Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W04.26.00136/I

Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie.

Kenmerk
W04.26.00136/I
Datum aanhangig
21 mei 2026
Datum vastgesteld
26 augustus 2026
Datum advies
26 augustus 2026
Datum publicatie
31 augustus 2026
Vindplaats
Website Raad van State
  • Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
  • Algemene maatregel van bestuur

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Bij Kabinetsmissive van 21 mei 2026, no.2026001119, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit in verband met gemeentelijke instrumenten voor de warmtetransitie in de gebouwde omgeving (Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie), met nota van toelichting.

Gemeenten krijgen na inwerkingtreding van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (hierna: Wgiw) de bevoegdheid om in het omgevingsplan gebieden aan te wijzen die op termijn van het aardgas worden afgesloten omdat er een alternatieve duurzame warmtevoorziening beschikbaar is. Het ontwerpbesluit bevat onder meer instructieregels voor het uitoefenen van deze bevoegdheid, in het bijzonder wat betreft de betaalbaarheid van de warmtetransitie voor eigenaar-bewoners en huurders.

De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen die betrekking hebben op de uitvoerbaarheid van het ontwerpbesluit, gegeven de Klimaatwet en de sindsdien in Europees en internationaal verband aangescherpte klimaatdoelen met als einddatum 2050. De in de Wgiw geregelde collectieve aanpak is bedoeld om de warmtetransitie te versnellen. De Afdeling adviseert nader toe te lichten hoe de in het ontwerpbesluit gekozen aanpak zich daartoe verhoudt, zowel qua systematiek als wat betreft het in het ontwerpbesluit gekozen tijdpad.

Ook adviseert de Afdeling om in te zetten op een integrale monitoring voor de inzet van de aanwijsbevoegdheid om de voortgang van de transitie te bewaken, en op basis daarvan te beoordelen of nadere maatregelen nodig zijn. Voorts wijst de Afdeling op de mate van gedetailleerdheid van de instructieregels over de betaalbaarheid en de gevolgen daarvan voor de uitvoering. Ten slotte adviseert de Afdeling meer aandacht te besteden aan de financiële gevolgen voor gemeenten en in de toelichting duidelijkheid te geven over het flankerend beleid na 2030.

In verband met deze opmerkingen dient het ontwerpbesluit nader te worden overwogen.

1. Inleiding en achtergrond

Gebouwen moeten in 2050 goed geïsoleerd zijn en vrij zijn van fossiele emissies. Deze norm sluit aan bij de Klimaatwet, (zie noot 1) die het doel bevat dat de netto-uitstoot van broeikasgassen uiterlijk in 2050 nul is. Ook volgt het rechtstreeks uit de herziene Europese richtlijn Energieprestatie van Gebouwen (EPBD IV), (zie noot 2) die als doel heeft dat alle gebouwen in 2050 emissieloos zijn. Deze richtlijn moest op 29 mei 2026 zijn geïmplementeerd. Voor Nederland betekent dit dat meer dan 7,5 miljoen woningen en 1 miljoen andere gebouwen voor 2050 aardgasvrij moeten worden gemaakt.

De warmtetransitie in de gebouwde omgeving gebeurt op twee manieren. Allereerst is er het individuele spoor, dat gebouweigenaren stimuleert om op natuurlijke momenten, zoals tijdens onderhoud, verbouwing of verhuizing, energiebesparende en verduurzamingsmaatregelen te nemen. Daarnaast is er de collectieve, wijkgerichte aanpak, waarbij onder regie van de gemeente een wijk stapsgewijs of in één keer wordt verduurzaamd. Een collectieve aanpak is in veel situaties doelmatig, voorkomt dat het gasnet niet voor enkele gebruikers in stand hoeft te worden gehouden en leidt bovendien tot een substantiële versnelling die nodig is om het klimaatdoel voor 2050 te behalen. (zie noot 3)

Gemeenten zijn niet verantwoordelijk voor het behalen van het nationale klimaatdoel, maar kunnen met de wijkgerichte aanpak hieraan bijdragen. Daarom heeft het Rijk in het Klimaatakkoord met gemeenten de afspraak gemaakt dat zij tot 2030 1,5 miljoen woningen en andere gebouwen aardgasvrij maken, of die  daar in ieder geval op voorbereiden door ze te isoleren. Inmiddels is de doelstelling 2,5 miljoen geïsoleerde woningen en 1 miljoen warmtepompen voor 2030. (zie noot 4) De Wgiw en het ontwerpbesluit bieden gemeenten het juridische instrumentarium voor deze collectieve aanpak, die start met het vaststellen van een gemeentelijk warmteprogramma uiterlijk 31 december 2027. Via de Wet collectieve warmte (hierna: Wcw) zet de overheid daarnaast in op de aanleg van warmtenetten, waar dat de maatschappelijk goedkoopste optie is. Bovendien ontlast dit het elektriciteitsnet. Het doel is om voor 2030 500.000 bestaande woningen op een warmtenet aan te sluiten. Ook daarvoor is het ontwerpbesluit van belang.

Daarmee is de warmtetransitie niet alleen een noodzakelijke, maar ook een omvangrijke technische, financiële en bestuurlijke opgave. De uitvoerbaarheid van het besluit is daarmee een belangrijk perspectief, gegeven de in de toelichting genoemde klimaat- en energiedoelen en het belang om de afhankelijkheid van aardgas snel te verminderen.

2. Aanwijsbevoegdheid en doelstelling

Volgens het ontwerpbesluit moeten gemeenten voor hun grondgebied een warmteprogramma vaststellen, waarin zij steeds voor een periode van tenminste tien jaar per wijk, buurt of dorpskern opnemen of, en hoe wordt overgestapt op duurzame warmtebronnen, met 2050 als einddoel. Het warmteprogramma geeft een beeld van de wijken waarin naar verwachting in een collectieve aanpak zal worden voorzien, en daarmee ook van het tijdstip waarop het gasnet buiten gebruik zal worden genomen. Om een wijk aardgasvrij te maken, is een wijziging van het omgevingsplan nodig. Dit kan via de zogenoemde aanwijsbevoegdheid van de gemeenteraad. In het omgevingsplan wordt dan bepaald dat in de aangewezen wijk vanaf een bepaalde datum niet langer gebruik wordt gemaakt van methaangas, omdat een duurzame warmtevoorziening beschikbaar is. Dit kan zowel een warmtenet zijn, als een ‘all-electric’ voorziening (individuele warmtepomp).

Gemeenten zijn niet verplicht om wijken te verduurzamen via de wijkaanpak. Evenmin is de gemeenteraad verplicht om van zijn aanwijsbevoegdheid gebruik te maken. Daarbij geldt dat, indien een wijk niet in het warmteprogramma is opgenomen, de gemeenteraad niet van zijn aanwijzingsbevoegdheid gebruik kan maken. Wijken die niet zijn opgenomen in het warmteprogramma behouden daarmee in principe ook na 2050 hun aansluiting op het aardgasnet.

a. Onverplichte karakter van de aanwijsbevoegdheid
Tegen deze achtergrond merkt de Afdeling op dat het onduidelijk is hoe het onverplichte karakter van het ontwerpbesluit, en in het bijzonder van de aanwijsbevoegdheid, zich verhoudt tot de noodzaak van een substantiële versnelling van de warmtetransitie richting 2050 (zie noot 5) en het belang daarbij van een collectieve, gemeentelijke aanpak. Weliswaar wordt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de Wgiw (zie noot 6) (voorzien op 1 januari 2027) beoordeeld of de doelen richting 2050 verankerd moeten worden, (zie noot 7) maar mogelijk komt deze evaluatie te laat gelet op het gestelde (tussentijdse) klimaatdoel voor 2030. Daarbij is ook van belang dat de context van het wetsvoorstel is veranderd, doordat de inwerkingtreding van de wet later is dan aanvankelijk verwacht.

