een goede uitoefening van.
- In paragraaf 6, bladzijde 10, aan de laatste regel toevoegen: Voor een goede uitoefening van de Koninklijke functie.
- In paragraaf 7, bladzijde 11: de laatste volzin “Daarmee … voldaan.“ vervangen door: Hiermee wordt in overeenstemming met de motie-Kalsbeek c.s. van 12 maart 2003 om “… al het nodige te doen opdat de ministeriële verantwoordelijkheid voor het Kabinet der Koningin ten volle tot gelding kan worden gebracht …” een eigentijdse invulling gegeven aan de taak van het Kabinet der Koningin en de ministeriële verantwoordelijkheid voor de uitoefening daarvan.
Ten aanzien van de Proeve
- Artikel 3 wijzigen als volgt: De Directeur van het Kabinet der Koningin verschaft Onze Minister die het aangaat tijdig alle inlichtingen die voor de uitoefening van zijn verantwoordelijkheid voor een goede vervulling van de Koninklijke functie van belang kunnen zijn.
- In de aanhef en in artikel 2, tweede lid, Minister-President met een hoofdletter P schrijven.
Toelichting op de Proeve
- De toelichting bij artikel 3, vierde regel, wijzigen in aansluiting op gewijzigd artikel 3.
Nader rapport (reactie op het advies) van 16 september 2003
Blijkens bijgaand advies heeft de Raad van State omtrent bovenvermelde begroting een aantal opmerkingen gemaakt, waaromtrent ik het volgende meedeel.
De Raad van State stemt in met de omschrijving van de positie van het Kabinet der Koningin en de daaraan verbonden conclusies. De regering verwelkomt deze reactie aangezien met de notitie over het Kabinet van de Koningin een aanvullende regeling, strekkende tot een verduidelijking van de ministeriële verantwoordelijkheid die volledig geldt voor het Kabinet der Koningin, tot stand komt.
De Raad van State adviseert op een enkel punt tot nadere precisering. Zij beveelt aan om onderhavige notitie van meet af aan in de context te plaatsen van de notitie «Beschouwing over het Koningsschap» van 15 september 2000 (Kamerstukken II 1999–2000, 27 409, nr. 1). De regering heeft de beschrijving van de aanleiding voor deze notitie dienovereenkomstig aangevuld.
De daaruit voortvloeiende suggestie van de Raad van State om in dit verband in paragraaf 4 van de notitie te vermelden dat ministers het Kabinet der Koningin de mogelijkheid moeten bieden zijn ondersteunende taak naar behoren te vervullen, onder andere door de directeur tijdig te doen informeren over hetgeen de goede uitoefening van de Koninklijke functie raakt, is gevolgd.
De Raad van State acht de in artikel 3 van de Proeve neergelegde inlichtingenplicht voor de directeur van het Kabinet der Koningin een passend instrument. De regering onderschrijft dit. De Raad acht het vervolgens raadzaam om de bredere strekking van de ministeriële verantwoordelijkheid («grenzen trekken èn ruimte bieden voor de goede uitoefening van de Koninklijke functie») niet alleen in de notitie maar ook in de toelichting op de Proeve tot uitdrukking te brengen. De Raad spreekt in dit verband over «een beperking» die wel in de notitie, maar niet in artikel 3 is neergelegd. De regering beoogt op dit punt geen beperking maar juist een verduidelijking. De regering heeft thans de tekst van de notitie en van de toelichting op dit punt preciezer aan elkaar gelijk gesteld.
De Raad van State merkt op dat de ministeriële verantwoordelijkheid voor het Kabinet der Koningin zich niet beperkt tot terreinen waarop ministers bevoegd zijn instructies te geven of aanwijzingen te geven. De ministeriële verantwoordelijkheid reikt verder; zij komt aan de orde wanneer vragen rijzen metbetrekking tot behartiging van het algemeen belang. Dat kan bij uitstek het geval zijn als het gaat om de uitoefening van het Koningschap, inclusief de ondersteuning door het Kabinet der Koningin. De regering ziet deze opmerking als ondersteuning van hetgeen op de eerste pagina staat: «Voorop gesteld zij dat er volledige ministeriële verantwoordelijkheid bestaat voor de ambtelijke organisatie die de Koning ondersteunt bij de uitoefening van het constitutionele koningschap – het Kabinet der Koningin.»
De door de Raad van State geadviseerde aanvulling van de argumentatie ten aanzien van het Kabinet der Koningin en hoofdstuk I van de rijksbegroting is overgenomen. Dat onderbrenging op hoofdstuk III ten onrechte de indruk zou kunnen wekken dat het Kabinet der Koningin alsdan onderdeel zou uitmaken van de ambtelijke organisatie van het Ministerie van Algemene Zaken, waar de Raad op wijst, is reeds in de notitie verwoord.
De redactionele kanttekeningen van de Raad zijn, voorzover deze passen bij de hiervoor gegeven reactie van de regering, overgenomen.
Ik moge U verzoeken de hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet met memorie van toelichting tot vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Algemene Zaken (III) voor het jaar 2004, alsmede de bijlage, aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken
(1) Kamerstukken II 2002/03, 28 811, nr.6.
(2) Kamerstukken II 1999/2000, 27 409, nr.1.
(3) Kamerstukken II 2000/01, 27 400 III, A.
(4) Zie ook: Kamerstukken II 1999/2000, 26 800, VII, A, p.3.
1. Algemeen
De Raad van State stemt in met de omschrijving van de staatsrechtelijke positie van het Kabinet der Koningin en de daaraan verbonden conclusies. De uitwerking daarvan in de Proeve van een besluit, houdende bepalingen over het Kabinet der Koningin behoeft op een enkel punt nadere precisering.
De notitie over het Kabinet der Koningin en de daarbij gevoegde Proeve vinden hun aanleiding in de op 18 maart 2003 aanvaarde motie-Kalsbeek c.s.(zie noot 1), zo wordt in de aanhef van de notitie gesteld. Op zichzelf is dat juist. De Raad van State beveelt echter aan de notitie ook van meet af aan in de context te plaatsen van de notitie “Beschouwing over het Koningschap” van 15 september 2000(zie noot 2) en het daarover uitgebrachte advies van de Raad van 13 september 2000.(zie noot 3) De notitie over het Kabinet der Koningin en de Proeve sluiten daar goed op aan.
In zijn genoemd advies signaleerde de Raad onder andere dat “meer en sneller bekendheid wordt gegeven aan hetgeen de Koning (en de leden van het Koninklijk Huis) doet, verondersteld wordt te doen of zou moeten doen. Daardoor komen de Minister-President (en andere ministers) steeds vaker voor de vraag te staan op welke wijze zij hun verantwoordelijkheid inhoud geven, anticiperend of reagerend”. De Minister-President en de overige ministers kunnen hun verantwoordelijkheid niet beperken tot de vraag of zij hun eigen taak juist uitoefenen. Hun verantwoordelijkheid is breder. Ministers zijn ingevolge artikel 42, tweede lid, van de Grondwet niet alleen aanspreekbaar op hetgeen de Koning doet of nalaat, maar zijn ook verantwoordelijk voor de ruimte en de ondersteuning die de Koning nodig heeft om zijn functie optimaal te kunnen vervullen. Om die tweezijdige verantwoordelijkheid te kunnen uitoefenen dienen ministers goed en tijdig geïnformeerd te zijn over al hetgeen voor hen in die dubbele verantwoordelijkheid van belang is en kan zijn. De tegenkant is dat ministers hunnerzijds de Koning tijdig informeren over hetgeen voor de goede uitoefening van de Koninklijke functie van belang is en kan zijn. Deze tweekantige ministeriële verantwoordelijkheid is ook van toepassing op de relatie van ministers met het Kabinet der Koningin, dat de Koningin ondersteunt in haar functie als staatshoofd.
De Raad acht artikel 3 van de Proeve, waarin is neergelegd dat de Directeur van het Kabinet der Koningin de ministers tijdig alle inlichtingen verstrekt in dit verband een passend instrument. Die inlichtingenplicht geldt de inlichtingen die van belang kunnen zijn om de minister in staat te stellen zijn verantwoordelijkheid voor de goede uitoefening van de Koninklijke functie waar te maken. Die beperking is wel in de notitie, maar niet in artikel 3 neergelegd.
In de toelichting op de Proeve zou naar het oordeel van de Raad de bredere strekking van de ministeriële verantwoordelijkheid (grenzen stellen èn ruimte bieden) zoals hiervoor geschetst tot uitdrukking moeten worden gebracht. Dat gebeurt in de notitie wel. Ook in de toelichting zou aangegeven moeten worden dat de ministeriële verantwoordelijkheid voor een goede uitoefening van de Koninklijke functie mede inhoudt, dat ministers en hun ambtenaren het Kabinet der Koningin de mogelijkheid bieden zijn ondersteunende functie naar behoren te vervullen en zij de Directeur van het Kabinet der Koningin daartoe tijdig (doen) informeren over hetgeen de goede uitoefening van de Koninklijke functie raakt.
Aan het advies om de notitie over het Kabinet der Koningin in bredere context te plaatsen ligt ook de volgende overweging ten grondslag.
De beschrijving van de ministeriële verantwoordelijkheid in de notitie van 15 september 2000 is gebaseerd op het staatsrechtelijke uitgangspunt, ook in de notitie verwoord, dat de relatie tussen Koning en minister niet hiërarchisch van aard is. Dat is ook niet omstreden. Hiërarchie is dus geen vereiste voor ministeriële verantwoordelijkheid. Zoals de Raad in zijn advies van 15 september 1999 heeft gesteld “beperkt (de ministeriële verantwoordelijkheid) zich niet tot de uitoefening van bestaande bevoegdheden, net zo min als de informatieplicht van artikel 68 van de Grondwet beperkt is tot het terrein van de bevoegdheden van de ministers en staatssecretarissen”. Deze constatering is van belang, omdat soms het misverstand bestaat dat ministeriële verantwoordelijkheid pas echt kan worden geëffectueerd als de minister de bevoegdheid heeft instructies te geven. Dat is in casu in de relatie Koning en minister zelfs constitutioneel onjuist, en daarmee ook in de relatie minister en Kabinet der Koningin. De Raad adviseert in de notitie en in de toelichting op de Proeve tot uitdrukking te brengen dat ministeriële verantwoordelijkheid zich niet beperkt tot terreinen waarop ministers bevoegd zijn instructies of aanwijzingen te geven. De ministeriële verantwoordelijkheid reikt verder; zij komt aan de orde wanneer vragen rijzen met betrekking tot behartiging van het algemeen belang.(zie noot 4) Dat kan bij uitstek het geval zijn als het gaat om de uitoefening van het Koningschap, inclusief de ondersteuning door het Kabinet der Koningin.
2. Het Kabinet der Koningin op de rijksbegroting
De Raad deelt de conclusie dat de positie van het Kabinet der Koningin het beste recht wordt gedaan door zijn begroting te laten staan in Hoofdstuk II van de rijksbegroting.
Het plaatsen van het Kabinet op Hoofdstuk I zou ten onrechte de indruk kunnen wekken dat het Kabinet onder het bereik valt van artikel 41 van de Grondwet, inhoudende dat de Koning, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis inricht.
De Raad adviseert de notitie aan te vullen met dit argument.
Onderbrenging op Hoofdstuk III zou ten onrechte de indruk kunnen wekken dat het Kabinet der Koningin deel uitmaakt van de ambtelijke organisatie van het Ministerie van Algemene Zaken, die hiërarchisch ondergeschikt is aan de Minister-President, Minister van Algemene Zaken. Het ontbreken van hiërarchische ondergeschiktheid ontbreekt in de notitie als belemmering voor onderbrenging op Hoofdstuk III. De Raad adviseert ook tot aanvulling in dit opzicht.
3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 10 september 2003,
no.W01.03.0248/I, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ten aanzien van de notitie
- In paragraaf 4, bladzijde 6, de eerste volzin, “Het … Rijksoverheid.” schrappen.
- In paragraaf 4, bladzijde 6, de tweede volzin “immers” schrappen.
- In paragraaf 4, bladzijde 6, de zesde volzin “Gegeven … daarvan.” schrappen.
- In paragraaf 4, bladzijde 6, tweede alinea, laatste volzin, de woorden: “Dat neemt echter niet weg” schrappen; vervolg van de zin aanpassen.
- In paragraaf 4, bladzijde 7, aan de zin die afsluit op de tweede regel toevoegen: , en omgekeerd dienen zij het Kabinet der Koningin de mogelijkheid te bieden zijn ondersteunende taak naar behoren te vervullen onder andere door de Directeur van het Kabinet tijdig te doen informeren over hetgeen de goede uitoefening van de Koninklijke functie raakt.
- In paragraaf 4, bladzijde 7, negende regel: “verantwoordelijkheid” vervangen door: taak.
- In paragraaf 5, bladzijde 8, tweede volledige alinea, tweede volzin “Zoals … hoofdstuk.” schrappen.
- In paragraaf 5, bladzijde 9, achtste regel: “die boven partijen staat” schrappen
- In paragraaf 6, bladzijde 10, op regel 20 toevoegen tussen “ministeriële verantwoordelijkheid voor” en “de Koninklijke functie”: een goede uitoefening van.
- In paragraaf 6, bladzijde 10, aan de laatste regel toevoegen: Voor een goede uitoefening van de Koninklijke functie.
- In paragraaf 7, bladzijde 11: de laatste volzin “Daarmee … voldaan.“ vervangen door: Hiermee wordt in overeenstemming met de motie-Kalsbeek c.s. van 12 maart 2003 om “… al het nodige te doen opdat de ministeriële verantwoordelijkheid voor het Kabinet der Koningin ten volle tot gelding kan worden gebracht …” een eigentijdse invulling gegeven aan de taak van het Kabinet der Koningin en de ministeriële verantwoordelijkheid voor de uitoefening daarvan.
Ten aanzien van de Proeve
- Artikel 3 wijzigen als volgt: De Directeur van het Kabinet der Koningin verschaft Onze Minister die het aangaat tijdig alle inlichtingen die voor de uitoefening van zijn verantwoordelijkheid voor een goede vervulling van de Koninklijke functie van belang kunnen zijn.
- In de aanhef en in artikel 2, tweede lid, Minister-President met een hoofdletter P schrijven.
Toelichting op de Proeve
- De toelichting bij artikel 3, vierde regel, wijzigen in aansluiting op gewijzigd artikel 3.
Nader rapport (reactie op het advies) van 16 september 2003
Blijkens bijgaand advies heeft de Raad van State omtrent bovenvermelde begroting een aantal opmerkingen gemaakt, waaromtrent ik het volgende meedeel.
De Raad van State stemt in met de omschrijving van de positie van het Kabinet der Koningin en de daaraan verbonden conclusies. De regering verwelkomt deze reactie aangezien met de notitie over het Kabinet van de Koningin een aanvullende regeling, strekkende tot een verduidelijking van de ministeriële verantwoordelijkheid die volledig geldt voor het Kabinet der Koningin, tot stand komt.
De Raad van State adviseert op een enkel punt tot nadere precisering. Zij beveelt aan om onderhavige notitie van meet af aan in de context te plaatsen van de notitie «Beschouwing over het Koningsschap» van 15 september 2000 (Kamerstukken II 1999–2000, 27 409, nr. 1). De regering heeft de beschrijving van de aanleiding voor deze notitie dienovereenkomstig aangevuld.
De daaruit voortvloeiende suggestie van de Raad van State om in dit verband in paragraaf 4 van de notitie te vermelden dat ministers het Kabinet der Koningin de mogelijkheid moeten bieden zijn ondersteunende taak naar behoren te vervullen, onder andere door de directeur tijdig te doen informeren over hetgeen de goede uitoefening van de Koninklijke functie raakt, is gevolgd.
De Raad van State acht de in artikel 3 van de Proeve neergelegde inlichtingenplicht voor de directeur van het Kabinet der Koningin een passend instrument. De regering onderschrijft dit. De Raad acht het vervolgens raadzaam om de bredere strekking van de ministeriële verantwoordelijkheid («grenzen trekken èn ruimte bieden voor de goede uitoefening van de Koninklijke functie») niet alleen in de notitie maar ook in de toelichting op de Proeve tot uitdrukking te brengen. De Raad spreekt in dit verband over «een beperking» die wel in de notitie, maar niet in artikel 3 is neergelegd. De regering beoogt op dit punt geen beperking maar juist een verduidelijking. De regering heeft thans de tekst van de notitie en van de toelichting op dit punt preciezer aan elkaar gelijk gesteld.
De Raad van State merkt op dat de ministeriële verantwoordelijkheid voor het Kabinet der Koningin zich niet beperkt tot terreinen waarop ministers bevoegd zijn instructies te geven of aanwijzingen te geven. De ministeriële verantwoordelijkheid reikt verder; zij komt aan de orde wanneer vragen rijzen metbetrekking tot behartiging van het algemeen belang. Dat kan bij uitstek het geval zijn als het gaat om de uitoefening van het Koningschap, inclusief de ondersteuning door het Kabinet der Koningin. De regering ziet deze opmerking als ondersteuning van hetgeen op de eerste pagina staat: «Voorop gesteld zij dat er volledige ministeriële verantwoordelijkheid bestaat voor de ambtelijke organisatie die de Koning ondersteunt bij de uitoefening van het constitutionele koningschap – het Kabinet der Koningin.»
De door de Raad van State geadviseerde aanvulling van de argumentatie ten aanzien van het Kabinet der Koningin en hoofdstuk I van de rijksbegroting is overgenomen. Dat onderbrenging op hoofdstuk III ten onrechte de indruk zou kunnen wekken dat het Kabinet der Koningin alsdan onderdeel zou uitmaken van de ambtelijke organisatie van het Ministerie van Algemene Zaken, waar de Raad op wijst, is reeds in de notitie verwoord.
De redactionele kanttekeningen van de Raad zijn, voorzover deze passen bij de hiervoor gegeven reactie van de regering, overgenomen.
Ik moge U verzoeken de hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet met memorie van toelichting tot vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Algemene Zaken (III) voor het jaar 2004, alsmede de bijlage, aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken
(1) Kamerstukken II 2002/03, 28 811, nr.6.
(2) Kamerstukken II 1999/2000, 27 409, nr.1.
(3) Kamerstukken II 2000/01, 27 400 III, A.
(4) Zie ook: Kamerstukken II 1999/2000, 26 800, VII, A, p.3.