Vereenvoudigingswet Justitie en Veiligheid 2027.
- Kenmerk
- W16.26.00258/II
- Datum aanhangig
- 2 september 2026
- Datum vastgesteld
- 14 oktober 2026
- Datum advies
- 14 oktober 2026
- Datum publicatie
- 19 oktober 2026
- Vindplaats
- Website Raad van State
- Justitie en Veiligheid
- Wet
Toon inhoud
Bij Kabinetsmissive van 2 september 2026, no.2026001801, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijzigingen van verschillende wetten op het terrein van het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor verbetering en vereenvoudiging daarvan (Vereenvoudigingswet Justitie en Veiligheid 2027), met memorie van toelichting.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt eerst inleidende opmerkingen bij de introductie van een jaarlijkse vereenvoudigingswet (paragraaf 1). Vervolgens maakt de Afdeling opmerkingen over het voorgelegde wetsvoorstel Vereenvoudigingswet Justitie en Veiligheid 2027 (paragraaf 2).
In verband met deze opmerkingen is aanpassing wenselijk van de toelichting.
1. Inleidende opmerkingen bij de introductie van een jaarlijkse vereenvoudigingswet
a. Introductie
Het kabinet wil werken aan eenvoudiger wetgeving en introduceert een jaarlijkse Vereenvoudigingswet. (zie noot 1) Deze staat in de context van het streven van het kabinet naar een Slagvaardige overheid. In de binnenkort te verschijnen Staat van de Wetgeving 2026 geeft het kabinet tegen deze achtergrond een analyse van regelcomplexiteit en vereenvoudiging.
Een jaarlijkse vereenvoudigingswet zal zijn plaats moeten vinden in relatie tot het geheel van reguliere wetgevingsoperaties. Het zal niet moeten blijven steken in "laaghangend fruit" en in regulier "onderhoud" dat doorgaans in verzamelwetten en -besluiten zijn weg vindt. Evenmin kunnen grote stelseloperaties in het snelle tijdpad van een jaarlijkse vereenvoudigingswet worden gepast; tegelijkertijd mag het geen reden vormen die te vermijden. Er zijn op veel terreinen inhoudelijke redenen om tot een meer fundamentele heroverweging van een stelsel te komen, wat tevens voor een wezenlijke vereenvoudiging en slagvaardigheid noodzakelijk is.
Aan de Afdeling is thans een eerste editie van een vereenvoudigingswet bestaande uit drie wetsvoorstellen voorgelegd. Bij deze gelegenheid maakt de Afdeling enkele inleidende opmerkingen.
b. Drie opgaven
Wanneer wet- en regelgeving door zijn omvang en complexiteit onvoldoende begrijpelijk, toegankelijk en uitvoerbaar is, neemt het presterend vermogen van de overheid af en knaagt het aan het gezag van het recht. Daarom is een structurele vorm van bezinning - zoals in de nu gekozen vorm van een jaarlijkse vereenvoudigingswet - te beschouwen als een belangrijke rechtsstatelijke opgave.
Een jaarlijkse vereenvoudigingswet is géén technische exercitie; het gaat om afweging van belangen. Voor wie wordt vereenvoudigd en ten koste van wat? Vereenvoudiging in de uitvoering kan leiden tot minder fijnmazigheid, waardoor spanning tussen uitvoerbaarheid en rechtvaardigheid ontstaat. Het schrappen van "uitzondering op uitzondering" kan gunstig zijn voor slagvaardigheid, maar voor degenen die daar baat bij hadden, is het een verlies. Pijnloos vereenvoudigen bestaat niet; het is voor de wetgever een opgave om hier transparant over te zijn.
Een jaarlijkse vereenvoudigingswet is een veranderopgave, "anders dan anders". Er zal met de vereenvoudigingswet ervaring moeten worden opgedaan om deze inhoudelijk en procesmatig effectief te laten zijn. Het vraagt "anders dan anders" denken: vasthouden aan ingesleten beleids- en wetgevingsprocessen (inclusief onverkort vasthouden aan aanwijzingen, toetsingskaders, handleidingen, enzovoorts), beperkt de slaagkans van een jaarlijkse vereenvoudigingswet. Dit doet een appèl op alle actoren in het wetgevingsproces: ambtelijk en politiek, binnen en buiten de rijksoverheid.
c. Proces
Om jaarlijkse een editie van vereenvoudigingswetten te kunnen indienen, is een brede voorbereiding van belang. Bestaande rapporten, onderzoeken, adviezen - ook van uitvoeringsorganisaties en toezichthouders - bevatten veel materiaal dat al op de plank ligt. Een thematische aanpak - zoals: gegevensuitwisseling, verantwoording en compliance, vergunningstelsels, toetsingskaders - kan helpen om samenhang en vaart in telkens weer een jaarlijkse editie aan te brengen.
Voor het welslagen is ook een effectieve aanpak nodig: (proces-) afspraken interdepartementaal, binnen het kabinet, met Tweede en Eerste Kamer, en andere actoren in het wetgevingsproces. De coördinerend bewindspersoon, in dit kabinet de staatssecretaris belast met de slagvaardige overheid, moet daartoe in positie zijn en daarop aanspreekbaar zijn. Het helpt indien de Kamers de vereenvoudigingswet en behandeling van de in een jaarlijkse editie vervatte concrete voorstellen laten coördineren door één commissie.
Het welslagen van de vereenvoudigingswet staat of valt met het voorkomen van "dweilen met de kraan open". Een ieder zal zich deze achilleshiel van de veranderopgave realiseren. Regering en Kamers zullen nieuwe voorstellen voor wet- en regelgeving, amendementen en moties met oproepen tot wet- en regelgeving moeten durven heroverwegen.
d. Rol Afdeling
De Afdeling zal de eigen adviezen aldus kritisch bezien. In haar "poortwachtersrol" zal nog nadrukkelijker worden aangegeven hoe reguliere ontwerpwetten en -besluiten zich verhouden tot eenvoud en slagvaardigheid. De Afdeling kan toetsen of voldoende is onderbouwd dat de onder de jaarlijkse editie van de vereenvoudigingswet ingediende concrete voorstellen terecht onderdeel uitmaken daarvan. En voorzover dat het geval is, wordt binnen de te maken afspraken door kabinet en Kamers over versnelde behandeling van de jaarlijkse vereenvoudigingswet, met voorrang geadviseerd.
e. Verdieping
Met deze inleidende opmerkingen is uiteraard lang niet alles gezegd. Juist omdat de vereenvoudigingswet een rechtsstatelijke opgave is waarbij spanning tussen slagvaardigheid en rechtszekerheid kan ontstaan, is een verdere verdieping van relevante ontwikkelingen en afwegingen noodzakelijk. Een dergelijke verdieping is allereerst noodzakelijk ten aanzien van de oorzaken van de toegenomen regelcomplexiteit, waartoe met de Staat van de Wetgeving een eerste aanzet zal worden gegeven. Daarnaast zijn verschillende thema’s denkbaar.
Zo is in het huidige tijdgewricht meer dan in vergelijkbare operaties in vorige decennia de samenloop tussen Europese Unieregelgeving en nationale regelgeving van betekenis. Het de laatste jaren toegenomen belang van uitvoerbaarheid (door overheidsinstanties) en van doenvermogen (van burgers) heeft ook een weerslag op het niveau van beleidsregels, handleidingen en dergelijke.
Overheidsinstanties zijn nog volop bezig om digitale ontwikkelingen, in het bijzonder (persoons-)gegevensuitwisseling, in regelgeving en uitvoering in te passen, of AI stelt iedereen alweer voor nieuwe uitdagingen.
Verder werken aan verdieping zal onderdeel moeten zijn van de veranderopgave, ook in vervolgadviezen van de Afdeling.
Tot slot: er is alle aanleiding om een vereenvoudigingsoperatie aldus in gang te zetten. Een verhoging van het presterend vermogen van de overheid krijgt nog meer urgentie in het licht van de huidige geopolitieke ontwikkelingen die op velerlei terrein noodzaken tot sneller en effectiever overheidsoptreden juist ter bescherming van de democratische rechtstaat en samenleving.
2. De Vereenvoudigingswet Justitie en Veiligheid 2027
De Vereenvoudigingswet Justitie en Veiligheid 2027 is onderdeel van de eerste tranche van de jaarlijkse vereenvoudigingswet, die bestaat uit een pakket van afzonderlijke wetsvoorstellen. (zie noot 2) Met het onderhavige wetsvoorstel worden wijzigingen doorgevoerd in diverse wetten op het terrein van Justitie en Veiligheid die tot doel hebben fouten en onduidelijkheden te verbeteren of bepaalde procedures te vereenvoudigen. (zie noot 3)
Het wetsvoorstel maakt het onder meer mogelijk om de oprichting van een vennootschap te verlijden in de Engelse taal en om een akte van statutenwijziging van de vennootschap in het Engels te verlijden. (zie noot 4) Dit wordt voorgesteld naar aanleiding van advies van de Expertgroep modernisering NV-recht. (zie noot 5)
De Afdeling merkt in dat verband op dat binnen het Koninkrijk het uitgangspunt is dat oprichtingsakten en statuten van rechtspersonen in het algemeen worden gesteld in een van de officiële talen van het betreffende land of landsdeel. (zie noot 6) Wordt een andere taal gebruikt, dan is dat toegestaan maar dan moet de notaris deze taal begrijpen en moet een erkende vertaling worden bijgevoegd.
De regeling van art. 2:175a-176 BW maakt daarop een uitzondering voor kort gezegd elektronische oprichting van BV’s. Deze regeling is implementatie van Europees recht en veronderstelt het gebruik van modelakten in de Engelse taal. (zie noot 7) Het wetsvoorstel wil nu een aanzienlijke stap verder gaan, namelijk door toe te staan dat alle oprichtingsakten en statuten van NV’s én BV’s voortaan ook in het Engels kunnen worden gesteld en dat de statuten van reeds bestaande beursgenoteerde vennootschappen mogen worden omgezet naar het Engels. Daarmee gaat het wetsvoorstel verder dan het advies van de expertgroep modernisering NV-recht, wijkt het zonder nadere motivering af van de boven vermelde koppeling met de officiële taal, en treft het geen regeling voor andere rechtspersonen dan kapitaalvennootschappen.
Het voorstel neemt niet weg dat het Nederlands recht moet worden toegepast bij de uitleg van Engelstalige statuten. Dat de statuten in het Engels zijn opgesteld, doet immers niet af aan de toepasselijkheid van het Nederlandse rechtspersonenrecht. Dit geldt niet alleen voor juridische procedures waar de vennootschap zelf bij betrokken is, maar kan ook het geval zijn bij rechtszaken van derden waarbij een uitleg van de statuten van belang is.
De Afdeling adviseert in de toelichting de gevolgen van de toelating van Engelstalige statuten van vennootschappen voor de Nederlandstalige rechtspraktijk nader toe te lichten. De Afdeling geeft daarbij in overweging om het wetsvoorstel zodanig te wijzigen dat de (wijziging van de) akte van oprichting en statuten van een vennootschap in ieder geval in de Nederlandse taal wordt verleden, waarbij de mogelijkheid openblijft om dit ook in de Engelse taal te doen. Ook is denkbaar een toevoeging van een erkende Nederlandse vertaling aan de akte te verplichten. Beide taalversies zijn dan authentiek en kunnen een rol spelen bij uitleggeschillen.
In verband hiermee is aanpassing wenselijk van de toelichting.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.
De waarnemend vice-president van de Raad van State
Voetnoten
(1) Zie Kamerbrief Vereenvoudigingswet 2026 van 7 september 2026, Kamerstukken II 2026/27, 29362, nr. 408.
(2) Zie ook Kamerbrief Vereenvoudigingswet 2026 van 7 september 2026, Kamerstukken II 2025/26, 29362, nr. 408.
(3) Toelichting, paragraaf 1.
(4) Voorgesteld artikel I, onderdelen C, J, K en N.
(5) Zie Expertgroep modernisering NV-recht | Rijksoverheid.nl
(6) Zie art. 2:27 lid 2 BW, 2:65, 2:176 lid 1, art. 2:286 lid 2 BW. Vgl. ook art. 16 Wet gebruik Friese taal. Op grond van artikel 2:4 van resp. BW Curaçao, BW Aruba, BW St. Maarten en BW BES kunnen in de Caribische landen van het Koninkrijk en in de BES oprichtingsakten van rechtspersonen ook in andere talen worden verleden, mits de notaris die taal verstaat. Als de oprichtingsakte in het Papiaments of de Engelse of Spaanse taal is gesteld dan hoeft er geen officiële vertaling in het Nederlands aan de akte te worden gehecht.
(7) Art. 13nonies Richtlijn 2017/1132 ingevoegd door Richtlijn 2019/1151.