Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W13.26.00186/III

Wet integere sport.

Kenmerk
W13.26.00186/III
Datum aanhangig
3 juli 2026
Datum vastgesteld
14 oktober 2026
Datum advies
14 oktober 2026
Datum publicatie
19 oktober 2026
Vindplaats
Website Raad van State
  • Volksgezondheid, Welzijn en Sport
  • Wet

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Bij Kabinetsmissive van 3 juli 2026, no.2026001433, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels ter bevordering van een integere sport (Wet integere sport), met memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel voorziet in de oprichting van één integriteitscentrum in de sport. Daartoe wordt een nieuw zelfstandig bestuursorgaan (zbo), Integere Sport Nederland (ISN) opgericht, waarin de Dopingautoriteit en Centrum Veilige Sport Nederland (CVSN) opgaan.

Het voorstel voorziet daarnaast in de vaststelling van modelgedragsnormen door de minister van VWS en de verplichting voor sportorganisaties en -instellingen om die gedragsnorm in de eigen reglementen te implementeren. Sportorganisaties en instellingen zijn voorts verplicht in overeenstemming met deze gedragsnormen een interne meld- en opvolgprocedure in te richten voor het behandelen van meldingen over grensoverschrijdend gedrag of andere integriteitsschendingen.

Het wetsvoorstel is erop gericht de sportsector beter in staat te stellen om invulling te geven aan een integere sport en die te borgen. Daarbij wordt onder integere sport verstaan, eerlijke en sociaal veilige sport. Uitgangspunt is dat de primaire verantwoordelijkheid bij de sportsector ligt.

De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft het belang van een eerlijke en sociaal veilige sport. Eveneens onderschrijft de Afdeling het uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid daarvoor primair bij de sportorganisaties en -instellingen zelf ligt. Daarmee wordt ook recht gedaan aan het grondwettelijke recht op vrijheid van vereniging.

De Afdeling merkt op dat de in het voorstel voorgestelde maatregelen leiden tot een toename van complexiteit, waarbij niet duidelijk is waarom de regering verwacht dat het voorstel concreet zal bijdragen aan eerlijke en sociaal veilige sport.

De Afdeling merkt op dat de toelichting onvoldoende duidelijk maakt waarom de oprichting van een nieuw zbo dat verschillende taken op het terrein van eerlijke en sociaal veilige sport moet gaan behartigen, wenselijk en noodzakelijk is. De Afdeling adviseert daarom af te zien van het oprichten van een nieuw zbo en de Dopingautoriteit als bestaand zbo voor dopingzaken te handhaven. Indien de regering ondanks de genoemde bezwaren ervoor zou kiezen toch een zbo in te stellen, adviseert de Afdeling om de noodzaak hiervan in de toelichting alsnog dragend te motiveren.

Over de vaststelling van model gedragsnormen door de minister van VWS en de verplichting voor sportorganisaties en verenigingen om die in hun eigen reglementen op te nemen, merkt de Afdeling op dat de aldus voorgestelde regeling een inperking van het grondwettelijke recht op verenigingsvrijheid behelst. De Afdeling adviseert de aldus voorgestelde regeling dragend te motiveren en er anders vanaf te zien.

In verband met deze opmerkingen dient het wetsvoorstel nader te worden overwogen.

1. Achtergrond, context en aanleiding van het wetsvoorstel

a. Achtergrond en context
Sport heeft maatschappelijke waarde. Het brengt mensen bij elkaar en is gezond. Tegelijk is er in de sport ook sprake van grensoverschrijdend gedrag en andere integriteitsschendingen. (zie noot 1)

Bovendien komen sommige vormen van integriteitsschendingen, zoals bijvoorbeeld dopinggebruik en matchfixing vooral voor in de sport. Daarbij bestaat ook het risico van verwevenheid tussen bovenwereld en onderwereld, zoals de georganiseerde misdaad, drugshandel en online gokken. (zie noot 2)