Het is daarom onzeker of de wetsevaluatie tijdig en voldoende inzicht geeft in de vraag of de Wgiw en het ontwerpbesluit voldoende houvast bieden om de klimaatdoelen voor 2030 en 2050 te realiseren. De in het ontwerpbesluit voorgestelde monitorplicht voor het college van burgemeester en wethouders kan die informatie niet leveren, omdat de monitorplicht betrekking heeft op de uitvoering van de werkzaamheden nadat de aanwijsbevoegdheid is ingezet.

Vanwege de urgentie, omvang en complexiteit van de warmtetransitie is het voor het Rijk van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de planvorming en besluitvorming door gemeenten, op basis van continue monitoring. Op die manier kunnen onbedoelde effecten of knelpunten in de uitvoering, zoals netcongestie of achterblijvende realisatie van verplichtingen door gemeenten, gebouweigenaren of andere betrokken partijen, direct worden herkend, zodat tijdig kan worden bijgestuurd, bijvoorbeeld door het verplicht maken van de aanwijsbevoegdheid. Daarvoor is ook nodig dat het voor gemeenten duidelijk is welke voortgang het Rijk voldoende acht.

De Afdeling adviseert om in te zetten op een continue landelijke monitoring van de voortgang van de collectieve aanpak en de inzet van de aanwijsbevoegdheid, op basis van duidelijke criteria, en daarbij inzichtelijk te maken wanneer de regering over wil gaan tot het nemen van nadere maatregelen om het vrijblijvende karakter van de warmtetransitie tegen te gaan.

b. Beschikbaarheid van het gasnet na 2050
Indien de gemeenteraad van zijn aanwijzingsbevoegdheid gebruikt maakt en in het omgevingsplan bepaalt dat het gebruik van aardgas vanaf een bepaalde datum wordt beëindigd, dan geldt dit voor alle bewoners van die wijk. Zij worden dan aangesloten op de door gemeente voorgestelde (collectieve) infrastructuur, of op een eigen, aardgasvrij alternatief. Als de gemeenteraad geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid om wijken aan te wijzen, betekent dit dat de bewoners van de niet aangewezen wijken op het aardgas aangesloten blijven. Het is onduidelijk of daarmee voor deze bewoners de mogelijkheid open wordt gehouden om ook na 2050 aardgas geleverd te krijgen.

De Afdeling merkt op dat deze onduidelijkheid niet bevorderlijk is voor het draagvlak en daarmee de uitvoerbaarheid van de warmtetransitie, zowel voor het collectieve als voor het individuele spoor. Duidelijkheid voor iedereen over de eindsituatie van de warmtetransitie geeft gemeenten bovendien houvast bij het inzetten van het collectieve spoor. (zie noot 8)

De Afdeling adviseert te verduidelijken wat de beoogde eindsituatie is in 2050 van zowel het collectieve als het individuele spoor, gegeven de nationale- en Europese klimaatwetgeving, en in hoeverre daarvoor nog aanvullende wet- en regelgeving nodig is.

3. Tijdpad warmtetransitie

Een gemeente moet uiterlijk op 31 december 2027 het eerste warmteprogramma vaststellen. Het warmteprogramma betreft een periode van ten minste tien jaar en wordt elke vijf jaar geactualiseerd, waarbij er nieuwe wijken aan kunnen worden toegevoegd. Het laatste warmteprogramma loopt tot uiterlijk 31 december 2049, omdat de warmtetransitie voor 2050 moet zijn voltooid. (zie noot 9) Het warmteprogramma moet uiterlijk vijf jaar na de actualisatie of vaststelling ervan ‘operationeel’ zijn. (zie noot 10) Dit houdt in dat de gemeenteraad binnen deze termijn het omgevingsplan moet wijzigen voor de locaties waarvan in het warmteprogramma is opgenomen dat het gebruik van methaangas wordt beëindigd. Ook bepaalt het ontwerpbesluit dat er - behoudens uitzonderingen - tenminste acht jaar zit tussen de wijziging van het omgevingsplan en het feitelijk beëindigen van het transport van aardgas.

Dit leidt tot het volgende tijdpad:

Bijlage l: tijdpad vaststelling laatste warmteprogramma.

Omdat het ontwerpbesluit het mogelijk maakt dat er (ten minste) dertien jaren liggen tussen de vaststelling van het warmteprogramma, het wijzigen van het omgevingsplan en het beëindigen van het transport van methaangas, zal, gegeven de einddatum van 31 december 2049, het laatste warmteprogramma uiterlijk voor 31 december 2036 moeten zijn vastgesteld. Hierdoor weet iedere gebouweigenaar uiterlijk dertien jaar voor 1 januari 2050 of op zijn adres een collectieve aanpak van toepassing wordt.

Dit betekent dat een gemeente al voor het einde van de eerste planperiode van 10 jaar (31 december 2027 tot 31 december 2037) een definitieve keuze moet maken voor de wijken die het meeneemt in de collectieve aanpak tot 2050. In dit verband is het onduidelijk wat de betekenis is van de vijfjaarlijkse actualisatieplicht, omdat er na 31 december 2036 geen wijken meer kunnen worden toegevoegd aan het warmteprogramma om het doel van 2050 te halen.

De Afdeling merkt op dat de toelichting onvoldoende aandacht besteedt aan de chronologie van de planvorming, vaststelling en het tijdpad van de warmtetransitie. De Afdeling adviseert om in de toelichting te verduidelijken hoe het tijdpad er uit ziet richting 2050 als het gaat om de vaststelling en actualisatie van het warmteprogramma, de wijziging van het omgevingsplan en de termijn tussen de wijziging van het omgevingsplan en het daadwerkelijk beëindigen van het transport van methaangas.

4. Instructieregels betaalbaarheid

De betaalbaarheid van de warmtetransitie is een van de belangrijkste randvoorwaarden voor een succesvolle wijkaanpak. Het is volgens de toelichting de verantwoordelijkheid van gemeenten om keuzes te maken die bijdragen aan een betaalbare energietransitie. Artikel 2.28, onder l, van de Omgevingswet, bepaalt dat het Rijk instructieregels moet stellen die de betaalbaarheid van de verduurzaming van de warmtevoorziening van gebouwen voor eigenaren en gebruikers van gebouwen, in het bijzonder kwetsbare afnemers, waarborgt wanneer de aanwijsbevoegdheid wordt ingezet. (zie noot 11)

Ter uitvoering hiervan introduceert het ontwerpbesluit twee instructieregels voor het inzetten van de aanwijzingsbevoegdheid in het omgevingsplan. De eerste regel is dat een warmtetransitiegebied alleen kan worden aangewezen als maatregelen ‘betaalbaar’ zijn, dat wil zeggen dat de verwachte kosten van de maatregelen niet uitstijgen boven de verwachte baten voor tenminste 70% van de woningen in het gebied, berekend over de levensduur van de investering. (zie noot 12) De tweede regel is dat bij de aanwijzing rekening wordt gehouden met de mate waarin bewoners, in het bijzonder kwetsbare afnemers, de gevolgen voor de maandlasten kunnen dragen en dat rekening wordt gehouden met de mogelijkheden voor bewoners om de verduurzamingsmaatregelen te financieren, bijvoorbeeld via een hypothecaire lening. (zie noot 13) Dit betreft de vraag of de maatregelen ‘haalbaar’ zijn.

Het ontwerpbesluit werkt deze twee hoofdregels uit in vijf gedetailleerde bepalingen, die vervolgens nader moeten worden geconcretiseerd in zogenoemde rekenregels die een plaats zullen krijgen in de Regeling gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Rgiw). Deze rekenregels moeten worden toegepast op het moment dat wordt besloten de aanwijsbevoegdheid in te zetten. De datum waarop de verwachte kosten en baten en de verwachte maandlasten berekend worden, ligt daarmee ten minste acht jaar voor de datum van de afsluiting van het gas.

De rekenregels moeten volgens de voorgestelde systematiek elke twee jaar worden herzien omdat de energiemarkt sterk in beweging is. De uitkomsten van de berekeningen geven gemiddelde bedragen aan en bieden geen individuele garantie, aldus de toelichting. Of een maatregel betaalbaar is, is en blijft uiteindelijk aan de betrokkene zelf, aldus de toelichting. De rekenregels moeten zorgen voor een uniforme landelijke rekenmethodiek. Volgens de toelichting wordt de uitvoerbaarheid van de rekenregels voor gemeenten nog in samenwerking met de VNG onderzocht.

Het is begrijpelijk dat de regering het van belang vindt dat een gemeente bewoners zo veel mogelijk inzicht geeft in de kosten en de baten van de warmtetransitie. Zij betwijfelt echter of dat doel op deze manier wordt bereikt.

In algemene zin merkt de Afdeling op dat de instructieregels rondom betaalbaarheid en de daaruit voortvloeiende rekenregels gedetailleerd en complex zijn. Die complexiteit kan grote gevolgen hebben voor de uitvoerbaarheid en daarmee voor het tempo van de warmtetransitie.

Door de mate van detaillering van de instructie- en rekenregels in relatie tot de beschikbare uitvoeringscapaciteit, bestaat bijvoorbeeld het risico dat gemeenten terughoudend zullen zijn bij het gebruik maken van de aanwijsbevoegdheid.

Bovendien zijn de instructie- en rekenregels omtrent de betaalbaarheid een modelmatige benadering die nog steeds serieuze beperkingen kent als het gaat om het bepalen van betaalbaarheid. De rekenmethode is gebaseerd op aannames omtrent prijsontwikkelingen tot 2040. Het is echter onzeker hoe de gas- en warmtetarieven zich in de komende jaren gaan ontwikkelen.

Van belang is verder dat de rekenregels geen garantie geven voor de betaalbaarheid voor de individuele inwoner. De betaalbaarheid voor bewoners verschilt immers per huishouden. Hoewel dit niet het doel van de regels is, zullen bewoners geneigd zijn zekerheid te ontlenen aan de door de gemeente gepresenteerde berekening. Daardoor is de kans op teleurstelling aanwezig. Dat kan ertoe leiden dat het draagvlak verloren gaat en het bij één of enkele aanwijzingen blijft.

Door aanwijzing mogelijk te maken vanaf de ondergrens van 70% blijft er bovendien een groep huishoudens over voor wie de warmtetransitie mogelijk niet betaalbaar is. Uit het ontwerpbesluit wordt niet duidelijk hoe gemeenten met dit probleem om moeten gaan, of dat dit probleem aan de orde komt bij de vraag naar de financiële haalbaarheid van de maatregelen. Het is immers mogelijk dat een investering niet volledig kan worden terugverdiend (niet ‘betaalbaar’ is), maar de investering wel nuttig en ‘haalbaar’ is. Hoewel het ontwerpbesluit gemeenten daarnaast instrueert rekening te houden met de financiële haalbaarheid voor kwetsbare huishoudens, wordt deze verplichting niet nader afgebakend.

Al met al heeft de Afdeling bedenkingen bij de uitvoerbaarheid van de instructieregels, en bij de beperkingen ervan wat betreft het vaststellen van de betaalbaarheid en de financiële haalbaarheid van de verduurzamingsmaatregelen. Uit de toelichting blijkt niet of alternatieven zijn overwogen. De wettelijke opdracht om instructieregels te stellen over betaalbaarheid geeft de regering veel ruimte. Volgens de toelichting bij het amendement kan betaalbaarheid bijvoorbeeld ook inhouden dat eindgebruikers worden geïnformeerd over beschikbare financiële regelingen en subsidies.

Daarbij merkt de Afdeling op dat de vraag naar betaalbaarheid uiteindelijk uitmondt in de vraag of een individueel huishouden in staat is de overstap te maken. Dit betekent dat naast of in plaats van de voorgestelde modelmatige benadering er altijd een individuele toets nodig zal zijn. Dit alles roept de vraag op in hoeverre de voorgestelde instructieregels nuttig en nodig zijn.

De Afdeling adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.

5. Verhouding Wcw en Wgiw

De Wcw en Wgiw zijn belangrijke bouwstenen voor gemeenten voor de wijkgerichte aanpak van de warmtetransitie en het tijdig op orde brengen van de energie-infrastructuur. In de toelichting van het ontwerpbesluit wordt de samenhang en de wederzijdse afhankelijkheid van beide wetten ten aanzien van de regierol van gemeenten spaarzaam toegelicht. In het bijzonder wordt niet ingegaan op de volgordelijkheid wat betreft het vaststellen van een warmtekavel, het aanwijzen van een warmtebedrijf en de relatie met de inwerkingtreding van de kostengebaseerde tariefregulering enerzijds, en het vaststellen van een warmteprogramma en het inzetten van de aanwijzingsbevoegdheid anderzijds. Meer inzicht in dit proces en de stappen die hierin gezet moeten worden is van belang, omdat alle partijen (warmtebedrijf, desbetreffende wijk, college en gemeenteraad) op elkaar zijn aangewezen voor de wijkgerichte aanpak.

De Afdeling adviseert in de toelichting nader in te gaan op de vraag hoe beide wetten (en onderliggende besluiten en regelingen) procedureel en in de tijd op elkaar ingrijpen en met elkaar samenhangen.

6. Financiële gevolgen en flankerend beleid

Gemeenten kunnen voor de uitvoering van het ontwerpbesluit gebruik maken van de middelen die door het Rijk voor de uitvoering van het klimaat- en energiebeleid voor gemeenten beschikbaar zijn gesteld. Volgens de toelichting heeft de uitvoering van het ontwerpbesluit geen aanvullende financiële gevolgen. Wat betreft de betaalbaarheid voor eindgebruikers verwijst de toelichting naar het Warmtefonds en andere subsidies. Veel van deze middelen voor klimaat- en energiebeleid zijn incidenteel en lopen slechts tot 2030.

Vanwege de regierol die gemeenten hebben bij de warmtetransitie in de gebouwde omgeving is langjarige zekerheid nodig voor de uitvoering, ook wat betreft ondersteunende financiële regelingen en flankerend beleid voor bewoners, zoals subsidieregelingen voor isolatie. De Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) heeft geadviseerd om duidelijkheid te bieden over de periode tussen 2031 en 2040. (zie noot 14) Deze duidelijkheid is niet alleen nodig om warmteprogramma’s op te stellen en om aan de instructieregels met betrekking tot betaalbaarheid te kunnen voldoen, maar ook belangrijk voor het draagvlak voor de warmtetransitie onder eindgebruikers en voor de positie van warmtebedrijven. Ook de SER heeft daarop gewezen. (zie noot 15) Naar aanleiding van het ROB-advies heeft het kabinet recent voor de periode 2031-2040 jaarlijks € 800 miljoen uitgetrokken voor de uitvoering van klimaat- en energiebeleid door medeoverheden. (zie noot 16) In de Voorjaarsbrief Klimaat en Energie geeft de minister van Klimaat en Groene Groei aan dat het kabinet bij de Voorjaarsnota 2027 zo nodig met aanvullende maatregelen zal komen om het Europese klimaatdoel voor 2040 te behalen.

De Afdeling adviseert de toelichting met in achtneming van het voorgaande aan te vullen en duidelijkheid te geven over de gehanteerde uitgangspunten wat betreft de relatie tussen taken, bevoegdheden, risico’s en daarbij passende bekostiging van gemeenten, ook na 2030. Tevens adviseert de Afdeling inzicht te geven in de beschikbare middelen die na 2030 beschikbaar zullen worden gesteld voor directe subsidies aan eindgebruikers richting 2050.

7. Verhouding tot het vrije dienstenverkeer

De toelichting stelt dat bij het uitsluiten van het gebruik van methaangas in een warmtetransitiegebied een dienstenelement speelt, en concludeert dat het vrije verkeer van diensten enkel relevant is op het moment dat de situatie niet onder één van de andere fundamentele vrijheden valt. (zie noot 17) Dit volgt volgens de toelichting uit de definitie van een ‘dienst’ in artikel 57 VWEU. Aangezien het ontwerpbesluit in de kern gaat om een levering van een goed, hoeft het voorstel niet te worden getoetst aan de Dienstenrichtlijn, aldus de toelichting.

De Afdeling merkt op dat in het geval dat gemeenten kiezen voor collectieve warmtelevering in bepaalde wijken, die warmtelevering kwalificeert als een dienst in de zin van de Dienstenrichtlijn. (zie noot 18) De toelichting bij het voorstel schept geen duidelijkheid of het voorstel zelf geen belemmeringen op het vrije dienstenverkeer bevat, in die zin dat het direct of indirect eisen stelt aan de levering van warmte. Bovendien maakt de toelichting niet duidelijk of gemeenten, indien zij gebruik maken van het voorgestelde instrumentarium, (onontkoombaar) belemmeringen op het vrije dienstenverkeer zullen opwerpen en, zo ja, wat dan hun handelingsperspectief is.

De Afdeling adviseert in de toelichting aan deze beide vragen aandacht te besteden.

8. Slotsom

Het ontwerpbesluit werkt de gemeentelijke instrumenten uit de Wgiw verder uit in instructieregels over de aanwijsbevoegdheid van gemeenten en de betaalbaarheid van de warmtetransitie voor eigenaar-bewoners en huurders.

De warmtetransitie is niet alleen een noodzakelijke, maar ook een omvangrijke technische, financiële en bestuurlijke opgave. De uitvoerbaarheid van het besluit is daarmee een belangrijk perspectief, gegeven de in de toelichting genoemde klimaat- en energiedoelen en het belang om de afhankelijkheid van aardgas snel te verminderen.

Gelet op de uitvoerbaarheid van de instructieregels, adviseert de Afdeling het ontwerpbesluit op bovenstaande punten aan te passen.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het ontwerpbesluit en adviseert dit besluit niet te nemen, tenzij het is aangepast.

De vice-president van de Raad van State,

Voetnoten

(1) Stb. 2023, 271.
(2) Richtlijn (EU) 2024/1275 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking), PbEU 2024/1275.
(3) Netbeheer Nederland (2021) Volledig uitgevoerde wijkaanpak: Verkennende analyse.
(4) Zie het Programma Versnelling Duurzame Gebouwde Omgeving (2022).
(5) Volgens (voorlopige) cijfers van het CBS waren er in 2025 waren 1,8 miljoen Nederlandse woningen met een energielabel A of hoger, en 458.000 woningen met een warmtepomp. Deze aantallen wijken nog ver af van het klimaatdoel voor 2030.
(6) Stb. 2024, 406, artikel IV.
(7) Kamerstukken II 2022/23, 36387, nr. 3, paragraaf 1.1.
(8) Volgens het concept-NBRP wordt de verplichting van richtlijn EPBD-IV om wat betreft de bestaande bebouwing in 2050 aardgasvrij te zijn in 2027 opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving en treedt zij in werking in 2030.  
(9) Voorgesteld artikel 10.19a1 Ob, samen met artikel 4.32 Bkl.
(10) Voorgesteld artikel 10.19a1, derde lid, Ob.
(11) Dit onderdeel is met het amendement-Erkens c.s. (Kamerstukken II 2023/24, 36387, nr. 20) ingevoegd in de Omgevingswet.
(12) Artikel 5.131e Bkl.
(13) Artikel 5.131f Bkl.
(14) ROB, ‘Uitvoeringsmiddelen en investeringskosten decentrale overheden klimaat- en energiebeleid’, 17 oktober 2025; ROB, ‘Koersen op klimaatneutraal’, maart 2024; ROB, ‘Van Parijs naar praktijk’, januari 2021.
(15) Energie voor iedereen. Een mensgerichte aanpak voor verduurzaming van de gebouwde omgeving, SER, maart 2026.
(16) Budgettaire tabel en bijlage bij Coalitieakkoord 2026-2030 ‘Aan de slag’, 30 januari 2026, p. 3.).
(17) Nota van toelichting, paragraaf 3.4 Europese Vrij verkeer van goederen en diensten.
(18) Kamerstukken II 2023/24, 36576, nr. 4, paragraaf 5, onder b.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon