Voorstel van wet houdende wijziging van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen in verband met het verbeteren van enkele onvolkomenheden in de regels over de voorwaardelijke machtiging en de observatiemachtiging.
- Kenmerk
- W13.03.0372/III
- Datum advies
- 7 november 2003
- Vindplaats
- Kamerstukken II 2003–2004, 29 363, nr. 4 (alleen nader rapport)
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Wet
Toon inhoud
Voorstel van wet houdende wijziging van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen in verband met het verbeteren van enkele onvolkomenheden in de regels over de voorwaardelijke machtiging en de observatiemachtiging.
Dit betekent dat de tekst van het advies "zonder meer instemmend luidt, dan wel uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat". Openbaarmaking van een advies conform blijft achterwege (artikel 25a, vierde lid, van de Wet op de Raad van State). De tekst van het advies wordt dus nergens gepubliceerd, niet in het Bijvoegsel van de Staatscourant en niet in de Kamerstukken.
Nader rapport (reactie op het advies) van 2 december 2003
Het voorstel geeft de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. Hij geeft U in overweging het voorstel te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om een wijziging van wetstechnische aard in artikel I, onderdeel C, van het wetsvoorstel aan te brengen. In de versie van dit artikelonderdeel zoals dit aan de Raad is voorgelegd, is geregeld dat artikel 40, derde lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) van toepassing is op personen die krachtens een observatiemachtiging zijn opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. In verband hiermee dient echter ook artikel 40, vijfde lid, van de Wet Bopz van toepassing te zijn. Dat artikellid bepaalt dat van opleggingen van onder meer de in artikel 40, derde lid, bedoelde beperkingen onverwijld mededeling wordt gedaan aan de geneesheer-directeur. Een hiertoe strekkende bepaling is opgenomen in artikel I, onderdeel C. De memorie van toelichting is op dit punt aangevuld.
Ik moge U, mede namens mijn ambtgenoot van Justitie, verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport