Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W05.26.00111/I

Vereisten mbo-docenten basisvaardigheden.

Kenmerk
W05.26.00111/I
Datum aanhangig
24 april 2026
Datum vastgesteld
22 juli 2026
Datum advies
22 juli 2026
Datum publicatie
27 juli 2026
Vindplaats
Kamerstukken II 2026/2027, 37049, nr. 4
  • Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
  • Wet

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Bij Kabinetsmissive van 24 april 2026, no.2026000953, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met het stellen van vereisten aan de benoeming of tewerkstelling van mbo-docenten die onderwijs verzorgen in de Nederlandse taal, rekenen of burgerschap (vereisten mbo-docenten basisvaardigheden), met memorie van toelichting.

De regering beoogt met het wetsvoorstel de kwaliteit van het onderwijs in Nederlands, rekenen en burgerschap (basisvaardigheden) in het mbo te verbeteren door aanvullende bekwaamheidseisen te stellen aan mbo-docenten. Daartoe bepaalt het wetsvoorstel onder meer dat docenten die onderwijs verzorgen in één van deze basisvaardigheden, moeten beschikken over een getuigschrift van een eerste- of tweedegraads lerarenopleiding in het desbetreffende vak. Docenten die daar niet over beschikken, moeten een aanvullend opleidingstraject volgen om onderwijs in de basisvaardigheden te verzorgen. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een mogelijkheid voor zij-instroom in het beroep via de eerste- en tweedegraads lerarenopleidingen voor het mbo.

De Afdeling onderkent het belang van de bekwaamheid van mbo-docenten basisvaardigheden. Wel heeft zij vragen over de gevolgen van de voorgestelde maatregelen voor het lerarentekort en de verhouding tot het stelsel van bekwaamheidseisen voor leraren. De Afdeling adviseert daarom de gevolgen voor het lerarentekort in beeld te brengen en aan de hand daarvan in de toelichting de mogelijke nadelige gevolgen van het wetsvoorstel af te wegen tegen de beoogde kwaliteitsverbetering. Ook adviseert zij de verhouding tot de herijking van de bekwaamheidseisen van leraren toe te lichten.

In verband daarmee is aanpassing van de toelichting wenselijk.

1. Inhoud en doel van het wetsvoorstel

Met dit wetsvoorstel beoogt de regering de kwaliteit van het onderwijs in de basisvaardigheden in het mbo en de beheersing van de basisvaardigheden door mbo-studenten te versterken. Dit wil zij doen door aanvullende eisen te stellen aan de pedagogische, vakdidactische en vakinhoudelijke bekwaamheid voor de benoeming of tewerkstelling zonder benoeming van mbo-docenten Nederlands, rekenen en burgerschap. (zie noot 1)

Het wetsvoorstel bepaalt onder meer dat de huidige en toekomstige docenten aan bekostigde instellingen die onderwijs verzorgen in de basisvaardigheden Nederlands, rekenen of burgerschap, moeten beschikken over een getuigschrift van een eerste- of tweedegraads lerarenopleiding in het desbetreffende vak. Docenten die daar niet over beschikken, moeten een aanvullend opleidingstraject volgen. Een opleidingstraject is maatwerk en omvat een maximale studielast van 30 ECTS. (zie noot 2) Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in de mogelijkheid van zij-instroom in het beroep via de eerste- en tweedegraads lerarenopleidingen voor het mbo. (zie noot 3)

2. Algemene beoordeling

De Afdeling merkt op dat de regering terecht aandacht vraagt voor de bekwaamheid van mbo-docenten basisvaardigheden. De beheersing van basisvaardigheden onder leerlingen en studenten staat namelijk onder druk. (zie noot 4)

Bekwame docenten zijn een belangrijke voorwaarde voor de kwaliteit van het onderwijs in de basisvaardigheden. Het stellen van aanvullende vereisten voor mbo-docenten basisvaardigheden kan daarom bijdragen aan de verbetering van de basisvaardigheden van mbo-studenten. In dit kader heeft de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid. (zie noot 5)

De oorzaken voor de achteruitgang in de beheersing van de basisvaardigheden lopen uiteen en zijn complex. De regering werkt daarom aan de verbetering van de beheersing van basisvaardigheden door middel van het sectoroverstijgende Masterplan basisvaardigheden. Een onderdeel van dit masterplan is extra tijd en ruimte voor de kwaliteit van leraren. (zie noot 6) Tegen deze bredere achtergrond kan dit wetsvoorstel worden begrepen.

De Afdeling merkt op dat de wetgever zich met dit wetsvoorstel bevindt in een spanningsveld tussen onderwijskwaliteit en het lerarentekort. Het onderwijs kampt met structurele, ongelijk verdeelde tekorten aan onderwijspersoneel. (zie noot 7) Uit de toelichting blijkt dat de regering het belang van verhoogde onderwijskwaliteit en meer kansengelijkheid onder de mbo-studenten zwaarder weegt dan de nadelige gevolgen van het wetsvoorstel. (zie noot 8)

De Afdeling onderschrijft de ambitie van de regering om de bekwaamheid van mbo-docenten Nederlands, rekenen en burgerschap en daarmee het onderwijs in deze basisvaardigheden te verbeteren. Het streven naar onderwijskwaliteit en de bevordering van de beheersing van basisvaardigheden vormen publieke belangen waarvoor de overheid verantwoordelijkheid draagt. Daarbij moet het verbeteren van de onderwijskwaliteit niet uitsluitend worden verwacht van aanvullende normstelling.

De Afdeling onderkent het belang van de bekwaamheid van mbo-docenten basisvaardigheden. Wel heeft zij vragen over de gevolgen van de voorgestelde maatregelen voor het lerarentekort en de verhouding tot het stelsel van bekwaamheidseisen voor leraren.

3. Gevolgen voor het lerarentekort

Uit de internetconsultatie blijkt dat het merendeel van de mbo-instellingen positief staat tegenover de aanvullende vereisten voor docenten basisvaardigheden. (zie noot 9) Tegelijkertijd worden er zorgen geuit over de gevolgen voor het bestaande lerarentekort in het mbo. De regering erkent dat er in het mbo personeelstekorten zijn voor Nederlands, rekenen en burgerschap. (zie noot 10) Enerzijds stelt de regering dat er als gevolg van de aanvullende vereisten minder docenten basisvaardigheden beschikbaar zullen zijn. (zie noot 11) Anderzijds kan het wetsvoorstel volgens de regering ook bijdragen aan het terugdringen van de personeelstekorten in het mbo door bestaand personeel op te leiden tot docent basisvaardigheden. (zie noot 12)

In recente cijfers wordt het tekort aan docenten in het mbo geschat tussen 900 en 1.300 fte. Specifiek voor het onderwijs in basisvaardigheden in het mbo is er een tekort van 11,8% voor Nederlandse taal, 9,2% voor rekenen en 4,4% voor burgerschap. (zie noot 13) Voor 2029 is de verwachting dat het personeelstekort in het onderwijs flink gaat stijgen en naar verwachting hoger wordt dan ooit door de krimpende beroepsbevolking en de stijgende leerlingaantallen. (zie noot 14)

De Afdeling merkt op dat in de toelichting de mogelijke nadelige gevolgen van het wetsvoorstel voor het lerarentekort niet worden afgewogen tegen de beoogde kwaliteitsverbetering van het onderwijs in basisvaardigheden. De toelichting geeft namelijk geen duidelijkheid over de verwachte gevolgen van het wetsvoorstel voor het lerarentekort. (zie noot 15) Dit komt mede doordat cijfers over het huidige aantal docenten zonder geschikte professionele achtergrond en de oorzaken hiervan ontbreken. (zie noot 16) Ook is niet duidelijk wat de verwachte gevolgen zijn voor de werkdruk en het draagvlak onder docenten om een aanvullende opleiding te volgen. Meer inzicht hierin is daarom nodig om de gevolgen voor het lerarentekort beter in beeld te brengen en deze af te wegen tegen de beoogde kwaliteitsverbetering. Dit kan bijvoorbeeld aan de hand van een nulmeting onder mbo-instellingen waarin aandacht wordt besteed aan deze aspecten.

De Afdeling adviseert de gevolgen voor het lerarentekort in beeld te brengen en aan de hand daarvan in de toelichting de mogelijke nadelige gevolgen van het wetsvoorstel af te wegen tegen de beoogde kwaliteitsverbetering.

4. Verhouding tot de herijking bekwaamheidseisen leraren

Mede naar aanleiding van het advies van de Onderwijsraad, (zie noot 17) heeft de regering aangekondigd te willen komen tot één leidend kader voor alle lerarenopleidingen, waarbij wordt onderzocht hoe vakspecifieke onderdelen in regelgeving kunnen worden opgenomen. Volgens de regering is de eerste stap in deze richting de herijking van de bekwaamheidseisen. (zie noot 18)

Op 24 september 2025 heeft een vertegenwoordiging van de beroepsgroep van leraren een advies voor de herijking van de bekwaamheidseisen van leraren in het po, vo en mbo opgeleverd. (zie noot 19) In het advies wordt voorgesteld om de bekwaamheidseisen concreter en specifieker te formuleren. Scherpere eisen dragen bij aan grotere eenduidigheid en heldere verwachtingen. Op dit moment is het proces begonnen om de gewijzigde bekwaamheidseisen op te nemen in het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel. Het kabinetsstreven is om het gewijzigde besluit uiterlijk 1 augustus 2027 in werking te laten treden. (zie noot 20)

De Afdeling merkt op dat een toelichting op de verhouding tussen het wetvoorstel en de herijking van de bekwaamheidseisen ontbreekt. Deze verhouding is wel belangrijk, omdat deze twee trajecten met elkaar samenhangen. Zoals de regering heeft aangegeven zal in het kader van de herijking van de bekwaamheidseisen worden onderzocht hoe vakspecifieke onderdelen in regelgeving kunnen worden opgenomen, zoals ook in dit wetsvoorstel gebeurt.

Hier komt bij dat de Onderwijsraad heeft geconstateerd dat het huidige systeem om de bekwaamheid van aanstaande leraren te waarborgen diffuus is. Er zijn landelijke kaders, maar die gelden niet altijd voor alle lerarenopleidingen. Verder bestaan kaders naast elkaar, terwijl de relatie ertussen niet overal duidelijk is. Dat het geheel aan kaders en de totstandkoming ervan diffuus zijn, schept verwarring. (zie noot 21)

De Afdeling merkt op dat dit wetsvoorstel het geheel van kaders over de bekwaamheidseisen van leraren mogelijk verder diffuus maakt en daarmee bijdraagt aan de complexiteit van de mbo-wetgeving. De Afdeling onderkent dat dit een gevolg is van de al bestaande complexiteit van het stelsel van wetgeving over de vereisten voor de benoeming en tewerkstelling van mbo-docenten. Daarom ligt het in de rede om de vereenvoudiging van dit stelsel bij de herijking van de bekwaamheidseisen te betrekken.

De Afdeling adviseert toe te lichten hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot (het proces van) het herijken van de bekwaamheidseisen voor mbo-docenten.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.



De waarnemend vice-president van de Raad van State

Nader rapport (reactie op het advies) van 20 oktober 2026

Naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) zijn paragraaf 4.1, 4.2 en tabel 6 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel aangepast en aangevuld.

De Afdeling verwijst naar een eerdere Kamerbrief waarin is vermeld dat voor 2029 de verwachting is dat het personeelstekort in het onderwijs flink gaat stijgen en naar verwachting hoger wordt dan ooit door de krimpende beroepsbevolking en de stijgende leerlingaantallen. Deze verwachting heeft betrekking op het funderend onderwijs. Voor het mbo ziet de situatie er anders uit.

Sinds 2024 is meer zicht op het tekort aan docenten in het mbo. In 2024 was het tekort aan docenten in het mbo tussen 3,3 – 5% van de werkgelegenheid (900 – 1400 FTE) (zie noot 22) en in 2025 3,2 – 4,5% van de werkgelegenheid (900 – 1300 FTE) (zie noot 23). (zie noot 24) Het tekort is daarmee gemiddeld gezien minder groot dan in het funderend onderwijs. In het funderend onderwijs is dit in het primair onderwijs (po) 6,3% en in het voortgezet onderwijs (vo) 3,5% van de werkgelegenheid. (zie noot 25)

De verwachting is dat het lerarentekort in het mbo zich anders zal ontwikkelen dan in het funderend onderwijs. In het mbo gaat het lerarentekort naar verwachting de komende jaren (licht) dalen. De reden hiervoor is de daling in de studentaantallen die na 2028 wordt verwacht. (zie noot 26) (zie noot 27) Voor het po wordt verwacht dat het lerarentekort gaat stijgen als gevolg van de krimpende beroepsbevolking en de licht stijgende leerlingenaantallen. Deze verwachte stijging zal pas een mogelijk effect hebben op de studentenaantallen in het mbo als deze leerlingen doorstromen naar het vervolgonderwijs. De referentieramingen gaan momenteel niet verder dan 2040, waardoor het effect op het mbo van stijgende leerlingenaantallen in het po onzeker is.

Een eventuele toename van het lerarentekort in het mbo als gevolg van de nieuwe wettelijke eisen zal dus worden gedempt door de verwachte krimp in het mbo. Bovendien raken de nieuwe wettelijke eisen niet alle docenten in het mbo, maar alleen de docenten basisvaardigheden.

Om een tekort aan docenten basisvaardigheden te voorkomen, kent het wetsvoorstel een aantal maatregelen. Zo moeten instellingen tijdig inspelen op de veranderende wetgeving door in kaart te brengen hoeveel en welke docenten zij moet laten bijscholen. Het ministerie van OCW stimuleert dit door middel van voorlichting; de meeste instellingen zijn hier dan ook al mee bezig. Het is maatwerk om docenten bij te scholen tot docent basisvaardigheid. Docenten met een andere opleidingsachtergrond maar interesse in een van de basisvaardigheden, kunnen met behulp van een traject van maximaal 30 studiepunten in plaats van een volledige lerarenopleiding goed toegerust worden op het werk als docent basisvaardigheid. Voor de docenten die ten tijde van de inwerkingtreding van de nieuwe vereisten al werkzaam zijn aan een instelling, geldt daarnaast een ruime overgangstermijn. (zie noot 28)

Een exacte berekening van de verwachte gevolgen van het wetsvoorstel voor het tekort aan docenten basisvaardigheden, is – zoals de Afdeling opmerkt – niet goed mogelijk, onder andere omdat cijfers over de huidige opleidingsachtergrond van docenten basisvaardigheden ontbreken. In 2023 is geprobeerd dit in kaart te brengen. (zie noot 29) Uit dit onderzoek is een algemeen beeld naar voren gekomen van de professionele achtergrond van docenten basisvaardigheden, waaruit blijkt dat bijscholing voor veel docenten, met name bij rekenen en burgerschap, noodzakelijk is. Nauwkeurige cijfers konden niet worden verkregen. Deze gegevens worden namelijk niet landelijk geregistreerd. Instellingen hebben aangegeven deze informatie ook niet eenvoudig voorhanden te hebben, omdat zij hiervoor in het bekwaamheidsdossier van elke docent moeten kijken. Dit is heel arbeidsintensief en administratief te belastend. Ook bij de jaarlijkse meting van personeelstekorten in het mbo is dit een knelpunt. Bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel is daarom afgezien van een nieuwe nulmeting en ervoor gekozen om het bovengenoemde onderzoek naar de professionele achtergrond van mbo-docenten basisvaardigheden als nulmeting te hanteren. Dit onderzoek zal ook dienen als referentiekader bij de wetsevaluatie. Aanvullend op het onderzoek zijn er vanuit OCW diverse gesprekken met het veld gevoerd.

De Afdeling wijst erop dat er geen inzicht is in de toenemende werkdruk wegens en het draagvlak onder docenten voor het volgen van het aanvullende opleidingstraject. In de gesprekken van OCW met het veld hebben de meeste docenten aangegeven welwillend tegenover het volgen van een opleidingstraject te staan. Docenten gaven daarbij wel aan dat maatwerk belangrijk is, omdat het demotiverend werkt als er ‘geschoold wordt om te scholen’. Omdat ook de regering het van belang vindt dat er alleen noodzakelijke scholing plaatsvindt, is in het wetsvoorstel uitgewerkt dat het opleidingstraject maatwerk betreft. Dit maatwerk biedt instellingen, tezamen met een ruime overgangsperiode voor zittende docenten, de ruimte om in overleg met de teams en docenten te zorgen voor een evenwichtige planning en verdeling van de scholingslast en werkdruk. Op de langere termijn zullen docenten naar verwachting minder werkdruk ervaren, omdat zij beter zijn toegerust om onderwijs in de basisvaardigheden te verzorgen. De docenten benoemden tot slot vaak dat het aanscherpen van de vereisten aan docenten basisvaardigheden zorgt voor meer aanzien van het beroep, hetgeen de aantrekkelijkheid van het beroep verhoogt.

Op basis van het bovenstaande concludeert de regering dat de gevolgen van dit wetsvoorstel voor het lerarentekort beperkt en acceptabel zijn. Het doel van dit wetsvoorstel weegt naar het oordeel van de regering daardoor zwaarder dan (het risico op) een groter tekort aan docenten basisvaardigheden. Uiteindelijk leiden de aanvullende eisen voor benoeming en tewerkstelling van docenten basisvaardigheden tot verhoogde onderwijskwaliteit en daarmee tot meer kansengelijkheid voor mbo-studenten. Daarnaast wordt het tekort aan docenten basisvaardigheden de komende jaren gemonitord via de jaarlijkse meting van personeelstekorten in het mbo, zodat er goed zicht is op de gevolgen.

Alle docenten in het mbo, dus ook docenten basisvaardigheden, moeten voldoen aan de bekwaamheidseisen die zijn opgenomen in het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel. (zie noot 30) In de bekwaamheidseisen zijn algemene beroepsvereisten opgenomen die gelden voor alle docenten. Het bevoegd gezag beoordeelt dit aan de hand van het door de docent te overleggen getuigschrift. (zie noot 31) De bekwaamheidseisen bevatten nu geen vakspecifieke eisen.

Op dit moment worden de bekwaamheidseisen herijkt. Naar aanleiding hiervan zal het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel binnen afzienbare termijn worden aangepast en zullen de algemene beroepsvereisten meer worden geconcretiseerd. Dit is een eerste stap in de opvolging van het advies van de Onderwijsraad, waaronder de aanbeveling om te komen tot één fundament voor alle lerarenopleidingen. Het is echter niet haalbaar om hierin ook al de vakspecifieke eisen mee te nemen. De beroepsgroep heeft daarnaast uitgesproken dat zij niet met zekerheid in staat zal zijn om tot vakspecifieke eisen te komen. De komende jaren zal verkend worden hoe de vakspecifieke eisen (toch) kunnen worden opgenomen en wat ieders rol in dit proces is. Daarbij zullen de ervaringen van dit wetsvoorstel worden meegenomen. De eerstvolgende mogelijkheid voor het herijken van de bekwaamheidseisen zal echter niet eerder dan in 2033 zijn, aangezien de herijking eens per zes jaar plaatsvindt.

Het wetsvoorstel creëert de mogelijkheid om in lagere regelgeving eisen te stellen aan de inhoud van de aanvullende opleidingstrajecten voor docenten basisvaardigheden en zo vakspecifieke eisen te stellen. Het doel hiervan is om de kwaliteit van docenten basisvaardigheden te borgen op een eenduidige, uniforme manier. Gezien het belang van de kwaliteit van docenten basisvaardigheden en de kansengelijkheid voor mbo-studenten, is het niet wenselijk om te wachten op de uitkomst van bovengenoemde verkenning en herijking van de bekwaamheidseisen in of na 2033. Daarom zet de regering nu een eerste stap in de borging van vakspecifieke eisen in de WEB.

Paragraaf 3.3.4 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is naar aanleiding van bovenstaande aangepast en aangevuld.

5. Overige wijzigingen

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om een wijziging van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) aan het wetsvoorstel toe te voegen. Ook zijn bepalingen in het kader van de samenloop met een aantal andere wetsvoorstellen en enkele andere technische wijzigingen toegevoegd. Daarnaast is de memorie van toelichting op enkele punten verder verduidelijkt.

Met de wijziging van de WTOS wordt het volgen van een eerste- of tweedegraads lerarenopleiding in het mbo bevorderd door het bieden van financiële ondersteuning hiervoor. In artikel 2.12 WTOS is al opgenomen dat docenten die tijdens opleidingsroute zij-instroom in beroep werken als docent in het vo, een tegemoetkoming in opleidingskosten kunnen ontvangen mits zij ook voldoen aan de overige voorwaarden opgenomen in artikel 2.1 WTOS. Nu het met het wetsvoorstel mogelijk wordt gemaakt dat een docent ook tijdens de opleidingsroute zij-instroom in beroep in het mbo kan werken, is het wenselijk dat mbo-docenten hiervoor ook een tegemoetkoming in de opleidingskosten kunnen krijgen. Daarom worden zij toegevoegd aan artikel 2.12 WTOS. In paragraaf 2.6 en 6.1 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel wordt dit nader toegelicht.

Daarnaast zijn bepalingen in het kader van de samenloop met het wetsvoorstel Modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland (Kamerstukken 36878) en met het wetsvoorstel Uitwerking burgerschapsopdracht WEB opgenomen. Ook is een aantal technische wijzigingen aangebracht in verband met de Wet verbetering aansluiting beroepsonderwijs- arbeidsmarkt, die met ingang van 1 augustus 2026 grotendeels in werking is getreden (Stb. 2026, 177 en 199).

Ik verzoek U het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Voetnoten

(1) Zie het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel.
(2) Memorie van toelichting, paragraaf 2.4.1 ‘Aanvullende opleidingstrajecten Nederlandse taal, rekenen of burgerschap’.
(3) Memorie van toelichting, paragraaf 2.4 ‘Doel en inhoud van het wetsvoorstel’.
(4) Kamerstukken II 2025/26, 31293, nr. 875.
(5) Zie ook advies van 22 januari 2016 van de Afdeling advisering van de Raad van State over het Wetsvoorstel invoering van het lerarenregister en het registervoorportaal, (W05.15.0335/I), Kamerstukken II 2015/16, 34458, nr. 4. Zie verder artikel 23, tweede lid, van de Grondwet.
(6) Kamerstukken II 2021/22, 31293 nr. 620.
(7) Kamerstukken II 2025/26, 27923, nr. 518.
(8) Memorie van toelichting, paragraaf 4.2 ‘Mbo-instellingen’.
(9) Memorie van toelichting, paragraaf 8.1 ‘Internetconsultatie’.
(10) Memorie van toelichting, paragraaf 4.2 ‘Mbo-instellingen’.
(11) Memorie van toelichting, bijlage tabel 4.
(12) Memorie van toelichting, paragraaf 4.2 ‘Mbo-instellingen’.
(13) M. den Uijl e.a., Personeelstekorten middelbaar beroepsonderwijs, Centerdata, Tilburg 2025, p. 11, tabel 6. Dit betreft de tekorten aan docenten als percentage van de werkgelegenheid.
(14) Kamerstukken II 2025/26, 27923, nr. 518. Zie ook het Rapport Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen, p. 274.
(15) Zie ook het advies van 17 december 2025 van de Afdeling advisering van de Raad van State over het Wetsvoorstel strategisch personeelsbeleid en arbeidsmarktmaatregelen, (W05.25.00145/I), www.raadvanstate.nl, punt 2.
(16) Memorie van toelichting, paragraaf 6.2 ‘Financiële gevolgen voor mbo-instellingen’.
(17) Onderwijsraad, Bekwaamheid beter borgen, januari 2025.
(18) Kamerbrief Lerarenstrategie december 2025, Kamerstukken II 2025-26, 27923, nr. 518. Zie ook Onderwijsraad, Bekwaamheid beter borgen, januari 2025.
(19) AOb, CNV Onderwijs, FvOv, BVMBO en Platform VVVO, Bevoegd en Bekwaam: Herijking Bekwaamheidseisen in het Onderwijs, september 2025.
(20) Zie Kamerstukken II 2025/26, 27923, nr. 514, 518 en 539.
(21) Onderwijsraad, Bekwaamheid beter borgen, Den Haag, januari 2025.
(22) Rapport personeelstekorten mbo (peildatum 1 oktober 2024). Bijlage bij Kamerstukken II 2024/25, 31524 nr. 627.
(23) Personeelstekorten middelbaar beroepsonderwijs (peildatum 1 oktober 2025). Bijlage bij Kamerstukken II 2025/26, 27923 nr. 518.
(24) Dit zijn schattingen van het landelijke tekort met een 95% betrouwbaarheidsinterval.
(25) Kamerstukken II 2025/26, 27923, nr. 518.
(26) Referentieraming OCW 2026.
(27) https://www.rijksoverheid.nl/site/binaries/site-content/collections/documents/2025/12/18/rapporten-bij-trendrapportage-arbeidsmarkt-leraren-po-vo-en-mbo-2025/Arbeidsmarktramingen+onderwijs+2025.pdf.
(28) Voor docenten die enkel benoemd of tewerkgesteld zijn zonder benoeming op grond van artikel 4.2.1, vijfde of zesde lid, WEB geldt echter geen overgangstermijn. 
(29) Eindrapportage Professionele achtergrond van mbo-docenten basisvaardigheden en burgerschap; Bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 31524, nr. 565.
(30) Artikel 4.2.1, tweede lid, onder b, en 4.2.3, eerste lid, WEB, waarop het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel is gebaseerd.
(31) Zie voor alle soorten in aanmerking komende getuigschriften en andere mogelijkheden artikel 4.2.1, tweede lid, onder b en c, WEB.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon