Wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in verband met aanpassing subsidietermijn naar acht jaar.
- Kenmerk
- W05.26.00094/I
- Datum aanhangig
- 10 april 2026
- Datum vastgesteld
- 3 juni 2026
- Datum advies
- 3 juni 2026
- Datum publicatie
- 8 juni 2026
- Vindplaats
- Kamerstukken II 2025/26, 36994, nr. 4
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Wet
Toon inhoud
Bij Kabinetsmissive van 10 april 2026, no.2026000776, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in verband met aanpassing subsidietermijn naar acht jaar, met memorie van toelichting.
Het wetsvoorstel verlengt de maximale looptijd van subsidies die op grond van de Wet op het specifiek cultuurbeleid worden verleend.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de effectiviteit van het wetsvoorstel. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van de toelichting.
1. Achtergrond en inhoud van het wetsvoorstel
De Wet op het specifiek cultuurbeleid regelt, onder meer, de wijze waarop culturele instellingen door het rijk kunnen worden gefinancierd. Culturele instellingen worden rechtstreeks door de minister of door tussenkomst van cultuurfondsen gesubsidieerd. De minister kan bovendien aan openbare lichamen specifieke uitkeringen voor subsidiëring van cultuuruitingen verstrekken. Bij ministeriële regeling worden voorwaarden voor subsidies bepaald. De wet verplicht de verantwoordelijke minister ertoe om de beide Kamers van de Staten-Generaal periodiek te informeren over de hoofdlijnen van het cultuurbeleid.
De door de minister aan cultuurfondsen en instellingen verleende subsidies, de specifieke uitkeringen, de ministeriële regeling en de nota over de hoofdlijnen van het cultuurbeleid hebben een looptijd van in beginsel vier jaar. Omdat de cultuurfondsen zelfstandige bestuursorganen zijn, is het aan hen om te bepalen onder welke voorwaarden en voor welke duur zij culturele instellingen subsidiëren. De mogelijkheid tot sturing door de minister is beperkt. Op grond van de wet en de daarop steunende normen moeten de fondsen een beleidsplan opstellen. Die beleidsplannen moeten voldoen aan door de minister in een beleidskader opgenomen inhoudelijke, financiële en organisatorische aanwijzingen. (zie noot 1)
Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan een aanbeveling van de Raad voor Cultuur om de maximumduur van financiering te verlengen van vier jaar naar acht jaar. (zie noot 2) Een langere beleids- en financieringstermijn sluit beter aan op de praktijk van een deel van de culturele sector. Door de verlenging kunnen de administratieve en financiële lasten van zowel de fondsen als culturele organisaties worden verlaagd, wordt rust in de subsidieperiodes geboden, ontstaat meer ruimte voor langetermijninvesteringen en artistieke ontwikkeling en kan een betere balans tussen stabiliteit en vernieuwing worden gevonden. (zie noot 3)
2. Effectiviteit van het wetsvoorstel
Het wetsvoorstel beoogt culturele instellingen rust en ruimte te bieden. Zoals de regering onderkent wordt met het wetsvoorstel evenwel niet verzekerd dat ook de cultuurfondsen ertoe zullen overgaan de looptijd van de door hen verleende subsidies te verlengen. (zie noot 4) Het is immers aan de besturen van de fondsen om, weliswaar met inachtneming van het door de minister vastgestelde beleidskader, de werkwijze, de procedures en de criteria voor subsidiëring te bepalen. (zie noot 5) In zijn advies over het concept van het wetsvoorstel pleitte de Raad voor Cultuur ervoor de maximale looptijd van door de fondsen verstrekte subsidies op vier jaar te houden. Daarmee wordt, zo stelde de Raad voor Cultuur, een duidelijke grenslijn aangebracht tussen de rechtstreeks door de minister gesubsidieerde instellingen en de fondsen. (zie noot 6) De regering volgt deze aanbeveling niet omdat zij de fondsen op dit punt de vrije hand wil laten. (zie noot 7)
De Afdeling heeft er begrip voor dat de regering de maximale looptijd van subsidies wil verlengen van vier naar acht jaar. Wel vraagt zij naar een nadere motivering van de effectiviteit van deze maatregel. In de lopende subsidieperiode is immers meer dan de helft van de middelen die op de rijksbegroting voor cultuursubsidies zijn bestemd, toebedeeld aan de fondsen. (zie noot 8) Het wetsvoorstel en de toelichting maken niet inzichtelijk of, en zo ja, hoe de regering voornemens is te bevorderen dat de fondsen meer rust en ruimte bieden aan de door hen gesubsidieerde culturele instellingen. Zowel de Wet op het specifiek cultuurbeleid als de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen bieden daartoe zo nodig instrumenten. (zie noot 9)
De Afdeling adviseert in de memorie van toelichting nader op het voorgaande in te gaan.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een opmerking bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.
De vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 03 juli 2026
2. Effectiviteit van het wetsvoorstel
In reactie op het advies van de afdeling advisering van de Raad van State is de memorie van toelichting aangevuld (memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 2.5, Risico-mitigatie, en algemeen deel, paragraaf 9.3, Rijkscultuurfondsen). Er is inzichtelijk gemaakt op welke wijze de regering zal bevorderen dat de rijkscultuurfondsen ook meer rust en ruimte zullen bieden aan de door hen gesubsidieerde instellingen. De concrete uitwerking hiervan wordt opgenomen in de beleidsuitgangspuntenbrief voor de bis-periode 2029 e.v., in de Regeling op het specifiek cultuurbeleid en in de onderliggende beleidskaders voor de rijkscultuurfondsen.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om naast bovenstaande aanpassing een aantal aanvullingen op de memorie van toelichting te doen op de volgende onderwerpen:
· Verhouding tot nationale wetgeving (memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 3.3, Verhouding tot nationale wetgeving). De aanvulling betreft een nadere toelichting op de verhouding tussen het wetsvoorstel en artikel 4.10, tweede lid en derde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 Artikel 4.10, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016 vereist dat een subsidieregeling niet later vervalt dan vijf jaar na inwerkingtreding van de regeling. Het derde lid van datzelfde artikel biedt een uitzondering op deze bepaling indien de vijfjaartermijn afbreuk doet aan de effectiviteit van de gesubsidieerde activiteiten en er dus een langere termijn noodzakelijk is. In de memorie van toelichting is verduidelijkt dat in casu een langere termijn noodzakelijk is, omdat organisaties daarmee in het benodigde vermogen kunnen worden voorzien om structureel te investeren in grote producties, faciliteiten en organisatievraagstukken en om hiervoor ook andere financieringsbronnen aan te spreken. De minister zal bij de vaststelling van nadere regels op grond van de Wet op het specifiek cultuurbeleid dan ook van voornoemde uitzondering gebruikmaken en op het niveau van de relevante ministeriële regeling nader uitwerken hoe dat concreet vorm krijgt.
· Specifieke uitkeringen (memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 2.4 Motivering instrumentkeuze). De aanvulling betreft een nadere toelichting op de verlenging van de termijn voor specifieke uitkeringen (spuks) van vier naar acht jaar. Het is de wens van de regering om de termijn van de specifieke uitkeringen te wijzigen van vier naar acht jaar. Deze termijn sluit namelijk beter aan bij de doelen waarvoor de minister van OCW tot op heden specifieke uitkeringen heeft afgegeven: een vierjaartermijn is hiervoor te kort. De achtjarige termijn vergroot daarnaast de effectiviteit van het beleid van de minister van OCW in de afstemming met decentrale overheden.
· Toevoeging paragraaf 2.5 ‘Risico-mitigatie’ (memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 2.4, onder “Motivering instrumentkeuze”). De toevoeging betreft de omschrijving van de volgende mogelijke risico’s, alsmede hoe deze gemitigeerd worden:
· In de memorie van toelichting wordt verder toegelicht dat er minder aanvraagmomenten zijn waar het gaat om organisaties die direct vanuit het Rijk subsidie ontvangen, maar dat de fondsen met dit wetsvoorstel de mogelijkheid krijgen meer differentiatie aan te brengen in hun instrumentarium.· Staatssteun. Er is een inconsistentie aangetroffen in de toelichting waardoor in de tekst de indruk wordt gewekt dat er een bijzonder risico ligt bij de staatssteuncheck. Dit is niet correct geformuleerd in de toelichting. Dit vraagt om een aanpassing van de memorie van toelichting op dit punt.
De memorie van toelichting is daarnaast op enkele punten redactioneel aangepast en aangevuld om de formulering, leesbaarheid en begrijpelijkheid te verbeteren, zonder dat daarmee een inhoudelijke wijziging is beoogd.
Ik verzoek U het hierbij gevoegde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Voetnoten
(1) Artikel 8, eerste en tweede lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, artikel 4 van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid en artikel 4.2, vierde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.
(2) Zie Raad voor Cultuur, Toegang tot cultuur. Op weg naar een nieuw bestel in 2029, januari 2024, p. 139 en het briefadvies over een nieuw cultuurbestel van 12 mei 2025, p. 2-3. De adviezen zijn beschikbaar op https://www.raadvoorcultuur.nl/
(3) Memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 3.1, Doel van het wetsvoorstel.
(4) Memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 9.3, Rijkscultuurfondsen. Om vergelijkbare redenen heeft ook de verlenging van de maximale duur van specifieke uitkeringen niet per definitie gevolgen voor de met die uitkeringen gefinancierde subsidies die door decentrale overheden worden verstrekt; daarover de memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 8, Gevolgen voor decentrale overheden.
(5) Artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid.
(6) Advies van de Raad voor cultuur van 8 januari 2026 over het conceptwetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, beschikbaar op https://www.raadvoorcultuur.nl/.
(7) Memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 10.2, Advies Raad voor cultuur.
(8) Kamerstukken II 2024/25, 32820, nr. 526, bijlage 1157591.
(9) Artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid en artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.