Wet verbetering kroongetuigenregeling.
- Kenmerk
- W16.26.00071/II
- Datum aanhangig
- 20 maart 2026
- Datum vastgesteld
- 22 juli 2026
- Datum advies
- 22 juli 2026
- Datum publicatie
- 27 juli 2026
- Vindplaats
- Website Raad van State
- Justitie en Veiligheid
- Wet
Toon inhoud
Advies over Wetsvoorstel verbetering kroongetuigenregeling
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op 22 juli 2026 het advies vastgesteld over het Wetsvoorstel verbetering kroongetuigenregeling. Het advies is op 27 juli 2026 gepubliceerd op de website van de Raad van State.
Inhoud wetsvoorstel
Met het wetsvoorstel worden diverse wetten gewijzigd om de kroongetuigenregeling te verbeteren. De kroongetuigenregeling biedt de officier van justitie de mogelijkheid om afspraken te maken met een verdachte of een veroordeelde over het afleggen van een verklaring tegen een andere verdachte in ruil voor het vorderen van een lagere straf. In de uitvoering van deze regeling zijn verschillende knelpunten naar boven gekomen en het wetsvoorstel probeert dit op te lossen. Dit gebeurt onder andere door de kroongetuigenregeling te verbreden. Hierdoor wordt het voor verdachten van lichte strafbare feiten die deel uitmaken van een crimineel netwerk aantrekkelijker om informatie met het Openbaar Ministerie te delen over verdachten van zware strafbare feiten uit dat netwerk. Op die manier kunnen verdachten van zware strafbare feiten worden vervolgd.
Inzet kroongetuigenregeling
De Afdeling advisering adviseert de regering om nader toe te lichten wat de beoogde inzet is van de kroongetuigenregeling nadat de wet in werking is getreden. Uit de toelichting bij het wetsvoorstel wordt namelijk niet duidelijk of voortaan vooral afspraken zullen worden gemaakt met personen die van minder ernstige strafbare feiten worden verdacht. Daarnaast blijft de mogelijkheid bestaan om afspraken te maken met kroongetuigen die een verklaring kunnen afleggen over strafbare feiten waarbij de georganiseerde misdaad niet is betrokken, maar is het voorstel vooral gericht op het maken van afspraken waarbij de georganiseerde misdaad wel is betrokken. De vraag is hoe hiermee in de praktijk kan worden omgegaan, zeker ook nu er volgens de regering een geringe stijging is in het totaal aantal kroongetuigen.
Levenslang gestraften
Verder adviseert de Afdeling advisering de regering in te gaan op de vraag of de kroongetuigenregeling open moet staan voor personen die een levenslange gevangenisstraf hebben gekregen of mogelijk krijgen. In de toelichting bij het wetsvoorstel merkt de regering hierover niets op, terwijl uit onderzoek dat ten grondslag aan het voorstel ligt, is gebleken dat hier mogelijk wel behoefte aan bestaat.
Voorwaarden getuigenverklaring
De Afdeling advisering maakt ook een opmerking over de (bijzondere) voorwaarde voor de kroongetuige om de getuigenverklaring af te leggen. De vraag is of deze voorwaarde nodig is naast de (algemene) voorwaarde dat de kroongetuige geen nieuwe strafbare feiten mag plegen. Het niet afleggen van die verklaring is namelijk al strafbaar. Het advies aan de regering is dan ook om de meerwaarde van deze voorwaarde nader te onderbouwen, mede in het licht van het stelsel van voorwaardelijke straffen.
Getuigenbescherming
Daarnaast maakt de Afdeling advisering een opmerking over het niveau van regelgeving waarin de rechten en plichten van de kroongetuige in het kader van de getuigenbescherming worden vastgelegd. De toelichting bij het wetsvoorstel noemt enkele onderwerpen die nader zullen worden geregeld in een nieuw Besluit getuigenbescherming. De regering licht niet toe waarom deze onderwerpen in een algemene maatregel van bestuur en dus op een lager niveau dan de wet worden geregeld. Aangezien de getuigenbescherming een belangrijk onderdeel is van de kroongetuigenregeling, is het noodzakelijk dat de regering deze toelichting alsnog geeft.
Conclusie
De Afdeling advisering heeft een aantal opmerkingen bij het wetsvoorstel en adviseert de regering daarmee rekening te houden voordat het bij de Tweede Kamer wordt ingediend.
Bij Kabinetsmissive van 20 maart 2026, no.2026000612, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht en andere wetten in verband met de verbetering van de regeling omtrent toezeggingen aan getuigen die tevens verdachte of veroordeelde zijn (Wet verbetering kroongetuigenregeling), met memorie van toelichting.
Samenvatting
Met het wetsvoorstel worden diverse wetten gewijzigd om de kroongetuigenregeling te verbeteren. De kroongetuigenregeling biedt de officier van justitie de mogelijkheid om afspraken te maken met een verdachte of een veroordeelde over het afleggen van een verklaring tegen een andere verdachte in ruil voor het vorderen van een lagere straf. In de uitvoering van deze regeling zijn verschillende knelpunten naar boven gekomen. Het is de bedoeling dat dit wetsvoorstel deze knelpunten oplost, zodat de kroongetuigenregeling effectiever kan worden toegepast en daardoor de georganiseerde misdaad doeltreffender kan worden bestreden.
De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert om nader toe te lichten wat de beoogde inzet is van de kroongetuigenregeling na inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Uit de toelichting wordt namelijk niet duidelijk of na inwerkingtreding van het wetsvoorstel voortaan vooral afspraken zullen worden gemaakt met personen die van minder ernstige strafbare feiten worden verdacht. Daarnaast blijft de mogelijkheid bestaan om afspraken te maken met kroongetuigen die een verklaring kunnen afleggen over strafbare feiten waarbij de georganiseerde misdaad niet is betrokken, maar is het voorstel vooral gericht op het maken van afspraken waarbij de georganiseerde misdaad wel is betrokken. De vraag is hoe hiermee in de praktijk kan worden omgegaan, zeker ook vanwege de door de regering veronderstelde geringe stijging in het totaal aantal kroongetuigen.
Verder adviseert de Afdeling in te gaan op de vraag of de kroongetuigenregeling open moet staan voor personen die een levenslange gevangenisstraf hebben gekregen of mogelijk krijgen. In de toelichting is hierover niets opgemerkt, terwijl uit onderzoek dat ten grondslag aan het voorstel ligt is gebleken dat hier mogelijk wel behoefte aan bestaat.
De Afdeling maakt ook een opmerking over de (bijzondere) voorwaarde voor de kroongetuige om de getuigenverklaring af te leggen. De vraag is of deze voorwaarde nodig is naast de (algemene) voorwaarde dat de kroongetuige geen nieuwe strafbare feiten mag plegen. Het niet afleggen van die verklaring is namelijk al strafbaar. De Afdeling adviseert dan ook de meerwaarde van deze voorwaarde nader te onderbouwen, mede in het licht van het stelsel van voorwaardelijke straffen.
Daarnaast maakt de Afdeling een opmerking over het niveau van regelgeving waarin de rechten en plichten van de kroongetuige in het kader van de getuigenbescherming worden vastgelegd. In de toelichting worden enkele onderwerpen genoemd die nader zullen worden geregeld in een nieuw Besluit getuigenbescherming. Niet wordt toegelicht waarom deze onderwerpen op een lager niveau dan de wet worden geregeld. Aangezien de getuigenbescherming een belangrijk onderdeel is van de kroongetuigenregeling, is het noodzakelijk dat deze toelichting alsnog wordt gegeven.
Ten slotte adviseert de Afdeling om een overgangsbepaling aan het wetsvoorstel toe te voegen.
In verband met deze opmerkingen is aanpassing wenselijk van de toelichting en van het wetsvoorstel.
1. Inleiding
Het wetsvoorstel strekt tot verbetering van de in 2006 in werking getreden kroongetuigenregeling. (zie noot 1) Op grond van deze regeling kunnen de officier van justitie en een verdachte afspreken dat de verdachte een getuigenverklaring aflegt in een strafzaak tegen een andere verdachte in ruil voor het eisen van een lagere straf bij de rechter. (zie noot 2) Deze verdachte treedt dan als ‘kroongetuige’ op in de strafzaak tegen de andere verdachte. (zie noot 3) De rechter beslist uiteindelijk altijd over de daadwerkelijk op te leggen straf. De officier van justitie kan een dergelijke afspraak ook sluiten met een veroordeelde. Deze ‘veroordeelde-kroongetuige’ krijgt dan in ruil voor zijn verklaring strafvermindering via een verzoek tot gratie. (zie noot 4) In de procedure voor het verlenen van gratie neemt de minister van Justitie en Veiligheid uiteindelijk een beslissing op het verzoek tot gratie. De officier van justitie brengt na het maken van afspraken met de kroongetuige dan een positief advies uit tot vermindering van de opgelegde straf. (zie noot 5) De kroongetuigenregeling ziet daarnaast op afspraken die de officier van justitie met de kroongetuige kan maken over de bescherming van de veiligheid van de kroongetuige. (zie noot 6)
De kroongetuigenregeling is een van de meer verstrekkende instrumenten binnen het strafproces, en niet onomstreden. Iemand die zelf wordt verdacht van of schuldig is bevonden aan een of meer strafbare feiten krijgt immers bepaalde voordelen toegezegd, in ruil voor samenwerking met justitie in een strafzaak tegen een andere verdachte. Dit brengt onder andere risico’s met zich mee voor de betrouwbaarheid van de door de kroongetuige afgelegde verklaring. (zie noot 7) Daar tegenover staat echter het maatschappelijk belang van de inzet van kroongetuigen: met de verklaring van de kroongetuige kan effectief worden opgetreden tegen zware en/of georganiseerde criminaliteit en ondermijning. Met name bij georganiseerde criminaliteit en ondermijning is gebleken dat bewijsmateriaal veelal niet op vrijwillige basis ter beschikking wordt gesteld en getuigen niet steeds bereid zijn een verklaring af te leggen. (zie noot 8)
Inmiddels zijn er knelpunten in het kader van de uitvoering van de kroongetuigenregeling geconstateerd die naar het oordeel van de wetgever verbetering behoeven. Deze knelpunten zijn onder andere de beperkte wettelijke mogelijkheden voor de inzet van kroongetuigen, het ontbreken van een duidelijk richtinggevend normatief kader voor afspraken over getuigenbescherming en het ontbreken van voldoende waarborgen om de nakoming van de kroongetuigeovereenkomst door de kroongetuige te garanderen.
Het wetsvoorstel geeft uitvoering aan verschillende verbetervoorstellen, zoals het verbreden van de mogelijkheid voor strafvermindering en het steviger verankeren van de gevolgen van het niet nakomen van de kroongetuigenovereenkomst. Hiermee is volgens de toelichting beoogd om de kroongetuigenregeling effectiever uit te kunnen voeren. Daardoor kan de georganiseerde misdaad doeltreffender worden bestreden, net als de ernstige ondermijnende effecten daarvan. (zie noot 9)
Eén van de verbetervoorstellen betreft ook de wettelijke inkadering van de getuigenbescherming. Getuigenbescherming gaat niet altijd alleen over de bescherming van de kroongetuige zelf, maar ook over de bescherming van zijn naasten, zoals familie en soms ook adviseurs. In dit verband wordt verwezen naar de moorden op de broer, advocaat en adviseur van de kroongetuige in het Marengo-proces. (zie noot 10)
In het kader van de getuigenbescherming wordt voorts de wettelijke grondslag verruimd om bij algemene maatregel van bestuur (het Besluit getuigenbescherming) praktische maatregelen en de procedure rond het treffen van getuigenbeschermingsmaatregelen nader te regelen. (zie noot 11) Dit besluit zal in een later stadium aan de Afdeling worden voorgelegd.
Leeswijzer
In het navolgende gaat de Afdeling allereerst in op de beoogde inzet van de kroongetuigenregeling (punt 2) en op de afweging over de vraag of de kroongetuigenregeling ook opengesteld kan worden voor (mogelijk) levenslang gestraften (punt 3). Vervolgens bespreekt de Afdeling de (bijzondere) voorwaarde dat de kroongetuigenverklaring moet worden afgelegd (punt 4). Daarna maakt de Afdeling een opmerking over het niveau van regelgeving waarin de rechten en plichten van de kroongetuige in het kader van de getuigenbescherming worden vastgelegd (punt 5). Tot slot maakt de Afdeling een opmerking over het overgangsrecht (punt 6).
2. Beoogde inzet van de kroongetuigenregeling
De kroongetuigenregeling kan volgens de wet worden gebruikt om afspraken te maken met kroongetuigen van wie de getuigenverklaring ziet op misdrijven die zijn genoemd in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), het misdrijf gepleegd is in georganiseerd verband en het misdrijf vanwege zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Daarnaast kan de regeling worden ingezet als de getuigenverklaring ziet op misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. (zie noot 12) De praktijk heeft echter uitgewezen dat de kroongetuigenregeling alleen toegepast is bij de eerste soort misdrijven, dus in de context van de georganiseerde misdaad. (zie noot 13)
De kroongetuigenregeling was oorspronkelijk bedoeld om verdachten van ernstige strafbare feiten te kunnen veroordelen dankzij de verklaring van getuigen die verdacht worden van of veroordeeld zijn voor lichtere delicten (‘de kleinere vissen’). (zie noot 14) In de praktijk zijn echter vooral afspraken gemaakt met kroongetuigen die werden beschuldigd van ernstige delicten (de ‘grotere vissen’). (zie noot 15) De verklaring die hiervoor wordt gegeven, is dat de huidige kroongetuigenregeling slechts ruimte geeft voor een strafvermindering van maximaal de helft van de straf die de officier van justitie overwoog te eisen. (zie noot 16) Dit maakt de regeling interessant voor degenen die een (hele) lange gevangenisstraf opgelegd zouden kunnen krijgen of hebben gekregen.
Het wetsvoorstel beoogt de kroongetuigenregeling aantrekkelijker te maken door de maximaal toe te zeggen vordering tot strafvermindering te verruimen. Voorgesteld wordt dat maximaal het volledige onvoorwaardelijke gedeelte van een vrijheidsstraf in een voorwaardelijk gedeelte kan worden omgezet. (zie noot 17) Dit kan alleen worden toegepast als de officier van justitie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wil vorderen van maximaal zes jaar. Voor al veroordeelde kroongetuigen geldt deze ruimere strafvermindering ook via het advies de officier van justitie over de voorwaardelijke gratie zal geven. (zie noot 18)
Deze verruimde mogelijkheid om een lagere straf bij de rechter te eisen is bedoeld voor de zogenaamde ’facilitators’ en voor personen die zelf een - relatief gezien - kleinere rol innemen in een crimineel netwerk. Facilitators zijn volgens de toelichting personen die vanuit een legale beroepspraktijk betrokken zijn geraakt bij ernstige criminele activiteiten zoals bijvoorbeeld een boekhouder, notaris of havenmedewerkers. (zie noot 19)
De Afdeling heeft begrip voor de wens van het kabinet om gezien de ernst van de georganiseerde en ondermijnende criminaliteit te komen tot een verbetering en uitbreiding van de kroongetuigenregeling. Zij merkt echter op dat uit de toelichting niet duidelijk valt op te maken wat de beoogde inzet is van de kroongetuigenregeling na inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Voor een effectieve uitvoering en evaluatie van de regeling is verduidelijking op dit punt noodzakelijk. In de toelichting wordt namelijk aangegeven dat het doel van het wetsvoorstel is om tot een effectievere uitvoering van de kroongetuigenregeling te komen, en niet tot een veel frequentere. De reële verwachting van de wetgever is dat als gevolg van dit wetsvoorstel niet veel extra kroongetuigen zullen worden ingezet. (zie noot 20) Tegelijkertijd beoogt het wetsvoorstel de kroongetuigenregeling aantrekkelijker te maken voor de kleinere vissen. Dit is een ander type kroongetuige dan het type dat nu in de praktijk wordt bereikt. Als het de bedoeling van de wetgever is dat zowel afspraken worden gemaakt met beide doelgroepen, dan is het waarschijnlijk dat de regeling frequenter gebruikt kan gaan worden.
De Afdeling merkt daarnaast op dat het wetsvoorstel zich qua doelstelling primair richt op de georganiseerde misdaad en de ondermijnende effecten daarvan. De nieuwe strafverminderingsgrond is bedoeld voor ‘getuigen die zelf van relatief minder ernstige strafbare feiten worden verdacht, maar die wel over cruciale informatie beschikken over het criminele netwerk, de rol van kopstukken daarin, de criminele activiteiten en de bijbehorende geldstromen.’ (zie noot 21) De kroongetuigenregeling kan echter ook worden toegepast op getuigen die willen verklaren over misdrijven waarbij geen verband is met georganiseerde misdaad. Als een niet veel frequentere toepassing van de kroongetuigenregeling is beoogd, lijkt de ruimte voor toepassing op dit laatste type kroongetuigen nog maar beperkt. Niet duidelijk is of dit gevolg ook is beoogd.
Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling in de toelichting nader in te gaan op de doelgroepen en de frequentie die met de aangepaste kroongetuigenregeling worden beoogd en bij welk soort misdrijven de regeling kan worden ingezet.
3. Kroongetuigenregeling bij (mogelijk) levenslang gestraften
Het is naar huidig recht niet mogelijk om de kroongetuigenregeling toe te passen op een verdachte die een levenslange gevangenisstraf boven het hoofd hangt. (zie noot 22) De wetgever achtte strafvermindering voor dergelijke verdachten onaanvaardbaar, onder de aanname dat een levenslange gevangenisstraf alleen wordt overwogen in uitzonderlijke gevallen waarin de rechtsorde zeer ernstig geschokt is. (zie noot 23) In het rapport Crijns wordt opgemerkt dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit ook opgaat voor veroordeelden met een levenslange gevangenisstraf, maar dat dit niet expliciet uit de wet en wetsgeschiedenis blijkt. (zie noot 24)
In het rapport Crijns wordt de wetgever opgeroepen om nogmaals na te gaan of toepassing van de kroongetuigenregeling gerechtvaardigd kan zijn bij (mogelijk) levenslang gestraften. Hierbij kan volgens de onderzoekers worden meegenomen dat de laatste decennia de aantallen opgelegde gevangenisstraffen gestegen zijn, en de bestaande kroongetuigenregeling vooral aantrekkelijk lijkt te zijn voor verdachten die beschuldigd worden van ernstige misdrijven. Daar komt bij dat deze mogelijkheid wel bestaat in andere landen die zijn onderzocht, te weten Canada, Duitsland en Italië. Volgens de onderzoekers moet in ieder geval duidelijker uit het wettelijk kader blijken welk standpunt wordt ingenomen. (zie noot 25) Het Openbaar Ministerie heeft in reactie op het wetsvoorstel laten blijken te willen doorpraten over het maken van afspraken met levenslang gestraften. (zie noot 26)
In de toelichting wordt niet ingegaan op het vraagstuk of de kroongetuigenregeling open moet staan voor (mogelijk) levenslang gestraften. Dit terwijl het openstellen van de kroongetuigenregeling voor deze groep een middel kan zijn om de georganiseerde misdaad effectiever te bestrijden en daarmee het doel van het wetsvoorstel beter te bereiken. Het verdient dan ook de aanbeveling dat het al dan niet openstellen van de regeling tot levenslang gestraften in de toelichting expliciet wordt afgewogen, en daarbij in te gaan op de positie van de reeds met een levenslange gevangenisstraf veroordeelde kroongetuige.
De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de vraag in hoeverre het wenselijk is de toepassing van de kroongetuigenregeling uit te breiden naar (mogelijk) levenslang gestraften, en zo nodig het wetsvoorstel hierop aan te passen.
4. Het afleggen van de getuigenverklaring als (bijzondere) voorwaarde
Eén van de knelpunten waar het wetsvoorstel aan tegemoet wil komen betreft het nakomen van de kroongetuigenovereenkomst door de kroongetuige. Het huidige wettelijke kader biedt volgens de toelichting onvoldoende waarborgen om te garanderen dat de kroongetuige de gemaakte afspraken nakomt na de omzetting van zijn onvoorwaardelijke straf in een voorwaardelijke straf of na zijn gratieverlening. De kroongetuige pleegt dan bijvoorbeeld toch nieuwe strafbare feiten of legt geen verklaring af in de nog lopende strafzaak tegen de andere verdachte. Het wetsvoorstel voorziet op dit punt in betere waarborgen door de gevolgen van de niet naleving van de voorwaarden van een kroongetuigenovereenkomst steviger wettelijk te verankeren. (zie noot 27)
Concreet wordt voorgesteld om wettelijk twee voorwaarden vast te leggen voor de kroongetuige bij de voorwaardelijke gevangenisstraf en voorwaardelijke gratie. Ten eerste, de (algemene) voorwaarde dat de kroongetuige zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit. Ten tweede, de (bijzondere) voorwaarde dat de kroongetuige de getuigenverklaring moet afleggen. (zie noot 28) Dit is de verklaring die de kroongetuige moet afleggen in de strafzaak tegen een andere verdachte. Daarnaast wordt voorgesteld om de proeftijd die geldt voor deze beide voorwaarden wettelijk vast te leggen, met daarbij een langere duur dan geldt in het huidige stelsel van de voorwaardelijke veroordeling en voorwaardelijke gratie. Voortaan is de duur van de proeftijd gelijk aan de duur van het voorwaardelijk gedeelte van (het restant van) de gevangenisstraf, met een minimumduur van drie jaar en een maximumduur van tien jaar. (zie noot 29)
Uit de voorgestelde wettelijke bepalingen blijkt niet eenduidig dat de voorwaarde dat de kroongetuige de getuigenverklaring moet afleggen ook gebonden is aan de proeftijd. (zie noot 30) De Afdeling gaat ervan uit dat dit wel zo is bedoeld. (zie noot 31) Zij wijst er op dat het moment waarop de verklaring moet worden afgelegd niet noodzakelijk valt binnen de wettelijk vastgelegde proeftijd. De strafzaak (inclusief een vervolg in hoger beroep en cassatie) tegen de andere verdachte kan immers langer duren dan die proeftijd. De kroongetuige kan dan niet binnen de proeftijd voldoen aan de voorwaarde.
Bovendien is het niet afleggen van de getuigenverklaring strafbaar en valt het daarmee onder de voorgestelde (algemene) voorwaarde dat de kroongetuige voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten mag plegen. Volgens artikel 192, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, is een kroongetuige namelijk strafbaar als deze na een overeenkomst met de officier van justitie wettelijk als getuige wordt opgeroepen en opzettelijk niet voldoet aan zijn verplichting te verklaren. In de toelichting is deze overlap niet onderkend.
De Afdeling adviseert de meerwaarde van de (bijzondere) voorwaarde dat de kroongetuige daadwerkelijk een verklaring moet afleggen te onderbouwen in de toelichting, of zo nodig het wetsvoorstel aan te passen.
5. Niveau van regelgeving bij getuigenbescherming
In het wetsvoorstel wordt de getuigenbescherming wettelijk ingekaderd. Zo wordt de bijzondere zorgplicht van de Staat vastgelegd voor de bescherming van de kroongetuige en van andere personen die in nauwe betrekking tot de kroongetuige staan. Ook wordt het recht op bijstand van een kroongetuige door een advocaat en de geheimhoudingsverplichting van de kroongetuige vastgelegd. (zie noot 32) Volgens de toelichting zullen een aantal andere onderwerpen in een nieuw Besluit Getuigenbescherming worden geregeld, zoals de kring van personen die in aanmerking komen voor beschermingsmaatregelen, het type beschermingsmaatregelen, rechten en plichten van de bedreigde persoon en de Staat, de financiële vergoeding en het wijzigen of beëindigen van de beschermingsmaatregelen. (zie noot 33) De Afdeling maakt uit de toelichting op dat de vrijwilligheid van de getuigenbeschermingsmaatregelen ook in dit besluit zal worden geregeld, nu dit niet in het wetsvoorstel is opgenomen.
De Afdeling merkt op dat in de toelichting een afweging mist waarom voornoemde onderwerpen niet in de wet worden opgenomen, maar in een besluit. De getuigenbescherming heeft een nauwe relatie met de kroongetuigenregeling, omdat kroongetuigen in veel gevallen een zekere mate van getuigenbescherming nodig hebben nadat zij getuigenverklaringen afleggen. Het kan dan ook aangewezen zijn om vooral de rechten en plichten die de kroongetuige toekomen in de wet vast te leggen, zodat het belang hiervan beter tot uitdrukking komt. Daarbij wijst de Afdeling erop dat voornoemde onderwerpen als structurele elementen van de regeling kunnen worden aangemerkt, waardoor deze in de wet zouden moeten worden geregeld. (zie noot 34)
De Afdeling adviseert in de toelichting dragend te motiveren waarom voornoemde onderwerpen niet in de wet, maar in een besluit worden vastgelegd. Als die motivering niet kan worden gegeven adviseert de Afdeling het wetsvoorstel aan te passen.
6. Overgangsrecht
In het wetsvoorstel is niet voorzien in overgangsrecht en in de toelichting is evenmin onderbouwd waarom hiervan is afgezien. Hierdoor is niet inzichtelijk of het invoeren van overgangsbepalingen noodzakelijk is. (zie noot 35) Ook heeft het wetsvoorstel als gevolg hiervan onmiddellijke werking. (zie noot 36) Het wetsvoorstel wijzigt echter de toepassing en kaders van de huidige kroongetuigenregeling. Hierdoor is het niet uitgesloten dat er gevolgen zijn voor de bestaande rechtssituaties. Het verdient de aanbeveling om daarvoor een overgangsbepaling op te nemen, zodat inzichtelijk is voor welke gevallen de nieuwe regels zullen gelden.
De Afdeling adviseert een overgangsbepaling aan het wetsvoorstel toe te voegen.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.
De waarnemend vice-president van de Raad van State
Voetnoten
(1) Stb. 2005, 254 en 255 en Stb. 2006, 150
(2) De rechter-commissaris toetst voorafgaand aan de totstandkoming van de kroongetuigenovereenkomst de rechtmatigheid van de afspraak, artikel 226h Wetboek van Strafvordering (Sv).
(3) Artikelen 226g t/m 226j Sv en artikel 44a Wetboek van Strafrecht (Sr).
(4) Artikel 226k Sv.
(5) Artikel 4 Gratiewet.
(6) Artikel 226l Sv en het Besluit getuigenbescherming.
(7) J.H. Crijns, M.J. Dubelaar & K.M. Pitcher, Collaboration with Justice in the Netherlands, Germany, Italy and Canada. A comparative study on the provision of undertakings to offenders who are willing to give evidence in the prosecution of others, Leiden University, 2017, p. 13.
(8) Memorie van Toelichting, I. Algemeen Deel, paragraaf 1. Inleiding.
(9) Memorie van Toelichting, I. Algemeen Deel, paragraaf 1. Inleiding.
(10) Bewaken en beveiligen, lessen uit drie beveiligingssituaties (Rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, februari 2023).
(11) Voorgesteld artikel 226l, achtste lid, Sv. Zie ook Memorie van Toelichting, Algemeen Deel, Paragraaf 2.2 Tekortkomingen huidige kroongetuigenregeling.
(12) Artikel 226g lid 1 Sv en artikel 226k Sv.
(13) Crijns, Dubelaar & Pitcher, 2017, p. 361.
(14) De terminologie ‘kleine vissen’ en ‘grote vissen’ is ontleend aan het rapport Crijns. Zie Crijns, Dubelaar & Pitcher, 2017, p. 148.
(15) Crijns, Dubelaar & Pitcher, 2017, p. 148. Uit dit rapport blijkt dat tot 2016 de kroongetuigenregeling voor zover bekend slechts in drie zaken is toegepast (waaronder de Passage zaak), zie p. 86-87. Voor de periode daarna is bekend dat in ieder geval een kroongetuigenverklaring beschikbaar is het onderzoek naar Caloh Wagoh en in het Marengo-onderzoek, zie T. Willemse, R.A.D. Jansen & D.A.G. van Toor, Over de toekomst van de kroongetuigenregeling, NTS 2024/04, p. 22,
(16) Crijns, Dubelaar & Pitcher, p. 148, 151.
(17) Voorgesteld artikel 44a, derde lid, Sr.
(18) Onder de huidige kroongetuigenregeling kan de officier van justitie toezeggen dat deze bij de indiening van een verzoekschrift om gratie een positief advies tot vermindering van de opgelegde straf met maximaal de helft zal uitbrengen. Met het wetsvoorstel wordt ‘maximaal de helft’ geschrapt. Zie voorgesteld artikel 226k Sv.
(19) Memorie van Toelichting, Artikelsgewijze Toelichting, Artikel I (Wijziging artikel 44a Wetboek van Strafrecht).
(20) Memorie van Toelichting, I. Algemeen Deel, paragraaf 5. Uitvoeringsconsequenties, en paragraaf 6. Financiële gevolgen.
(21) Memorie van Toelichting, I. Algemeen Deel, paragraaf 2.2. Tekortkomingen huidige kroongetuigenregeling, en II. Artikelsgewijze Toelichting, Artikel I (Wijziging artikel 44a Wetboek van Strafrecht).
(22) Artikel 44a, tweede lid, Sr.
(23) Kamerstukken II 2008/09, 26294 nr. 3, p. 26.
(24) Voor deze veroordeelden beperkt de wet de strafvermindering in het kader van de kroongetuigenregeling niet tot tijdelijke gevangenisstraffen, zie Crijns, Dubelaar & Pitcher, p. 58, 362.
(25) Crijns, Dubelaar & Pitcher, p. 362-363.
(26) Consultatiereactie OM 12 augustus 2025, p. 4.
(27) Memorie van Toelichting, I. Algemeen deel, paragraaf 2.2 Tekortkomingen huidige kroongetuigenregeling.
(28) Voorgesteld artikel 44a, vijfde lid, Sr, en voorgesteld artikel 13, eerste en vijfde lid, Gratiewet.
(29) Voorgesteld artikel 44a, zesde lid, Sr en voorgesteld artikel 14, tweede lid, Gratiewet.
(30) Zie voorgesteld artikel 44a, vijfde lid, Sr, waarin alleen aan de (algemene) voorwaarde om zich niet schuldig te maken aan een strafbaar feit een proeftijd lijkt verbonden. Zie echter tevens voorgesteld artikel 13, vijfde lid, Gratiewet in samenhang met voorgesteld artikel 14, tweede lid, Gratiewet, waarin aan alle voorwaarden een proeftijd is verbonden.
(31) Zie de Memorie van Toelichting, I. Algemeen deel, paragraaf 3.4, derde alinea.
(32) Zie het voorgestelde artikel 226l Sv.
(33) Memorie van Toelichting, I. Algemeen Deel, paragraaf 3.2 Wettelijke inkadering van de getuigenbescherming (wijziging artikel 226l Sv).
(34) Zie aanwijzing 2.19 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
(35) Zie aanwijzing 5.59 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
(36) Zie aanwijzing 5.61 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.