In Nederland is al sinds de jaren zeventig bestuurlijke aandacht voor het bevorderen van een veilige en integere sport op verenigingsniveau, onder meer met masterplannen, actieplannen en sportakkoorden. (zie noot 3)

Zo is recent het ‘Hoofdlijnen Sportakkoord II’ (zie noot 4) tot stand gekomen dat samenwerking tussen diverse actoren op landelijk en lokaal niveau faciliteert. Hierin zijn vier basiseisen van sociale veiligheid voor sportorganisaties en -instellingen neergelegd. Sportorganisaties en -instellingen die voldoen aan de vier basiseisen voor sociale veiligheid beschikken over een vastgestelde gedragscode, opgeleide vertrouwenscontactpersoon, toegang tot een gratis Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) en vakkundige trainer-coaches. Het gaat daarbij om het bereiken van een cultuuromslag.

Het Sportakkoord faciliteert samenwerking tussen diverse actoren op landelijk en lokaal niveau. Het onderstreept dat sportaanbieders moeten zorgen voor een veilig klimaat maar dat daarvoor extra ondersteuning komt door het versterken van bonden en brancheverenigingen met integriteitsmanagers en extra middelen. Ook komt er meer voorlichting en educatie vanuit de koepels ter vergroting van de weerbaarheid van sporters. (zie noot 5)

b. Aanleiding
Toch zijn volgens de toelichting bij het voorliggende voorstel Wet integere sport deze inspanningen niet toereikend gebleken. Gevallen van grensoverschrijdend gedrag in bijvoorbeeld de gymsport en danssport hebben veel aandacht gekregen in media en politiek. (zie noot 6)

Dit heeft in 2021 en 2022 geleid tot een aantal aangenomen Kamermoties waarin het kabinet werd gevraagd om de rollen en verantwoordelijkheden binnen de sportsector te verduidelijken, het Centrum Veilige Sport Nederland (CVSN) onafhankelijk te positioneren en diens taken opnieuw te definiëren, aldus de toelichting. (zie noot 7) Dit wetsvoorstel is hiervan een uitvloeisel.

2. Doel en inhoud van het voorstel

Het wetsvoorstel is erop gericht de sportsector beter in staat te stellen om invulling te geven aan een integere sport en die te borgen. Uitgangspunt daarbij blijft dat de primaire verantwoordelijkheid daarvoor bij de sportsector zelf ligt. (zie noot 8)

Dit wetsvoorstel voorziet in de oprichting van één integriteitscentrum voor de sport: Integere Sport Nederland (ISN). Daarbij wordt voortgebouwd op de bestaande Dopingautoriteit en het CVSN. Beide instellingen en hun takenpakket gaan op in het nieuwe zelfstandig bestuursorgaan ISN.

ISN gaat de bestaande wettelijke taken van de ‘Dopingautoriteit’ zoals die op dit moment zijn vastgelegd in de Wet uitvoering antidopingbeleid (Wuab) uitvoeren. (zie noot 9) Van het CVSN gaat de bestaande advies- en ondersteuningstaak over naar ISN. ISN functioneert, net als het bestaande CVSN, als meldpunt. Anders dan het bestaande CVSN krijgt ISN tevens als taak om onderzoek te doen naar meldingen over integriteitsschendingen en zogenoemde opvolgingsadviezen te geven aan sportorganisaties en -instellingen. Een opvolgingsadvies bevat in ieder geval een oordeel over de aannemelijkheid van een integriteitsschending en, als daarvan sprake is, aanbevelingen aan de sportorganisatie of -instelling. (zie noot 10)

Het voorstel voorziet daarnaast in de vaststelling van modelgedragsnormen door de minister van VWS en de verplichting voor sportorganisaties en -instellingen om die gedragsnorm in de eigen reglementen te implementeren. (zie noot 11) Sportorganisaties en instellingen zijn voorts verplicht in overeenstemming met deze gedragsnormen een interne meld- en opvolgprocedure voor het behandelen van meldingen over grensoverschrijdend gedrag of andere integriteitsschendingen in te richten. (zie noot 12)

3. Integriteit binnen de sportsector

De Afdeling onderschrijft het belang van een eerlijke en sociaal veilige sport. Tegelijkertijd wordt binnen de sportsector de afgelopen jaren al op indringende wijze aandacht besteed aan integriteit met de daarbij behorende cultuuromslag en het opstellen van gedragsnormen door sportorganisaties en -instellingen. Dit past bij het door de regering gehanteerde uitgangspunt dat integriteit primair een verantwoordelijkheid is van sportorganisaties en -instellingen zelf. Daarmee wordt ook recht gedaan aan het grondwettelijke recht op vrijheid van vereniging.

Het ministerie van VWS ondersteunt met het ‘Hoofdlijnen Sportakkoord II’ deze cultuuromslag. (zie noot 13) Zonder wettelijk ingrijpen faciliteert het ministerie voor de periode 2023-2026 de samenwerking tussen diverse actoren op landelijk en lokaal niveau, waarbij aandacht is voor bewustwording, cultuuromslag en eisen aan een eerlijke en sociaal veilige sport. Ook is voorzien in extra middelen. (zie noot 14)

De Afdeling merkt op dat de toelichting weliswaar melding maakt van de bestaande aandacht voor integriteit in de sport, maar niet ingaat op de resultaten daarvan.

De nadruk van dit voorstel ligt op de governance, waarbij wordt voorzien in de oprichting van een nieuw integriteitscentrum in de vorm van een zbo, de vaststelling van gedragsnormen door de minister en een zogenoemde parallelle structuur voor het behandelen van meldingen over grensoverschrijdend gedrag door het nieuwe integriteitscentrum.

De Afdeling merkt op dat de in het voorstel opgenomen maatregelen met onder meer de oprichting van een nieuw zbo, nieuwe onderzoeksbevoegdheden en de vaststelling van gedragsnormen door de minister leiden tot een toename van complexiteit. Tegelijkertijd is niet duidelijk op grond waarvan de regering verwacht dat de voorgestelde maatregelen concreet zullen bijdragen aan eerlijke en sociaal veilige sport. De vraag is bovendien hoe het voorstel zich verhoudt tot het in de toelichting genoemde uitgangspunt dat de primaire verantwoordelijkheid om invulling te geven aan een integere sport, bij de sportsector zelf ligt. (zie noot 15)

In dat licht maakt de Afdeling de volgende opmerkingen.

4. Oprichting nieuw zbo

Bij het beoogde ISN wordt een aantal taken, gericht op integere sport, samengevoegd. Het gaat daarbij enerzijds om taken die moeten bijdragen aan een eerlijke sport, namelijk het bestrijden van dopinggebruik en het bestrijden van matchfixing. Anderzijds gaat het om taken die betrekking hebben op het realiseren en behouden van een sociaal veilige sport. Ieder van deze taken kent een eigen context en eigen processen en vereist bovendien een eigen deskundigheid.

De toelichting maakt onvoldoende duidelijk waarom de oprichting van een nieuw zbo dat deze verschillende taken behartigt, wenselijk en noodzakelijk is. In dit verband maakt de Afdeling de volgende opmerkingen.

a. Nieuw orgaan met verschillende taken
De Afdeling wijst erop dat de aan ISN toegewezen taak van de bestrijding van doping geheel overeenkomt met de taak van de bestaande Dopingautoriteit. In de bestaande wetgeving is voorzien in alle bevoegdheden die de Dopingautoriteit voor zijn onderzoekstaken nodig heeft. Bovendien functioneert de Dopingautoriteit als bestaand zbo goed en staat dat ook niet ter discussie. (zie noot 16) De toelichting motiveert niet waarom de Dopingautoriteit als zbo niet kan worden gehandhaafd en onderbrenging daarvan in het nieuwe integriteitscentrum noodzakelijk is. Het onderbrengen van de huidige Dopingautoriteit in het nieuwe ISN heeft daarom voor het voorkomen en bestrijden van doping in de sport geen herkenbare meerwaarde.

Ook is onduidelijk waarom ISN een onderzoekstaak krijgt met betrekking tot matchfixing, wat die taak gaat inhouden en wat de toegevoegde waarde daarvan is. Belangrijk bij de aanpak van matchfixing is in de eerste plaats dat criminelen geen grip krijgen op sport en uitslagen. De Afdeling wijst erop dat het hier gaat om strafbare feiten. (zie noot 17) Aanpak daarvan is een taak van politie en OM, Kansspelautoriteit en FIOD, die daartoe bovendien over wettelijk verankerde opsporingsbevoegdheden beschikken. Daarmee is onafhankelijk en objectief onderzoek en beoordeling gewaarborgd.

Onderzoek door ISN zoals voorgesteld, leidt hooguit tot een opvolgingsadvies aan de sportorganisatie of -instelling, waarbij een oordeel wordt gegeven over de aannemelijkheid dat sprake is van matchfixing. Onduidelijk is wat die organisaties daar vervolgens mee kunnen. Omdat het gaat om strafbare feiten ligt overdracht aan de politie of melding bij de kansspelautoriteiten voor de hand. Oprichting van het beoogde zbo ISN heeft voor de aanpak van matchfixing daarom evenmin meerwaarde.

Waar het gaat om sociaal veilige sport wordt niet toereikend toegelicht waarom onderzoek naar meldingen door ISN noodzakelijk wordt geacht. Voor ernstige integriteitsschendingen is ook hier onderzoek door politie of in het kader van een tuchtrechtprocedure aangewezen. Er bestaan dus al trajecten, die voorzien in onafhankelijk onderzoek en beoordeling.

NOC*NSF heeft er in zijn internetconsultatiereactie op gewezen dat niet ieder integriteitsprobleem om een (zwaar) onderzoektraject vraagt. (zie noot 18) Volgens NOC*NSF heeft de praktijk in het verleden laten zien dat langdurige onderzoeken soms méér schade aanrichten dan ze oplossen. Slachtoffers en melders willen vooral snel weer veilig en prettig sporten. NOC*NSF wijst er in dit verband op dat sportbonden daarom bewust kiezen voor interventies die werken, zoals bijvoorbeeld mediation, Halt-trajecten van de KNVB en gespreksbemiddeling. (zie noot 19) Dit is sneller, toegankelijker en met meer resultaat, aldus NOC*NSF. Volgens NOC*NSF moet, naast onafhankelijk onderzoek bij ernstige zaken, ruimte blijven voor laagdrempelige oplossingen, dicht bij vereniging en bond.

De Afdeling onderschrijft het belang van voormelde aanpak waarin, juist waar het gaat om sociale veiligheid, mediation, gespreks- of conflictbemiddeling belangrijk is. (zie noot 20) Dat is laagdrempelig, kan snel worden georganiseerd en kan betrokkenen daadwerkelijk tot elkaar brengen. Betrokkenen kunnen daarmee in een meer informele sfeer op hun gedrag en verantwoordelijkheden worden aangesproken, hetgeen de kans op succes vergroot. Zo’n aanpak staat er ook niet aan in de weg dat bij vermoeden van strafbare feiten aangifte bij de politie gedaan kan worden. Om invulling te geven aan een dergelijke aanpak is de voorgestelde onderzoeksbevoegdheid niet nodig. Daarmee komt ook aan dit argument om ISN als nieuw zbo op te richten onvoldoende betekenis toe.

Over het uitgangspunt van het voorstel om de bestrijding van sociaal onveilig gedrag, doping en de manipulatie van sportwedstrijden op het terrein van het ministerie van VWS onder te brengen bij één orgaan om op die manier versnippering van organisaties en taken te voorkomen merkt de Afdeling ten slotte het volgende op.

De regering wenst de bestrijding van verschillende vormen van integriteitsschendingen onder te brengen bij één orgaan. Het voorstel regelt dit echter niet. In dit verband wijst de Afdeling er allereerst op dat volgens het voorstel meldingen over integriteitsschendingen niet alleen bij het ISN kunnen worden gedaan, maar juist ook alle sportorganisaties en verenigingen in een meldpunt en opvolgprocedure moeten voorzien. Dit betekent dat, naast het meldpunt van ISN, vele duizenden meldpunten ontstaan waar opvolging aan meldingen zal moeten worden gegeven. Zoals hiervoor al vermeld hebben politie OM, kansspelautoriteit en FIOD bestaande bevoegdheden om meldingen over integriteitsschendingen te onderzoeken. Het voorstel brengt in die bevoegdheden geen wijziging. Het voegt echter wel een nieuw meldpunt toe.

Uit het voorgaande volgt dat de Afdeling geen noodzaak ziet om een nieuw orgaan in te stellen. Daarbij merkt de Afdeling het volgende op ten aanzien van het voorstel van de regering om een zbo in te stellen.

b. Terughoudendheid bij instellen zbo
Het is regeringsbeleid om terughoudend te zijn met de wettelijke instelling van onafhankelijke instanties. (zie noot 21) Ook het Regeerakkoord 2026 geeft invulling aan die terughoudendheid. (zie noot 22) De noodzaak voor het instellen of toebedelen van een taak aan een zbo, behoeft daarom afzonderlijke motivering in de toelichting. (zie noot 23)

In het licht van de inperking van de ministeriële verantwoordelijkheid en daarmee van de democratische controle is het geboden dat de regering zich houdt aan de beleden terughoudendheid tot het instellen van nieuwe zbo’s. Dit betekent dat een grondige afweging en een zorgvuldige afweging van voors en tegens van de instelling van een nieuw zbo noodzakelijk zijn. Daarbij dienen nadrukkelijk ook andere opties gemotiveerd te worden afgewogen. (zie noot 24)

De toelichting beschrijft dat is overwogen om het bestaande CVSN door te ontwikkelen als een privaatrechtelijke entiteit, zoals een stichting. Volgens de toelichting is hiervoor niet gekozen omdat het beoogde integriteitscentrum niet alleen meldingen moet kunnen ontvangen, maar ook moet kunnen onderzoeken en advies kunnen geven over de opvolging. Voor de uitvoering van die taken is openbaar gezag nodig en moet worden beschikt over een publiekrechtelijke bevoegdheid om eenzijdig de rechtspositie van andere rechtssubjecten te bepalen, aldus de toelichting. (zie noot 25)

De Afdeling merkt op dat ISN in het voorstel, anders dan dat zij bij een melding of signaal nagaat of er normen en een interne meld- en opvolgprocedure zijn ingeregeld, geen handhavende rol krijgt. Bovendien is er geen verplichte opvolging van de opvolgingsadviezen. (zie noot 26) ISN neemt daarmee derhalve geen besluiten die eenzijdig de rechtspositie van andere rechtssubjecten bepalen. Daarom is het, anders dan waarvan de toelichting uitgaat, niet nodig dat ISN beschikt over een publiekrechtelijke bevoegdheid om eenzijdig de rechtspositie van andere rechtssubjecten te bepalen. Voor de uitvoering van preventie en voorlichting is een dergelijke publiekrechtelijke bevoegdheid evenmin nodig.

Het instellen van een zbo is volgens de toelichting voorts noodzakelijk om een wettelijke grondslag en doorbrekingsgrond te creëren voor het verwerken van persoonsgegevens. (zie noot 27) De Afdeling merkt hierover op dat die vermeende noodzaak voortkomt uit de voorgestelde onderzoeksbevoegdheid van ISN naar meldingen. Zoals hiervoor onder 3a uiteengezet is een dergelijke onderzoeksbevoegdheid niet noodzakelijk. Daarmee is ook de beoogde gegevensverwerking en gegevensuitwisseling niet aan de orde.

c. Conclusie
De Afdeling adviseert af te zien van het oprichten van een nieuw zbo en de Dopingautoriteit als bestaand zelfstandig bestuursorgaan voor dopingzaken te handhaven. Indien de regering ondanks de genoemde bezwaren ervoor zou kiezen toch een zbo in te stellen, adviseert de Afdeling om de noodzaak hiervan in de toelichting alsnog dragend te motiveren.

5. Modelnormen

a. Inperking vrijheid van vereniging

Het voorstel regelt dat de minister sportorganisaties aanwijst die modelnormen moeten opstellen. De minister stelt vervolgens deze modelnormen vast. Vervolgens zijn sportorganisaties en -instellingen verplicht normen die in overeenstemming zijn met de door de minister vastgestelde modelnormen in de eigen reglementen op te nemen. (zie noot 28)

De Afdeling merkt op dat de aldus voorgestelde regeling een inperking van het grondwettelijke recht op verenigingsvrijheid behelst. (zie noot 29) De toelichting verwoordt in dit verband dat het in de sportsector aan een geüniformeerd normenkader ontbreekt. In het licht van dat gezichtspunt blijkt uit de toelichting echter niet dat is afgewogen:

-       wat de voor- en nadelen zijn van de voorgestelde vaststelling van modelnormen door de minister;
-       waarom de voorgestelde vaststelling van gedragsnormen door de minister noodzakelijk en proportioneel is;
-       in hoeverre met het vaststellen van gedragsnormen door de minister, de doelstellingen van de wet worden bereikt.

Juist waar het gaat om een inperking van het grondrecht van vereniging, mag een motivering, waarbij ten minste op deze vraagpunten wordt ingegaan, niet ontbreken. Dit klemt temeer omdat verschillende recente initiatieven, zoals het Sportakkoord II, zonder enig wetgevend ingrijpen op indringende wijze aandacht hebben geschonken aan bewustwording, cultuuromslag, en eisen aan een eerlijke en sociaal veilige sport.

De Afdeling adviseert de voorgestelde regeling voor het vaststellen en implementeren van gedragsnormen dragend te motiveren in het licht van het grondwettelijke recht op vrijheid van vereniging en er anders vanaf te zien.

b. Anders georganiseerde sport
Onverminderd het voorgaande, merkt de Afdeling in aanvulling op de hiervoor gemaakte opmerking het volgende op.

Het voorstel is naast de in verenigingsverband georganiseerde sport ook van toepassing op anders georganiseerde sport, zoals in de ondernemende sector. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om sportscholen en dansscholen.

Ook het verplichte normenkader moet gaan gelden voor de anders georganiseerde sport. Onduidelijk is echter hoe voor de anders georganiseerde sport aan deze verplichtingen invulling wordt gegeven. Onduidelijk is bijvoorbeeld welke organisatie namens de georganiseerde sport in de ondernemende sector model gedragsnormen gaat opstellen. Ook is in de toelichting niet inzichtelijk gemaakt hoe deze gedragsnormen in de ondernemende sector geïmplementeerd moeten worden, terwijl op dit punt wezenlijke verschillen bestaan tussen de in verenigingsverband georganiseerde sport en anders georganiseerde sport. Zo zal binnen de ondernemende sportsector vaak niet gebruik worden gemaakt van de verenigingsstructuur, met als gevolg dat de binding van sporters via statuten en reglementen niet voor de hand ligt.

De Afdeling adviseert hierop in de toelichting in te gaan en het voorstel zo nodig aan te passen.

6. Eindconclusie

In het licht van al het voorgaande adviseert de Afdeling het voorstel nader te overwegen.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het voorstel en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen, tenzij het is aangepast.

De waarnemend vice-president van de Raad van State

Voetnoten

(1) Grensoverschrijdend gedrag kan worden gedefinieerd als elke vorm van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een (al dan niet) seksuele connotatie (duiding) dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een gewelddadige, manipulatieve, bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende situatie wordt gecreëerd. Zie M. Olfers en A. van Wijk, Ongelijke leggers. Een onderzoek naar grensoverschrijdend gedrag in de gymsport, Verinorm, 2021.
(2) Zie Andersson Elffers Felix, Samen de lat hoger leggen, Onderzoek naar de governance en het tuchtrecht voor veilige en integere sport, Eindrapportage, Februari 2023.
(3) Kamerstukken II 2022/23, 30234, nr. 339.
(4) Kamerstukken II 2022/23, 30234, nr. 332.
(5) Sportakkoord, p. 23.
(6) Zie M. Olfers & A. van Wijk, Ongelijke leggers. Een onderzoek naar grensoverschrijdend gedrag in de gymsport, Verinorm 2021, en M. Olfers & A. van Wijk, Schaduwdansen. Een onderzoek naar grensoverschrijdend gedrag in het dansen, Verinorm 2023.
(7) Memorie van toelichting, paragraaf 1.1.
(8) Memorie van toelichting, paragraaf 1.2.
(9) In het verlengde daarvan krijgt ISN ook de taak om als nationale antidopingsorganisatie een lijst bij te houden van dopingsancties die in Nederland zijn opgelegd. Dit volgt uit de eisen van de WAD-code. Memorie van toelichting, paragraaf 3.4.2.
(10) Voorgesteld artikel 5.10.
(11) Voorgesteld artikel 3.3 en 3.4.
(12) Voorgesteld artikel 3.5.
(13) Kamerstukken II 2022/23, 30234, nr. 332.
(14) Sportakkoord, p. 23.
(15) Zie in dit verband aanwijzingen 2.2 en 2.5 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
(16) Memorie van toelichting, paragraaf 1.2 en rapport AEF ‘De lat hoger leggen’, p. 9 en 80.
(17) Daarbij ligt de nadruk op twee strafbaarstellingen die voor de aanpak van matchfixing heeft meest voor de hand liggen, namelijk oplichting (art. 326 Sr) en niet-ambtelijke corruptie (art 328ter Sr).
(18) NOC*NSF Position Paper, Gezamenlijke reactie namens de vereniging NOC*NSF en de NOC*NSF Atletencommissie.
(19) Halt trajecten van de KNVB, zoals bijvoorbeeld de Training Sport en Gedrag zijn speciale  trainingen voor jonge voetballers onder 23 jaar die een zware overtreding of misdraging hebben begaan op of rond het voetbalveld. De KNVB werkt hiervoor samen met Stichting Halt om verbaal of fysiek agressief gedrag, onsportiviteit, racisme en discriminatie binnen het amateurvoetbal aan te pakken. Het belangrijkste doel is bewustwording creëren en herhaling voorkomen. Bron: https://www.knvb.nl/assist-bestuurders/incidenten/aanpak-halt-en-knvb.
(20) NOC*NSF Position Paper, Gezamenlijke reactie namens de vereniging NOC*NSF en de NOC*NSF Atletencommissie.
(21) Beleidskader decentraal en gedeconcentreerd bestuur.
(22) Regeerakkoord, Veilig Nederland, sterke samenleving 2026-2030, onder ‘Een slagvaardige overheid’, p.8.
(23) Aanwijzing 5.8 van de Aanwijzingen voor de regelgeving
(24) Zie ook het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over het wetsvoorstel Wet Beoordelingscommissie dopingzaken, Kamerstukken II 2021/22, 36179, nr. 4.
(25) Memorie van toelichting, paragraaf 3.4.1.
(26) Memorie van toelichting, paragraaf 12.5.
(27) Memorie van toelichting, paragraaf 3.4.1.
(28) Voorgestelde artikelen 3.2 tot en met 3.4.
(29) Artikel 8 van de Grondwet, zie ook artikel 12 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 11 van het EVRM.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon