Implementatiewet Europees kader voor noodsituaties op de interne markt.
- Kenmerk
- W18.26.00129/IV
- Datum aanhangig
- 13 mei 2026
- Datum vastgesteld
- 12 augustus 2026
- Datum advies
- 12 augustus 2026
- Datum publicatie
- 17 augustus 2026
- Vindplaats
- Website Raad van State
- Economische Zaken en Klimaat
- Wet
Toon inhoud
Bij Kabinetsmissive van 13 mei 2026, no.2026001058, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet ter implementatie van Verordening (EU) 2024/2747 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2024 tot vaststelling van een kader van maatregelen in verband met noodsituaties op de interne markt en met de veerkracht van de interne markt en tot wijziging van verordening (EG) nr. 2679/98 van de Raad (verordening inzake noodsituaties op de interne markt en veerkracht van de interne markt), Verordening (EU) 2024/2748 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2024 tot wijziging van de verordeningen (EU) nr. 305/2011, (EU) 2016/424, (EU) 2016/425, (EU) 2016/426, (EU) 2023/988 en (EU) 2023/1230 inzake noodprocedures voor conformiteitsbeoordeling, vermoeden van conformiteit, vaststelling van gemeenschappelijke specificaties en markttoezicht in geval van noodsituaties op de interne markt en Richtlijn (EU) 2024/2749 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2024 tot wijziging van de richtlijnen 2000/14/EG, 2006/42/EG, 2010/35/EU, 2014/29/EU, 2014/30/EU, 2014/33/EU, 2014/34/EU, 2014/35/EU, 2014/53/EU en 2014/68/EU en tot invoering van noodprocedures voor conformiteitsbeoordeling, vermoeden van conformiteit, vaststelling van gemeenschappelijke specificaties en markttoezicht in geval van noodsituaties op de interne markt (Implementatiewet Europees kader voor noodsituaties op de interne markt), met memorie van toelichting.
Het voorstel strekt tot uitvoering van de IMERA-Verordening (zie noot 1) en de daarbij horende IMERA-omnibusverordening (zie noot 2) (hierna: de Omnibusverordening) en IMERA-omnibusrichtlijn (zie noot 3) (hierna: de Omnibusrichtlijn). Samen beogen deze maatregelen het functioneren van de Europese interne markt te waarborgen tijdens ernstige verstoringen en crisissituaties in de Europese Unie, een deel daarvan of daarbuiten.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de verhouding tussen de IMERA-Verordening en maatregelen die op grond daarvan kunnen worden genomen, in relatie tot het huidige en het toekomstige Nederlandse staatsnoodrecht. Zij adviseert om in de toelichting in te gaan op de situatie waarin de activering van de waakzaamheids- en/of de noodfase zoals bedoeld in de IMERA-Verordening eerder, gelijktijdig of later plaatsvindt dan activering van het Nederlandse staatsnoodrecht.
Ook dient aandacht te worden geschonken aan de informatiepositie en de betrokkenheid van het Nederlandse parlement, in die drie scenario’s en bij besluitvorming op Unieniveau. Verder adviseert de Afdeling om in de toelichting in te gaan op de mogelijkheid om, in geval van samenloop of botsing, Unierechtelijke uitzonderingsgronden in te roepen ten behoeve van Nederlandse noodrechtelijke maatregelen. Tot slot adviseert de Afdeling om in te gaan op de vraag op welke wijze overheid en marktdeelnemers snel duidelijkheid kan worden geboden wat van hen wordt verwacht in geval van een samenloop tussen Unierechtelijke (IMERA-)noodmaatregelen en Nederlandse noodmaatregelen.
In verband hiermee adviseert de Afdeling om de toelichting bij het voorstel aan te passen.
1. Inleiding
a. Unierechtelijk noodrecht voor de interne markt; inhoud en fasering
De IMERA-Verordening voorziet in een Unierechtelijk kader voor het treffen van maatregelen voor het anticiperen, het voorbereiden en het reageren op de gevolgen van crises voor de Europese interne markt. Van een crisis voor de Europese interne markt is, volgens de definitie die de IMERA-Verordening hanteert, sprake in het geval van "[…] een uitzonderlijke onverwachte en plotselinge, natuurlijke of door de mens veroorzaakte gebeurtenis van buitengewone aard en omvang die binnen of buiten de Unie plaatsvindt en die ernstige negatieve gevolgen heeft of kan hebben voor de goede werking van de interne markt en die het vrije verkeer van goederen, diensten of personen of de werking van de toeleveringsketens van de interne markt verstoort […]." (zie noot 4)
De IMERA-Verordening stelt regels aan de lidstaten en, mogelijk, marktdeelnemers. Zij maakt het mogelijk dat de Europese Commissie (hierna: de Commissie), in samenwerking met de Raad, waakzaamheids- of crisisresponsprocedures in gang zet, in geval van een crisis of dreigende crisis. Zij roept tevens een raad inzake noodsituaties, (zie noot 5) een Europees en nationale verbindingsbureaus (zie noot 6) en Europese en nationale contactpunten (zie noot 7) in het leven, die uitvoering moeten geven aan diverse (crisis-)maatregelen. De IMERA-Verordening is van toepassing met ingang van 29 mei 2026. Het wetsvoorstel voorziet onder meer in de aanwijzing van het centraal verbindingsbureau en het nationaal centraal contactpunt voor Nederland. (zie noot 8)
Door de Omnibusverordening en de Omnibusrichtlijn worden crisisresponsmechanismen toegevoegd aan zestien bestaande Europese verordeningen en richtlijnen. (zie noot 9) Deze mechanismen zijn gericht op het eenvoudiger op de markt kunnen brengen van bepaalde essentiële goederen en diensten. Met betrekking tot één verordening en één richtlijn bevat het voorstel de uitvoering daarvan op wetsniveau. De implementatie van de overige verordeningen en richtlijnen zal in Nederland op besluitniveau of lager plaatsvinden. (zie noot 10) Ten behoeve van de implementatie op wetsniveau wijzigt het voorstel de Telecommunicatiewet, (zie noot 11) de Wet kabelbaaninstallaties (zie noot 12) en de Wet op de economische delicten. (zie noot 13)
De IMERA-Verordening introduceert een paraatheidsfase voor de interne markt (zie noot 14) en daarnaast de mogelijkheid om een waakzaamheidsfase (zie noot 15) en een noodfase (zie noot 16) voor de interne markt te activeren. Tevens voorziet zij in regelingen die gelden in die twee laatstgenoemde fasen en aanvullende maatregelen die in die fasen kunnen worden getroffen door de Commissie in de vorm van bindende uitvoeringshandelingen.
- De paraatheidsfase geldt permanent, dus ook wanneer zich geen crisis of dreigende crisis voordoet die activering van de noodfase, respectievelijk de waakzaamheidsfase zou rechtvaardigen. In deze paraatheidsfase kunnen, kort gezegd, maatregelen worden getroffen ter voorbereiding op een crisis of ter vermijding daarvan.
- De waakzaamheidsfase kan worden geactiveerd wanneer zich een dreiging van een crisis voordoet die binnen zes maanden kan escaleren tot een noodsituatie op de interne markt. Deze fase kan worden geactiveerd voor een (verlengbare (zie noot 17)) periode van zes maanden (zie noot 18) en is gericht op het aanpakken van de dreiging van een crisis die binnen zes maanden kan escaleren tot een noodsituatie op de interne markt.
- De noodfase kan eveneens worden geactiveerd voor een periode van zes maanden en is gericht op het aanpakken van een crisis met aanzienlijke negatieve gevolgen voor de interne markt, die het vrije verkeer van goederen, diensten en personen ernstig verstoren of de werking van toeleveringsketens van de interne markt verstoren.
b. Activering van de waakzaamheids- en noodfase; gevolgen
De activering van zowel de waakzaamheids- (zie noot 19) als de noodfase (zie noot 20) voor de interne markt vindt als volgt plaats: op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de raad inzake noodsituaties (zie noot 21) kan de Raad een uitvoeringshandeling in de zin van artikel 291 van het VWEU vaststellen, zodra is voldaan aan de inhoudelijke criteria voor het bestaan van een dreigende crisis (in de waakzaamheidsfase) of een crisis (in de noodfase). De activering van de noodfase is daarbij afhankelijk van een groter aantal randvoorwaarden dan de waakzaamheidsfase; (zie noot 22) daaraan moet steeds zijn voldaan voordat de noodfase kan worden geactiveerd. (zie noot 23) Het Europees Parlement hoeft formeel niet te worden betrokken bij de activeringsprocedures.
