Voorstel van wet tot wijziging van de Wet inburgering nieuwkomers en de Wet educatie en beroepsonderwijs (vrijgeven cursusaanbod WIN), met memorie van toelichting.
- Kenmerk
- W03.04.0080/I
- Datum advies
- 8 april 2004
- Vindplaats
- Kamerstukken II 2003/04, 29 646, nr 4
- Justitie en Veiligheid
- Wet
Toon inhoud
Volledige tekst
Voorstel van wet tot wijziging van de Wet inburgering nieuwkomers en de Wet educatie en beroepsonderwijs (vrijgeven cursusaanbod WIN), met memorie van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 24 februari 2004, no.04.000744, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, drs. A.D.S.M. Nijs, MBA, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet inburgering nieuwkomers en de Wet educatie en beroepsonderwijs (vrijgeven cursusaanbod WIN), met memorie van toelichting.
Het wetsvoorstel beoogt meer vrijheid te geven aan gemeentebesturen bij het inkopen van educatieve programma’s ten behoeve van inburgering van de nieuwkomers. De gemeentebesturen zijn op grond van de huidige regeling in de Wet inburgering nieuwkomers (WIN) en de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) verplicht om deze programma’s uitsluitend bij de Regionale opleidingscentra (ROC’s) in te kopen. Met het wetsvoorstel wordt beoogd het aanbod van deze educatieve programma’s vrij te geven. Tevens wordt voorgesteld dat de instellingen die educatieve programma’s zullen aanbieden, ook de examinering zullen verzorgen.
De Raad van State onderschrijft de keuze om het cursusaanbod WIN vrij te geven. Wel maakt hij opmerkingen over de opportuniteit van het wetsvoorstel, de marktwerking, de gevolgen voor de ROC’s en de ontkoppeling van onderwijs en examens. De Raad is van mening dat enige aanpassing van het wetsvoorstel wenselijk is.
1. Opportuniteit
De memorie van toelichting meldt in paragraaf 2 van het algemeen deel dat een meeromvattend wetsvoorstel in voorbereiding is, waarbij onder meer de vraag onder ogen wordt gezien hoe de kwaliteit van de inburgeringscursussen en het examenniveau moet worden verzekerd. Tegen deze achtergrond rijst de vraag hoe opportuun het is om kort tevoren het bestaande stelsel te wijzigen in de nu voorgestelde zin.
De Raad adviseert deze vraag te behandelen in de memorie van toelichting.
2. Marktwerking
Over de met het wetsvoorstel voorziene marktwerking merkt de Raad het volgende op.
a. De memorie van toelichting gaat ervan uit dat de marktwerking na het vrijgeven van het cursusaanbod op grond van de WIN zal meebrengen dat er meer kwaliteit wordt aangeboden, al dan niet tegen scherpere prijzen. De toelichting gaat echter niet in op andere denkbare ontwikkelingen, namelijk dat het eventueel wegvallen van het educatieaanbod van de ROC’s niet wordt gecompenseerd door aanbod van elders of dat dit in dusdanig geringe mate geschiedt dat prijsopdrijving ontstaat. Gezien hun rechtsplicht zouden de gemeentebesturen genoodzaakt zijn cursussen van nieuwe aanbieders in te kopen, ongeacht de prijs of de kwaliteit daarvan.
De Raad adviseert dit risico in de toelichting te bespreken.
b. De Raad merkt op dat het enkele opheffen van de zogenoemde gedwongen winkelnering nog niet betekent dat een vrije markt met verschillende aanbieders zal ontstaan. Daarvoor is onder meer nodig dat de voorwaarden voor elkaar beconcurrerende marktpartijen niet zodanig ongelijk zijn dat de toetreding van partijen tot die markt feitelijk wordt belemmerd. In de toelichting is geen aandacht gegeven aan dit aspect, hoewel de omstandigheid dat de ROC’s niet vennootschapsbelastingplichtig zijn en andere marktpartijen wel, daartoe aanleiding zou kunnen zijn. In dit verband is ook van belang dat de financiering van de ROC’s zo is opgezet dat geen indirecte subsidie wordt gegeven voor de educatieve programma’s ten behoeve van de inburgering die op de vrije markt worden aangeboden, teneinde de verdenking van staatssteun te vermijden.
Evenmin is aandacht gegeven aan de wijze waarop de aanbesteding van educatieve programma’s ten behoeve van de inburgering zal gaan plaats vinden bij het vrijmaken van de markt.
De Raad adviseert in de toelichting aan deze aspecten aandacht te geven.
3. Gevolgen voor de ROC’s
In 1996 is bij de totstandkoming van de WEB de verplichte inkoop van gemeenten bij de ROC’s wettelijk vastgelegd. Het vormen van de ROC’s is het gevolg geweest van de gedwongen fusie tussen de instellingen voor middelbaar beroepsonderwijs en (basis)educatie-instellingen. ROC’s hebben ondertussen geïnvesteerd in personeel en huisvesting om aan de vraag van gemeenten te voldoen.
Het feit dat gemeentebesturen niet meer verplicht zullen zijn educatieve programma’s ten behoeve van de inburgering van nieuwkomers bij de ROC’s in te kopen, zal voor de ROC’s financiële consequenties hebben. De memorie van toelichting volstaat met de vermelding dat van gemeentebesturen wordt verwacht dat zij afstemming zoeken met de ROC’s over een verantwoorde wijze waarop gekomen kan worden tot een eventuele vermindering van de afname van diensten.(zie noot 1)
De Raad adviseert nader in te gaan op de consequenties die de voorgestelde wetswijziging zal hebben voor de ROC’s.
4. Ontkoppeling onderwijs en examens
Het geven van onderwijs en het afnemen van examens zal door dezelfde instelling worden verzorgd (artikel I, onderdeel I van het wetsvoorstel). De kwaliteit (en gelijkwaardigheid) van de examens acht de Raad van groot belang in verband met het “civiel effect” van de inburgeringstoets: het behalen van de toets betekent feitelijk een vrijstelling van de naturalisatietoets.(zie noot 2) Van de waarborgen voor de kwaliteit die het wetsvoorstel bevat – beoordeling door twee correctoren, geen nadere beoordeling, een reglement betreffende de goede gang van zaken rond het afleggen van de toetsen en bewaking door gemeenten van naleving van de kwaliteitseisen – is allerminst zeker dat die voldoende zullen zijn om te verzekeren dat geslaagden in elk geval een bepaald minimumniveau hebben bereikt.
De Raad wijst erop dat het Hoofdlijnenakkoord het voornemen bevat een staatsexamen te “reguleren”.(zie noot 3) Dat is iets anders dan wat nu wordt voorgesteld.
De Raad geeft in overweging in het wetsvoorstel te voorzien in een staatsexamen, en op zijn minst de toetsingstaak te ontkoppelen van de onderwijstaak, zodat de aanbieders in ieder geval gehouden zullen zijn hun educatieve programma’s aan te passen aan het niveau van het examen
De Raad adviseert het wetsvoorstel in deze zin aan te passen.
5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 28 mei 2004
1. Overeenkomstig het advies van de Raad is deze vraag in de memorie van toelichting behandeld (onder verwijzing naar de recent aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangeboden Contourennota herziening van het inburgeringsstelsel (Kamerstukken II 2003/04, 29 543, nrs. 1-2) (hierna ook: Contourennota).
2.
a. Voor inburgeringscursussen van oudkomers zijn gemeenten,
ook in de huidige situatie, niet verplicht bij de ROC’s in te kopen. Ervaringen
die (met name enkele grote) gemeenten hebben opgedaan geven
er vertrouwen in dat er in de nieuwe situatie aanbieders zullen zijn die cursussen voor nieuwkomers zullen aanbieden. Om deze reden wordt het risico van prijsopdrijving gering geacht. Aan het advies van de Raad is in die zin gevolg gegeven, door aan te geven dat de in de memorie van toelichting reeds aangekondigde evaluatie zo wordt opgezet dat zal kunnen blijken of de door de Raad geschetste risico’s zich niet onverhoopt toch hebben verwezenlijkt.
b. ROC’s zijn privaatrechtelijke rechtspersonen, die zowel publieke taken
uitvoeren, alsook commerciële contractactiviteiten kunnen verrichten (artikel 1.7.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs). Na de voorgestelde wetswijziging kunnen ROC’s educatieve programma’s voor nieuwkomers niet langer als onderdeel van hun publieke taak aanbieden, maar kunnen zij deze wel als contractactiviteit aanbieden. Anders dan de Raad meent, zijn de ROC’s voor deze contractactiviteiten vennootschapsbelastingplichtig. Hiermee is de situatie van de ROC’s gelijk aan de situatie van andere marktpartijen, en is geen sprake van een ongelijk speelveld. Zoals paragraaf 3 van de memorie van toelichting reeds vermeldt dienen de ROC’s deze contractactiviteiten apart te administreren. Dit vloeit voort uit de richtlijnen die zijn opgenomen in het controleprotocol dat de Centrale Financiën Instellingen, de uitvoeringsorganisatie van OCW, bij de financiële verantwoording door instellingen hanteert. De vrees van de Raad dat indirecte subsidie wordt gegeven aan educatieve programma’s ten behoeve van inburgering die op de vrije markt worden aangeboden waardoor van staatssteun sprake kan zijn, kan op deze manier worden voorkomen. De bedoelde passage in paragraaf 3 van de memorie van toelichting is hierop aangevuld.
Overeenkomstig het advies van de Raad is in de toelichting ingegaan op de wijze van aanbesteden van educatieve programma’s.
3. De Raad gaat er in zijn advies vanuit dat er voor de ROC’s financiële gevolgen zullen zijn. In de memorie van toelichting is aangegeven dat de ROC’s de educatieve programma’s voor de inburgering van nieuwkomers – als contractactiviteit – kunnen blijven aanbieden, en dat, afhankelijk van het feit of hun marktaandeel kleiner wordt, het wetsvoorstel financiële gevolgen voor de ROC’s kan hebben. Aangegeven wordt ook, dat de precieze effecten zich lastig laten inschatten. Aan het advies van de Raad om nader in te gaan op de consequenties die de voorgestelde wetswijziging voor de ROC’s zal hebben, is in die zin gevolg gegeven, dat de toelichting is aangevuld met een passage waarin wordt aangegeven dat de rijksoverheid met de betrokken partijen (VNG en Bve Raad) zal overleggen over de wijze waarop gestalte kan worden gegeven aan de overgang van het huidige systeem naar een stelsel waarin sprake zal zijn van een vrije markt. Zoals in de Contourennota is aangegeven zal deze vrije markt in twee fasen worden gerealiseerd; het onderhavige wetsvoorstel ziet op de eerste fase.
4. Ter verduidelijking merken wij op dat met dit wetsvoorstel (nog) geen uitvoering wordt gegeven aan de voornemens uit het Hoofdlijnenakkoord met betrekking tot de nieuwe examenstructuur met betrekking tot inburgering (het basisexamen in het buitenland en het inburgeringsexamen in het binnenland). Uitvoering van deze voornemens zal geschieden in de Wet inburgering in het buitenland en de Wet inburgering in Nederland. Voor een nadere uiteenzetting over deze voornemens verwijzen wij naar paragraaf 7 van de Contourennota.
In de huidige Wet inburgering nieuwkomers (hierna ook: WIN) is nadrukkelijk gekozen voor een toets en niet voor een examen. Er is dus geen sprake van slagen of zakken, maar van een peiling van het niveau van beheersing van de Nederlandse taal en van het onderdeel Maatschappij Oriëntatie. De resultaten van de toets worden gemeten naar de twee verschillende niveaus die de WIN onderscheidt: een minimumniveau en een niveau dat betekenis heeft voor de doorstroming naar vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt (art. 11 WIN). De inhoud en de niveaus van de inburgeringstoets voor nieuwkomers, alsmede de eindtermen zijn vastgelegd in regelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Regeling vaststelling inhoud en niveaus inburgeringstoets nieuwkomers en Regeling eindtermen breed maatschappelijk functioneren en sociale redzaamheid). Er wordt gebruik gemaakt van landelijk gestandaardiseerde toetsen (Profieltoets NT2 en MO-Profieltoets).
Na de voorgestelde wetswijziging wordt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie verantwoordelijk voor het bij ministeriële regeling regelen van de inhoud, de niveaus en de eindtermen inburgering voor nieuwkomers en kan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de profieltoetsen dwingend voor alle aanbieders voorschrijven. In verband hiermee is aan het voorgestelde artikel 10a van de Wet inburgering nieuwkomers een tweede lid toegevoegd omdat het wetsvoorstel de in dit opzicht beoogde situatie nog niet geheel sluitend had geregeld (Artikel I, onderdeel I).
Net als in de huidige situatie hebben de aanbieders van educatieve programma’s tot taak om te zorgen dat de deelnemers een zodanig programma kunnen volgen dat er een gerede kans bestaat dat zij een van de in de Wet inburgering nieuwkomers genoemde niveaus bereiken. Gemeenten zullen dit moeten bewaken. Daarnaast zijn in het wetsvoorstel waarborgen opgenomen die zijn gericht op het afnemen en beoordelen van de toetsen (artikel I, onderdeel K). Deze zijn nodig nu daarvoor niet meer op de Wet educatie en beroepsonderwijs kan worden teruggevallen. Naar onze mening zijn de kwaliteitswaarborgen zoals die in het wetsvoorstel zijn opgenomen in het huidige systeem voldoende. Wij zien, op de bovengenoemde aanpassing na, geen reden het wetsvoorstel verder aan te passen.
5. De redactionele kanttekeningen van de Raad zijn overgenomen.
6. Na ommekomst van het advies van de Raad is nog een nadere wijziging van artikel 16 van de Wet inburgering nieuwkomers aangebracht die in het oorspronkelijke voorstel abusievelijk achterwege is gebleven. Als gevolg van het koninklijk besluit van 28 oktober 2002, Stb. 548 tot herindeling van de ministeriële taak ten behoeve van het verstrekken van rijksbijdragen aan gemeenten ten behoeve van de inburgering van nieuwkomers en oudkomers is geen behoefte meer aan de overlegverplichting met de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangezien zij niet langer medeverantwoordelijk zijn. Ook is geen behoefte meer aan de aanwijzing van een verantwoordelijke minister om de voordracht voor de in artikel 16 bedoelde algemene maatregel van bestuur te doen, nu daarover geen twijfel meer kan bestaan dat dit de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie is (zie artikel I, onder N).
Tenslotte zijn nog enkele redactionele verbeteringen aangebracht.
Ik moge U, mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie
(1) Memorie van toelichting, slot par. 4.
(2) Memorie van toelichting, slot par. 3.
(3) Kamerstukken II 2002/03, nr. 19, blz. 14.
Het wetsvoorstel beoogt meer vrijheid te geven aan gemeentebesturen bij het inkopen van educatieve programma’s ten behoeve van inburgering van de nieuwkomers. De gemeentebesturen zijn op grond van de huidige regeling in de Wet inburgering nieuwkomers (WIN) en de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) verplicht om deze programma’s uitsluitend bij de Regionale opleidingscentra (ROC’s) in te kopen. Met het wetsvoorstel wordt beoogd het aanbod van deze educatieve programma’s vrij te geven. Tevens wordt voorgesteld dat de instellingen die educatieve programma’s zullen aanbieden, ook de examinering zullen verzorgen.
De Raad van State onderschrijft de keuze om het cursusaanbod WIN vrij te geven. Wel maakt hij opmerkingen over de opportuniteit van het wetsvoorstel, de marktwerking, de gevolgen voor de ROC’s en de ontkoppeling van onderwijs en examens. De Raad is van mening dat enige aanpassing van het wetsvoorstel wenselijk is.
1. Opportuniteit
De memorie van toelichting meldt in paragraaf 2 van het algemeen deel dat een meeromvattend wetsvoorstel in voorbereiding is, waarbij onder meer de vraag onder ogen wordt gezien hoe de kwaliteit van de inburgeringscursussen en het examenniveau moet worden verzekerd. Tegen deze achtergrond rijst de vraag hoe opportuun het is om kort tevoren het bestaande stelsel te wijzigen in de nu voorgestelde zin.
De Raad adviseert deze vraag te behandelen in de memorie van toelichting.
2. Marktwerking
Over de met het wetsvoorstel voorziene marktwerking merkt de Raad het volgende op.
a. De memorie van toelichting gaat ervan uit dat de marktwerking na het vrijgeven van het cursusaanbod op grond van de WIN zal meebrengen dat er meer kwaliteit wordt aangeboden, al dan niet tegen scherpere prijzen. De toelichting gaat echter niet in op andere denkbare ontwikkelingen, namelijk dat het eventueel wegvallen van het educatieaanbod van de ROC’s niet wordt gecompenseerd door aanbod van elders of dat dit in dusdanig geringe mate geschiedt dat prijsopdrijving ontstaat. Gezien hun rechtsplicht zouden de gemeentebesturen genoodzaakt zijn cursussen van nieuwe aanbieders in te kopen, ongeacht de prijs of de kwaliteit daarvan.
De Raad adviseert dit risico in de toelichting te bespreken.
b. De Raad merkt op dat het enkele opheffen van de zogenoemde gedwongen winkelnering nog niet betekent dat een vrije markt met verschillende aanbieders zal ontstaan. Daarvoor is onder meer nodig dat de voorwaarden voor elkaar beconcurrerende marktpartijen niet zodanig ongelijk zijn dat de toetreding van partijen tot die markt feitelijk wordt belemmerd. In de toelichting is geen aandacht gegeven aan dit aspect, hoewel de omstandigheid dat de ROC’s niet vennootschapsbelastingplichtig zijn en andere marktpartijen wel, daartoe aanleiding zou kunnen zijn. In dit verband is ook van belang dat de financiering van de ROC’s zo is opgezet dat geen indirecte subsidie wordt gegeven voor de educatieve programma’s ten behoeve van de inburgering die op de vrije markt worden aangeboden, teneinde de verdenking van staatssteun te vermijden.
Evenmin is aandacht gegeven aan de wijze waarop de aanbesteding van educatieve programma’s ten behoeve van de inburgering zal gaan plaats vinden bij het vrijmaken van de markt.
De Raad adviseert in de toelichting aan deze aspecten aandacht te geven.
3. Gevolgen voor de ROC’s
In 1996 is bij de totstandkoming van de WEB de verplichte inkoop van gemeenten bij de ROC’s wettelijk vastgelegd. Het vormen van de ROC’s is het gevolg geweest van de gedwongen fusie tussen de instellingen voor middelbaar beroepsonderwijs en (basis)educatie-instellingen. ROC’s hebben ondertussen geïnvesteerd in personeel en huisvesting om aan de vraag van gemeenten te voldoen.
Het feit dat gemeentebesturen niet meer verplicht zullen zijn educatieve programma’s ten behoeve van de inburgering van nieuwkomers bij de ROC’s in te kopen, zal voor de ROC’s financiële consequenties hebben. De memorie van toelichting volstaat met de vermelding dat van gemeentebesturen wordt verwacht dat zij afstemming zoeken met de ROC’s over een verantwoorde wijze waarop gekomen kan worden tot een eventuele vermindering van de afname van diensten.(zie noot 1)
De Raad adviseert nader in te gaan op de consequenties die de voorgestelde wetswijziging zal hebben voor de ROC’s.
4. Ontkoppeling onderwijs en examens
Het geven van onderwijs en het afnemen van examens zal door dezelfde instelling worden verzorgd (artikel I, onderdeel I van het wetsvoorstel). De kwaliteit (en gelijkwaardigheid) van de examens acht de Raad van groot belang in verband met het “civiel effect” van de inburgeringstoets: het behalen van de toets betekent feitelijk een vrijstelling van de naturalisatietoets.(zie noot 2) Van de waarborgen voor de kwaliteit die het wetsvoorstel bevat – beoordeling door twee correctoren, geen nadere beoordeling, een reglement betreffende de goede gang van zaken rond het afleggen van de toetsen en bewaking door gemeenten van naleving van de kwaliteitseisen – is allerminst zeker dat die voldoende zullen zijn om te verzekeren dat geslaagden in elk geval een bepaald minimumniveau hebben bereikt.
De Raad wijst erop dat het Hoofdlijnenakkoord het voornemen bevat een staatsexamen te “reguleren”.(zie noot 3) Dat is iets anders dan wat nu wordt voorgesteld.
De Raad geeft in overweging in het wetsvoorstel te voorzien in een staatsexamen, en op zijn minst de toetsingstaak te ontkoppelen van de onderwijstaak, zodat de aanbieders in ieder geval gehouden zullen zijn hun educatieve programma’s aan te passen aan het niveau van het examen
De Raad adviseert het wetsvoorstel in deze zin aan te passen.
5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 28 mei 2004
1. Overeenkomstig het advies van de Raad is deze vraag in de memorie van toelichting behandeld (onder verwijzing naar de recent aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangeboden Contourennota herziening van het inburgeringsstelsel (Kamerstukken II 2003/04, 29 543, nrs. 1-2) (hierna ook: Contourennota).
2.
a. Voor inburgeringscursussen van oudkomers zijn gemeenten,
ook in de huidige situatie, niet verplicht bij de ROC’s in te kopen. Ervaringen
die (met name enkele grote) gemeenten hebben opgedaan geven
er vertrouwen in dat er in de nieuwe situatie aanbieders zullen zijn die cursussen voor nieuwkomers zullen aanbieden. Om deze reden wordt het risico van prijsopdrijving gering geacht. Aan het advies van de Raad is in die zin gevolg gegeven, door aan te geven dat de in de memorie van toelichting reeds aangekondigde evaluatie zo wordt opgezet dat zal kunnen blijken of de door de Raad geschetste risico’s zich niet onverhoopt toch hebben verwezenlijkt.
b. ROC’s zijn privaatrechtelijke rechtspersonen, die zowel publieke taken
uitvoeren, alsook commerciële contractactiviteiten kunnen verrichten (artikel 1.7.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs). Na de voorgestelde wetswijziging kunnen ROC’s educatieve programma’s voor nieuwkomers niet langer als onderdeel van hun publieke taak aanbieden, maar kunnen zij deze wel als contractactiviteit aanbieden. Anders dan de Raad meent, zijn de ROC’s voor deze contractactiviteiten vennootschapsbelastingplichtig. Hiermee is de situatie van de ROC’s gelijk aan de situatie van andere marktpartijen, en is geen sprake van een ongelijk speelveld. Zoals paragraaf 3 van de memorie van toelichting reeds vermeldt dienen de ROC’s deze contractactiviteiten apart te administreren. Dit vloeit voort uit de richtlijnen die zijn opgenomen in het controleprotocol dat de Centrale Financiën Instellingen, de uitvoeringsorganisatie van OCW, bij de financiële verantwoording door instellingen hanteert. De vrees van de Raad dat indirecte subsidie wordt gegeven aan educatieve programma’s ten behoeve van inburgering die op de vrije markt worden aangeboden waardoor van staatssteun sprake kan zijn, kan op deze manier worden voorkomen. De bedoelde passage in paragraaf 3 van de memorie van toelichting is hierop aangevuld.
Overeenkomstig het advies van de Raad is in de toelichting ingegaan op de wijze van aanbesteden van educatieve programma’s.
3. De Raad gaat er in zijn advies vanuit dat er voor de ROC’s financiële gevolgen zullen zijn. In de memorie van toelichting is aangegeven dat de ROC’s de educatieve programma’s voor de inburgering van nieuwkomers – als contractactiviteit – kunnen blijven aanbieden, en dat, afhankelijk van het feit of hun marktaandeel kleiner wordt, het wetsvoorstel financiële gevolgen voor de ROC’s kan hebben. Aangegeven wordt ook, dat de precieze effecten zich lastig laten inschatten. Aan het advies van de Raad om nader in te gaan op de consequenties die de voorgestelde wetswijziging voor de ROC’s zal hebben, is in die zin gevolg gegeven, dat de toelichting is aangevuld met een passage waarin wordt aangegeven dat de rijksoverheid met de betrokken partijen (VNG en Bve Raad) zal overleggen over de wijze waarop gestalte kan worden gegeven aan de overgang van het huidige systeem naar een stelsel waarin sprake zal zijn van een vrije markt. Zoals in de Contourennota is aangegeven zal deze vrije markt in twee fasen worden gerealiseerd; het onderhavige wetsvoorstel ziet op de eerste fase.
4. Ter verduidelijking merken wij op dat met dit wetsvoorstel (nog) geen uitvoering wordt gegeven aan de voornemens uit het Hoofdlijnenakkoord met betrekking tot de nieuwe examenstructuur met betrekking tot inburgering (het basisexamen in het buitenland en het inburgeringsexamen in het binnenland). Uitvoering van deze voornemens zal geschieden in de Wet inburgering in het buitenland en de Wet inburgering in Nederland. Voor een nadere uiteenzetting over deze voornemens verwijzen wij naar paragraaf 7 van de Contourennota.
In de huidige Wet inburgering nieuwkomers (hierna ook: WIN) is nadrukkelijk gekozen voor een toets en niet voor een examen. Er is dus geen sprake van slagen of zakken, maar van een peiling van het niveau van beheersing van de Nederlandse taal en van het onderdeel Maatschappij Oriëntatie. De resultaten van de toets worden gemeten naar de twee verschillende niveaus die de WIN onderscheidt: een minimumniveau en een niveau dat betekenis heeft voor de doorstroming naar vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt (art. 11 WIN). De inhoud en de niveaus van de inburgeringstoets voor nieuwkomers, alsmede de eindtermen zijn vastgelegd in regelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Regeling vaststelling inhoud en niveaus inburgeringstoets nieuwkomers en Regeling eindtermen breed maatschappelijk functioneren en sociale redzaamheid). Er wordt gebruik gemaakt van landelijk gestandaardiseerde toetsen (Profieltoets NT2 en MO-Profieltoets).
Na de voorgestelde wetswijziging wordt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie verantwoordelijk voor het bij ministeriële regeling regelen van de inhoud, de niveaus en de eindtermen inburgering voor nieuwkomers en kan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de profieltoetsen dwingend voor alle aanbieders voorschrijven. In verband hiermee is aan het voorgestelde artikel 10a van de Wet inburgering nieuwkomers een tweede lid toegevoegd omdat het wetsvoorstel de in dit opzicht beoogde situatie nog niet geheel sluitend had geregeld (Artikel I, onderdeel I).
Net als in de huidige situatie hebben de aanbieders van educatieve programma’s tot taak om te zorgen dat de deelnemers een zodanig programma kunnen volgen dat er een gerede kans bestaat dat zij een van de in de Wet inburgering nieuwkomers genoemde niveaus bereiken. Gemeenten zullen dit moeten bewaken. Daarnaast zijn in het wetsvoorstel waarborgen opgenomen die zijn gericht op het afnemen en beoordelen van de toetsen (artikel I, onderdeel K). Deze zijn nodig nu daarvoor niet meer op de Wet educatie en beroepsonderwijs kan worden teruggevallen. Naar onze mening zijn de kwaliteitswaarborgen zoals die in het wetsvoorstel zijn opgenomen in het huidige systeem voldoende. Wij zien, op de bovengenoemde aanpassing na, geen reden het wetsvoorstel verder aan te passen.
5. De redactionele kanttekeningen van de Raad zijn overgenomen.
6. Na ommekomst van het advies van de Raad is nog een nadere wijziging van artikel 16 van de Wet inburgering nieuwkomers aangebracht die in het oorspronkelijke voorstel abusievelijk achterwege is gebleven. Als gevolg van het koninklijk besluit van 28 oktober 2002, Stb. 548 tot herindeling van de ministeriële taak ten behoeve van het verstrekken van rijksbijdragen aan gemeenten ten behoeve van de inburgering van nieuwkomers en oudkomers is geen behoefte meer aan de overlegverplichting met de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangezien zij niet langer medeverantwoordelijk zijn. Ook is geen behoefte meer aan de aanwijzing van een verantwoordelijke minister om de voordracht voor de in artikel 16 bedoelde algemene maatregel van bestuur te doen, nu daarover geen twijfel meer kan bestaan dat dit de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie is (zie artikel I, onder N).
Tenslotte zijn nog enkele redactionele verbeteringen aangebracht.
Ik moge U, mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie
(1) Memorie van toelichting, slot par. 4.
(2) Memorie van toelichting, slot par. 3.
(3) Kamerstukken II 2002/03, nr. 19, blz. 14.