Ontwerpbesluit tot aanpassing van het Vreemdelingenbesluit 2000 aan richtlijn 2001/51/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2001 tot aanvulling van het bepaalde in artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het akkoord van Schengen van 14 juni 1985, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W03.04.0360/I
- Datum advies
- 30 juli 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 12 oktober 2004, nr 196
- Justitie en Veiligheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit tot aanpassing van het Vreemdelingenbesluit 2000 aan richtlijn 2001/51/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2001 tot aanvulling van het bepaalde in artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het akkoord van Schengen van 14 juni 1985, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 20 juli 2004, no.04.002894, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot aanpassing van het Vreemdelingenbesluit 2000 aan richtlijn 2001/51/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2001 tot aanvulling van het bepaalde in artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het akkoord van Schengen van 14 juni 1985, met nota van toelichting.
Richtlijn 2001/51/EG wordt voor een deel geïmplementeerd in het ontwerpbesluit, voor een ander deel bij wet.(zie noot 1) De implementatiewet is nog niet in werking getreden; het ontwerpbesluit zal, indien tot besluit verheven, op hetzelfde tijdstip in werking treden als de wet; dit - zo stelt de regering - vanwege de samenhang tussen beide.(zie noot 2)
De keuze voor gelijktijdige inwerkingtreding betekent dat wet en besluit op elkaar moeten wachten. Dat is problematisch, omdat de richtlijn al op 11 februari 2003 geïmplementeerd had moeten zijn.(zie noot 3)
Er is wel een zekere samenhang tussen de implementatiewet en het ontwerpbesluit, maar de twee regelingen regelen verschillende, op zichzelf staande, verplichtingen. De Raad van State is van oordeel dat het beperken van de termijnoverschrijding in dit geval zwaarder moet wegen, en adviseert daarom de wet en het ontwerpbesluit ieder voor zich zo snel mogelijk in werking te laten treden, en artikel II van het ontwerpbesluit aan te passen.
Voor een redactionele kanttekening verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no.W03.04.0360/I met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
- In de aanhef het grondslagartikel (artikel 66 van de Vreemdelingenwet 2000) vermelden.
Nader rapport (reactie op het advies) van 24 augustus 2004
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met zijn opmerkingen rekening zal zijn gehouden. De opmerkingen van de Raad geven mij aanleiding tot de volgende reactie.
De Raad wijst er op dat richtlijn 2001/51/EG al geïmplementeerd had moeten zijn en adviseert daarom de Wet van 13 mei 2004 tot aanpassing van de Vreemdelingenwet 2000 en het ontwerpbesluit, welke beide strekken tot implementatie van de richtlijn, ieder voor zich zo snel mogelijk in werking te laten treden en artikel II van het ontwerpbesluit daartoe aan te passen.
Ik heb juist gekozen voor een gelijktijdige inwerkingtreding van wet en besluit vanwege de samenhang tussen beide. Zowel de wet als het ontwerpbesluit geven uitwerking aan de jegens vervoerders te handhaven verplichting van artikel 3 van de richtlijn. Artikel 3 van de richtlijn wordt geïmplementeerd in artikel 65 van de Vreemdelingenwet 2000 en in artikel 6.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Artikel 6.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 regelt welke kosten ingevolge artikel 65 van de Vreemdelingenwet 2000 op de vervoerder verhaald kunnen worden. Weliswaar regelen wet en besluit derhalve verschillende deelverplichtingen, zij staan echter, anders dan de Raad meent, niet op zichzelf.
Voor de uitvoeringsorganisatie acht ik het van belang één datum vast te stellen vanaf welke zij de verdergaande verplichtingen jegens vervoerders welke voortvloeien uit de richtlijn dienen te handhaven.
Met een gedeeltelijke implementatie van de richtlijn, door de wet vooruitlopend op het besluit in werking te doen treden, zou bovendien nog niet zijn voldaan aan de Europeesrechtelijke verplichting het door de richtlijn gewenste resultaat in de nationale rechtsorde te verzekeren. Door wet en ontwerpbesluit ieder voor zich in werking te laten treden wordt de termijnoverschrijding derhalve niet beperkt.
Ik kies er dan ook voor wet en besluit op dezelfde datum in werking te laten treden en neem het advies van de Raad niet over.
De redactionele kanttekening heb ik verwerkt.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie
(1) Wet van 13 mei 2004 tot aanpassing van de Vreemdelingenwet 2000 aan richtlijn 2001/51/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2001 tot aanvulling van het bepaalde in artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 (Stb.2004, 212).
(2) Artikel II van het ontwerpbesluit en de toelichting op dat artikel.
(3) Artikel 7, eerste lid, van de richtlijn.
Richtlijn 2001/51/EG wordt voor een deel geïmplementeerd in het ontwerpbesluit, voor een ander deel bij wet.(zie noot 1) De implementatiewet is nog niet in werking getreden; het ontwerpbesluit zal, indien tot besluit verheven, op hetzelfde tijdstip in werking treden als de wet; dit - zo stelt de regering - vanwege de samenhang tussen beide.(zie noot 2)
De keuze voor gelijktijdige inwerkingtreding betekent dat wet en besluit op elkaar moeten wachten. Dat is problematisch, omdat de richtlijn al op 11 februari 2003 geïmplementeerd had moeten zijn.(zie noot 3)
Er is wel een zekere samenhang tussen de implementatiewet en het ontwerpbesluit, maar de twee regelingen regelen verschillende, op zichzelf staande, verplichtingen. De Raad van State is van oordeel dat het beperken van de termijnoverschrijding in dit geval zwaarder moet wegen, en adviseert daarom de wet en het ontwerpbesluit ieder voor zich zo snel mogelijk in werking te laten treden, en artikel II van het ontwerpbesluit aan te passen.
Voor een redactionele kanttekening verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no.W03.04.0360/I met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
- In de aanhef het grondslagartikel (artikel 66 van de Vreemdelingenwet 2000) vermelden.
Nader rapport (reactie op het advies) van 24 augustus 2004
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met zijn opmerkingen rekening zal zijn gehouden. De opmerkingen van de Raad geven mij aanleiding tot de volgende reactie.
De Raad wijst er op dat richtlijn 2001/51/EG al geïmplementeerd had moeten zijn en adviseert daarom de Wet van 13 mei 2004 tot aanpassing van de Vreemdelingenwet 2000 en het ontwerpbesluit, welke beide strekken tot implementatie van de richtlijn, ieder voor zich zo snel mogelijk in werking te laten treden en artikel II van het ontwerpbesluit daartoe aan te passen.
Ik heb juist gekozen voor een gelijktijdige inwerkingtreding van wet en besluit vanwege de samenhang tussen beide. Zowel de wet als het ontwerpbesluit geven uitwerking aan de jegens vervoerders te handhaven verplichting van artikel 3 van de richtlijn. Artikel 3 van de richtlijn wordt geïmplementeerd in artikel 65 van de Vreemdelingenwet 2000 en in artikel 6.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Artikel 6.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 regelt welke kosten ingevolge artikel 65 van de Vreemdelingenwet 2000 op de vervoerder verhaald kunnen worden. Weliswaar regelen wet en besluit derhalve verschillende deelverplichtingen, zij staan echter, anders dan de Raad meent, niet op zichzelf.
Voor de uitvoeringsorganisatie acht ik het van belang één datum vast te stellen vanaf welke zij de verdergaande verplichtingen jegens vervoerders welke voortvloeien uit de richtlijn dienen te handhaven.
Met een gedeeltelijke implementatie van de richtlijn, door de wet vooruitlopend op het besluit in werking te doen treden, zou bovendien nog niet zijn voldaan aan de Europeesrechtelijke verplichting het door de richtlijn gewenste resultaat in de nationale rechtsorde te verzekeren. Door wet en ontwerpbesluit ieder voor zich in werking te laten treden wordt de termijnoverschrijding derhalve niet beperkt.
Ik kies er dan ook voor wet en besluit op dezelfde datum in werking te laten treden en neem het advies van de Raad niet over.
De redactionele kanttekening heb ik verwerkt.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie
(1) Wet van 13 mei 2004 tot aanpassing van de Vreemdelingenwet 2000 aan richtlijn 2001/51/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2001 tot aanvulling van het bepaalde in artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 (Stb.2004, 212).
(2) Artikel II van het ontwerpbesluit en de toelichting op dat artikel.
(3) Artikel 7, eerste lid, van de richtlijn.