Indien de waakzaamheidsfase is geactiveerd, monitoren de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de toeleveringsketens van goederen en diensten die als ‘van kritiek belang’ zijn aangemerkt (zie noot 24) met het oog op de dreigende crisis, en monitoren zij het vrije verkeer van personen die betrokken zijn bij de productie en levering van die goederen en diensten. Ook kan de Commissie een aantal maatregelen treffen die die monitoring ondersteunen. (zie noot 25)
Indien de noodfase is geactiveerd, gelden er direct diverse verplichtingen voor met name de Commissie en de (bevoegde autoriteiten van de) lidstaten. Artikel 21 van de IMERA-Verordening regelt daarbij, kort gezegd, dat de lidstaten in een noodsituatie af moeten zien van het opleggen van (aldaar gespecificeerde) beperkingen op het vrije verkeer van goederen, diensten en personen. Artikel 22 stelt de Commissie in staat om maatregelen te nemen om het vrije verkeer van personen en diensten te vergemakkelijken.
Aanvullend kan de Commissie maatregelen nemen om marktdeelnemers (ondernemingen) te verplichten om informatie te verschaffen over voorraden en productiecapaciteit van crisisrelevante goederen. (zie noot 26) In uitzonderlijke gevallen kan de Commissie ondernemingen verplichten om crisisrelevante goederen met prioriteit te produceren en te leveren. (zie noot 27) Tevens kan de Commissie, op verzoek van twee of meer lidstaten (zie noot 28) of op initiatief van aanbestedende diensten, (zie noot 29) crisisrelevante goederen en diensten centraal inkopen.
Tot slot maakt de IMERA-Verordening het ook mogelijk dat de Commissie, door middel van uitvoeringshandelingen, diverse crisisresponsprocedures in gang zet. (zie noot 30) Die procedures voorzien in aanpassingen van de reguliere regelgeving inzake het ontwerp, de productie, de conformiteitsbeoordeling en het in de handel brengen van goederen die zijn onderworpen aan geharmoniseerde voorschriften van de EU. Daarbij is ook voorzien in aanpassing van regels met betrekking tot de goederen die onder het kader voor algemene productveiligheid van de EU vallen.
2. Samenloop van het Unierechtelijke (IMERA-)noodrecht met nationaal staatsnoodrecht
a. Verhouding tot (herziening van) nationaal staatsnoodrecht
Indien op grond van artikel 18 van de IMERA-Verordening de noodfase voor de interne markt wordt geactiveerd, hoeft er volgens de toelichting niet noodzakelijkerwijs tegelijk sprake te zijn van (nationale) buitengewone omstandigheden in staatsnoodrechtelijke zin. (zie noot 31) Omgekeerd vermeldt de toelichting dat, wanneer in Nederland sprake zou zijn van een noodtoestand of van buitengewone omstandigheden, op Unierechtelijk niveau niet noodzakelijk de noodfase voor de interne markt hoeft te zijn geactiveerd. (zie noot 32)
Evenwel geeft de toelichting ook aan dat er sprake kan zijn van samenloop: het kan zo zijn dat zich een situatie voordoet waarbij zowel het Nederlandse staatsnoodrecht als het Unierechtelijke noodrecht in werking is gesteld. In dat geval kunnen op grond van de artikelen 21 en 22 van de IMERA-Verordening beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van de Nederlandse noodbevoegdheden. (zie noot 33) In geval van samenloop stellen deze bepalingen in die lezing van de toelichting grenzen aan de maatregelen die nationaal kunnen worden getroffen.
De Afdeling onderkent dat de economische verwevenheid tussen de lidstaten van de Unie groot is, waardoor ook in noodsituaties onderlinge afhankelijkheden tussen lidstaten en marktdeelnemers onvermijdelijk zijn. Het IMERA-wetgevingspakket beoogt recht te doen aan die werkelijkheid door op EU-niveau in noodsituaties adequate maatregelen te kunnen treffen en grenzen te stellen aan de mogelijkheden van lidstaten om eenzijdig beperkingen te stellen aan het vrije verkeer van goederen, personen en diensten. Tegelijkertijd lopen lidstaten die eenzijdig willen handelen met het oog op crisisbestrijding in noodsituaties in geval van samenloop tegen Unierechtelijke grenzen aan, zoals de IMERA-Verordening en uitvoerende maatregelen op grond daarvan.
De Afdeling merkt in algemene zin op dat in de toelichting niet voldoende duidelijk wordt beschreven hoe de IMERA-Verordening zich in geval van samenloop verhoudt tot het Nederlandse staatsnoodrecht. Niet duidelijk wordt of de IMERA-Verordening ruimte laat (en, zo ja, in hoeverre) om het Nederlands staatsnoodrecht toe te passen, gelijktijdig met de activering van de (waakzaamheids- of de) (zie noot 34) noodfase zoals bedoeld in de IMERA-Verordening, of op een later moment.
Hetzelfde geldt voor het geval reeds op grond van het Nederlandse staatsnoodrecht maatregelen zijn getroffen en vervolgens op grond van de IMERA-Verordening de noodfase wordt geactiveerd. Daarbij dient overigens niet enkel aandacht te worden besteed aan de mogelijkheden van en ruimte voor die samenloop (zie ook de opmerkingen in punt 2.b, hierna) maar tevens aan de informatiepositie en de betrokkenheid van het Nederlandse parlement in die drie verschillende scenario’s en bij besluitvorming op Unieniveau.
Daarbij wijst de Afdeling op de actuele herziening van het Nederlandse staatsnoodrecht in de vorm van de wijziging van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden (zie noot 35) en een aantal andere maatregelen in dit verband die op dit moment worden getroffen of in voorbereiding zijn. (zie noot 36) Uit de toelichting blijkt niet of er bij de voorgestelde maatregelen ter uitvoering van het IMERA-pakket rekening is gehouden met het veranderende Nederlandse staatsnoodrecht en, zo ja, op welke wijze.
b. Samenloop: gebruik van Unierechtelijke uitzonderingsgronden en eenduidigheid van verplichtingen voor marktdeelnemers
Meer in het bijzonder ziet de Afdeling, ter illustratie van de voorgaande opmerking, de volgende twee punten waarop de samenloop van het Unierecht en het Nederlandse staatsnoodrecht nadere aandacht verdient in de toelichting.
Ten eerste kunnen volgens de toelichting de artikelen 21 en 22 van de IMERA-Verordening beperkingen stellen aan de uitoefening van nationale noodbevoegdheden omdat die bepalingen grenzen stellen aan maatregelen die lidstaten in de noodfase kunnen nemen ter beperking van het vrije verkeer van goederen, personen en diensten. (zie noot 37) Ook in aanvullende uitvoeringshandelingen op grond van de IMERA-Verordening kunnen nog nadere grenzen worden gesteld aan nationaalrechtelijk handelen. Datzelfde effect kunnen maatregelen sorteren die op grond van de Omnibusverordening en de Omnibusrichtlijn kunnen worden genomen. (zie noot 38)
De Afdeling merkt op dat uit de toelichting niet duidelijk wordt of er in geval van samenloop nog ruimte bestaat om toch nationale noodmaatregelen te treffen die zouden kunnen botsen met maatregelen uit de IMERA-Verordening of nadere maatregelen die de Raad of de Commissie op grond daarvan treffen.
In dit verband wijst de Afdeling op de mogelijkheid dat Nederland, met het oog op het treffen van nationale noodmaatregelen, afhankelijk van de omstandigheden, de aard van de maatregelen en samenloop met uitvoeringshandelingen van Raad of Commissie, een beroep doet op Unierechtelijke uitzonderingsgronden. Ter illustratie wijst de Afdeling op de reguliere uitzonderingen op het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal, zoals opgenomen in de artikelen 36, 45, 52, 62, 65 van het VWEU, al dan niet in combinatie met artikel 4 van het VEU. Tevens wijst de Afdeling op artikel 72 van het VWEU, mogelijk ook in combinatie met artikel 4 van het VEU. Tot slot is te wijzen op artikel 346, eerste lid, onder b) van het VWEU relevant op grond waarvan het een lidstaat is toegestaan om eenzijdige maatregelen te treffen die noodzakelijk worden geacht voor de bescherming van wezenlijke belangen van zijn veiligheid.
De toelichting gaat niet in op de mogelijkheid om een beroep te doen op Unierechtelijke uitzonderingsgronden ten bate van het Nederlandse noodrecht.
Ten tweede kan de Commissie op grond van artikel 29 van de IMERA-Verordening maatregelen treffen waardoor marktdeelnemers, na acceptatie van een verzoek, verplicht worden om als prioritair aangemerkte goederen bij voorrang te produceren en te leveren. Bij niet-levering kunnen onder omstandigheden boetes worden opgelegd. (zie noot 39)
Parallel daaraan kunnen alsdan op grond van het Nederlandse staatsnoodrecht, mits geactiveerd, maatregelen zijn genomen, bijvoorbeeld op grond van de artikelen 4, 5 en 10a van de Distributiewet. Op grond hiervan kan de minister (zie noot 40) maatregelen treffen met betrekking tot diverse categorieën distributiegoederen, die kunnen samenlopen, en in voorkomend geval zelfs botsen, met maatregelen die op grond van artikel 29 van de IMERA-Verordening zijn getroffen. Die kunnen immers ook verplichten tot prioritaire productie of levering van distributiegoederen. Dit geldt ook voor maatregelen op basis van artikel 3 van de Hamsterwet; ook die kunnen samenlopen of mogelijk botsen met maatregelen op grond van artikel 29 van de IMERA-Verordening. Niet uitgesloten is dat dergelijke strijdigheden zich ook ten aanzien van andere nationale noodmaatregelen kunnen voordoen.
Voor de diverse betrokken actoren moet op ieder moment helder zijn aan welke noodmaatregel zij moeten voldoen, de Nederlandse en/of de Unierechtelijke, en hoe de verschillende noodmaatregelen zich tot elkaar verhouden. Zulks geldt te meer in crisis- en noodsituaties, waarbij juridische duidelijkheid ten goede komt aan de snelheid van handelen en daarmee ook de effectiviteit van het Unierechtelijke en Nederlandse noodrecht.
De toelichting gaat niet in op het handelingsperspectief van overheid en marktdeelnemers bij samenloop van Unierechtelijke en Nederlandse noodmaatregelen die verplichten tot (prioritaire) productie, levering of voorraadvorming.
c. Conclusie
Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling om in de toelichting in algemene zin uitgebreider in te gaan op de verhouding tussen enerzijds het Unierechtelijke (IMERA-)noodrecht en anderzijds het huidige en het toekomstige Nederlandse staatsnoodrecht. Ook adviseert de Afdeling om in de toelichting specifieke aandacht te schenken aan de situatie waarin de activering van de waakzaamheids- en/of de noodfase zoals bedoeld in de IMERA-Verordening eerder, gelijktijdig of later plaatsvindt dan het Nederlandse staatsnoodrecht. Daarbij dient aandacht te worden geschonken aan de informatiepositie en de betrokkenheid van het Nederlandse parlement in die drie verschillende scenario’s en bij besluitvorming op Unieniveau.
Meer specifiek adviseert de Afdeling in dit verband om in de toelichting in te gaan op de mogelijkheid om, in geval van samenloop of botsing, Unierechtelijke uitzonderingsgronden in te roepen ten behoeve van Nederlandse noodmaatregelen. Tot slot adviseert de Afdeling om in te gaan op de vraag op welke wijze overheid en marktdeelnemers snel duidelijkheid kan worden geboden wat van hen wordt verwacht in geval van een samenloop tussen Unierechtelijke (IMERA-) noodmaatregelen en Nederlandse noodmaatregelen.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.
De vice-president van de Raad van State
Voetnoten
(1) Verordening (EU) 2024/2747 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2024 tot vaststelling van een kader van maatregelen in verband met noodsituaties op de interne markt en met de veerkracht van de interne markt en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2679/98 van de Raad (verordening inzake noodsituaties op de interne markt en veerkracht van de interne markt) (PbEU 2024 L 2747).
(2) Verordening (EU) 2024/2748 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2024 tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 305/2011, (EU) 2016/424, (EU) 2016/425, (EU) 2016/426, (EU) 2023/988 en (EU) 2023/1230 inzake noodprocedures voor conformiteitsbeoordeling, vermoeden van conformiteit, vaststelling van gemeenschappelijke specificaties en markttoezicht in geval van noodsituaties op de interne markt (PbEU 2024, L 2748)
(3) Richtlijn (EU) 2024/2749 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2024 tot wijziging van de Richtlijnen 2000/14/EG, 2006/42/EG, 2010/35/EU, 2014/29/EU, 2014/30/EU, 2014/33/EU, 2014/34/EU, 2014/35/EU, 2014/53/EU en 2014/68/EU en tot invoering van noodprocedures voor conformiteitsbeoordeling, vermoeden van conformiteit, vaststelling van gemeenschappelijke specificaties en markttoezicht in geval van noodsituaties op de interne markt (PbEU 2024 L 2749).
(4) Artikel 3 onder 1) van de IMERA-Verordening.
(5) Artikel 4 van de IMERA-Verordening.
(6) Artikel 8, vierde respectievelijk eerste lid, van de IMERA-Verordening.
(7) Artikel 25 respectievelijk 24 van de IMERA-Verordening.
(8) Voorgesteld artikel 2.
(9) Toelichting, algemeen deel, paragraaf 1 (Inleiding).
(10) Toelichting, algemeen deel, paragraaf 1 (Inleiding).
(11) Voorgesteld artikel 3.
(12) Voorgesteld artikel 4.
(13) Voorgesteld artikel 5.
(14) De artikelen 9 tot en met 13 van de IMERA-Verordening regelen de noodplanningsmaatregelen die kunnen worden getroffen.
(15) Artikel 3 onder 2) en Titel III van de IMERA-Verordening.
(16) Artikel 3 onder 3) en Titel IV van de IMERA-Verordening.
(17) Artikel 15, eerste lid, van de IMERA-Verordening.
(18) Artikel 15, eerste lid, van de IMERA-Verordening.
(19) Artikel 14, eerste lid, van de IMERA-Verordening.
(20) Artikel 18, vierde lid, van de IMERA-Verordening.
(21) Met de "raad" wordt bedoeld: de raad voor noodsituaties, bedoeld in artikel 4 van de IMERA-Verordening. Met de "Raad" wordt bedoeld: de Raad zoals bedoeld in artikel 237 van het VWEU.
(22) Artikel 17 van de IMERA-Verordening.
(23) Artikel 18, eerste lid, van de IMERA-Verordening, dat verwijst naar de randvoorwaarden van artikel 17 van de IMERA-Verordening.
(24) Die aanmerking moet geschieden in de uitvoeringshandeling waarmee de waakzaamheidsfase wordt geactiveerd: zie artikel 14, eerste lid onder b) van de IMERA-Verordening.
(25) Artikel 16 van de IMERA-Verordening.
(26) Artikel 27, vierde lid, onder a) van de IMERA-Verordening.
(27) Artikel 29 van de IMERA-Verordening.
(28) Artikel 36 van de IMERA-Verordening.
(29) Artikel 39 van de IMERA-Verordening.
(30) Artikel 28 van de IMERA-Verordening.
(31) Toelichting, Algemeen deel, paragraaf 4.2.1 (Nationaal Staatsnoodrecht).
(32) Toelichting, Algemeen deel, paragraaf 4.2.1 (Nationaal Staatsnoodrecht).
(33) Dergelijke beperkingen zouden ook kunnen voortvloeien uit de maatregelen bedoeld in de artikelen 28, 29 tot en met 36 en 39 tot en met 41 van de IMERA-Verordening.
(34) Hoewel samenloop tussen het staatsnoodrecht en de IMERA-Verordening zich voornamelijk lijkt te kunnen voordoen in geval de noodfase onder de verordening is (c.q. wordt of zal worden) geactiveerd, kan niet worden uitgesloten dat vergelijkbare problematiek speelt tijdens de activering van de waakzaamheidsfase (c.q. voorafgaand daaraan of daarna). Tijdens de waakzaamheidsfase kunnen de maatregelen uit de artikelen 16, 36 en 39 van IMERA-Verordening worden genomen. In al die gevallen is een actieve bijdrage van de lidstaten voorzien, die mogelijk niet kan worden geleverd indien een lidstaat verkeert in een noodsituatie die hem noopt tot een beroep op het staatsnoodrecht. De opmerkingen van de Afdeling hierna spitsen zich echter toe op mogelijke samenloop tussen het Nederlandse staatsnoodrecht en de noodfase. Overigens kunnen de maatregelen die op grond van de Omnibusverordening en de Omnibusrichtlijn worden genomen, alleen tijdens de noodfase worden genomen: Toelichting, Algemeen Deel, paragraaf 2.3.2 (Toepassing).
(35) Kamerstukken II, 2025/26, 36994, nr. 2.
(36) Kamerstukken II, 2022/23, 29668 en 26956, nr. 69, Kamerstukken II, 2023/24, 29668 en 26956 nr. 70 en Kamerstukken II, 2024/25, 29668 en 26956, nr. 71.
(37) Toelichting, Algemeen deel, paragraaf 4.2.1 (Nationaal Staatsnoodrecht).
(38) Op grond van artikel 28 van de IMERA-Verordening kan de Commissie tijdens de duur van een noodfase ten aanzien van een of meer crisisrelevante goederen een noodprocedure activeren op basis van de wetgeving die van toepassing is op de betreffende goederen.
(39) Artikel 29, tiende lid, en de artikelen 30 tot en met 32 van de IMERA-Verordening.
(40) Afhankelijk van de betrokken producten kan het hierbij gaan om de Minister van Economische Zaken en Klimaat of de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.